Skip to main content

Full text of "Kabinet der Natuurlyke Historien, Wetenschappen Konsten en Handwerken"

See other formats


tide 4e 
sd A 


ai: 


DE ee en 
KABINET 
IE: DER | / 
NATUURLYKE 


HISTORIEN, 
_ WETENSCHAPPEN, 
KONSTEN 
Ne EN 
HANDWERKEN, 
*__ Voor de Maanden 


JANUARY zen FEBRUARY 1722; 
Perciert en opgeheldert met Kopere Plaaten. 


ZEVENDE DEEL, 


59 Wk 
EN 
Gr 


Tz’"AMSTELDAM,; 


By BALTHAZAR LAKEMAN, 
_Boekverkooper, achter de Nieuwe Kerk, 
over de Molfteeg. 1722, 


h & pe ki \ Rn 8 & 47 eN 
nl We EE 

H On: A, 4 ie: 

Be RR grbaalfst dr za 5 


zld En at ik O ie 


n 
Pd / 
pe pele Jane 7 
Kr sek 
/ elks s 
ie RE | 
fi a 4 / 
is RE ‚ 
dre ties : 
SN met NTR wd 
7 gi wa \ 


SN sf x n c 
rad ï ej Kk ee | Kit LE 


KEA 2 Avat EAG 6 


Ri vd id PL abs Me” zou 
HERCT SAGEN ob 


Dg 8 


VOORREDEN. 


et Erwyl ik ondernomen beb een Natnur= 
be Uyke Hiftorie vande Lucht te fchryven, 
te) zal het niet ondienftig zyn, indie zel 
206 we finkjes van het Kabinet , zodanige 
Konften en Handwerken te verhandelen , dewele 
ke veel betrekkinge op de lucht hebben. Het ge- 
beurd dikwils, dat een Konftenaar aan de hoe- 
danigheid van de ueht van bet Land daar by in 
woord komt toe te fchryven de dingen, dewelke 
hem zo wel niet gelukken als zyn Konft-genoten 
die in andere Steden of LandJchappen woonen; 
daar ondertuffchen ziet de lucht / maar zyne on- 
kunde de oorzaak is , dat andere hem voorby 
flreven. Dit gaat echter niet door over alles; 
want zommige Konften konnen niet zo gelukkig 
in de eene lucht als wel in de andere geoeffent 
worden. Beide deze aanmerkingen hebben plaats 
in de Verw-konft. Zommige van onze Werwers 
befchuldigen in verfcheide gevallen de hoedanig- 
beid van onze lucht, alfchoon dezelve in die ge- 
vallen geen nadeel komt te doen ; en het is aan 
de andere kant de waarbeid , dat zommige ko= 
leuren niet zo beflendig , en zommige niet zo 
fèhoon konnen gemaakt worden in het eene Land- 
fehap en lucht als in de andere. Dit heeft my 
bewogen, oyn, benevens de Natnurlyke Hiftorie 
van de Lucht, ook te gelyk de Verw-kunft te be- 
JSehryven. Maar aan de Verw-kanft kan nooit 
grooter ophelderinge en licht gegeven worden, 
als door de naanwkeurige befchryvingen van de 
verwe=ftoffen en de materien , dewelke in de 
Verwekunft te pas komen , en daaalyks gebruikt 
ng wars 


TIVO: O R RE D/E Ni '7 
worden. Daarom heb ik een aanvang gemaakt 
met de vermaarde verw-flof Indigo genaamt. 
Jk heb de Nataurlyke Hiflorie van de Indigo 
wat uitgeftrekter befchreven, om dat dezelve in 
de Verw-konft zeer veel te pas komt: om dat de- 
zelve het fondament van de Blaauw-kuip is be= 
gevens de Paftel, en om dat met dezelve een 
grooten Koophandel gedreven word. Maar de 
Natuurlyke Hiftorien van de andere verw-flof- 
fen zullen zodanig beknoptelyk voorgeftelt wor- 
den, als eenigzints mogelyk 15 , om zo veel te 
eerder tot de befchryvinge van de Werw-konft 
zelfs te konnen overgaan. ° 

De Verw -konft kan niet geleerd worden uit 
boeken, maar door arbeid , moeite en ondervin= 
dinge in de Werkbuizen der Verwers. Daarom 
zal niemant wit myne befchryvingen over de 
verw-ftoffen en verw-konft, zonder behulp van 
lang gewerkt en verkeert te hebben in de Verwe- 
ryen, de verw-konft konnen leeren, Ik zal al- 
leenlyk maar zo veel opbelderingen tragten te 
geven aan de Meefter Werwers, en aan zomimi= 
ge zaken, dewelke voor haar dikwils zeer dui- 
fer zva, zo veel licht tragten te geven, als my 
mogelyk1s om by deze nutte Konflenaars in een 
goed blaadje te geraken. Want ik fchryf wel 
zeer veel zaken uit liefde en een goed hart voor 
myne Landsgenoten „ maar ook veel zaken om 
eere inte leggen. Ik ben noch zo verre niet ge- 
komen, dat ik my van die ydele glorie kan ont= 
doen, en de Schryvers, die 1n hunne Opdragten 
of Voorredenen anders voorgeven , heb ik novait 
konnen geloven. 

Over eenige Faaren is in Vrankryk een Boekje 

14% 


VOORREDEN. 
in't ligt gegeven, door een uitflekend bekwaam 
Man, onder den Titel van Lie TEINTURIER 
PARFAIT. Dit Boekje is overgezet in het Hoog- 


„duitfch, en met eenige Nooten en Aanmerkingen 
werryktjen wederom in't licht gebragt totFrankfurt 


1703.önder den Titul van Gruudliche Anweifung 
zur Faárbe-kunít, ex dez zelfde Boekje 15 naderhand 


wederom uitgegeven tot Parysin’t Jaar 1716. #2 


drie deelen onder denT itul vanSecretsConcernant 
les Arts & Metiers, enz. Welk laafte een rommel- 
zootje behelft van alderhande dingen, die niet ge- 
noegzaam opgebeldert,maar kwalyk befchreve zyn. 
Gelyk als OPL aanmerkingen en vermeerderin- 
gen van den Duitfcher zeer weinig licht aan den 


_Teinturier Parfait komen by:te zetten. Waarom 


Wy oordeelen, dat tot noch toe geen ander Boek, 
Voor zo veel als wy weten, over de Verw-kanft 
gefchreven is, als het eerfle enn originele kleine 
Boekje van het welke wy gefproken hebben. Als 


ikun in dit Boekje en deszelfs overzettingen, 


vermeerderingen, byvoegzels, zo veel gevonden 
hadde, alsde. Liefhebbers. en. Meefter Verwers 
van noden hebben, om de gebeele Verw-kunft in 
den grond te verfbaan, zoude ik over de Verw- 
konft niet eens gefchreven hebben, Maar in hoe 
verre ik nu alle deze zaaken, meerder opgebel- 
dert en verbetert mag hebben , geef ik aan bet 
oordeel van de verftandige en regtfchape Lezérs , 
dewelke de bovengemelde Boeken, en onze be- 
Sfchryvingen over de verw-flofFen en verw-kunft, 
na dat zy afgebandelt zyn, met malkanderen ko- 

men te vergelyken. 
Het nut en den dienft , dewelke elk Lezer 
zal konnen genieten uit onze Natuurlyke Hiftorie 
van 


VOORREDEN. 


van de Lucht, zullen minder of meerder zyn, 
wa de meerder of minder bekwaamheid, naauw- 
keurigheid, toepaffinge en oplettentheid van den 
Lezer zelfs. Hoe veel ons aan een diepe proef= — 
kundige kennif]e vande lucht gelegen legt, word 
daatlyk openbaar , zo ras als wy ons indagtig 
maaken de gemeenfchap die wy alle met de lucht, 
dewelke wy inademen , in dewelke wy fwem- 
men, en van dewelke wy altyd eenigzints ver- 
vult zyn, dewelke ons omringt , im evengewigt 
houd, en aan alle zyden egaal parft , hebben: 
zo ras als wy aanmerken dat onze gezondheiden 
ziekte vour het grootfte gedeelte van de lucht af= 
hangen; dat de gefteltheid van ons geheele lin 
chaam , zelfs ons naturel en ons verftand door de 
lucht konnen verandert worden; dat onze meefte 
Konft-oeffeningen , Konft-flukken , Handwerken, 
Ambagten en War kaden meerder of minder be- 
trekkinge op de lucht hebben , enz. Ik blyve, 
bekwame Lezer! met veel eerbiedigheid, uw 
toegenege 


WILLEM van RANOUW. 
M, D. 


Amfterdam den 15. 
April 1723. 


Ald 
be 


EA 


IEN AT U UR- 

| SN 

_ KONST-KABINET, 
Voor de Maanden 


JANUARY en FEBRUARY 
bit vaa B, 


Pag. Ë 


Agttiende Verhandeling van de ALG E- 
MEENE Natuurlyke Hiftorifchry= 
DErS, en in dezelwe het vervolg van het 
Kort begryp > en de opheldering der Na- 
tuurlyke Hiftorie , en de Proefkundige 
Wijsbegeerte van ROBERTUS BOYLE, 
Waar in gehandelt word van de LUCHT. 


Ì. 


te E Proeven, die de Hoog waardige Ro= 
RSW Zerzus Boyle, omtrent de gefteltheid 
BEB vande Lucht in ’t werk heeft ge- 
Be telt, zyn zodanig aanmerkelyk, dat 
ik geoordeelt hebbe , dat het aan niemant on= 
aangenaam zal zyn, als wy alles vervolgen en 
naanwkevriglyk befchouwen , wat dien Heer 
VEL Deer, À in 


2 > Natuur- en Konfl-Kabinct, h 


in den meergemelden Brief aan zynen Neef, 
den oudften Zoon vanden Graave van Corke, 
in %t Jaar 1659 gefchreven heeft: Wy hebben — 
(a) gezien, hoe verfcheidentlyk de lucht zich 
inwikkelt, en in verfcheide foorten vanvogten 
werkt. Nu was de Heer Boyle bedagt,of niet 
wel zommige lichamen in hunnebewegingver- 
haaft of vertraagt werden , na dat de lucht, 
waar in dezelve zich bewegen , meerder of min- 
der ingedrongen of verwydertis. Diedegeftelt- 
heid van de flingers naauwkeurig hebben onder- 
zogt, hebben ondervonden, dat.derzelverheen … 
en weer bewegingen, langzamer worden , en 
korter duuren in eer dikker‘ ais in een dunder 
vloeibaar wezen. Daarom heeft de Heer Boyle 
eens willen beproeven, of een flinger niet ra{ler 
en langduuriger zoude bewegen, ín een lucht- 
ledigen Recspient, als in de buiten-lucht, „of ín 
een Recipient die met lucht opgevuld is. ‘Hier 
toe heeft dien Heer een paar klootsgedaantige en 
wel gepolyfte flingers) verkoren ‚die vwan {taal 
en van. eem egaale groote, gemaakt waren leder 
flinger woeg omtrent twintig. dragmaas, „De 
eene flinger wierd gehangen in den Recipieut, 
en na dat de lucht uitgepompt was, in deszelfs 
heen en weder-bewegingen gebragt, zo veel 
als de wydte en de (terkte van den Recipiezt 
toeliet. „De andere flinger wierd aan!eenrdraad 
van dezelfde lengte'in de open lucht gelangen, 
en infgelyks in dezelfde-hoeveelheid van bewe- 

Agha ging 

{ 


(a) Ziet Natuur-en ‚Konft-Kabinet woor, de Maan- 
den ‘November en Deceinber 1721. van pag. 331. tof 


P5- 469. \ il Liv 


January en February 1722. 3 


ging gebragt, in zo verre, dat deze twee gêlyke 
ngers in een egalen afltand hunne heen en weer 
weging volbragten. Een van de omftanders 
telden de wederkeringen van den flinger die in 
den luchtledigen Aecipieat bewoog , terwyl 
een ander van de omfttanders op den zelven tyd 
de wederkeringen van den flinger ‚dewelke zich 
in de open lucht kwam te bewegen, telde; en 


het gebeurde dat de flinger, die in den lucht-- 


_ ledigen Recipient geplaat{t was , twee-en-twintig 
wederkeringen hadden gedaan , terwyl de flin= 
& ger, die in de open lucht geplaat{t was , niet 
meer als twintig wederket ingen hadde volbragt. 
_ Waar uit bleek, dat de wederftreving van de 
Tucht dien flinger zo veel hadde vertraagt , dat 
‚_dezelve, in dezelfde hoeveelheid van tyd twee 
— „wederkeringen minder volbragt, als de flinger 
‚die zich in de lucht-ledige plaats kwam te be= 
‚wegen. Maar wy zouden wel iets op de onzeker- 
_… heid van deze Proef konnen aanmerken , ’t 
__ welk wy tot beter gelegentheid zullen fparen. 


+ 


2e 


le 


Kircherus en verfcheide andere vermaarde 
Mannen „hebben uit hoofde van een Proef, 
die zy daar toe hadden in’t werk geftelt 'ge- 
„ „oordeelt, dat de lucht het middel niet was, 
«waar door.het geluid tot ons gehoor wierd over= 
_ «gebragt, niet tegenftaande de Schoolen en de 
Oude Natuurkundige zulks tot dien tyd hadden 
_vaft geftelt. Maar dat het-geluid tot onsgehoor 
«wierd, gebragt door middel van een ander we- 

_ zen, % welk fynder als de lucht is, De Heer 
dee A2 Boyle 


4 Natuur- en Konft-Kabinet, 


Boyle was echter van gedagten , dat het befluit, 
% welk Kircherus en die Heeren uit hunnen 
Proef hadden opgemaakt, niet al te wel door- 
ging, en dat hunne proef ondervinding zulks 
niet onfeilbaar dicteerde, De Heer Boyle heeft 
dan cen zak -Horologse bekwaamlyk gehangen 
inden Recipiext, en na dat den Recipient wel 
digt gefloten was, konden de omftanders het 
kloppen van den onruft van ’ gemelde Horolv- 
Zie zeer wel hooren , zo lange als de Recipiezt 
vol lucht was; maar zo ras als de lucht uit den * 
Recipieut wierd uitgepompt, verminderde het 
geluid van den onruft van ’t gemelde zak-Horo- 
logie, en na dat al de lucht uit den Kecipzeat « 
was uirgepompt, wierd van niemant, boenaby ° 
het oor ook aan den Recipient geplaaft was, 
eenig geluid meer gehoort , niet tegenftaande 
het uurwerk op dezelfde wyze voortging de mi- 
nuten en vuren aan te wyzen , tot een teken” 
dat het zelve niet ophield te gaan. Maar zo ras - 
als de lucht in den Recipient wederom wierd 
ingelaten, konden de omftanders ook daatlyk 
het geluid van den onruft wederom als van te 
voren hooren, Waar uit klaarlyk bleek, dat 
het afzyn van de lucht uit den Recipieut de oor= 
zaak was, dat het geluid van ’t uurwerk niet 
gehoord was geworden ; en dat de lucht mede 
het voornaamfte middel is, waar door de klan- 
ken aan ons gehoor gebragt worden. Hoewel 
wy echter niet moeten buiten fluiten, een we- 
zen, ’t welk fynder als de lucht is „ ch tot het 
overbrengen der klanken aan ons gehoor, bui- 
ten twyfiel mede zo wel als de-lucht voor een 
middel komt te dienen, 

, De 


Î 


\ 


“Stannary en February 1722. Î 


4 fi 3) - 


De Heer Boyle oordeelt , dat het echter zeer 


aanmerkelyk is , hoe de klank van den onrüft 


1 A 
B hd 
rare 

‘ 


van zodanig een MHorologie, dat in den glazen en 
wel gefloten Recipient geplaatt was , door de 
dikte van ’t glas tot het gehoor kon dringen 5 
te meer, door dien dit glas al vry dik was, Dien 
Heer gelooft, dat door de beweging van den 


<onruft, de ingefloten lucht gedwongen word, 


zodanig kragtig op de binnen-wanden van den 
glazen Recipient te werken, dat daar door de 
buiten-wanden van den Recipiezt, de buiten- 


< … lucht komen te drillen, dewelke hen onmidde- 


Iyk omringt, endezedrilling aan gehoor over- 
brengt. Maar ’t is zeker, dat buiten en behal= 
ven de lucht , ook noch een ander wezen, ’t 
welk veel fynder en dunder ais de lucht is, 
voor een middel verftrekt, omde klank aan ons 
gehoor Over te brengen. Om de gemeenfchap 
van de lucht en de klank noch nader te ontdek- 
ken , heeft de Heer Boyle een fchel aan een 


„ haakje in den Receptezt gehangen. Zo ras als 


de Recspieut wel gefloten was, wierd de klank 
van de fchel doffer, ’t welk door de tuffchen- 
komfte van het glas van den Recipient noodza- 
kelyk moefte volgen. Maar niet tegen{taande 
naderhand de lucht uit den Recipient wierd uit- 
gepompt , konde de Heer Onderzoeker geen 


“merkelyk onderfcheid in den klank gewaar 


worden. Waar uit de Heer Boy/e eindelyk ont- 
dekte, dat nict tegen{taande de lucht het voor- 
naamfte middel van den klank is, ook nog een 
ander wezen, dat veel fynder dan de lucht zy, 

Ä 3 voor 


6 Natuur-en Konfl-Kabinet, 


voor een middel van den klank kan geftelt 


worden. Ik oordeel, dat wy onderfcheid die- : 


nen te maken , ten opzigte van de verfcheide 
lichamen , verfcheide oorzaken en omftandig- 
heden, waar door verfcheide foorten van klan- 
ken, op een verfcheide wyze , worden voort- 
gebragt; want eenige klanken hebben de lucht 
(dewelke wy inademen ) veel meer nodig om 
aan ons gehoor gebragt te worden, als ande- 
ren, die wederom beter door middel van cen 
wezen dat fynder als de lucht is, aan ons ge- 
hoor worden overgevoert. Dit blykt zelfs ook 
openbaarlyk aan de twee bovengemelde Proe- 
ven ; want de klank van den onruft van’ zak- 
Hrolagie verminderde in den lucht-ledigen Re- 
cipient 10 teer, dat dezelve miet meer gehoort 
wierd, daar ondertuflchen geen onderfcheid in 
den klank van de fchel, in den lucht-ledigen 
Recipiezt gehoort wierd. Het geluid van de 
vuur-fteen op het (taal van een vuur-flot van 
een zak-piltool, was wederom veel doffer in 
den lucht-ledigen Recipient als in de lucht, ge= 
lyk‚ook verfcheide andere klanken , waar van 
zommige geheel niet gehoort wierden , en zom= 
mige zeer wierden vermindert, zo ras als de 
lucht uit den Recipient uitgeligt wierd. 


4. 

Inde Verheveling-kunde zyn verfcheïde zwa- 
righeden , waar over de Natuurkundige on- 
der malkander dikwils niet eensgezint zyn: ge- 
Iyk onder anderen , by voorbeeld, wat -dienft 
eigentlyk de lucht in de opheffingen van de daîn- 
pen en uitvloeyzels bb dewelke uit het TE 

Fy 


SYannary en February 1722. à 
ryk in den Dampkring komen op te klimmen ; 
te weten , of dezeive door de kragt vaneen po= _ 


‚ fitive ligtheid, die'hanne luchtagtige natuur als 


„aangeborenis, naar boven werden gedreven ;om 
dat zy door die lichtheid niet alleen door. ver- 
fcheide geweften van den dampkring komen 
te dringen, maar ook de wederftrevingen des 
dampkrings daar door te boven,komen ; dan 
liever, of deze dampen en uitvloeyzels , nadat 


‚Zy door hunne eige geitatie eenmaal boven de 


gronden verheven zyu geworden, van de lucht 


… zelfsonderfteunt worden, in zo verre, dat de 


lucht in hunnen optogt naar boven , meerder 
zoude dienen tot hun onderfteuning en hulpmid 

del, alstot een beletzel. Om de opryzing van 
de dampen naar boven dan beter te begrypen;, 
en op te helderen , ‘heeft de Heer. Boyle een 
zeker byzonder vogt bedagt, Dit vogt beftond 
voor het grootfte gedeelte uit metalen, ‘en ver« 
volgens uit deelen die niet ligt „maar zeer zwaar 
zyn.’ Dit vogt was van die natuur ; dat hèt zel- 
ve zeer helder en doorfehynend was, z0' lang 


als heeflesje „ daar het zelve in gehouden wierd’, 


lucht-digt of gefloten was. Maar zo ras als het 
ftopje van dit flesje afgeligt wierd , en dat daar 


_door de buiten-lucht toegang hadde tot hét ge= 


melde vogt, wierp dit vogt zodanig een grooten 
overvloet van dampen uit , dat niet alleen het 


ledige gedeelte van het flesje daar door als met 


een dikke nevel vervult wierd , maar dat zich 
een geheele dikke wolk vertoonde, van’ den 
damp die uit het flesje în de lucht uitvloeide, 
en die zodanig dik en zwaar was, als of dezelve 
uit fyn poeder van albaft , dat in de lucht ge 
Ä 4 ftrooit 


8 Natuur- en Konft-Kabinet, 


ftrooit is, hadde beftaan. De zware uitroking 
van dit vogt, duurde zo lang , tot dar het flesje 
wederom gefloten , en den toegang vande bui- 
ten-lucht belet wierd, Ik zal van dezen roken- 
den geeft op een anderen tyd handelen. 


$. 

Dit flesje (telde de Heer Boyle in den Reci- 
prent, na dat het zelve met een kurkjedigt toe- 
geflopt was. Na dat nu de lucht uit den Rect- 
prent was uitgepompt, wierd door middel van 
een draadje, dat aan dit kurkje en ’t bovenfte 
ftopje van den Recipient valt was , het kurkje 
uit het flesje geligt, zonder dat echter de bui- 
ten-lucht ín den lucht-ledigen Recipiezt konde 
dringen. Zo ras als nu het kurkje van’ flesje 
was afgeligt, vertoonde zich wederom een wit- 
te damp, of rook , die uit het flesje in den lucht- 
„ledigen Recipient oprees. Deze damp wierd 
veroorzaakt door de lucht, die in % flesje zelfs 
was; want, om dat het flesje niet geheel met 
het gemelde vogt vervult was, was ook noch 
een gedeelte lucht te gelyk in ’t zelve. Dit ge= 
deelte lucht moeft noodwendig uit het flesje 
opryzen in den Recipieut, 10 ras als het kurkje 
van ’t zelve wierd afgeligt, om dat de lucht uit 
den Recipient uitgepompt was, Maar dit klein 
gedeelte lucht was zo gering, ten opzigte van 
de groote ruimte vanden Kecipiezt , dat het zel- 
ve om deszelfs verdunnig niets konde uitregten 
tot onderfteuning van den damp, die met de- 
zelve uit het flesje in den Reciptent oprees. Dit 
was de oorzaak, dat die damp oak niet zoda= 
nig in de hoogte kwam op te ryzen, gelyk de- 

zelve 


Sannary en February 1722. 9 


zelve in de open, lucht gewoonlyk kwam te 
doen , maar in tegendeel even uit den mond 
van het flesje opklom, en als lekkende langs 
de buiten-randen van het flesje nederdaal- 
de naar den grond van den Reciprezt , inde plaats 
van naar de hoogte. Hier uit ontdekte de Heer 
Boyle, dat de dampen, gerezen zynde in een 
wezen, ’t welke lichter en fynder is als zy zelfs 
zyn, konnen nederzakken ,op die wyze als het 
water , dat in de bovenfte geweften van den 
dampkring , daar de lucht zeer licht ‚dun en fyn 
is, en onder de gedaante van een fyne en onzicht- 
bare uitwazeming, opgerezen zynde,onder de ge- 
daante van een regen komen neder te vallen, 
Maar of de opryzing van de dampen, die uit 
het aardryk naar, de hoogte vloeyen, door deze 
Proef kan opgeheldert worden, is een zaak die 
de Heer Boyle aan ’t oordeel van andere over- 
laat. Dit is ten minften zeker , dat de damp - 
van dit flesje in de lucht-ledige plaats naar be- 
neden zakte , en in de open lucht in tegendeel 
kwam op te ryzen, en zich alom, gelyk een 
wolk te verfpreiden. 


6. 

Om deze zaak voor den Lezer een weinig op 
te helderen, ftaat aan te merken; dat wy het 
opryzen van een rook of damp naar de hoogte 
altyd niet moeten toefchryven aan de dikte of 
dunte, ligtheid of zwaarheid van de lucht, of 
dat wezen, in en waar door zodanig een damp 
koint om te zwerven ; ook kan een rook o£ 
damp wel in de hoogte door de lucht opryzen , 
al word deszelfs opryzing van de lucht niet on= 

As der 


AET OE ee ee 


1 


fo Natuur-en Konft-Kabinet, 


„derfteunt, of geholpen; als wy maar begrypen, 
dat de oorzaak , waar door zodanig een rook 
of damp bewogen word, kragtig genoeg is om 
dezelve op te ftooken. In ’t opryzen van de 
uitvloeizels en wvapezren, die uit het aardryk tot 
in de hoogfte geweften van de lucht of vaa den: 
dampkring opklimmen , moeten wy voorna- 
mentlyk agt geven op de kragtige werking van 
het onderaard{che vuur; buiten en behalven de 
hette, dewelke de zon op zommige deelen van 
den aardbodem veroorzaakt, Dat het vuur kragt 
genoeg heeft om de dampen ín de hoogte op te 
ftoken , blykt openbaarlyk ín ’t werk van de 
Deftillatie, Het kwikzulver iseen lichaam van 
een ongemeene zwaarte, echter zien wy dat het 
vuur kragtig genoeg is, om’ zelve in de gedaan- 
te van een damp naar de hoogte op te (token. 
De oly van vitriool is naalt de kwik een van de 
zwaarfte vogten dewelke bekent zyn , echter 
kan het vuur dezelve in de hoogte opvoeren. 
De uitvloeizels en dampen ryzen uit het aard- 
tyk naar boven, juift tot zodanig een hoogte, 
als de werking en voortftuwing van het onder- 
aardfche vuur en de hette komt toe te reiken. 
Daar de voort{tuwende kragt van het onder- 
aardfche vuur en de hette des aardryks komen te 
eindigen, worden de wolken geboren. Alsde 
deelen, die een rook of damp uitmaaken „door 
de kragt van hunne haart{teden niet langer op= 
getilt worden, zakken zy wederom naar bene- 
den, zo ras als zy in een en het zelfde volumez 
meerder zwaatte komen te verkrygen, als de 
lucht, waar in zy komen om te zwerven. Elk 
vloeibaar lichaam komt zich altyd te huisveften 
$ naar 


…_Sanuary en February 1722. Ii 


naar zyn fpectfigue 1waarte, ten opzigte vande 
andere vloeibare wezens, waar onder het zelve 
zich komt te bevinden, 


7 
„De waarheid van deze redenwikking, word 
door de volgende Proef van den Heer Boyle 
klaarlyk beveftigt. De Heer Buyle heeft een ftuk 
brandend lont in een Recipiezt gehangen. Na 
dat nu dezen Recipient geheel met de rook van 
dit brandend lond was opgevult, wierd het lond 
wederom uit den Recipient weg genomen, en 
den Recipient die ook te gelyk vol lucht was, 
wierd daar op daatlyk wel digt toegefloten, op 
dat de rook gedwongen was indezelve te moe- 
ten blyven. Na een krten tyd zakte de rook , 
die door den geheelen Recipient , uit hoofde van 


‚ des rooks warmte verfpreid was, naar de bene- 


denfte deelen van den Recipiezt, en vertoonde 
op die plaats een fchaduwagtig en donker vloei- 
baar lichaams. terwyl ondertuffchen het geheele 
bovenfte gedeelte van den Kecipzent zeer helder, 
klaar , doorfchynende en zonder rook gezien 
wierd, De rook aldaar geplaaft zynde, gedroeg 
zich op dezelfde wyze, als of dezelve het een 
of ander vloeibaar vogt was geweeft. Want 
als de Reciprent naar de eene of de andere zyde 
overhellende wierd geftelt , fchikte zich ook 
daatlyk daar de rook na ,-en behield cen Aori- 
zontale oppervlakte , even als of dezelve een 
vloeibaar vopt was geweeft. Als de Reciptent 
zeer fchielyk heen en weder gefchud wierd, 
vertoonde zich ook daatlyk de oppervlakte van 
den rook golfagtig, op de wyze als water, of 
ee "andere 


rz Natuur-en Konfl-Kabinet 


vloeibaare vogten, Als vanbuiten aan de eene 
zyde van den Recipient een heet gemaakt yzer - 
wierd gehouden, recs op. die plaats de rook als 
in de gedaante van een kolom naar boven, ter- 
wyl ondertuffchen de rook aan de andere zyde 
van den Recipiegt zich onbeweeglyk in deszelfs 
ftanrplaats bleef houden. Zo ras als het gedeelte 
rook, ’* welk de opgereze kolom uitinaakte , 
wederom was kout geworden, zakte het zelve 
ook weer daatlyk op zyn vorige ftandplaats , dat 
is naar de benedenfte deelen van den Recipient, 


Volgens een vafte regel van de Water-weeg- 
kunde, komen twee lichamen, die in de lucht 
even zwaar-wigtig, maar onegaal van volumen 
of groote, gelyk by voorbeeld , goud en yzer 
zyn, hunne evenwigtigheid te verliezen, 20 ras 
als het wezen, waar in zy zyn, of’t welke hen 
omringt, verandert word: dat is, by voorbeeld, 
als dezelve uit de lucht, waar in zy evenwigtig 
zyn, worden in ’t water, of in eenige andere 
vloeibare ftof gehangen. Om dathetyzer, om 
deszelfs grooter volumen, meerder water moet 
nederdrukken , om naar den grondte zakken, 
als het goud. Uit de overweging van deze 
zaak, kwam den Heer Boyle in gedagten, om 
eens te onderzoeken, of twee evenwigtige li- 
chamen van een ongelyke groote, die in een 
Recipient met lucht even zwaar waren, hunne 
evenwigtigheid niet- zouden verliezen , als de 
Jacht uit dien Recipient uitgepompt wierd; om 
datopdie wyze infgelyks het wezen, waar van 
die lichamen omringt wierden, kragtig veran- 
dert word, Oo 


January en February (722. 13 

ân fp 9 
Om dit onderzoek te doen, heeft de Heer 
Boyle een blaas die omtrent half vol lucht was, 
gehangen aan de eene tak van een Diamant- 
balans , die zodanig naauwkeurig was, dat de- 
zelve door een twee-en-dartig{te part van een 
grein overfloeg. Aan de anderetak vande Ba- 
lans wierd een metaal gewigtje gehangen, 
welk met de blaas evenwigtig was. Deze Ba- 
lans met de blaas en het gewigt wierd in den 
Recipient gehangen. Zo ras als nu de lucht uit 
den Reciprent wierd uitgepompt, begon de blaas 
zich niet alleen uit te zetten , door de uiefpan= 
ning van de lucht die in dezelve ingefloten was, 
maar ook verre boven het metaal gewigtje over 
te wegen. Maar zo ras als de lucht wederom 
langzamelyk in den Recipiezt wierd ingelaten, 
kwam de blaas wederom in zyn voorgaande 
evengewigt met het metaal gewigtje, De Ba- 
fans wierd in dien ftaat den tyd van vier-en- 
twintig uuren gelaten, en niet tegenftaande-de 
Reciprent geheel met lucht vervult was, wierd 
echter bevonden, dat de blaas des anderen daags 
wederom naar beneden was gezakt ,en dat deze 
twee gelykwigtige lichamen hunne gelyk wigtig- 
heid waren kwyt geraakt inde lucht; maar de 
Heer Onderzoeker oordeelde, dat de blaas door 
de natheid van de ingelaten lucht, die zeer 
vogtig was, zwaarder was geworden, om dat 
deze Proef in een zeer vogtige en regenagtige 
tyd in ’t werk geftelt wierd , en dat ook de 
blaas wederom kwam op te ryzen , en gelyk- 
wigtig te“ worden, na dat, door het byhouden 
van 


14 ___Natuur- en Konft- Kabinet, iN 


van eenig vuur, de vogtigheid uit het zelve weg 
gedreven was. 
10. Es 

Om dat in de gemelde Proef eenige onzeker- 
heid gevonden wierd, door het vogtig worden 
van de blaas, heeft de Heer Boyle, in de plaats 
van de blaas, een ander lichaarn verkeren, dat 
zo veel verandering , door de vogtigheid of 
droogte van de lucht, niet onderworpen. was; 
namentlyk , een ftuk kurk, en een flukje loot , 
even zwaar zynde. Deze wierden met de Ba- 
lans in den Recspiezt gehangen. Zo ras als 
nu de lucht uit den Recipiezt wierd uitge- 
pompt, begon daatlyk het (tukje kurk boven 
het (tuk loot over te wegen. 


II. 

Wy hebben onlangs geleerd, op welk een 
wyze de lucht in een blaas kan gewogen (a) wor= 
den ; maar de Heer Boyle heeft deze Proef op 
een-aangenamer wyze in’t werk geftelt. Dien 
Heer liet een glaze. bol bereiden , omtrent zo 
groot als een hoender-ey, en ook van zodanig 


een gedaante, Aan ’t eene cinde was een pypje … 


dat uitftekend dun’ was , want deze ovale bol 
was aan de lamp geblazen. Dit pypje was ’er 
aan-geblazen, op dat de lucht uit de ovale bol 
zoude konnen vloeyen, zo ras als maar de al- 
derminfte verdunning in de lucht gebeurde. Na 
dat nu die pypje wel digt „was tocgezegelt, 
wierd de glaze-bol aan.’t eene takje van het 


Dia-, 


À (a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet van November en 
December 1121. pag. 383. 384. Tab, KXXV. Fig. 2. 


“ January en February 1722. IS 
__Diamant-balansje gehangen , daar wy van ge= 
fproken hebben: terwyl aan ’t andere takje een 
gewigtje wierd gehangen, dat egaal met de gla- 

ze bol zwaar was. Na dat nu de Balans vol- 
komen egaal hing , wierd dezelve in den Re- 
erpient gefloten en opgehangen ; maar na drie uits 
pompingen van lücht uit den Reciptezt, begon 
de Balans zyn evengewigt al te verliezen ,„en.de 
glaze bol die vol lucht was, al een weinig over 

te halen; eh hoe ‘meerder lucht uit den Regis 
pent uitgepompt. wierd, hoemeer ook deglaze 
bol-boven zyn-tegengewigt overhaalde. „Doch 
zo. ras als,de.lücht wederom by graden inden 
Recipieut mierd ingelaten , rees de glaze ‘bol 
wederom op naar boven, tot dat dezelve seins 
delyk wederom met het gewigtje in evengewigt 
geraakte, gelyk van te. voren. De Balans wierd 
wederom.uit den-Rectpient uitgenomen ‚en by 

‚ het gewigtje wierden nog drie vierdeparten:van 
een grein bygevoegt. Zo dat nuwdit gewibtje 
drie vierdeparten van een greïn „zwaarder -was; 
als de glaze bol die vol. lucht „was. Op:!deze 
wyze wierd de. Balans wederom: in den’ Revéd 
pieat gehangen, en-na- dat »de-lucht- uie ‘den 
Kecipient was uitgepompt „ wierd de glaze bor 
gelyk. wigtig met. het tegengewigt van. lood. 
Waar uit klaarlyk bleek , dat de lucht „waar 
mede de glaze bol vervult “was: drie vierden 
_parten vaneen grein aan gewigt bedroeg ; of 
zwaar was: «De-Heer Boyle: oordeelde „ datde 

_ lucht, die in dit glaze ey-rond was , “wel veerd 
‚geheel greïn- zoude gewogen hebben ; als’ der» 
_ __Recipient geheel ledig van lucht hadde konrên 
worden gemaakt, en hy oordeelde datde lucht 
Mies de= 


16 Natuur- en Konff-Kabinet; 


dewelke noch altyd in dien Recipient overbleef, 
door deszelfs wederftreving de glaze bol wel 
omtrent zo veel kwam op te houden. 

12. 

Om nu op geenderhande wyze door deze 
proef mifleid te konnen worden, liet de Heer 
Boyle, wederom op nieuw de balans, met den 
glazen bol en het tegen-gewigtje, in den Rect- 
pient hangen , na dat het toegezegelde pypje 
‚van den glazen bol was geopent. Zo haaft als 
nu de lucht uit den Recipient was uit-gepompt, 
verminderde de glaze-bol van gewigt, naar ma- 
te dat de lucht , waar mede dezelve vervult 
was, onder het uit-pompen uit dezelve, kwam 
uit te vloeyen. Hier uit bleek openbaarlyk ;, 
dat door middel van de lucht-pomp , de lucht 
waar in wy leven , inden Recipieut konde ge= 
wogen werden , zo wel als alderhande lichaa= 
men, welker zwaarte wy gewent zyn door 
middel van weging te bepalen. Ook wasdeze 
lucht-weging veel zekerder als die, dewelke 
met lucht opgevulde blazen gefchiet ; om dat de 
lucht die in een blaas, buiten den Recipient, en 
in de open-lucht gewogen word , door inbla- 
zinge ingeparft werd , daar in tegendeel deze 
lacht in deszelfs natuurlyke Corfijtentie gewo- 
gen word. Want als wy de lucht uit een Re- 
cipient , waar in een gefloten bol vol lucht ge- 
plaaft is , geheel uitpompen , konnen wy op 
deze wyze de nette zwaarte van een zekere 
hoeveelheid van lucht ontdekken „ zodanig als 
dezelve in deszelfs natuurlyken ftaat is, en ge- 
Iyk wy dezelve in-ademen , of zo als dezelve 
op ons en alle andere lichamen „ die door de= 

zelve 


_ SFanuary en February 1722. ip 
zelve omringt zjn, komt te drukken en te 
wegen. 
ORD 03. rei 
_ < Niet tegenftaande de lucht , door zeer naau- 
we openingen kanindringen , is egter de Hoog- 

waardige Kobertus Boyle van gedagten , dat de 

delen van de natuurlyke lucht , niet zo fyn en 
_ doordringende zyn, als de delen van ’t water: 

Wy zeggen, de delen van de natuurlyke lucht, 
_ om dat wy door de natuurlyke lucht, verftaan 
$ de buiten-lucht, die wy im-ademen, en waar in 
__ Wy leven ; miaar geenzints een lucht , die in 
__malkander is gepar(t , of dewelke door groote 

herte in een uitftekende te rugdryvende neigin- 

ge is gebragt: want een ingeparfte of zeer heet 
gemaakte lucht , zal veel nauwer zoeken, om 

door de alderfynfte openingen door te dringen , 

als de lucht die alleenlyk maar in deszelfs na- 

tuurlyke Cozfiftentie is. Het is zeer aanmerke- 
lyk , dat door verfcheide proeven word bevef= 

‘tigt, dat de natuurlyke lucht door geen openin= 

getjes en togt-gaatjes komt te dringen „, waar 

door het water zeer licht komt door tevloeyen. 

Neemt cen lange Zubus vanglas, dewelke aan. 

zyn eene einde de dikte heeft van een mans vin- 

ger , en aan zyn ander einde zo dun en naauw 
is, dat door deszelfs opening , nauwelyks een 

_ paarde-hair kan geftoken worden. Vult dezen 

Zubus, door deszelfs wyde opening, met wa- 

ter , en gy zult bevinden , dat het water zeer 

lichtelyk door het zeer nauwe einde van den 

Tubus zal uitdruppen. Zo ras , als gy nu den 

Zubushet onderfte boven (datis met het naauwe 

fte einde naar boven ) komt te keeren, zult gy 

VI, Deer, B be- 


18 _-Natuur- en Konft-Kabinet, 


bevinden , dat dè lucht niet zo licht door ’t 
zelfde naauwe openingetje van den Zubus zal 
konnen indringen, als het water door ’t zelfde 
kwam uit te vloeyen. Want in dit zeer dunne 
einde van den Zwbus ‚zal een lengte van eeni- 
ge vingeren-breed water blyven hangen , ter- 
wyl het water door die wyder opening is uit- 
gelekt, ’t welk naar alle waarfchynelykheid 
niet zoude konnen gebeuren, indien de daar 
op fteunende lucht , zo licht als het water , 
door de zeer naauwe opening van het dunfte 
einde van den Zubus hadde konnen indringen. 
Want indien deze nauwe opening , maar een 
weinig wyder was gemaakt , zoude daatlyk al 
dit water , dat nu in dit einde blyft hangen , 
naar beneden zakken. Wy ondervinden ook, 
dat de lucht op geenderhande wyze , door een 
fchapen-blaas kan dringen, daar nochtans zom- 
tyds eenig water komt door tedringen, Dat 
het water door een fchapen-blaas kan dringen, 
bevinden wy , als wy het vafte zout van wy- 
Îteen ‚+ met zalpeter bereid, in een droog blaas- 
je doen ; want zo haaft als wy dit blaasje in ’ | 
water komen te hangen , val daatlyk zo veel 
water , door de port van de Blaas in dezelve | 
indringen , als van noden is om dit zout te 
Ímelten, 


I4. 
_ Dat de delen van de lacht niet zodanig fyn 
zyn, als zommige miffchien wel oordeelen „ 
blykt ook daar aan, dat wy de lucht in zeer 
fyne en glaze flesjes konnen befluiten, niet te- 
genftaande elk een wel kan begrypen , dat het f 


glas zeer togt-gatig is. Aan my zyn bi 
bd 


_ SfannaryenFebruaryijsx. Ap 
bereide Liqnenre bekent , die in geen glas , al 
fchoon het zelve Hermetifche is gefloten, kon= 


fien bewaart worden , maar altyd doot de poré 


van het glas , de vlugt komen te nemen, Ik 


_ hebbe verfcheidemalen een Liguenr, dat be- 
reid was uit Arsoniak-rout , en eenige andere 


zaaken , en ín flesjes bewaart wierd , niet al= 
Teen zien verminderen, maar de zout-delen , 


die door de por? van ’*t glas gedrongen waren, 
zien (tremmen aan de buitekant van de flesjes, 


op de manier als ys. 


Ke 15. 
Niet tegenftaande de natuurlyke lucht ín des= 
zelfs werking op de lichamen zo gematigt fchynt 
te zyn, bevinden wy dat dezelve een ongeloo- 


_felyke kragt oefent op de lichamen, zo ras als 
‚ dezelve door het vuur word aangezet, Degee 


leerde Jefuwyt Cabeus , die over de zeil-fteen 
gefchreven heeft , verhaalt by den Heer Boyle, 
dat hy gezien heeft een kolom van Marmer, 
die zodanig dik was, dat dezelve van geen drie 
mannen konde omvademt worde , en zodanig 
lang , zwaar en vaft , dat geen duizend jok- 
offen in ftaat zouden geweeft zyn,om dezelve van 
malkander te rukken , en dat echter deze on= 
gemeene pilaar, in’t midden door de hettevan 
eenig hout kwam door te barften , * welke , 
digte by deze pilaar leggende, by. geval aan 
brand was geraakt. Het vuur van dit hout, 
hadde de lucht en andere fyne wezens, die zich 
in de porf van dit marmer bevonden, zodanig 
verdunt , dat zy door hunne uitfpanning , dit 
groot gevaarte deden barften. Welke onge- 
B 2 hoorde 


5e Natuurs en Konft-Kabinet ; 


hoorde uitwerking , door een lucht die beflo= 
ten , en door vuur heet geworden is „ komt te 
gebeuren , is hier de plaats niet om te befchry- 
ven , anders zoude ik met een groot getal voor- 
beelden, die wy tot de Verhandelinge over het 
vuur, zullen fparen , deze zaak nader konnen 
beveftigen. 
16, 

De Heer Boyle heeft nog een andere proef, 
om de zwaarte vandeluchttetonen, in ’t werk 
geftelt. Dien Heer nam een Zolipila van ko- 
per , die de zwaarte van fes oncen , vyf drag- 
maas, en agt en veertig grein hadde. Deze 
bol wierd zeer heet gemaakt , en na dat dezel- 
ve van het vuur afgenomen was , wierd des- 
zelfs opening zeer digt , met daar toe bereid 
was, toegefloten, in zo verre, dat alles lucht- | 
digt was , en geen de minfte lucht in deze ko- 
pere bol konde indringen, Na dat nu de ZZo- 
Lipila wel kout was geworden , wierd dezelve | 
wederom gewogen, en bevonden, door de by- | 
voeging van het Was, zes oncen , zes drag- | 
maas ,en negen en dartig greinen zwaar te zyn. 
Het Was wierd met een naald doorgefteken, | 
waar op de lucht niet zonder geruis in de ope- 
ning drong , om de lucht-ledige holligheid van 
de Molipsla , waar uit de lucht door ’t vuur f 
was uitgejaagt geweeflt , wederom te vervullen, | 
Hier op wierd deze Bol met deszelfs Was „| 
wederom gewogen , en bevonden zes oncen , 
zes dragmaas, en vyftig greinen zwaar te zyn. 
Uit. deze proef blykt openbaar „ dat de lucht 
die in de holligheid van de Zolipila was inge- 
„drongen , elf greinen zwaar was ‚ om dat de 

okt 


fi ® 
<SJanuaryen Februaryi72z:. Zr 


_#olipila elf greinen minder woeg , zonder die 


lucht, als met dezelve opgevult. 


BE BEAT EI A î 

_Verfcheide geleerde Mannen ; hebben veel 
moeite aangewend , om de nette proportie van 
de zwaarte , tuffchen het water en de lucht te 


vinden ; maar veele , ‘en onder ‘dezelve, zelfs 


zeer groote Mannen , hebben hunne-proeven 
kwalyk aangelegt, en daar door in hunne Cal- 
culatie „ veel misflagen begaan. Om van de 
voorftellinge van Keplerus en andere, geen 
gewag te maken ‚ moeten wy bekennen , dat 
de diep-geleerde en naarftige Ricctolas, getragt 
heeft de proportie van de zwaarte tuflchen de 
lucht en ’t water te vinden , door behulp van 
een zeer dunne blaas, en cindelyk heeft hy ook 
vaft geftelt , de zwaarte van de lucht tot-de 
zwaarte van het water te zyn , als 1, tot 10000. 
Maar de Heer Boyle verhaalt , dat hy de lucht 
van een groote Blaas gewogen hebbende , be- 
vonden hadde, dat dezelve 14 greinen zwaar 
was : dat hy naderhand , die zelfde Blaas met 
water opgevult hebbende , bevonden hadde dat 
dit water 14 ponden zwaar was, waar uit dan 
zoude bìyken, dat de zwaarte van de lucht tot 


_de zwaarte van ’t water , maar isals 1, tot 7600. 


hoewel dit ook noch zeer verre buiten de haak 
was. 
18. 


„ Het ís een zaak die de grootfte opmerking 
der ‘wereld verdiend , dat twee lichamen van 
eenen het zelfde voluuzen , dewelke even veel 
plaats-beflaan „ en die de plaats-of ruimte „ de- 
en B 3 welke 


zz Natuur-en Konft-Kabinet, 


welke zy beflaan , ook fchynen te vervullen, 
zo kragtig veel in ftoffelykheid van malkander 
konnen verfchelen , dat het eene zal wegen 
1 grein, en ’t andere rooo grein ; want op de 
proportie van de lucht en ’t water , zullen wy 
nu geen acht flaan , deze verwondering zal zich 
noch grooter opdoen , als wy de proportie van 
de zwaarte, tuflchen de lucht en ’tgout onder- 
zoeken, en ernítelyk overwegen. 


19. Ì 
Niet tegenftaande de Heer Boyle deze proef, 
om de proportie van de zwaarte , tuflchen de 
lucht en ’: water te vinden , met dé blaas zeer | 
voorzigtig in ’t werk geftelt hadde ‚ was ech- | 
ter die weg niet zodanig volkomen buiten zorg, | 
dat op deszelfs Calculatie , volkomen ftaat ge= | 
maakt konde werden. Maar het wegen van 
de lucht , door middel van de ZEolipila ‚ daar ! 
wy boven van ge{proken hebben , fchynt wel 
een van de aldernetfte proeven tezyn5 daarom / 
vulde de Heer Boyle , deze ZEolipila met wa- 
ter , en bevond dát het water , ’t welk in de= 
zelve geweeft was, 21% oncen zwaar was ;! 
waar uit kwam te blyken, dat de proportie van. 
de zwaarte, tuffchen de lucht en’t water, niet | 
meer als 1, tot 938 was 3 ’t welk onge-! 
meen veel verfcheelt van de Calculatie van de 
proef van Rrcctolus , en ook van de voorgaan- 
de proef van den Heer Boyle , door de blaas, 
Wy moeten de grootfte voorzigtigheid der wee 
reldt gebruiken, in ’t aanleggen en waarnemen 
van zommige proeven , gelyk als nu genoeg: 
taam aan de boven-gemelde verfchillende ee 
CHIA 


f Pannargen Februaryi7ta 23 

ien komt te blyken. De groote Galileus, 
heeft in zynen tyd insgelyks al bezig geweeft, 
om te zien de proportie van de zwaarte , tuf- 
__fchen de lucht en” water ; maar hy heeft zo- 
_ danig een verkeerde weg gebruikt , dat hy de 
_ „zwaarte van de lucht tot die van ’t water , als 

van t. tot 400 bepaalde, 


8 20. 
Wy konnen aan den Heer Boyle , zeer wel 
toelftemmen , dat de proef (om de proportie 
vande zwaarte , tuflchen de lucht en ’t water 
ste vinden) met de ZEolipila , wel een van de 
zekerfte is , maar echter noch niet zodanig als 
wel vereifcht word , om ’er een onfeilbare 
„Calculus op te maken; omdat, gelyk de Heer 
Boyle zelfs heeft aangemerkt, al de lucht door 
de hette niet volkomen uit de ZEolipila, is uit- 
gedreven geweelt , en dat ook de Zolipsla , 
niet geheel vol met water konde gevuld wor- 
den, om de engheid van deszelfs opening 5 
daarom oordeelt ook de Heer Boyle, dat ymant 
niet verr’ van de weg zal zyn , die oordeelt, 
dat het water wel ruim duizendmaal 7 waarder 
is als de lucht. De beroemde Merfenuus , die 
ook altyd zeer naaukeurig in ’t onderzoek der 
dingen , en in het aanleggeu der proeven is ge- 
weelt, verzekert echter, dat nazyne zeer naau- 
keurige ondervindingen , de proportie van de 
Zwaarte , tuflchen de lucht en ’t water , gelyk 
als van 1, tot 1356 is , en dat wy geenzints 
zuilen dwalen, als wy vaft (tellen, dat het wa- 
ter dartien-hondertmaal zwaarder weegt als de 
lacht „ waar door een groot verfchil gevonden 
Beru 4 werd; 


24 Natuur- en Konft- Kabinet, 


werd, tuflchen de ondervinding van Vader 
Merfennus , en die van den hoogwaardige Ro- 
bertus Boyle, Hoewel echter de Heer Boyle 
oordeelt, dat zulks beide wel waar zoude kon- 
nen zyn. 


a 

De Heer Boyle is van gedagte , dat de lucht 
niet over al even zwaar van gewigt is , maar 
dat de lucht in het eene Landíchap veel zwaar- 
der zoude konnen zyn, als in ’t andere. Dien 
Heer oordeelt, dat de lucht te Londen, door= 
gaans veel vogtiger is , als te Paris , en dat by 
gevolg , de lucht te Londen , ook merkelyk 
zwaarder zoude konnen zyn, als te-París, Be- 
halven dit, zo heeft de Heer Boyle, deze 
proef in ’t midden van den Winter , en Merfenzus 
miffchien inde Zomer aangelegt. De Heer Boyle 
oordeelt, dat de lucht niet alleen in verfcheide 
Landfíchappen, ongelyk van gewigt is ; maar 
zelfs ook in een en het zelfde Landfchap , na 
de verfcheide tyden van’t jaar. De Heer Boyle 
heeft aangemerkt, dat op Nova Sembla , de 
lucht in den Winter, van een ongemeene dik- 
te moet zyn , om dat de Hollanders , die al- 
daar overwinterden , getuigden , dat de lucht 
zodanig dik wierd, datze debeweginge van hun 
Uurwerk verhinderde. 


22, 

De groote Verulamius , en andere vermaar- 
de Mannen, hebben de proportien van de zwaar- 
te, tuflchen verfcheide zaaken , zeer vlytiglyk 
nagefbeurd,en daar van verfcheide rekeningen en 
tafelen gemaakt, Maar dewyl veele zaaken 
niet 


TE esn 


January en February 1722. 25 


_niet rai waargenomen zyn, als wel be- 


hoorden ; heeft de Heer Beyle zomtyds , door 
nader proeven , deze proportien onderzogt, om 
dat de Schryvers zomtyds ongemeen veel on- 
der malkander werfchillen, Om de proportie 
van de zwaarte , tuflchen het kwikzulver en 
’t water te vinden, nam de Heer Boyle een 
glazen Tubus , of werktuig , gelyk uitgebeeld 
word , Tab, xxxvin. Fig. 1. Na dat in deze 
Tubus , een zekere hoeveelheid kwik was ge= 
goten, wierd dezelve zodanig perpendiculair en 
regt gehouden , dat de kwik zo wel in de lang- 
fte, als in de kortfte tak van den Zubus , cen 
horizontale oppervlakte hadde, door E. F.aan- 
gewezen. Naderhand wierd ’er water in de 
lange tak van den Zubus gegoten, zoveel, dat 
dezelve byna vol was ; waar door de opper- 
vlakte van de kwik , door het gewigt van ’t wa- 
ter, zo veel van É, naar B. nedergedrukt wierd, 
als dezelve in de korte tak van den Zubus, van 
F. naar CG. kwam op te ryzen. Deteikens dan, 
dewelke geroteert waren op het punt B. zo wel 
als op het tegengeftelde punt D. gemeten zyn- 
de , wierd bevonden , dat de tuffchen-wydte 
D.G. de hoogte hadde van de kwik-kolom, 
die door de zwaarte van *t water , boven het 
punt D. was opgevoert , en dat deze hoogte 
egaal was met de oppervlakte van de kwik in 
de andere tak van den Zubus ‚en de tuffchen- 
wydte B, A. daar zich de water-kolombevond; 


_zo dat de tuflchen-wydte D.C, tot 213 duimen, 


en de hoogte van ’t water , tot 3o#£ duimen 
waflende, de proportie bevonden wierd te zyn, 
als 121 tot 1665, of, dd tot enkelde , 
‘ 5 als 


26 Natuur-en Konft-Kabinet , 


als van 1tot 137% ls wy. dan de proportie van 
de zwaarte tuflchen de lucht en ’t water zeggen 
te zyn, alsvan 1 tot 1oeo, zal eeniegelyk ook 
wel de proportie van de zwaarte tuffchen de 
lucht en ’t kwikzulver konnen zien. 


23. 

Om dat deze weg van de proportie der zwaat- 
te, diede lichamen tuflehen malkauder hebben, 
te bepaalen , by zommige miffchien niet gemeen 
genoeg is, heeft de Heer Boyle door een andere 
Proef-ondervinding , de proportie van zwaarte 
tufichen het water en ’t kwikzulver aangetoont: 
namentlyk, door een evenaar of Balans, die 
zodanig naaukeurig was , dat deszelfs evenge- 
wigt door de honderfte part van een grein wierd 
weg genomen. Maar om in deze weging geen 
mistlag te begaan , moet op eene zaak (dewel- 
ke van de Geleerde Liiefhebbers niet word op- 
gemerkt) zeer naauwkeurig agt gegeven wor- 
den: namentlyk, dat het water in een vat ge- 
goten zynde, een holle oppervlakte verkrygt, 
daar in tegendeel de kwik in een vat gegoten 
zynde, een uitpuilende oppervlakte aanneemt. 
Om nu de misflag die daar uit geboren word, 
voor te komen , heeft de naauwkeurige Heer 
Boyle verzorgt, een glazen Bol, die aan de 
lamp geblazen , en van een uitnemende dun- 
heid was ; ook was bezorgt, dat de hals van dit 
ligte glaze bolletje zeer klein was, op dat de 
oppervlaktens, die het water en de kwik in de- 
zen naauwen hals verkregen, van geen belang 
zoude konnen zyn. Dit glaze bolletje was zo 
ongemeen dun van glas, dat deszelfs geheele 

Zwaar. 


Januaryen February v7ae. 27 


zwaarte maar 235 grein was. Dit bolletje met 
kwik gevult zynde, wierd bevonden, dat het 
kwikzulver, ’t welk in t zelve gehouden wierd, 
2995 greinen zwaar was, De kwik wierd we- 
derom uit dit glaze bolletje gedaan, en in de 
plaats van de kwik wierd het zelve met water 
gevuld, en bevonden dat dit water 214greinen 
zwaar was} waar uit openbaarlyk kwam te bly- 
ken, dat de zwaarheid van ’t water tot die van 
het kwikzulver, als van 1 tot 138 is, uit wel= 
ke ondervinding blykt, datde zeer uitmuntende 
Vernlamins van geen bekwame werktuigen is 
gedient geweeft ; dewyl die weergadeloze Man 
de proportie van de zwaarte, tuflchen het wa- 
Ee en ’t kwikzulver, meerder als van 1 tot 17 

elt, 


gen 24. 

Het behaagde ook pee: den Heer Onderzoe- 
ker, de proportie van de zwaarte, tuflchen ’t 
alderzwaarfte van de vloeibare ftoffen , eens na 
te fpeuren, namentlyk het kwikzulver; en ’t 
alderligt{te van de vloeibare ftoffen, namentlyk 
de alderzuiverfte Voorloop van Brandewyn. 
Deze Voorloop was zodanig volkomen van 
deszelfs water gezuivert, dat dezelve aangefto- 
ken zynde, geheel in vlam overging, en ver- 
brande. Na dat deze beide ftoffen aan den zel- 
ven naaukeurigen evenaar, en in ’tzelfdetedere 
glaze bolletje gewogen waren, wierd bevon- 
den, dat derzelver verfchil als van 1 tot 16,8 
was; waar uit ook te gelyk blykt, dat het on- 
derfcheid tuffchen het water en d’alderzuiverfte 
Voorloop van Brandewyn , gelyk van 1 tot 


1E is. 
; Vers 


28 Natuur- en Konft-Kabinet , 


25. 
Verfcheide vermaarde Mannen hebben ge- 
tragt de nette hoogte van den Dampkring te 
ontdekken. Maar het fchynt volkomen on- 
mogelyk, dat wy ooit een zekere hoeveelheid 
van de nette hoogte van den Dampkring zul- 
len konnen vinden. t. Om dat wy zeer veel 
rede hebben om te geloven dat de Damipkring 
niet altyd-even hoog is : 2. Om dat de lucht - 
van geweft tot geweft (in de hoogte aange- 
merkt) van Confiftentte zeer verfcheelt, zynde 
de lucht, die beneden en omtrent de aarde is, 
en dewelke wy inademen, veel dikker en zwaar- 
der, in een zelfde volumez , als de lucht die 
zich in de bovenfte deelen van den Dampkring 
bevind. Als wy dan de lucht van den geheelen 
Dampkring zoude komen te bepaalen nade be- 
vindinge van de beneden-lücht , waar mede wy 
onze Proeven doen, is’t zeker, dat wy groote 
misflagen zouden begaan. Echter konnen wy 
in’t midden van deze onzekerheden , noch wel 
eene zekerheid vinden, dat is, wy konnen ge= 
noegzaam een zekere hoogte vinden , waar bo- 
ven wy zekerlyk weten , dat den Dampkring 
zich verheft; latende verder de hoogte, die de 
Dampkring noch boven onze vaftgeftelde hoogte 
te bereiken komt, in onzekerheid. 


26. 
Na dat de Hoogwaardige Robertus Boyle de 
proportie van de zwaarte tuffchen de lucht en ’t 
water, en tuflchen het water en ’tikwikzulver 


gevonden heeft, konnen wy daar uit zeer licht 
ie 


_Sannary en February 1722: 29. 
de proportie van de zwaarte tuflchen de lucht 
en de kwik bepalen. Als wy, om de moey- 
Iykheid voor den Lezer te ontgaan, op de ge= 
brokens geen agt geven, konnen wy zeggen, 
dat de kwik veertien-maal zwaarder is als ’t 
water , dewyl zulks ook niet veel verfcheelt, 


„en dat dit verfchil ook tot ons tegenwoordig 
_ oogmerk van geen belang is. Wy zullen eens 


onderftellen, dat de geheele Dampkring van een 


„egaale Cunfiftentie is5 dat is, dat de lucht, die 


van onderen tot boven in den Dampkring van 
een en dezelfde zwaarte in een egaal volumen 
is. Want als het gebeurd, datde lucht van trap 
tot trap in de hoogte lichter en dunderis, (ge- 
lyk wy weten dat dezelve inderdaad is) volgt 
daar maar uit, dat de Dampkring wel hooger, 


maar niet lager is als wy uit de volgende Cal- 


culatie zullen aantoonen. Wy hebben uit een 
groot getal Proeven dusverre gezien, dat de 
kwik-kolom in een Barometer tot de hoogte 
van omtrent 3r duimen Engelfche maat, of 
byna 28 duimen Rynlandfche maat, op zyn 
alderhoogfte kan onderfteunt worden , en dat 
deze onderfteuning nergens anders door ge- 
fchied, als door een evenwigtige lucht-kolom ; 
en dewyl nu de proportie van de zwaarte tuf- 
fchen het kwikzulverendelucht, als van 14000 
tot ris, mogen wy geruft befluiten, dat de 
lucht-kolom , die een evengewigt met een kwik- 
kolom van ziEngelfcheduimen,of ruim 24Engel- 
fche voeten houd, een grooter lengte moet hebben 
van 3sooo Engelfche voeten. Als wy nu vyfvoet 
voor een Geometrifche treeden, en duizend zo- 
danige Geomerrifche treeden voor een my! re- 

kenen, 


5 __Natuny= en Konft-Kabinet; 


kenen, konnen wy befluiten , dat zodanig een 
Tucht-kolom , die evenwigtig met een kwik= 
kolom van ruimgoEngelfche duimen is,de lengte 
heeft van zeven mylen, van dewelke elke my! 
duizend Geometrifche treeden lang is, endat by 
gevolg de Dampkring zeven zodanige mylén 
van den aardbodem afgerekent hoog zouden zyn; 
als de lucht van beneden tot boven nog maar 
van een en dezelve Confiftentie was, 


ijk 
Als wy overwegen tot welk een uitftekende 
uitgeftrektheid , een weinig lucht zich komt uit 
te zetten , wanneer dezelve zich zonder eenige 
tegenftreving in een lucht-ledige plaatfe bevind, 
en dat wy deze overweging komen over te bren- 
gen , op de lucht die zich in de bovenfte ge- 
weften van den Dampkring , daar dezelve geen 
‚„ wederftrevinge komt te ontmoeten , bevind. 
Krygen wy gelegentheid om te geloven , datde 
Dampkring de hoogte van een groot getal my- 
len bereikt, Gelyk als wy na dezen uit ver- 
fcheide waarnemingen van eenige vermaarde 
Mannen, die na den Hoogwaardigen Boyle 
geleeft hebben, en deze zaken met noch veel 
meer omftandigheden onderzagt hebben , be- 
nevens onze geringe redenwikkingen, op zyn 
plaats nôch nader zullen ophelderen. 


28, 
Het is voor een groote agteloosheid aan te 
merken, dat de menfchen in ’t algemeen ge- 
nomen , hunnen aandagt zo weinig beftedenop 


den Dampkring of de tucht, waar in zy leven, 
adem 


January en February 1722. 3î 


adem halen , hen bewegen , en zodanig altyd 
verkeren, dat zy dezelve op geenderhande wy- 
ze ontberen konnen. Dedierlyke huishouding 
van ons lichaam hangt zodanig vande luchtaf, 
dat (om dat ons lichaam inwendig altyd met 
lucht vervuld is ) ín’t zelve weinig Funêlien en 
zaken gebeuren, daar de lucht niet op de eene 
of de andere wyze deel in heeft. Wy worden 
door de daagelykfche veranderingen van de ge- 
tempertheid der lucht, ook dagelyks alder- 
hande veranderingen en ontroeringen in ons 
lichaam gewaar; ons gemoed word droefgec- 
ftig of vroolyk , ons lichaam luchtig of traag, 
onze honger vermindert of vermeerdert na de 
gefteltheid van de lucht. Maar wy zyndikwiis 
zo onoplettende, onkundig of avercgts , dat wy 
zulks aan andere oorzaaken toefchryven. Wy 
behoorden tot onderhouding van onze gezonc- 
heid , vry naauwkeuriger agt te geven op de 
tucht; want behalven dat wy van den Damp- 
kring konnen leeren: 1. De uitwerkingen van 
deszelfs zwaarte (alleen en op zich zelfs aange- 
merkt) en weging op onze en alle andere licha- 
men: 2. De uitwerkingen van deszelfs Klafti- 
citeit of te rug dryvende kragt , alleen en op 
zich zelfs aangemerkt: 3. De uitwerkingen die 
gebeuren door de zwaarte en veerkragt van de 
lucht tezamen werkende: 4. De wordingen en 
uitwerkingen van de verhevelingen: s. Debe- 
wegingen van de lucht, en deszelfs dienft om- 
trent de warmte, koude, het licht en de kleu- 
ren, zouden wy (zegge ik) boven en behalven 
dit alles, ongemeen veel uitwerkingen konnen 
ontdekken van de wezens, die zich in den 

Damp- 


32 Natuur- en Konft-Kabinet, 


Dampkring bevinden , en van buiten in den zel- 
ven geworpen worden , gelyk de uitvloeizels 
van de zon , de maan „ de dwaalfterren , de 
Cometen en de vafte fterren, de ontelbaar ver- 
fcheide uitvloeizels , dampen en uitwazemingen 
uit de diepe ingewanden der aarde , uit de wa- 
teren , en van de oppervlakte der aarde enz. 
Welk ik op deze plaats daarom wel te krag= 
tiger zoude aandringen, om dat op deze laate 
ftoffen , daar den Dampkring zo ongemeen 
mede vervult word, wel het minfte agt vande 
Schryvers word gegeven, en genoegzaam van 
alle andere , dewelke anderzints zeer groote 
liefhebbers van ’t onderzoek des luchts zyn, 
niet tegenftaande de uitvloeizels, uitwazemin= 
gen en uitdampingen uit de diepe ingewanden 
der aarde, uit de wateren en van de opper- 
vlakte der aarde, hoedanigheden aan den Damp- 
kring byzetten, dewelke, boven alle andere, 
wel de meefte gemeenfchap met ons lichaam , 
met onze fappen, met de dienften en funêtiez 
onzer ingewanden, met onze geheele gezond- 
heid en ziektens hebben: die in’t groeyen, flo- 
reeren, quynen en fterven onzer plantgewaf- 
fchen, aard- en boom-vrugten, niet alleen een 
groot vermogen oeffenen , maar aan dezelve 
zeer veele en byzondere onderfcheiden, eigen- 
fchappen, hoedanigheden, en kragten veroor- 
zaaken : eindelyk , dewelke de voornaamfte oor- 
zaaken zyn van den verfcheiden aart der men- 
fchen en dieren , die in elk byzonder landfchap 
en lucht leven, van den verfcheiden aart onzer 
Wateren , Bieren , Verweryen , Staal-tempe- 
ringen, Gieteryen , Rafinaderyen , en nk 

are 


BEU 
\ 


Fanuaryen February ijz  3î 
bare andere zaken, die ongemeen veel van de 
byzondere, getempertheid der lucht, van elk 
byzonder Landfchap, en elke byzondere gron- 


__den afhangen; 


\ 29. 

_Het is ongelooflyk , hoe veele en verfcheide 
Alteratien in de lucht gebeuren, daar wy geen 
de miníte gedagten van hebben. De Hoog waar- 
dige Robertus Boyle verhaalt, dat hy in’tbyzyn 
van een zeer verftandig vriend, buiten alle ver- 
wagting.en- by geval, onder het uitpompen van 
de lacht, een nieuw verfchynzel van een licht 
in den Recipient gewaar wierd. Dit licht ver- 
dween op een manier als het weerlicht by den 
dag. Deze verfchyninge van dit licht ver- 
toonden zich verfcheidemaal in den Recipiezt, 
en verfcheen en verdween geduurig met dezelf- 


_ de fchielykheid. Dit gebeurde op een dag die 


meer als gemeen licht en helder was, des mor- 
gens ten tien uuren. De Heer Boyle konde op 
geenderhande. wyze de oorzaak van de verfchy= 


ningen; van dit licht agterhalen, De Heeren 


Onderzoekers hervatte dan tegen den avond 
dit onderzoek, en lieten, de lucht-pomp gewel- 
dig gaan „maar zy wierden geen de minfte ver- 
fehyning van zodanig een licht inden Recipienf 
gewaar. Deze Heeren meende des anderen 
daags op‚-her zelfde uur ,geenzints in hunne 
verwagting bedrogen te zullen worden ; maar 
alfchoon zy alle omftandigheden van den voor- 
gaanden morgenftond waarnamen , en de lucht- 
pomp op dezelfde wyze oefenden; het konde 
alles niets ter wereld helpen, en zy ontdekte 


‚iet het minfte flikkeringetje van dit licht inder 


VII Deer, C Res 


34 _Natuw- en Konft-Rabinet, 
Recipient. Op verfcheide dagen wierd dit ons 
derzoek hervat , maar alles was vrugteloos ; 
doch zomtyds bereikten zy hun oogmerk na- 
derhand, en dat zelfs in alderhande geftelt- 
heden en getempertheden van de lucht, 
en op alle uuren van den dag , wanneer die 
Heeren onder het lucht-uitpompen deze ver- 
fchyningen dikwils alderminft waren te verwag- 
ten. Ook ondervonden die Heeren, dat deze 
verfchyningen en flikkeringen in den-Recipient 
zo wel (doch niet altyd als zy zulks wilde, 
maar meeft by geval en onverwagt) voorviclen 
by het licht van de kaars, als by het licht van 
de zon; en dat zelfs in alderhande fchik kingen 
en afftanden van dé kaars , als maâr zorg ge- 
dragen wierd, dat de licht{tralen van de kaars, 
of van de zon niet al te hevig in dén Rectpient 
fcheenen. Dit licht vertoonde zichopdientyd, 
als zy eerft begonden te pompen, veel kragti- 
ger, als op het laaft, wanneer de meefte lucht 
uit den Recipient uitgepompt was. Zomtyds 
is’t gebeurd, als dé verfchyninge van dit licht 
fterker als naar gewoonte was, datde Recipient 
niet alleen deszelfs doorfchynendheid verloor , 
máár. zich als opgevuld met een witte-ftof ver- 
toonen, die verdwenen zynde, de wanden van 
den Recipient als eenigzints verduiftert en be- 
vlekt kwam na te laten, even als of dezelve 
van binnen met een witte wazem bedekt was 
EED. 8 AN 

B ar 30, 

Het zoude volkomen tegens myne gronden 
en gewoonte ftryden, op ydele onderftellingen 
eenige bepaalde oorzaaken van dit licht te ver- 

A r zins 


nn 


‚Jannaryen Febraary î72a2e  3f 
Zinnen; maar wy zouden in ’t algemeen kon=- 
„nen valt ftellen, dat zich in de lucht alderhande 
‚kleine deeltjes onthouden, dat, terwyl dezelve 
jn de lucht omzwerven, ieder foort van dezel- 
ve echter zullen zyn in een zeker verband: dat, 
als zy in deze fchikking , en in hun verband 
verfchrikt of verzet worden , het zeer licht te 
begrypen is, datze daar door de oorzáak kon- 
nen zyn, dat de ftralen van ’ licht verbogen 
worden. Dat in de lucht ontelbaare deelen 
zyn, diede ftralen van ’ licht konnen buigen 
en reflecteren , geloof ik, dat niemant zal ont- 
kennen, die.acht heeft gegeven op de goudgeele 
en faffraan-koleuren van de lucht in den mor- ° 
_genftont, of op de fcharlake en fermilioen-ko- 
leuren van de lucht in zommige avondftonden ; 
of op de fchone koleuren van den regenboog , 
of op de ontelbaare verfcheide , zwarte , blaau- 
we, graauwe, witte en zulveragtige koleuren 


‚van de wolken. De Heer Boyle verhaalt, dat 


hy op een zekeren tyd, niet verre van Londen, 
buiten die Stad op het land was, terwyl de bur- 
gers van Londen op een vierdag des avonds 
veel vreugdevuuren hadden aangeftoken; dat, 
niet tegenftaande de Heer Boyle deze vuuren 
zelfs op geenderhande wyze konde zien, hy 
echter de zeer verlichte lucht, boven en om- 
trent Londen, zeer wel zien kon „ gelyk wy 
hier te Amfterdam en overal in geval van zwa-= 
ten brand, inde donkerfte nagten , zomtyds gee 
waar worden; ’t welk een bewys is, dat in de 
Jucht overvloed van donkere en ’ licht weer- 
kaatzende lichaamtjes zyn, die de lichtftraleti; die 
het vuurin de lucht werpt,ontmoetende, naar 
GC 3 onze 


38 Natuur- en Konft-Kabinet 


onze oogen refletteeren. Dat de lucht op de 
eene tyd met zulke, en op de andere tyd we= 
derom met andere deelen en kleine lichaamtjes 
vervult is , zal licht de oorzaak geweeft zyn, 
dat zich de verfchyningen van dit ongewoone 
dicht in den Recipient niet altyd hebben ver- 
toont, en ook als zy hen al kwamen te vere 
toonen, niet altyd op dezelve wyze zyn ver= 
fchenen. Dat de lucht geduurig met alderhan- 
de onderfcheide deelen vervult word, blykt uit 
duizende waarnemingen. De Geleerde Acofta 
verhaalt, dat in Amerika winden zyn, dewel- 
ke uit hunnen natuur de zee troebel maken, en 
het water groen en fwart doen fchynen; en dat 
wederom andere winden het zelfde zee-water 
zo doorfchynende en helder maaken als kriftal, 
In zommige luchten verroeft het yzer en ftaal 
zeer fchielyk ; in zommige luchten blyft het yzer 
en {taal zeer lang blank en fchoon; in zommi- 
ge luchten duurt het yzer en ftaal zeer lang; in , 
de Afiatifche ‘en zemmige Afrikaanfche luch= | 
ten, word het yzer en {taal binnen korten tyd ; 
verteert; in zommige luchten word het zulver | 
zwart, in andere geel, in andere blyft het zeer 
lang wit; in zommige luchten verkrygt het » 
goud, of verguld dat door blad-goud gemaakt 
is, een fchoone blaauwe koleur, ín andereeen | 
hoogroode, in zommige luchten een vuile en | 
morfige koleur, in zommige luchten word het 
verguldzel ras weg gegeten , in andere duurd k 
het zelve zeer Jang 5 in zommige luchten word | 
het koper daatlyk groen, inandere niet zo ras, « 
Als dan de deelen, dewelke in de lucht om- | 
fwerven , magtig zyn om de metalen aan te | 
ijf 


4 
dte 


Yanuaryen February 1722. 39 
_grypen, en zelfs te verteren, konnen wy wel 
begrypen, dat ons aan de kenniffe en het on- 


derzoek van de deelen, die in de lugt hangen, 


fi 


veel gelegen legt, 


: 31. 
De Heer Boyle verhaalt, dat hy in zyn be- 
waring hadde gehad een Zizdzar, ’t welk met 


_brandewyn getrokken was uit een wizerale (tof: 


dat dit Zixétuur in een zeer zuiver en helder 


_kriftallyn flesje befloten was : dat de koleur 
__ van dit Zinduur goud-geel en zeer aangenaam 


doorfchynende was. Dat hy hadde ondervon- 
den, dat dit Zieuur op een zekere tyd zeer - 
duifter en troebel was, dat hy daar uit hadde 
befloten, dat zich eenige mizeraal-deeltjes be- _ 
gonden gereed te maken om te precipiteren na 
den grond van’t glas, gelyk wy zulks daaglyks 
in de metallyse Tintures zien gebeuren ; maar 
in tegendeel , wierden geen de minfte mizeraal- 
deeltjes na beneden geftoten , en het Zizuur 


_ wierd als van zich zelfs, na eenige weinige da- 


gen , wederom zo helder en klaar als van te 
voren. Deze verandering wierd naderhand op 
die zelfde wyze aan dit zelfde Tinduur ver- 
fcheidemaal waargenomen ; waar uit zeer 
waarfchynelyk is , dat in de lucht zeer fyne 
wezens gevonden worden : dat zodanige we- 
zens dikwils bekwaam zyn omte dringen door 
de pori van ’t glas, en aldaar aan de deeltjes 
van zodanig een Zin&nar, vooreen korten tyd 
eenige verandering in hunne te zamenfchake- 
linge te maken. Wy zien in de Zomêr,datde - 
hette van de lucht zo wel door het glas dringt, 
Ö C 3 en 


38 Natuur- en Konft-Kabinet é 


en de vogten die daar in opgefloten zyn, warm 
maakt , als dezelve gewoon is te dringen door 
alle andere lichamen. In de Winter zien wy 
de vogten bevriezen in de fleffen , alfchoon de- 
zelve hermetifche gezegelt zyn ; waar uit klaar 
genoeg blykt, dat de deelen, dewelke het ys 
maken, en die in de lucht zyn , bekwaam ge- 
noeg en ook fyn genoeg zyn omte dringen door 
de port van ’t glas, om zich te voegen en te 
dringen in de port van’t water; want te {tellen 
dat het water bevrieft door miflinge van de be- 
weginge zyner deelen , zonder dat zich iets van 
buiten in ’t water, vervoegt , heeft by my, als 
door verfcheide waarnemingen en proeven an- 
ders geleerd zynde, al lang uitgediend. 


32. 

De Hoogwaardige Robertus Boyle nam op 
een zekeren tyd een mengzel van fheeuw en 
gemeen tafel-zout, en wierp het zelve in een 
glas. In dit glas (dat ruim en groot genoeg 
was) ftelde de Heer Boyle een ander langwer= 
pig rond glas, * welk geplaaft wierd in ’t mid- 
den van dit mengzel, en in ’t welke gemeen 
water ingegoten was. Dus wierd dit alles 
in den Recspient geftelt. Zo ras als de lucht 
na uit den Recipiezt uitgepompt wierd, begon 
de fneeuw veel fchielyker te fmelten , als wel 
gewoonlyk gefchied. Na den tyd van een k war- 
tier van een uur, begon het water dat in ’t klei- ° 
ne glas of den Cylinder was, op de grond te 
bevriezen; en het ys vermeerderde allengskens , 
en rees zelfs in den Cylinder tot boven de op- 
pervlakte van ’t water dat in’t groote glas was , 
en 


«dd 


Fanuary en-February 1722, 39 
en in’t welke was geweeft het zout en de heeuw, 

nin’t welke de Cylinder nu geplaaft ftond. 
De bovenfte oppervlakte van dit ys was zeer 
hol. Dit gemaakt ys tegen-het licht gehouden 
zynde, was voorzien met lucht-belletjes; hoe= 
wel zommige van de toekykers oordeelde, dat 
in dit ys minder lucht-blaasjes waren als in ’ 


_ys, ’t welke in de open lucht gevroren is. De- 


ze Proef wierd noch eens hervat in een Recte 
pieut die kleinder was als de eerfte, en was van 
dezelfde gelukkige uitkomf(t. 


33: , 
_ By gelegentheid van de bovengemeide Proef, 
ftelt de Heer Boyle een vraag om op te loffchen; 
of een Problema voor : Waar eigentlykvandaan 
mag komen die verwonderenswaardige kragt, de= 
welke zo dikwils ondervonden word in't bevroren 
water ‚ waar deor het zelve zeer vafte lichamen, 
daar het zelve in befloten is , aan flukken doet 
barften ? Deze kragt worden wy dikwils ge- 
waar , als het water of eenige andere vogtigheid 
komt te bevriezen, en de alderfterkfte flc{len, 
in dewelke het ingefloten is, aan ftukken doet 
barften. De Heer Boyle verhaalt, dat een ze- 
ker Steenhouwer aan hem verhaalt hadde, dat 


‚„zomtyds geheele blokken van marmer aan ftuk= 


ken kwamen te barften, als op dezelve veel re= 
gen gevallen was, en dat op zodanige regens- 
onmiddelyk een fterke vorft kwam te volgen. 
Zeker Geelgieter hadde ook aan den Heer Boyle 
geklaagt , dat verfcheide van zyne werk- en 
konft-ltukken , dewelke van klokfpys of me- 
taal gegoten waren, dikwils aan (tukken ge- 

el 4 bor= 


P] 


49 Natuur- en Konft-Kabinet, 
borften waren; als de knegts door onvoorzig= 
tigheid water in dezelve hadde laten ftaan, en 
dat het zelve fchielyk door een harde vorft in 
dezelvekwam te bevriezen. Degeleerde Cabeus 
verhaalt ook by den Heer Boyle, dat hy zelfs 
gezien hadde een zeer groot vat van marmer, 
't welk gebroken was geworden door het be- 
vriezen van water dat in ’t zelve geweelt was. 
Het heeft de Heer Boyle niet behaagt de boven= 
gemelde verwonderenswaardige uitwerkingen 
van de vorft nader uit teleggen en op te helde- 
ren. Maar de ondervinding leert ons, dat het 
water meerder plaats beflaat als het bevroren is, 
als van te voren. Als het wezen , of de ftof, 
dewelke het ys maakt, zich in ’t water in- 
dringt, word het volumen van ’t water grooter, 
alwaar door dit wezen zich met zulk een geweld 
in ’ water komt in te dringen , dat de harde li 
chamen, dewelke de uitzettingen van dit be- 
vroren water tegenftreven , daar in zo verre 
voor moeten wyken,dat zy zomtyds zelfs komen 
te barften, ’t welk een zaak is die inderdaad ver- 
wonderenswaardig is. Vaneen heet-gemaakte - 
„lucht, die in een naauwe plaats befloten is, 
konnen wy zodanige uitwerkingen klaarder be- 
vatten, om.dat wy door veel ondervindingen, 
de groote kragt van ’t vuur daaglyks gewaar 
worden, en om dat wy door de Proef onder- 
vindingen onderwezen worden, hoe ongemeen 
de lucht door het vuur aangezet, zich kan ver- 
wyderen en uitzetten. Maar uit wat oorzaak 
die ftof, dewelke het ys maakt , zulk een uit- 
ftekenden geweld kan oeffenen, is tot noch toe 
20 openbaar niet bekent geworden. À 
ne 


4 POT 


Re Yanuary en February 1722; 4e 


ad 34e 
Onder de zufelten , dewelke door de lucht 
vliegen, zyn zommige zodanig ligt en klein, 
dat het in overweginge komt, of dezelve niet 
wel zoude konnen vliegen, en met hunne lichte 
lichaamtjes op hunne tedere wiekjes dryven, 
in een wezen , *t welke veel dunder is als de 
lucht in dewelke wy leven. Om deze zaak te 
onderzoeken, heeft de Heer Boyle op verfchei- 
de tyden in den Recipiezt geftelt een vlieg, een 
honingby en een zeer licht kapelletje. Maar 
zo ras als de lucht uit den Recipient wierd uit= 
gepompt, verloren die beesjes de kragt van te 
konnen vliegen, en konden met hunne tedere 
wiekjes niet anders uitregten als een bevende 
beweging. / 


35 
Dat de lucht voor de ademhalinge der men- 
fchen en der dieren , noodzakelyk is, word 
van elk een wel beveltigt; maar de Heer Boyle 
wilde zulks door proeven, wel eens nader on- 
derzoeken. De Heer Boyle ftelde een Lieeu- 
werk in een Recipient. Onder ’t uitpompen 
van de lucht, bleef de vogel nog een geruimen 
tyd zeer luftig en levendig , waar uit blykt, 
_ dateen Leeuwerk in een zeer verdunde lucht kon 
__adem halen , en in ’t leven blyven 5 dit word 
„ wok beveftigt , als wy zien tot welk een uitfte- 
kende hoogte deze beesjes in de zomer, alzin- 
gende in de lucht komen op te klimmen ; tot 
een hoogte of een gewelt van de lucht , zegge 
ik, in het welke de lucht uitnemende dun en 
fyn is, en in het welke miffchien een menfch 
BEA Cs Zon 


42 Natuur-en Konft-Kabinet; 
zonder ongemak niet zoude konnen verkeeren, 
gelyk wy zien aan die menfchen, dewelkealte 
hoog op den piek van Kanarie opklimmen , of 
die over de bergen van Pertacaca in Peru, met 
veel ongemak komen te reizen. Verfcheidevo- 
gels konnen neftelen op de toppen van zeer 
hooge bergen , daar buiten twyfel de lucht, 
voor de ademhalinge der menfchen, veel te fyn 
en te ‘dun zoude zyn. Niet tegenftaande de 
bovengemelde Leeuwerk in de zeer dunne en 
uitgepompte lucht , noch zeer luftig en leven- 
dig was gebleven , begonde dezelve zeer flaauw 
en ziek te worden , zo ras als de meette lucht 
uit de Recipient was uvitgepompt ; en na dat 
de lucht noch meerder uitgepompt was, wierd 
het beesje aangetaft van geweldigetrekkingeder 
leden , op die manier als wy dikwils de Duiven 
en andere vogels zien fpin-voeten ‚ na dat de 
kop van dezelve afgetrokken is, Op die ge- 
weldige. trekkinge, volgde eindelyk de dood 
van dit Leeuwerkje , waar uit wy mogen be= 
fluiten , dat zommige vogelen wel konnen le- 
ven in een zekere hoogte van de lucht , maar 
niet in een geweft van den damp-kring, in het 
welk de lucht tot een al te grooten fynheid en 
lichtheid gebragt is, Terwyl de Leeuwerk zich 
in de uitftekenfte trekkingen-der leden bevond, 
wierd de lucht wel in den Recipient wederom 
ingelaten , maar dit middel konde de dood van 
het beesje niet voorkomen; de tyd en het begin 
van de uitpomping tot de dood van dit vogeltje, 
was tien minuten. Naderhand wierd in den 
Recipient een Mos gedaan , en dezelve fcheen 
onder het uitpompen van de lucht , op dezelfde 
| wyze 


EENES hd - 


N 


B 


Yannaryen February 172. 43 


„wyze gefturven tezyn , doch de lucht wederom 


in den Recipient ingelaten zynde, wierd dit 
«beesje allengskens , of binnen den tyd van een 
kwartier van een uur , wederom zo luftig en 
levendig als van te voren 5 maar de lucht we- 
derom op nieuw uit den Reeciptezt gepompt 
werdende , fturf het zelve binnen vyf minuten 
met een kragtige trekkinge der leden, waar uit 
openbaarlyk bleek „ dat het zelve door deeerfte 
ongemakken in zo verre verfwakt was, dat het 
nu zo veel tyd de lucht niet konde ontberen als 
de eerfte reis. 
36. 

De Heer Onderzoeker oordeelde, dat de 
Muizen wel voornamentlyk onder die dieren, 
mogen geftelt worden , dewelke gewoon zyn 
te woonen in zeer nauwe en beflote gaten en 
holen, in dewelke de aldergrootftetoegang van 
de vrye en open lucht niet gevonden word, 
en dat miffchien zodanige dieren wel veel lan- 
ger zoude konnen leven in deze lucht-ledige 
plaats , als de boven-gemelde vogeltjes , de- 
welke gewent zyn in de open lucht te verkee- 
ren. Om zulks door de proef eens nader te 
ontdekken , wierd een Muis in een Reciprezt 
geworpen, maar het duurde onder het uitpom- 
pen van de lucht niet lang , of de Muis viel in 


kats-{wym. Het bleek , dat de Muis niet zo 


lang in een veer dunne lucht konde beftaan, als 
de boven-gemelde vogels; het welk zeer welte 
begrypen is, als wy onserinneren, datde Mui- 
zen aard-dieren zynde , zich altyd meerder be- 
vinden in de {waarfte en onderfte deelen van den 
damp-kring , als de bovengemelde vogeis. De 

kraan 


M. Matuur- en Konfl-Kabinet 


kraan wierd zeer fchielyk geopent , zo ras als 
de Muis op fterven lag , waar door de lucht 
wederom in den Recipiezt kwam in tevloeyen, 


en de Muis allengskens by te komen , maar 


dezelve was zeer {wak , en als kwynende tot 
een geruimen tyd, na dewelke de Muis wer 
derom luftig en wel-geftelt opíprong als van te 
voren, De lucht wierd wederom uit den Ree 
ciptent gepompt, en de Muis kwam tefterven, 
maar met veel minder trekkingen van leden , 
als de Leeuwerk en de Mos. hi 


Dii) rig 
Het is niet bedenkelyk , dat ymant zoude 


twyfelen , dat deze drie dieren uit gebrek en 
ontbeering van grove lucht zyn , komen te 
fterven. Wy zeggen, uit gebrek van grove 
lucht,want eenige zeer verdunde en lichte lucht,is 
nog altyd in den Recipiezt over , na dat al de 
lucht fchynt uitgepompt te zyn , gelyk als wy 
zulks voor dezen klaar getoont (a) hebben, 
Zommige zyn zodanig hertnekkig geweeft , 
dat zy ontkent hebben dat deze dieren , uit 
ontberinge van de grove lucht , fterven , mee- 


nende dat dezelve fterven van hunne eigen uits * 


wazemingen, dewelke zy zeggen, dat de lucht 
die noch in den Recipiezt is, zodanigbefwalkt, 
dat de dieren daar als aan komen te flikken; 
maar als dit waar was , moeften de dieren zo 
wel flikken, wanneer de lucht niet uirden Re- 
cipient gepompt word als anders. Om deze 

onge- 


(a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinet van November en 
December 121. PAZ. 446. 


ade 


\ 


Yanuvárj en February 1722. Af 
ree Tegenftrevers te regt te bren= 
5 


n, heeft de Heer Boyle een zeer hongerige 
Muis, in een Recipient gewurpe ; de Recipent 


» vol lucht gelaten, en by de Muis wat kaas ge= 


legt , maar twaalf uuren daar na was de Muis 
niet alleen noch in ’t leven , gelyk als van te 
voren , maar hadde zelfs byna al de kaas opge- 
geten,niet tegen{taande de Recipient zo digt toc= 


gefloten was geweeft , dat niet het alderminfte 


gedeelte van de uitwazeminge van den Muis, 
uit den Recipiezt konde uitvloeyen ; maar zo 
ras ‘als de fucht uit den Recipient gepompt 


wierd, viel de Muis in fwym , en begon ge= 
„weldig op te {wellen , en zo ras als de lucht 


wederom in den Kecipient wierd ingelaten , 
wierd de Muis wederom levendig áls van te 
voren, 

- 8, 


3 
Over den dienft, dewelke de lucht in de 
Adem-halinge aan menfchen en dieren ‘doed, 


zyn verfcheide gevoelens van den hoogwaar- 
digen Boyle aangehaalt. Onder degeleerde was 


Hippocrates in dien ouden tyd al van gedag- 


__ ten, dat de lucht de voornaaimfte oorzaak van 


leven en dood is: Dat de lucht zo noodzakelyk 


‘is voor de levendige lichamen , dat , xy eeten 


en drinken wel eenige dagen ‚ maar het voedzel 
van de lacht , maar weinig momenten konnen 


ontberen. ‘Zomimige zyn vangedagten, dat het 


… eenigfte, of liever voornaamfte gebruik van de 


lucht onder de ademhalinge is „ om het hart en 
% bloed te verkoelen, om dat na hun oordeel, 
dezelve anderzins te veel zouden verhitten, 
Andere vermaarde Mannen zyn van gedagten 5 

dat 


46 _Natuur- en Konft-Kabinet; 
dat de lucht onder de ademhalinge, indringt in 
de pypjes van de long , en voortkruipt naar de 
linkerholligheid van ’t hart, niet alleen om des- 
“zelfs hette te temperen , maar te gelyk om te 
dienen in de bereidinge der levens-geeften. An- 
dere zyn van gedagten , dat het gebruik van de 
Adeinhalinge is voor het bloed, om aan het zelve 
gelegentheid te geven , terwyl het zelve vloeid 
door de, longe , zich door, behulp van de uit- 
ademinge te ontlaften van verfcheide onnutte 
uitwerpzels en overtollige wey-deelen enz: 
Wy zullen de redenwikkingen en tegenwers 
pingen, dewelke de Heer Boyle op deze gevoe- 
lens heeft aangetekent , voorby gaan , om dat 
wy by een andere gelegentheid over de adem- 
halivge, omftandig zullen fpreken. Wy zullen 
alleenlyk aanmerken „dat de lucht die van een be- 
kwame Cogfiftentie en zuiverheid is;de bek waam= 
fte voor onze gezondheid is. Gelyk als wy 
wel haaft bevinden , zo ras als wy in een dam- 
pige of al te dikke , of kwaadaardige lucht on-. 
zenademhalen. De Heer Boyle verhaalt,datinde 
Lood-mynen vaa Devoria, (gelyk als ook 
zulks in verfcheide andere Mynen zeer gemeen 
is) dikwils zodanig een dikken damp uit de 
gronden opry{t, dat daar door de lucht zodanig 
verdikt word, dat, als de Mynwerkers niet 
fchielyk de vlugt nemen, zy fchielyk komen te 
flikken. De lucht kan in de Mynen, doorde 
uitdampinge van de Metaal-aderen , zodanig 
dik en onbekwaam worden ; dat daaf door de 
lichtjes en lampen die in de Mynen zyn ; van 
zelfs uitgaan, gelyk als wy op verfcheide plaat- 
zen in ’t Natuur- en Konft-Kabinet ; hebben 
aan- 


SYandaryen February 1722. 4 
aangemerkt. Het flikken door Dove-kolen in. 
een beflote kamer ; het fchielyk flikken in {ware 
Wynkelders , in dewelke de Moft fterk-aan’t . 
werken is, en diergelyke waarnemingen bewy- 
zen overvloedig, dat een al te dikke lucht niet 
bekwaam voor onze ademhalinge is, De on- 
dervinding leert ons ook wel duidelyk, dat een 
al te dunne‘ente veel verfpreiden lucht , té ge- 
Iyk onbekwaam voor onze ademhalinge „en 
voor ons leven ís ; gelyk gebleken is in deze 
bovengemelde beesjes, en gelyk als komttebly- 
__ken aan die menfchen , dewelke over de hoo- 
ge bergen Pertaca in Peru reizen , of dewelke 
boven het gewoonelyke perk op den piek van 
Kanarien opklimmen. By de Heer Boyle, 
word uit Ariftoteles verhaalt, dat die geene de- 
welke den hoogen Olympus beklauterden , ge- 
nootzaakt waren om nat-gemaakte fpongien by 
haar te dragen ‚ om de al te fyne lucht in de 
hoogte met water voor hun neus te verdikken , 
en voor de ademhalinge bekwaam te maken, 
hoewel wy groot onderfcheid moeften ftellen 
wegens den ftaat van de lucht, dewelke op de 
hooge Bergen, op de eene of andere tyd, zeer 
ongelyk zal zyn: want het is welzeker, dat in 
zeer koele tyden , en in zeer wolkagtige en 
vogtige luchten , de hooge Bergen met veel 
minder gevaar bereift konnen worden , als in 
zeer warme Jaar-getyden , met heete en fyne 
tuchten, 


ze ng ik 
Zomimige Dieten zyn otigemeen gehatt te= 
gens het uitpormpen van de-lucht , en onder de 
Viffchen wel voornamentlyk een Aal, De 
B rde Heer 


48 Natuur- en Konft-Kabine?; 
Heer Boyle wierp een Aal in den Recipiezt ; 
en al fchoon het vitpompen al vry lang geduurd 
hadde, bleef de Aal nochtans in het leven , zo 
lange tot dat hy eindelyk door het langdurig 
uitpompen zich op de rugge keerde , en leide als 
of hy dood was ; maar zo haat kwam de Aal 
niet in de ruime lucht , of hy leefde wel uit- 
drukkelyk , even zo wel als te voren. Opeen 
andere tyd wierp de. Heer Boyle een Hoorn= 
flak in een kleine Recipient ; de Slak was ge- 
klommen aan de binnen-wanden van den Ze- 
cipient ‚ maar viel geenzints na beneden , fchóon * 
de lucht naukeurig uitgepompt wierd , in zo 
verre, dat het uitpompen vandelucht, niet het 
aldermin{te leed deede aan de Slak. Ons be- 
ftek laat niet toe om te fpreken van de Viffchen 
die adem halen, en wederom van de Viffchen;, 
dewelke eenen anderen dienft van de lucht heb- 
ben ; of van ’% gebruik des luchts voor de Zx- 
fetten 5 maar wy vinden zelfs menfechen , de- 
welke veel langer hunnen adem konnen miffen 
als andere. Ook fchynt het dat zommige men- 
fchen , hen zelven door de gewoonten eenig- 
zints bekwamer konnen maken om den adem 
op te houden , en de lucht eenige minuten te 
konnen miffen. Van de Parel-duikersin’t Oof- 
ten; en in Weft-Indien, word eenparig getuigt, 
dat zommige zich vodanig hebben weten aante 
wennen ; de lucht voor een zekeren tyd te ont- 
beren ; dat onder dezelve zomtyds eenige ge- 
vonden zyn , dewelke een geheel uur onder 
water hebben konnen vertoeven ; zonder hun- 
nen adem te halen, Gardaugs (a) verhaalt by de 
| Heer 
(a) Vide de Subeilitate, lib, 1í. 


„Jatinaryen-February 1722. 49 
Heer: Boyle, dat. (hoewelde getuigenis van deze 
chryver.‚niet vanhet hoogfte credyt is ) zeker 
uiker: van. Sicilie: eenige uuren onder water 
_kondeleven.…De,‚-„Heer Boyle verhaalt voor 
een zekere, waarheid, dat een zeker welgeftelt 
en (fterk, Karel in, Engeland bekent was ; die 
Zeer diep, tot op,den grond van den Teems 
konde duiken en nederdalen by de klippen, uit 
welker treten en diepe holligheden , hy de Vif- 
fchen. met zyne handen wift te vangen en bo- 
ven water te brengen, Acoffa verhaalt insge= 
lyks,, „dat die manier, van -Viffchen in Weft- 
ndien, gemeen was. , De Heer Boyle vroeg aan 
Een man.van zynkennifle, (dewelkezyn werk 
maakte, van door middel van een fware Klok, 
in dewelke de lucht gehouden wierd, neder te 
dalen, op de diepe. gronden onder de,Zee , en 
aldaar. op. te viflchen gebleve Schatten , Goe- 
‘deren „ Ankers , Kanon enz.) hoe lang hy op 
de, diepte van vyftig of zeftig voeten onder wa- 
ter,buiten de Klok zonder zyn adem te halen, 
‘konde duuren 5; dewelke daar op antwoorde, 
dat hy zelks niet langer als twee minuten kon- 
de uit(taan, en dan, geduurig gedwongen was 
zich wederom onder, zyn klok te begeven, om 
in de lucht, dewelke in dezelve gevonden 
wierd, zyn adem te-halen. Op welk een wyze 
in zodanig een klok de. lucht gehouden word, 


kan de Lezer licht begrypen, als hy maar eens 


een glas perpeudiculair in”t water nederdrukt, 
als wanneer hy zal zien, dat geen drup “water: 
in ' glas zal indringen, en geen de minfte lucht 
uit het zelve zal uitgaan. De Heer Boyle vroeg 
nog nader aandezen Man, of hy ook nut hadde 


ks VI Deer. D van 


so _ _ANarmar-en Konft-Kabinë, 
van de mert oly beftreken fpongie, dewelkehy ges _ 
woon was in zyn mond te houden, en op dezelve 
te kauwen, als hy zich üit zyn klok in’t water 
begaf, Waar op dezelve antwoorde, dat hy, 
door behulp van zodanige fpongien, de lucht 
veel langer konde miffchen „en zonder zyn adem 
te haalen, onder water blyven , als zonder de- 
zelve, 
40. 

Als wy overwegen, dat zommige menfchen 
zich allengskens konnen aanwennen en leeren 
een geruimen tyd zonder lucht, en hun adem 
te halen onder water te duuren , en dat we- 
derom in tegendeel zommige infelten in een 
lucht-ledige plaats daatlyk fterven : dat onder 
de viffchen zommige gevonden worden „dewel« 
ke in een lucht-ledige plaats konnen leven, 
komt het zeer waarfchynelyk voor , dat de 
ademhalinge en de genietinge van de lucht van 
een gebruik en dienít voor de menfchenis, des 
welke tot noch toe niet klaar genoeg bekent is. 
Het is buiten alle twyffel de waarheid, dat in 
ons lichaam zich altyd veel meer lucht ont- 
houd, als wy in’t algemeen wel komen teoor= 
deelen. Maar ik zal my over deze zaak tegen=- 
woordig niet breeder uitlaten, om dat ik voor- 
genotmen hebbe by een andere gelegentheid van 
dezelve tet meer omftandigheid en naauwkeu- 
righeid te händelen. En dewyl de Heer Boyle 
dezen Brief, dewelke hy aan zynen Neef, den 
oudf{ten zoon van den Grave van Corke, ge- 
fchteven heeft , en den welken wy dus lange 
gevolgt hebben, komt te eindigen, zullen wy 
tot het toekomende Natuur= en Konft-Kabinet 

uit- 


JanuaryenFebranryijrs: Fu 
uitftellen, om over die-zaken te handelen, dee 
welke de Heer Boyle over de lucht „in nog twee 
andere verhandelingey die op dezen Brief ge= 
volgt zyn , als ook anderzints in zyne werken, 
heeft voorgeftelt. Maar om dat ik aan myne 
konft-lievende Lezers hebbe belooft een naauw=- 
keurige befchryving van de Barometers , Ther- 
mometers enz. en derzelver onderfcheid en toe- 
ftelling in ’t Natuur- en Konft-Kabinet op zyn 
tyd en plaats in te vlyen , en datik reets eenige 
zaken hebbe opgeheldert en befchreven , dewel- 
ke hen tot de kennifle van deze verwonderens- 
waardige werktuigen allengskens kan opleiden 
en als voorbereiden , zal ik deze verhandelinge 
overde lucht fluiten met een Brief, dewelke 
de vermaarde Luucht-Onderzoeker „de Heer Da- 
NIEL GABRIEL FAHRENHEIT aan my over de 
Barometers en, op den 18. February 1723. ge- 
fchreven heeft. 


BRIEF van den Heere Daniel Gabriel 
_Fabrenbeit aan Willem van Ranouw, 
over eenige zaken dewelke moeten in acht 
genomen worden omtrent het toeftellen van 

_ Barometers. 


MYN HEER, 
k heb uit twee van uw laaft uitgekomen Ruk- 
jes van ’t Natuur- en Konft-Kabinet met 
| groot genoegen gezien , dat gy ondernomen hebt 
een Natuurlyke Hiftorie van de Lucht aan ’t 
gemeen mede te deelen ; en dewyl gy indezelve 
zeer wel te pas hebt gebragt zodanige werktui- 
D 2 gen; 


ha 


s2 __Naivur en. Konft-Kabinet 
gen, als wy gewoonlyk gebruiken , om den 
aartven de gefteltheid: van de lucht te ontdek 
ken en nader op te {poren , hebbesik my (aan- 
genoopt door de waare vriend{chap , déwelke 
ik u toedrage, en de liefde tot diergelyke Proef- 
kundige Wetenfchappen) de eere willengeven, 
dezen Brief overde zaken dewelke-in-agt moe- 
ten genomen worden, in't maken van Baromen 
ters, met veel eerbiedigheid aan u te fchryven. 
By aldien gy oordeelt, Myn Heer !,dat dezelve 
voor de Liefhebbers van eenige nutheid kan 
zyn, geve ik dezelve over aan uwe verkiezin= 
ge, om dezelve in ’t toekomende Natuur- en 
Konft-Kabinet te laten drukken , ofalsgy zulks 
goed vind , daar uit te laten. Ik ftelle zulks 
met te minder bekommering voor ‚ omdat ik 
uit uw Schriften overal gemerkt hebbe.dat gy 
opregt zyt, en van elk den lof, den -welken-hy 
verdient, regtvaardiglyk verkondigt, en de ge- 
breken, daar dezelve onfchadelyk zyn voor ’t 
gemeen , voorzigtiglyk verfwygt. 
De menigvuldige Proeven, dewelke omtrent 

de zwaarte van de lucht of Dampkring van tyd 
tot tyd door verfcheide Beroemde Mannen in’ 
werk geftelt zyn, en dagelyks nog uitgevonden 
worden , getuigen openbaarlyk „dat de kwik- 
kolom in de glaze buizen der Barometers van 
de aanparffende zwaarte-kragt des Dampkrings 
„em hoog gehouden word, en met den. zelven 
tuffehen de 264 en 294 Franfche Konings-dui- 
‚men, of tuflchen de 28 en 31 Londonfche dui- 
men een geduurig evenwigt onderhoud. Al 
„fehoon dit nu de twee uiterfte punten van de 
„grootfte zwaarte en alderuitftekenfte ligtheid 
van 


Yannarpen February 1722. 53 


van den Dampkring zyn, dewelke tot nog toe 
ondervonden en waargenomen zyn, kande ver- 
…_anderinge ‚dewelke geduurig omtrent dez waar- 

te van den Dampkring gebeurd , niet met de 
uiterfte netheid gekend en ontdekt worden , ten 
zy daar toe goede Barumeters gebruikt worden, 
Daarom legt in’t oeffenen vandeze nafpeuringe 
den liefhebberen zeer veel gelegen aan Barome- 
ters, dewelke zo naauwkeurig de zwaarte des 
Dampkrings aantoonen , als het mogelyk is. 
Want de kwik die in de Barometer is ; zal nooit 
“ de wezendlyke zwaarte van deu Dampkring 
aantoonen, als eer{telyk niet genoegzaam zor- 
ge gedragen is, dat al de lucht uitde Barometer 
is uitgebragt ; ten tweeden , als de buizen in- 
wendig niet volkomen fchoon en rein zyn 3 
ten derden, als de buizen te naauw zyn; ten 
vierden, als de kwik zelfs onzuiver is5 en ei- 
delyk ten vyfden, als geen genoegzame omzig- 
tigheid gebruikt word, in ’t vullen van de bui- 
zen met kwik, om te beletten dat niet de al- 
derminfte vuiligheid of {met in de buizen of 
onder de kwik gerake, 

Wat nu de volkomen Evacuatie van de 
Jacht uit de glaze buizen belangt, mag ik zeg- 
gen, dat het dikwils gebeurd , dat de toeftelders 
of werkmeelters van de Barometers of geen ge= 
noegzame kenniffe bezitten, om de lucht zoda- 
nig volkomentiyk uit de glaze buiste doen gaan 
als vereifcht word, of dat dezelve te agteloos 
zyn, om te verhoeden, dat, onder het vullen 
vande glaze buis met kwikzulver , te gelyk eeni- 
“ ge lucht kome in te fluipen , of over te blyven 
in den buis. . Als dan in den glazen buis noch. 
AN WRED 3 eeni- 


s4 Natuur-en Konft-Kabinet, 


eenige lucht is overgebleven , word daar door 
de deugd van een Barometer merkelyk vermin- 
dert; want de overgebleve lucht by malkande- 
ren geraakt zynde in ’ bovenfte gedeelte vande 
Barometer, ’twelk volkomen lucht-ledig dien- 
de te zyn, doet net zo veel tegenparffinge aan 
de kwik-kolom, als deszelfs nog by geblevene 

Elafticiteit of veer-kragt komt te bedragen. 
Wat de inwendige zuiverheid en bekwaam- 
heid van de glaze pypen belangt, hier omtrent 
durveik verzekeren, dat zomtydsgebrekkelyk- 
heden aan de materie van ’t glas zelver zyn, 
dewelke by elk een niet bekent, veel minder in 
agt genomen zyn geworden. Want de glaze 
pypen konnen inwendig zeer onzuiver worden, 
als dezelve van een glas-materte gemaakt zyn, 
die te rykelyk met een loog-zout bezwangert 
is; want de vogtige deeltjes, waar mede de 
lucht meeft altyd meer of minder voorzien is, 
grypen het overtollige loog-zout aan , loffen 
het zelve op, en veroorzaaken dat de inwen- 
dige oppervlakte van diergelyke glaze pypen al- 
tyd met een vogtigheid overtrokken is. Deze 
oploffinge word voortgebragt , of van de wa- 
zem die altyd van den adem van den glasblazer 
in ’t binnenfte van de pyp overblyft, of ook 
wel van de vogtigheid des gemeenen luchts. 
Als van zodanige pypen Barometers worden 
gemaakt, word de kwik in deszelfs opryzinge 
door die vogtigheid merkelyk belet. Doch als 
het al gebeurde, dat iemand op een plaats Ba- 
rometers kwam toe te ftellen , alwaar geen an- 
der als zodanig glas te bekomen was, zoude 
zyn eerfte zorge moeten zyn , omde Ere 
eze 


SFanuary en. February 1722. ss 


deze wazem te reinigen , en dezelve volko- 
mentlyk te zuiveren, » } 
Het gebeurd ook dikwils, dat de inwendige 
oppervlakte der glaze pypen als met een fmerig- 
heid befineurtis, al zyn die pypen zelfs al ge- 
_ maakt van goede glas-ftof, dewelke de ontbin- 
dinge van haar loog-zout-deeltjes door de vog- 
tigheid van de lucht geenzints onderworpen is; 
want als deze pypen, het zy in de glas-huizen 
of elders, eenige tyd komen te ftaan, zetten 
zig zelfs uit de lucht, die in de holligheid van 
die pypen is, altyd eenige Heterogene deeltjes 
tegen de binnen-wanden van die glaze buizen, 
en hegten haar zelven aldaar zodanig ‚dat zulks 
eene kleverigheid veroorzaakt; op die zelfde 
wyze als wy, dog op een zigtbaarder manier, 
dagelyks zien gebeuren, aandiezaken, dewel= 
ke in de lucht komen te beflaan. à 
De inwendige wydte van de Barameter-bui= 
zen komt ook niet weinig in overweginges ° 
want de ondervindinge heeft geleerd, dat, als 
twee pypen, die van goede glas-{toffe gemaakt 
„en wel gereinigt zyn, van malkander daar in 
komen te verfchelen, dat de eene pyp zeer 
naauw „ en de andere van een behoorlyke wydte 
is, zal, zo ras als dezelve met kwik opgevult 
zyn, de kwik-kolom in de pyp die alte naauw 
is veel lager (laan, als in die pyp, dewelke 
behoorlyk wyd is, De reden hier van is aan_u 
genoegzaam bekent, want het is dezelfde oor- 
zaak, dewelke gy in uw Natuur-en Konft-Ka- 
binet hebt (4) vaommiel Ik zoude by deze 
D 4, gele 
(a) Ziet Natuur-en Konfl-Kabinet November en 
December 1721. pag. ALÓ. en Tab, xxxVI, Fig. ze 


56 Natuur- en Korft-Kabinet’, 
gelegentheid nu we} konnen bepalen, hoe wyd 
de glazebuis van een Barometer eigentlyk moet 
zyn, op dat geen repulfie van ’t glas eenige be- 
lemmeringe aan de hoogte van de kwik-kolom 
veroorzake , maar het beftek van myn Brief - 
laat geenzints toe , om zulks uitvoeriglyk, en. 
zodanig als dat behoort, af te handelen ; want 
ik hebbe over deze zaak vêrfcheide Proef-on- 
dervindingen waargenomen , en aangetekent, 
dewelke te wydlopig zyn ‚, om hier voorgeftelt 
te worden; daarom zal ik deze zaak tot een na= 
der gelegentheid uitftellen, by ‘dewelke ik nog 
verfcheide Proeven zal voegen , dewelke ik 
over de aanklevinge van onderfcheide vogten in 
kleine haar-pypjes in ’t werk geftelt heb. 

Als wy nu onze aandagt laten gaan over het 
kwikzulver, waar mede de Barometers worden 
gevuld, leeren wy door de ondervindinge, dat 
het ten hoogften noodzaaklykis, dat die kwik 
volkomentlyk zuiver en fchoon gemaakt is, 
Want als de kwik maar met de alderminfte on- 
zuiverheid , of met eenige vreemde metalyne 
deeltjes vermengt is, veroorzaakt zulks daatlyk 
een aanmerkelyk onderfcheid in de hoogte van 
de kwik-kolom. Gemeenlyk konnen wy het 
kwikzulver zuiver genoeg, om het zelve tout 
Barometers te gebruiken, inde Drogiftwinkels 
kopen, als wy maar zorge dragen dat de ftof, 
die gewoonlyk daar op dryft, van die kwik 
afgenomen, en dezelve op die wyze gezuivert 
word; en by aldien het al kwam te gebeuren, 
dat eenige vreemde metalyne deelen onder het. 
kwikzulver vermengt waren, maakt zich zulks 
aanftonts bekent en openbaar aan een vlies , „A 

vl 


Yannary en February 1722. SP 

‚ich in die omftandigheid opde oppervlakte van 

de kwik vertoont, en deszelfs glans beneemt, 

‚Deze metalyne onreinigheid, die aan het kwik- 

zulver een ongemeene traagheid veroorzaakt, 

‚ kan van dezelve afgefcheiden worden , als de 

kwik in een retort door het vuur overgehaald 
word. 

Zommige, aan dewelke het gebruik en het 
eind-oogmerk van de Barometers niet genoeg- 
zaam bekent is, zullen niet konnen begrypen, 
waarom wy zo veel werk maken , dat de kwik- 
kolom in alle Barometers bp een en dezelfde 
hoogte behoord te ftaan. Maar om deze uit 
den droom te helpen, zal ik, uit veele nuthe- 

den, maar eene zaak aanhalen. Als het by 
voorbeeld kwam te gebeuren, dat iemand met 
een of meer Proef-kundige Natuur-Onderzoe- 
kers wilde nafpeuren , het verfchil van de 7 waar- 
te van den dampkring op dezelfde tyd-punten 
in Amerika, Afia, Afrika, Europa, of in 
Vrankryk, Italien, Spanje, Engeland, Duits- 
land enz. In dat geval zouden zy nooit in hun- 
ne Calculatie van malkanderen verzekert kon- 
nen zyn, by aldien zy alle op die verfcheide 
plaatzen niet voorzien waren van zodanige Ba- 
rometers, in dewelkedekwik-kolom, in geval 
van een egaale parflinge van de lucht-kolom, 
op een egaale hoogte word opgeparft. 

Als de Liefhebbers of Werkmeefters ,dewel= 
ke tegenwoordig daaglyks bezig zyn om Baro- 
meters toe te ftellen, dan zeer naauwkeurig 
hebben leeren agt geven en uit den weg ruimen 
de inwendige fmerigheid van de glaze buizen, 
de onzuiverheid en de onreine vantkwik- 
EA Zui 


$8 Natuur-en Konft-Kabinet, 


zulver, de al te groote naauwheid van deglaze 
pypen enz. , zullen zy noch op geenderley wyze 
in ftaat zyn, om een goede Barometer te ma- 
ken; want de manier , door dewelke heden- 
daags het kwikzulver in de buizen word ge- 
bragt, is niet zodanig als dezelve behoort in ’t 
werk geftelt te worden; en het is op die wyze;, 
dewelke zy onderhouden, genoegzaam onmo- 
gelyk omte beletten , dat niet eenige fmet in 
de glaze pypen onder de opvullinge van dezelve 
gerake. Dit is de oorzaak, dat onder een groot 
getal Barometers, dewelke wy daagelyks ont- 
moeten, zelden een gevonden word, die in= 
derdaad goed is, Ik zoude nu de oorzaaken 
van ’t gebrekkelyk vullen van de Barometers 
wel kunnen aanhaalen, en te gelyk de eigent- 
lyke manier van de Barometers met kwik te 
vullen alhier konnen voorftellen ; maar ik weet 
op een goeden grond , dat dezelve by u zeer 
wel bekent zyn. 

Ik vinde onder de Liefhebbers hedendaags 
een gevoelen, ’t welk by veele fchynt door te 
gaan: dat is, zy geloven, dat de deugdzaam- 
heid van een Barometer veel afhangt van de 
groote en ruimte van ’t bovenfte gedeelte des 
Barometers, ’t welk de lucht-ledige plaats van 
de Barometer komt uit te maken, en ’t welke 
gelaten word, boven de kwik-kolom. Daar- 
om verkiezen veele niet alleenlyk zeer lange 
glaze buizen, maar zommige gebruiken pypen , 
aan welkers boven-einde een bol aangeblazen 
iss op dat de lucht, die by het vullen van de 
Barometers noch mogte in de glaze buis zyn 
gebleven of ingeflopen, op die wyze een groo= 

, ter 


January en February 1722. $3 


ter plaats mag genieten, om zich wyder te kon- 
nen uitbreiden, en aldus met m'nder Elafticiteig 
tegens de’ kwik-kolom aanparflen, Maar deze 
voorzorge is geheel onnodig, als op de zaken, 
dewelke ik aangeroert hebbe, zorgvuldig acht 
gegeven word. Want in een korte Zubus van 
maar 31 Engelfche duimen, omtrent dewelke _ 
zorge gedragen is, dat noch lucht, noch vog- 
tigheid, noch eenige fmerigheid aan de binnen- 
wanden van ’t glas, noch eenige onzuiverheid 
overgebleven is, zal de kwik-kolom, in geval 
van een egaale luchts-zwaarte of parflinge, veel 
hooger ftaan, als in een pyp van hondert of meer 
duimen lengte, of met een bol voorzien, om= 
trent dewelke die zaken niet behoorlyk waar= 
genomen zyn, gelyk als ik , in de tegenwoor- 
digheid van u en verfcheide andere treffelyke 
liefhebbers, voor dezen dikwils met de Proef 
zelfs getoont hebbe. In welke zamenkomfteik 
ook te gelyk deede zien, dat zelfs een weinigje 
lucht, dat in de lucht-ledige plaats van my over- 


gelaten was, niet zo veel nadeel aan het opry- 


zen van de kwik-kolom kwam te veroorzaa- 
ken, als de minfte {met of vogtigheid, dewel- 
ke in de pypen gevonden wierd, 

Het verfchil van de hoogte des kwik-koloms , 


in verfcheide Barometers in een en dezelve 


zwaarte-kragt des dampkrings , is aldereerft 
ontdekt, en waargenomen vanden uitmunten= 
den Natuurkundigen Wiskonftenaar den Heere 
de la Hire, Mede-lit vande Koninglyke Fran= 
fche Societeit der Wetenfchappente Parys: ge- 
lyk als zulks in de Hiftlorie en Memoires van, 
gemelde Socseteit omftandig verhaalt word, De 
aan- 


so __ Natuur-en Konft-Kabinet, 
aanmerkingen , dewelke die Heer daar ter plaatze 
maakt , zyn goed; maar de middelen dewelke 
hy voorfchryft zyn niet volftrektelyk genoeg, 
om dit aanmerkelyk gebrek met de wortel uit 
te roeyen. Gelyk als ík zal toonen, wanneer 
ik kome aan te wyzen, op welk een wyze ge- 
werkt moet worden, om Barometers te ma- 
ken, in dewelke de kwik-kolom in een egaale 
zwaarte des dampkrings altyd even hoog ftaat ; 
en door dewelke de waare zwaarte van den 
dampkring altyd aangewezen word. ’t Welk 
alhier de plaats niet is ; om dat tegenwoordig 
myn oogmerk zig niet verder uit{trekt , als maar 
enkelyk om de gebreken van de dagelykfche 
kwalyk toegeftelde Barometers aan te wyzen, 
voor zodanige liefhebbers aan dewelke gy goed 
zult vinden deze aanmerkingen deelagtig te ma= 
ken, en dewelke nog niet kundig genoeg zyn 
om van de ware deugd der Barometers te oor- 
deelen. 

Omtrent de bakjes die aan de Barometers ge- 
voegt worden , zyn ook eenige zaken aan te 
merken, Deze bakjes die van hout of van glas 
zyn, dienen (gelyk zulks genoegzaam bekent 
is) 1. Omhetonderfte einde van den Barometer- 
buis of pyp te bedekken met de kwik, die ín’t 
bakje is,en zodanigen gemeenfchap met malkan- 
deren te doen genieten, dat geen de alderminfte 


inden met kwik gevulden Zubus, of Barometer- 
pyp. 2. Verftrekken deze bakjes met kwik, 
om in zich altyd voorraad vankwik, alsin een 
agazyn te houden , uit het welke (in geval 
an de alderuit{tekenfte zwaarte-kragt van den 
Damp- 


buiten-lucht kan dringen, of om hoog flippen, 


SFannaryen February 1722: CE 


Dampkring „en als wanneer de kwik in den, 
glazen Zubus tot op de hoogfte graad word op- 


_geparft, en vervolgens de kwik-kolom langer 


word,) de kwik gefourneert word. Zodanig 
een bakje moet voor al niet te naauw zyn; ge- 
Iyk als ik, de meefte bakjes van de Barometers 
kome te ontmoeten, . Het welke wel meeften 
tyd gedaan word om de onkoften van een wei- 
nigje meerder kwikzulver te befparen. In te- 
gendeel behoort zodanig een bakje vooral van een 
bekwame wydte te zyn, op dat de kwik,in’t geval 
van minder gewigte des Dampkrings, zig behoor- 


_Iyk in ’ bakje zoude konnen, uitbreiden, en al- 


dus tot geen merkelyke, hoogte in een alte 
naauw bakje komen op te ryzen. Want het is 
zeker, dat de kwik-kolomin de Barometer-pyp 
net 70 veel minder zakt, als de kwik in ’t 
bakje in de hoogte komt aan te winnen, Maar 
als op de behoorlyke wydte van’t bakje naauw- 
keurig agt gegeven is, zullen wy uit de byge- 
voegde.duim;maat, op de plaats alwaar de ver= 
andering van de kwik aan ’t boven-einde van 
de kwik-kolom gefchied , de veranderlyke 
zwaarte van den Dampkring konnen gewaar 
worden, 

Omtrent de maat, dewelke aan de Barome- 
ters gevoegt word, om daar door gewaar te 
worden en te zien hoe veel de kwik, in. geval 
van veranderinge van zwaartedes Dampkrings, 
komt te ryzen, ftaat ook aan te merken, dat 
verfcheide toeftelders van Barometers misflagen 
begaan. Want wy. zien daaglyks veel Barome- 
zers, by dewelke de gemelde maat met geen 
getallen van duimen is gezoteert : maar alleen- 


lyk 


62 Natuur-en Konff- Kabinet, 


Iyk naar het loffe goeddunken des makers daar 
is bygevoegt. Wy vinden zommige die noch 
kwanfuis eenige getallen by hunnen maat voe- 
gen, even als of door dezelve het eene of het 
andere zoort van duimen aangeduid wierd; 
maar als wy deze getallen onderzoeken, bevin- 
den wy, dat zelfs ook deze meefters geenzints 
den duim-maat hebben ín agt genomen 5. het 
welk de liefhebbers daatlyk konnen gewaar 
worden , als zy maar de moeite believen te 
doen ‚van met de eigentlyke maat de lengte 
van de kwik-kolom af te meten. Wat vorder 
de verdelinge van deze maten belangt , kan ik 
niet voorbygaan , dat wy ook een groot ver- 
fehil in dezelve ontmoeten. Want deze ver- 
delinge gefchied ook veeltyds zo maar flegts 
naar het eigen goeddunken des makers; alwaar 
noch bykomt , dat dikwils de eene het {poor 
van den anderen blindelings komt te volgen ; 
en dat deze misflagen noch onaangenaamer 
maakt, is, om dat wy dezelve dikwils zien be- 
gaan van zodanige , die zich verbeelden van 
deze zaken grondiger kenniffete hebben als an- 
dere. Het ís wel evenveel wat voor voet- of 
duim-maat gebruikt werde om de kwik-kolom 
af te meten 5 want elk een kan de voet- of duim- 
maat, die in zyn land daar hy woont gebruike- 
lyk is, daar toe verkiezen : voornamentlyk als 
dezelve overal bekent is ; want als wy de pro- 
portie van dezelve weten, konnen wy dezelve 
altyd met eene algemeene bekende duim-maat 
vergelyken. Maar ik bedien my tot dien einde 
meeft van de Franfche Konings-deimen, of van 
de Londonfche duimen , maar niet van sd 

n= 


Yannaryen February vzat. 63 
__Fnlandfche noch Rynlandfche maat. De reden, 
dewelke my hier toe beweegt, is, om dat in 
Vrankryk en Londen daaglyks aantekeningen 
van de veranderinge des Dampkrings gemaakt 
worden , waar door de liefhebbers die myne 
Barometers gebruiken, en die alhier de dagelyk- 
fche verandering des Barometers aantekenen, 
en de aantekeningen van Parys en Londen mag- 
tig komen te worden, konnen weten , hoeveel 
de zwaarte van den Dampkring van Parys en 
Londen, met de zwaarte van den Dampkring 
alhier op het zelfde tyd-punt komt te verfche- 
len ; waar doof zy van de moeite ontflagen 
zyn, om by elke obfervatie uit te cyfferen de 
__hoogte van de kwik-kolom in Londenfche of 
Paryfche maat. 
Ik hadde noch befloten in dezen Brief te voe= 
_ gen eenige kentekenen van een goede Barome- 
ger, als mede eenige obfervatien aangaande de 
ligtende Barometer , benevens noch verfchei= 
de andere zaaken van dewelke wy. onlangs in 
een zamenfpraak gehandelt hebben ; maar ik 
__zal dezelve uitftellen, en in een tweeden Brief 
voorftellen ; om dat dezen Brief reeds grooter 
is geworden, als het beftek dat ik my in ’t be= 
gin van den zelven voorgeftelt hadde. Daarom 
zal ik afbreken, en my bevelen in uw gedurige 
4 en verblyvende tet veel hoog-ag= 
tinge, 
zie Myn HEER! enz. 


__ Amfterdam den 18. 
February 1723, 


DANIEL GABRIEL FAHRENHEIT: 


s : Zevenn 


e4 Natuur-en Konft-Kabinet 


Zevende Verhandeling wan de BT: 
_ZONDERE NATUURLT. 
RE HISTORL-SCHRIVERS; 


enindezelve de Natuurlyke Hufborie 


wan de Indigo. 


5 

e Indigo is een blaauwe verf-ftof, die niet 

; Breen door de geheele wereld vermaard 
is, maar in dewelke door verfcheide volkeren 
een groote koophandel word gedreven. Deze 
verf-ftof word tegenwoordig op verfcheide 
plaatzen gemaakt; het welke de oorzaak is , dat 
dezelve veel van malkander komt te verfchelen , 
en dat verfcheide zoorten van Indigo gevonden 
worden. De Konftenaars en Werklieden, die 


den Indigo tot hun werk gebruiken ‚zyn zo veêt - 


verfcheiden , en zo veel in getal, dat het zeker 


is, dat aan zeer veele nutheid en voordeel zal. 


gedaan worden , door een naauwkeurige be- 


fchryvinge van de Indigo in’ ligt te geven, 


Want alfchoon de kenniffe van ’t gebruik van 
deze verf-ftof door konft-oeffeninge en eigen 
arbeid daaglyks by de Konftenaren en. Werk lie- 
den verkregen word, behoeft niemand te twyf= 
felen, dat hy noch beter afgeregt zal worden 
in ’t wel gebruiken van den Indigo, als hy by 
de ervarendheid de natuurlyke en diepe kennifle 
van den Indigo komt te verkrygen ; als dat hy 
zo maar flegts het gebruik van den Indigo al- 
leen komt te leeren door een ander blindeling 

nâ 


} Jannaryen February 17ar: óp 
pa te volgen. Zodanig, een. natuurlyke -ken- 
_gifle van de waare gefteltheid en aard: van den 
Indigo, kan niemand tot noch toe door het le- 
zen vau boeken, veel minder door fchraale en 
onzekere berigten agterhalen. …Want de berig= 
ten gefchieden dagelyks van onbekwameen on= 
geletterde, veel minder in de Proef-kunde en Na- 
tuur-kunde ervarene perzonen,die met geheel an= 
dere oogmerken gereift of gevaren hebben, en 
tegen malkander ftrvdig zyn5 en de Schryvers 
_ hebben tot noch toe niet als zeer gebrekkelyk , 
dikwils zeer verkeerdelyk, en dan noch maar 
in ’t voorbygaan van den Indigo gefchreeven. 
Niet, om dat aan hen de bekwaamheid heeft 
ontbroken , maar om dat de naauwkeurige na- 
vorfchinge van de Indigo tot noch toe niet fterk 
in de gedagten fchynt gevallen te zyn, Het is 
altyd gangenaam voor de Lezers, dat een tof, 
dewelke uit zich zelfs van een naargeeftige een- 
parigheid is, vermengt word met zaken , die 
eenige veranderinge geven , en die echter die- 
nen tot ophelderinge van het al te fchrale én al 
‘te melancholyke onderwerp. Daarom zal ik, 
„zo veel als in myn vermogen is, het nutte niet 
alleen met het verkwikkelyke mengen ; maar 
ik zal, zo veel als ik kan, ook zorge dragen, 
dat het verkwikkelyke zelfs nutheid aanbrengt, 
den Indigo nader opheïidert, en altyd op des- 
zelfs naauwkeuriger en dieper kenniffe als ter 
neder komt, 


$ 


vie 2. 
Zeer veel menfchen,en onder die gene verfchei- 
de, dewelke zig inbeelden deze zaken boven ande- 
„re te weeten , {chynen te meenen datde Fabrycq 
…_VIJ Deer. eN ls van 


k 


68 _Narmur- en Konft-Kabinet, 
an de Indigo van een jongendatum is. Ik ges 
loof dat deze dwalinge veroorzaakt word, om 
dat zedert eenige Jaaren op verfcheide plaatzen 
in Afia en Amerika, het maken van Indigo eerft 
in ’t werk geftelt is: gelyk als by voorbeeld te 
Guatimalo , te Sint Thomas, op de Eylanden 
Barbados, Jamaica, Sint Euftace, te St. Do- 
mingo , te Guardaloupe , te Martinique, te 
Suriname, op Curaflouw, op Java, op Cey- 
lon, Kormandel enz, Maar het is zeker, dat 
de Indigo al by de Ouden is bekent, en groo= 
telyks in ’t gebruik geweeft : dat in de Indigo 
al koophandel is gedreven voor onbedenkelyke 
eeuwen. Dioftorides, Plinius, Vitruvius, en 
eenige andere oude Schryvers, hebben maar 
zeer kortelyk meldinge gemaakt van deze of 
geene ftoffen, die of blaauw van koleur wá- 
ren, of met dewelke blaauwe koleuren of ge- 
fchildert of geverft wierden , en als deze ftoffen 
uit de afgelegenfte deelen van Atia in Grieken- 
land, of tot Romen van Natie tot Natie over- 
gebragt moeften worden, hebben zelfs die oude 
Schryvers den oorfprong, het Vaderland , de 
natuurlyke gefteltheid , en de toebereidinge van 
diergelyke ftoffen niet geweten. Dit isdeoör- 
zaak, dat zy dikwils aan die ftoffen zulke al- 
serneene , of oneigen namen hebben gegeven, 
Gat de later nakomelingen dikwils op geender- 
hande wyte hebben konnen agterhalen , welke 
ftoffen onder de tegenwoordige bekende ftoffen 
of materien het eigentlyk zyn, die zy door die 
namen in die tyden kwamen tebeduiden. Dit 
heeft veel verfchelende meningen en zintwiftin= 
gen veroorzaakt: te meer, om dat de Codiees 
en 


dk 
BRA 0e) 


í _Fanmary en February ipsa. 65 
€ Affchriftefs van de boeken det Ouden, difte 
_Wils zodanig gebtekkelyk zyn overgefthreven, 
vân een tegenllrydigen zin, dat de álder= 
dehefpzinnigfte Oofdeelkundigen, of Criticf, 
daár dir dik wils in verwarringe en tot dwaä- 
Finge Zyn gebragt. Dit is de reden, déwelké 
my verpligten deze befchryvinge van den Indigó 
fiet meerder naau wkeurigheid en toepaffinge té 
_ VOlvoeten, én ook zelfs de gefteltheid van deze 
vérf-ltof dieper uit te pluïzen, als ik anderzints 
zoude gedaan hebben. De gemelde dwalingef 
Zyn de oorzaak , dat ik zál moeten fpreken váh 
wede en de Patel, van ’ Koninglyke Pur- 
per der Ouden, var de Karmozyn-béyér , vän 
LOmtige Schilder -lakkert, van ver feheide Plante 
gewaflen die verkeerdelyk voor Indigo -kfuid 
zyn dangezien, en van véél andere zaken, dé- 
welke ik óm die reder, tot ophelderinge vánù 
deze Natuurlyke Hiflorie var de Indigo, heb 
moeten bybrengen, 


3. 
Dioftoridts, een vermaard Grieks Schryver, 
die geleefd heeft tuffchen Néro én Vefpafiands ; 
geeft , gelyk ook Plizias en verfcheide oudé 
Schryvers, dan den Indigo, dewelke na overal 
gebruike word, den náart van (2) Izdicur. Wie 
deze naam Zwdrcumt is buiten twyffel door éenis 
ge verandering van letters de naam Jedigo voort- 
gekomen. De oude Grieken noch Romeirien , 
fehynef' niet geweren te hebber’, waar de In= 
digo im Ooft-Indiert 4 gemdäkt wierd. Hie 
2 ut 


(<) Pid. Diofsorid. rib. $. Caf: tov, 


68 Natuur- en Konft-Kabinet, 


uit zyn verfcheide dwalingen geboren. Nadat 
de Portugyzen, Engelfchen , Hollanders, Fran- . 
fchen, en andere Europifche volkeren, Afrika 
zyn omgezeild, en door de Scheepvaart in de 
afgelegenfte Plaatzen der Oofterfche Indien zyn 
doorgedrongen, hebben zy niet alleenlyk den 
Indigo en deszelfs bereidinge , maar ook zelfs 
het heefteragtig gewas, daar dezelve van ge= 
maakt word, met hunne oogen gezien. Aan 
het gewas, daar de Indigo van gemaakt word, 
geven de Later-{chryvers , en zelfs die van on- 
zen leeftyd, den naam van Azil ; gelyk als het 
zelve ook in ’t Land vanden Grooten Mogol, 
en byna overal by de Arabieren, Indianen enz. _ 
door dien naam bekent is. Maaraande Fecula 
of geftremde moer, dewelke van het zap vande 
Anil bereid word, geven de Later-fchryversden « 
naam van Indigo, in navolginge van den naam 
Zudicum der oude Schryvers. | 


Als dan de Oude van de Zudicum of Indigo 
fpreken, verftaan zy geenzints de heefteragtige | 
plant Axl , om dat dezelve aan haar onbekent 
is geweelt ; maar deszelfs Fecula of geftremt zap, 
namentlyk die vermaarde verw-flof, den welken 


verwe | 


(a) Vid, Arrians Periplas Maris Erythrai, 


EN 
EAR 


RN 


SFanuaryen February1p22. 69 
verw-lak , het welke uit de diepfte plaatzen van 
Arabien, in deKoopfteden, gelegen aan de oe- 


„ wers van de Roode Zee, en vorder overal, be- 


nevens andere Indiaanfche Koopmanfchappen , 
gebragt wierd. Het is zeer waarfchynelyk, 
dat door dezen naam Lak, zo wel den Indigo 
kan verftaan worden , alsde bekende Gom-lak ; 
om dat de Grieken wel gewoon waren , den 
naam Lacca of Lak, te geven aan een Fecula 
of geftremt zap, het welke tot verwen of fchil- 
deren gebruikt wierd; en alfchoon wy gewoon 


"zy den naam van Lak te geven aan Harften of 


Gommen , met dewelke verlakt word; of ook 
wel aan Zegel-lak , geven wy ook zelfs den 
naam van Luak aan die toebereide en geftremde 
zappen, metdewelke, het zy met oly-koleuren 
of water-koleuren, hedendaags geverwt of ge= 
fchildert word. Gelyk by voorbeeld Karmyn- 
lak , Florentynfche lak , blaauwe lak , geele 


lak, enz. 


Als wy ook agt bnn ‚ hoe de verw-lakken 
toebereid worden, en te gelyk weten op wat 
wyze de Indigo gemaakt word, zullen wy daat- 
lyk bemerken, dat de Indigo inderdaad niet an- 
ders isals een bereide verw-lak. Wy zyn in ftaat 


om uit alderhande.gewaffchen en ftoffen , die op 


de eene of de andere wyze aan het water een ko- 
leur mede deelen , een zindelyk en fchoon verw- 
lak te maken. Op dat myn Lezer van alles 
grondig onderregt mag worden, zal ik korte- 
lyk zeggen, dat om een verw-lak te bereiden, 
genomen word een kruid, of een hout, of een 
wortel, of een bloem, of een vrugt, of zelfs 
: B 3 wel 


7e Natuur-en Konfi-Kabinet, 


wel Concheuilie, of een andere afverwende ge= 
koleurde (tof. Op zodanig een ftof, uit dewelke 
wy een verw-lak tragtente bereiden, word ge= 
oten een loog, die ongemeen flap is, en die 
bereid is van water, en een weinigje pot-afch , 
of eenig ander zout of (tof, die aan het water 
eenige kragt byzet, om de koleur zo veel te be= 
ter uit te trekken. Zodanig een loog moet zeer 
Dap zyn, om dat anders die koleur te veel gee 
kweft zoude worden : ook moet zodanig een 
loog verfcheidentlyk toebereid worden, naar den 
verfcheiden aart der floffen, uit dewelke wy 
een verwelak komen te maken. Als de koleur 
uitgetrokken is, word de loog zuiver afgego= 
ten, en in dezelve zeer voorzigtig aluin-water 
geworpen, of iet anders, het welke in dit loog 
doet ftremmen den droezem , of moer , of ftrem- 
zel, en dit (tremzel is de eigentlykelak, nadat 
dezelve van zyn ioog-zouten , of bygewurpe 
fcherpe {tof , wel is afgezoet, en tot brokjes of 
klompjes gedroogt. Op dezelfde wyze word 
ook de Az:l afgeneden van’t land, en in groote 
Bakken met een aangezet water gewurpen, na 
dat dezelve aldaar eenigen tyd heeft ftaan wer- 
ken en broeyen , en als het zap van den Azil 
genoegzaam in ’t water is getrokken, word dit 
water in een ander vat af bak afgetapt of over- 
gegoten, en door een zeker werktuig op zyn 
behoorlyken tyd zo lang geflagen, tot daar in 
een zekere moer of ftremzel te zamenfchiet 5 
het welk uitgenomen, gezuivert en tot brok- 
ken of koekjes gedroogt zynde, den zo zeer 
vermaarde Indigo komt uit te maken. 


Zom: 


Januaryen Februaryijza. 7e 


6. 


_ Zommige zouden miflchien oordeelen, dat 
de verw-lak, daar Arrianus van fpreekt , de 
_ Indigo niet kan geweeft zyn, om dat hy ver- 
haalt, dat deze verw-iak in de Koopfteden , de- 
„welke in dien tyd aan de boorden van de Roode 
Zee gelegen waren, gebragt wierd uitde diep- 
fte deelen van Ärabien, dewyl in Arabien geen 
Indigo voortgeteelt of bereid is geworden ; maar 
de Indiaanfche Waren, dewelke noch in Ara- 


_… bien voortgeteelt , noch door konft gemaakt 


waren „ wierden door de Arabieren zo. wel te 
Land als te Water uit Indiën, in de Rode Zee 
gebragt; gelyk zulks doch in veel minder hoe- 
veelheid noch dagelyks gefchied. De oorzaak 
was, om dat de Oofterlyke deelen van Arabien 
aldernaaft gelegen zyn aan het Land van den 
Mogol, aan het Land van Cambaeye, Guzu- 
ratte, en aan de Malabaarfche Kuft. Al voordat 
de Azil bekent was geworden , en dat noch op 
zo veel plaatzen dezelve niet voortgeteelt „noch 
den Indigo bereid wierd, waren deze Landen 
het voorname magazyn van de Indigo; en 
daarom is het ook zeer waarfchynelyk , dat 
door de verw-lak van Arriauus de Indigo moet 
verftaan worden, te meer , daar al lang voor 
den leeftyd van Arrianus , het gebruik van de 
Indigo by de Romeinen bekent was, en dat ook 
dezelve door de Rode Zee, en van daar doot 
Egypte, benevens andere Indiaanfche Waren , 
in Italien en te Romen overgebragt wierd. 
Als de Lezer begeerig is, om te weten op welk 
een wyze deze Keopvandel der Ouden van de 
4 Ine 


7Z Natuurs en Konft-Kabinet, 

Indiën op Europa, en van Europa opde Indiën, 
door den weg van de Roode Zee gedreeven 
wierd, kan zulks gezien worden inde (a) twee 
Verhandelingen, dewelke ik over de Roode Zee 
in ’ ligt heb gegeven. 


7. 


Arrianus verhaalt in ’t zelfde Boek, het wel= 
ke ik op de kant aangetekent hebbe, dat uit het 
Ooften ook overgebragt wierd een zwarte (tof, 
deze noemt hy Zzdicum Nigrum. Als wy nu 
op deze plaats door het woord Judicum ‚ met 
verfcheide Geleerde Mannen, ook den Indigo 
verftonden, zoude het zo veel zyn, als of die 
Schryver zeide zwarte Indigo; maar om dat de 
Indigo niet zwart maar blaauw is , kan Arrta- 
aus hier geen Indigo verftaan; en om dat Zzdie 
cum niet anders betekent als iets Zudraanfch, 
moeten wy deze plaats verftaan , als of hy zeide 
Indiaans zwart, maar geenzints zwarte Indigo ; 
te meer, om dat de Indiaanfche Inkt, die noch 
hedendaags in gezegelde en langwerpige vier- 
kante blokjes tot ons ovefgebragt word, en 
met dewelke wy in de water-fchilderkontft fcha- 
duwen en waflchen , met regt Indiaanfch fwart 
genoemt mag worden; en dat wy niet moeten 
denken, dat deze Indiaanfche Inkt, of dit In- 
diaans wart, van een jonge Fabrycq ‚maar zelfs 
ook by de Ouden algemeen in ’t gebruik ge= 

weeft 


(a) Ziet Natuur-en Konft-Kabinst September en 
Oftober 1720. van pag. 241 tot pag. 336. en Natuur- 
en Konft- Kabinet November en December 1720. van 


Page 440 tot pag. 570. 


Januaryen Februaryrgz2. 78 


weeft is. Want Galenus (libr. 4. de Comp, Med.) 


‚en Paulus noemen op verfcheide plaatzen dee 
zen Indiaanfchen Inkt, en ook met dezelve 
woorden als Zedicum Nigrum (Indiaans wart) 


…_ die Arrianus gebruikt in 't Grieks , te weten, 
__ dvòrnov géAav, ’t welk Indiaanfche Inkt betekent. 


_ 


f 8. 

Dat door de naam verw-lak , daar Arrianus 
van fpreekt, geenzints den rooden gom-lak, 
maar veel eerder den Indigo moet verftaan wor= 
‘den, blykt noch klaarder uit de woorden met 
dewelke Arrianus in ’t zelfde boek de roode 
gom-lak befchryft , hy noemt dezelve Cizzg= 
baris, of Fermilioen, ontlenende hier ’t woord 
Fermilioen van de eigentlyke Fermilioen, om 
door het zelve een zeer fchoone roode koleur 
uit te drukken, het welke de Ouden wel ge= 
woon waten, gevende zelfs de Meny den naam 
van Fermilioen, of het Draken-bloed , volgens 
de getuigenis van (a) Drofcorides, en wederom 
aan het Fermilioen den naam van Menie ; maar 
dat hy geen cigentlyk Fermilioen verftaat „blykt 
uit zyn volgende woorden. Het word (zegt hy) 
Fadiaanfch Fermiliven genoemt ‚ enals geftremde 
tranen van de boomen vergadert, Nu weet elk 
een zeer wel, dat de natuurlyke Ciznaber de 

erts is van ’t kwikzulver , en dat de gemaakte 
Cinnaber van kwikzulver geftookt, maar geen- 
zints van deboomen vergadert word, maar wel 
de roode gom-lak, Hy zegt Cinnabar: Indicum , 
en het woord Ginaabaris maar alleenlyk voor 
E rood 


eo (&) Libr. 5. Cape zon: 


#4 __Natuur- en Konft-Kabinet, 


rood nemende, is hetzo veel, als of hy zeide 
Indiaanfch root ; gelyk wy hebben uitgelegt, 
dat hy door Zzdieum Nigrum Indiaanfch {wart 
komt te verftaan, Waar uit ook blykt , dat 
Arrianus door het woord Audicuuz niet verftaat 
Indigo, gelyk als Diofvorides, Plinius, Vitrar 
vins, en andere Schryvers, maar juift alsof hy 


zeide iets Indiaanfch. Waar door noch waar- 


fehynelyker opkomt, dat Arrianus door Lacca 
Tinétorta den Indigo verftaat; te meer, om dat 
hy onder al de Waren, dewelke hy verhaalt dat 
uit de Indiën gebragt wierden , nooit anders 
fpreekt van die blaauwe Indigo , dewelke 
wy kennen, het welke hy zekerlyk anders zou- 
de gedaan hebben , om dat dezelve langs dien 
weg door Egypten in Ítalien overgebragt wierd. 


Dat de ehidestdaenedies ‚ dien wy Indigo 
noemen, by de Ouden al in’t gebruik is geweeft, 
blykt openbaarlyk uit Deofcorides , want die 
heeft een geheel byzonder, doch kort kapittel 
van de Indigo gefchreven ; maar de meefte Uit- 
leggers van Deofcorides hebben niet geweten wat 
Dioftorides door dit Indicum, of dezen Indigo 
kwam te betekenen, omdat kort nadeduiftere 
eeuwen aan de Geleerde van Europa veel za- 
ken, dewelke van Land tot Land uitde Indiën 
overgebragt wierden , onbekent waren ; en zom- 
mige aangemerkt wierden, als of dezelve of in 
Europa zelfs, of in andere Luaanden kwamen te 
vallen. Dit is omtrent den Indigo noch te min= 
der te verwonderen, om dat Duofcorides, Plí= 
gius, en andere niet wiften waar dezelve van 


se 


jj 
5 


Á 


| 


nes Tal Li 


SYanuary en Fobruary 1722. 75 


\ gemaakt wierd, of waar de Azil of het Indigo- 
__ kruid groeide, of wat het eigentlyk was, waar 


door zeer cht het eene voor het andere geno- 
men wierd. Maar dat Diofcortdes door de naam 


Judicum den hedendaagfchen Indigo verftaan 


he 


heeft, blykt klaarlyk , om dat de eigenfchap- 
pen, kragten en hoedanigheden , dewelke hy 
aan zyne Judicum komt tocte fchryven, volko= 
mentlyk overeenkomen met de hedendaagfche 
Indigo. 

10. 

Onder de zoorten (regt (a) Drioftorides) van 
ber Indicum (Indigo) wort eene zoort door de 
natuur zelfs voorigebragt : zynde een uitwerp= 
zel, dat zich, op de manier als het zee-fchrim, 
aan bet Indiaanfche ried vaft kleeft: een andere 
zoort brengen de Verweryen (Werkhuizen der 


_ Ververs) voort, en is gelyk als een purperagtige 


Î 


bloem , die op de verw-ketels dryft, en dewelke 
daar afgeligt zynde , gedroogt word, Alswy nu 
de bereidinge van den Indigo vergelyken by de 
befchryvinge van deze twee zoorten van Iudi= 
eum, (lndigo) zullen wy wel haaft bemerken, 
dat Dioftorsdes, door de vertellingen der vreeme 
delingen en Reizigers, alzo wel misleid is ge- 
weeft, als wy daagelyks door zommige Reis- 
befchryvers en Ooftindie-vaarders om den tuin 
geleid worden. De befte word geacht, (ver- 
volgt Diofcorides) dewelke een zoort van blaauw 
geeft , en die ook zapagtig (verlta hier een ge- 
ftremt zap) ev ligt 15 Uitdeze woorden blykt 
klaar, dat Diofzorides den hedendaagfche Indi- 
go op ’t oog heeft ; want door de kenteikens 

van 

(@) zb, on cap. supra ci, 


„6 _Natuur- en Konft-Kabinet , 
van violet-blaauw van koleur te zyn, van te 


beftaan uit gedroogt zap, zonder zand, aarde 


of hardigheid , en zeer ligt van gewigt te zyn, 
word noch hedendaags de befte Indigo gekeurt. 
Zy behoort ( vervol Droftorides) onder de ge- 
neesmiddelen, dewelke matiglykt’zamentrekken, 
en de ontflekingen en flym-opzwellingen verdel= 
gen. Zy zuivert ook de zweren, en fluit dezel- 
we toe, Dat nu de hedendaagfche Indigo deze 
ligt tzamentrekkende, difcutrerende, en afve- 
gende vermogens bezit, zalik door wel-gekende 
Proeven naderhand in deze Natuurlyke Hiltorie 
van den Indigo bewyzen. Waar door alletwy- 
felinge, dat door het Zudicum van Diofcorsdes 
den Indigo vertìaan moet worden , benomen 
word. 
IL. 

De Doorgeleerde Janus Antonius Saracenas 
(a) oordeelt, dat Plinius, daar hy van het Zu- 
dicuim (Indigo) handelt , zig zelfs eenigzints 
tegen{preekt 5 om dat hy () zegt, dat de Indi- 
go uit de Indiën kwam , alwaar dezelve zich 
als een flibbe aan het ried kwam te zetten, niet 


tegenftaande hy een weinig te voren verklaart 


hadde, dat de Indigo wel uit de Indiën overge 
bragt wierd, maar dat deszelfs oorfprongkelyke 
gefteltheid aan hex noch niet bekent was. Maar 
ons dunkt, dat hier niet moet aarigemerkt wor- 
den , als of Phuuus zich zelven tegenfprak; 
want de Geleerde weten zeer wel , dat Plizius 
deze plaats uit Droftorides heeft overgenomen. 
Daar Plinius dan zegt, dat de zo-genaamde 
Riet- 
(a) Vid. Scol. in Diofcor. lib. 5. cap. 107. 
(6) Vid. Pliniù Hillor. Natural, lib, 35. caps 6, 


__ _Januaryen February.1722. Yp 
Riet-Indigo zich in de Indiën als een flibbe aan 
het Riet zet, volgt hy maar enkelyk de vertel- 


_ linge van Drofcorsdes; maar daar hy zegt, dat 
_ de herkomft van de Indigo aan hem noch niet 
__bekentis, geeft hy te kennen, dat hy deze be- 
‚ fchryvinge van Diofcorides voor onzeker houd, 


Omtrent die zoort van Indigo, dewelke Diof- 
corides tegt , dat voortgebragt wierd als ecn 
bloem op de verw-ketels, oordeelt de Geleerde 
Saracenns, dat Plinius infgelyks een dwalinge 
begaat , daar hy zegt, dat die Indigo is een 
fehuim dat van het bloed en het zap der purper- 


_viffchen opwelde en boven dreef in de ketels, 


in dewelke, in de purper-kokerien der Oude, het 
purper bereid wierd : daar Drofcorides het oog 
geenzints op de koftelyke purper -koleur der 
Oude hadde, maar alleenlyk maar zeide ; dat 
de Indigo gemaakt wierd van een purper-ka= 


deurige fchuim , dewelke kwam tedryven opde 


verw-ketels, in dewelke (voegt Saraceuus hier 
by, fchoon het Dioftorides geenzints melt) het 
Glaflum (dat wy hedendaags Paftel noemen ) 
geftooft wierd. Ik wil wel bekennen, dat Ph= 
aius hier op de woorden van Oroftorides niet 
naauwkeurig genoeg fchynt gelet te hebben, 
maar alzo zeer als Plinius dwaalt, als of de 
Indigo gemaakt wierd van het fchuim van de 
purper-verwe , dwaalt ook onzen Saraceuus, 
daar hy oordeelt, dat Diofcorides gemeent heeft, 
dat de Indigo gemaakt wierd van het fchuim van 
het Glaflum, of die blaauwe verf-ftof , die wy 
Paftel noemen. Want Dioftorides {preekt hier 
van geen Glaflum , maar (a) handelt in twee 
kapit- 

(a) Pid, Diofvor. lib, 1x.cap.215 & 216, 


„8 _Natuurs en K onfsKabinet, 


kapittels op een andere plaats van de tamméê en 
de wilde lfatis , of het kruid van dewelke de 
Paftel of het Glaffam gemaakt’ word, zonder 
Aldaar van de Indigo of het Zndieum te melden, 
Oók vericheeld de Paftel zo veel van de Indigo, 
als het Delfs van ’t Chinees Paftelein : zynde 
de Paftel een Eutopefche verf-ftof, én het In- 
digo-kruid een gewas van de warme Landen, 
of Afiatifche , of Amerikaanfche , of Afris 
kaanfche heete Geweften, enz, 


ix, 

Als omtrent zodanig een zaak een dwalingé 
begaan word , gebeurd hee dikwils , dat hon- 
derde Geleerde Mannen dezelve navolgen. De 
vermaarde Ard, Matthiolus (a) zegt, wegens 
den Indigo , alfchoon de Indifche koleur , dewelké 
de Schilders hedendaags gebruiken, inde Parfuim 
of Drogift-winrels genoegzaam te koop is, komt 
sogtans dezelve in de ['erwergen van het fchuint 
of het nitwerpzel van bet Glaflum , ( kaftel) 
wanneer de Wol met de Paflel blaauw geverft 
word, Ik wil wel bekennen, dat op deze wyzeé 
wel een andere verwe=lak bereid kan worden, 
maar geenzints de Indigo, die overal daar de= 
zelve gemaakt word, van het heefteragtig plantje 
Anil bereid word, gelyk ik nader zal befchry= 
ven. 

£3: 

Als zommige Koopwaren in de Landen daar 
wy wonen zeer gemeen, en als genoegzaam, 
ja overal bekend gehouden worden, is het dik= 
wils gebeurd, dat zy door achteloosheid zoda 


nig 
(a) vid, And. Matshioli Goorn, in lib. 5. Diofcoridis. 


x 
en netter tetten on 


January en Fobruarj ide. zò 


nig verwaarlooft en over ’t hofd gezien zyn 


geworden , dat elk een het byna te gering ges 
oordeelt heeft, om eenig onderzoek op derzelver 


herkomft, oorfptong , of toebereidinge te doen. 


Ik verzekere u lueter, dat hierdoor veel zaken 
onopgeheldert ett duifter blyveni : omm dat de 
menfchen zich in ’t algemeen inbeelden , dat 
zy dezelve al te wel kennen, De geleerde Mars 
cellus Vergilins, Secretaris van Florence, die 
al zeer vroeg, namentlyk 1429, een overzet= 
tinge uit het Grieks in ’t Latyn van Diofzorides 
medegedeelt heeft , (a) zegt, dat elk een wel 
wijt wat de Indigo by &ynen tyd was, dat het 
om die reden de moeite miet ters waard was, 
em zich te veel omtrent zalk een germeene zaak 
op te honden, En ondertuflchen begaat deze 
voortteffelyke Man, door zyn voorgangers en 
wel voornamentlyk door gebrekkelyke Codices, 
en een verkeert opfchrift van dit kapittel van 
Dioftorides, mifleid, de grootfte dwalinge om 


trent den Indigo van alle andere. Voor eerft 
verftaat hy doof den Zedicusm van Diofcorides 


(dewelke af getoont hebben den waren Indigo 
te zyn) een Indiaanfchen fteen, en zegt, dat hy 
niet geloofd, dat het Indium, of de Indigo die 
in Ooft-Indiëtt groeid , tegenwoordig getoönt 
kan worden: dat de andere, die van het pür= 
per-{chuitn getmaakt wierd, niergefis te vinder 
is, nu het maaken van purper (daar ouwelinks 
de Koninklyke Tabbaarden mede geverft wief- 
dem) is opgehouden. Welk laâfte wy aan Mare 
cellus Vergrlins wel willen toeftaan. Want dee 
ze twee zoorten van de Indigo, dat is de riet- 


kn In- 
(&) Vid. Marcelli VirgiliëCommentin lib. $.Dioftorides, 


Bo Natuur-en K onft-Kabinet 


Indigo en de purper-lndigo , zyn nooit in de 
wereld geweelt. Maar de Indigo, dewelkede 
Schilders by den leeftyd van Marcellus Vergi- 
has gebruikte , en dewelke die Schryver niet 
waardig oordeelde om van te fpreken , om dat 
dezelve al te gemeen bekent was, was eigent- 
Iyk de Indigo die uit Ooft-Indien komt , díe 
Diofcorides op ’t oog hadde, en onder de naam 
van Zudicum befchreven heeft, en die Marcellus 
Vergilius niet kende, en vooreen blaauwetteen 
aanzag. | 


14. | 
Wey hebben boven getoont , datde Grieken, | 
door te zeggen {warten Zudicum, niet hebben | 
betekent {warten Indigo , maar Indiaanfch {wart , 
of Ooft-Indifchen Inkt. Maar de geeftige Pe- 
zrus Maria Canepartus (a) oordeelt, in ’t zeer 
aangenaam Boek, het welkehy over de Inkten ; 
of alderhande {chryf-koleuren, in’t licht gege- | 
ven heeft, dat de Geleerde Mannen den waren / 
en blaauwe Indigo hebben genaamt {warten In= | 
digo , om dat de ergenfchap van de Indigo is | 
(zegt hy) de Wolle Stoffen, Lakenen, enandere | 
zaken met een blaauwe violette en purpere ko- | 
deur te verwen, en om dat deze koleuren vry | 
wat fwartagtig zyn, hebben de vermaarde Schry- 
wers goed gevonden, deze verw-flof, dewelke uit 
een plant bereid word, Inkt te noemen. Maar 
dit zoude inderdaad een groote agteloosheid van 
die oude en vermaarde Schryvers geweeft zyn, 
om dat de Indigo blaauw is, en in de purper- 
agtige en violette koleuren de (wartigheid nadeel 
zoude 
(a) Petr. Marie Cancparii Liber de Atramentis cu- 
Zelcunque generis, Quint. Defcrip, cap. 2. 


 Sanuarpen February Sr 


__xoude doen. « Het is ook niet te denken, dat 


de oude Schryvers met hun weten en goed over- 
Jeg den blaauwen Indigo onverfchillig dan eens 
blaauw , en dan wederom fwart zoude noe- 
men. Het is veel waarfchynelyker, dat door 


het woord Zxdicum alleen en zonder byvoe- 


ginge geftelt, by de Oude verftaan word de 
blaauwe Indigo, dewyl zy zelfs getuigen, dat 
met dezelve blaauw geverwt wierd, en dat door 
de naam Atramentum Indicum, of Ooft-Indi- 
fche Inkt of fwart, niet gezegt word fwarten 
Indigo , of betekent word blaauwen Indigo, 
maar wel exprefflyk Ooft-Indifche Inkt, Want 
dewyl de blaauwe Indigo, en de fwarte Ooft- 
Indifche Inkt, beide uit Ooft-Indien in Europa 


__overgevoert worden, is het wel zeker, dat ook 


elk van beide „de eene door de naam van Zudicurz 
Indigo, en de andere van Ooft-Indifche Inkt, 
by de Ouden betekent zyn geworden. 


15. 

Petrus Maria Caneparius verklaart echter, 
dat (a) Fallopins en (b) Amatus Lufitanus inf= 
gelyks van gevoelen waren, dat de Oude door 
de naam {warte ladicum , onze blaauwe Indigo 
verftaan hebben ; maar dewyl het blaauw en het 
fwart twee onderfcheide hoofd-koleuren zyn, 
is het niet bedenkelyk, dat die groote Mannen 
dezelve voor een en dezelfde koleur zouden 
aangezien hebben. Ook fchynt Cazeparius zelfs 
in zyn gevoelen niet ftandvaftig genoeg te zyn, 

VIL Deer. F want 


(a) vid. Gabr. Fallop, Traët. de Foffilibus cap. 34. 
(2) Vid. amat, Lufitan. in Diofcorid, Enarratio67. 


82 _ Natuur-en Konff-Kabinet, 

want hy bekent , dat verfcheide oude Schtye 
vers wel onderfcheidelyk van een Ooft-Indifche 
Inkt gefproken hebben; gelyk als by voorbeeld 
(a) Vrtruvius, (b) Galenus ,(c) Paulus Aginetal, 
dewelke zelver zegt, dat de Griekfche naam 
Melan Indicum , Ooft-Indifchen Inkt betekent. 


16. 

Laat ons nu eens onderzoeken , of wy niet 
konnen ontdekken , waar de dwalinge door 
veroorzaakt is geworden , dat Diofzorides en 
zo veele andere Geleerde Mannen , gemeent 
hebben, dat de blaauwe verw-ftof „dewelke wy 
Indigo noemen , gemaakt wierd van het fchuim 


en het uitwerpzel van de blaauw-verwers kee | 


tels. In verfcheide Landíchappen van Europa, 
als by voorbeeld in Italien, in Vrankryk , in 
Engeland, in Vlaanderen, in Duitfchland, in 
Switzerland, en zelfs in Griekenland, groeid 
het kruid Zfatis of wede , van het welke ge- 
maakt word de blaauwe verf-ftof ‚die wy Paftel 
poemen. « En dewyl dit kruid, en ook deszelfs 
blauwe verw-ftof,by de oudeGriekfcheSchryvers 
zeer gemeen bekent was , en ook zelfs van Diof- 
corides, Galenus , en veele Griekfche en La- 
tynfche Schryvers befchreven word, hebben zy 
geloofd, dat het kruid, van het welke den In- 
digo in Ooft-Indien bereid wierd, is geweeft 
het zelfde, dat in Europa J/atis of wede ge- 
naamt word; om dat de verf-ftof Paftel, en 
de Indigo in ’t (tuk van blaauw verwen , vry 
wat 
(4) Vid. Vitrwvit ArchiteCt. lib. 7. cap. 4. 

(6) Vid. Galenus de Compofit. Medicarmentor, per Lo= 

cos lib. 4. capa. G' cap. Je (C) Lib. 7. 


Pannary en Febrúary 1722. 83° 
__wât overeenkomt fchynen te hebben,” Maar 
om ‘dat “zy bevonderi, dat de Indigo fynder, 
fehoonder, en kragtiger was als de Paftel, heb= 
ben zy-zich ingebeeld; dat de Indigodebloem, 
en als het fynfte van de Paftel was: dat als de 
Wolle, en andere zaken metde Paftelgeverwt 
wierden, de fynfte, en lugtigíte , en zuiverfte 
deelen, als een bloem, op de Blaauw-verweérs 
ketels boven dryvende, by malkander vergadert 
zyn geworden, en tot een geftremt Zap gewor-= 
den, en gedroogd zynde, de Indigo heeft uit- 
gemaakt; en dewyl het bereiden van fchoone 
verw-lakken aan hen wat onbekend is geweeft, 
‚en dat onder het Wol- en Laken-verwen dik- 
wils zeer fchoone verw-lakken gemaakt wor= 
den, behoeven wy ons niet zeer te verwonde“ 
ren, dat zy gemeent hebben, dat de Indigo was 
een verw-lak van de wede, of Jfatis in Ooft- 
Indien. Dat noch meer ligt aan deze ophelde= 
ringe geeft, ís, dat zelfs de aldernaauwkeurig= 
fte Kruid-befchryvers, na dat nu door de Scheep- 
vaart op de Indiën de Axil, of het heefteragtig 
gewas daar den Indigo van gemaakt word, 
reeds overal ín Europa bekent was geworden, 
aan de Anil den naam geven van Índiaanfche 
Jfatis of wede. Het is zelfs ook te verwon- 
deren, dat zommige, door deze opizie mifleid, 
den Indigo geen Indiaanfche Paftel genaamt 
hebben, 


17. 
‚___De Kruid-befchryvers, dewelke aan de Aril 
|_of het Indigo-kruid, den naam van Indiaanfche 
HJatis geven, begaan een misflag; want de Aril 
| “fseen plant van een sel andere gedaante, 
vane & zOO5t ; 


84. _Natuur- en-Konft-Kabinet , 
zoort; en merkteikens, als de Jfatis of wede; 
gelyk by ervarene Mannen bekent is , en ik in 
deze Natuurlyke Hiftorie van de Indigo , door 
Figuuren in’t Koper gefneden, zal doen zien, 
Ik denk niet, dat wy onderfcheide, en zeer ver- 
fchillendegewaffchen, uit elk van dewelkeeene 
zoort van koleur kan getrokken worden , daar- 
om alle met een en dezelve naam mogen dopen. 
Dan zoude wy de orfeilje ook Afatss of wede 
behoren te noemen, dewyl daar het blaauwe 
lak-moes van gemaakt word, of wy zouden « 
de Me-krap,de Alkannet-wortel, het Brafilien- 4 
hout, de Grana Kermes, alle met een en de- | 
zelve naam moeten noemen ; omdat zyalleeen | 
roode koleur uitleveren , het welk de grootfte 
verwarringe des werelds zoude veroorzaken: £ 
gelyk als wy reets omtrent den Indigo ontdekt | 
hebben, omtrent dewelke deze verwarringe de 
oorzaak is van verfcheide vercieringen , gelyk 
als by voorbeeld (om eens eene uit een goed | 
„getal te nemen ) de Geleerde Petrus Maria Ca- | 
zeparins (die anderzints noch verfcheide mis- 
vattingen in de uitleggingen van Dioftorides en | 
andere oude Schryvers verbetert heeft) ís in 
bovengemelde Boek omtrent de bereidinge van « 
den Indigo, en het Indigo-kruid zelfs , onge-| 
meen het fpoor byfter , niet tegenftaande die ! 
Man een Schryver van een jongen datum, dat 
is, van ’t Jaar t66ois. Zerwyl (zegt (a) hy) 
het Glaftum of het kruid, dat in’t gemeen Ifatis | 
of Guado (dit Guadois Italiaans „en by ons wede) * 
genaamd word, inde verw-ketels gekookt werd, 
ontfpruit daar uit een parper-koleurige fchuim, die 
boven 


(2) Lib, Git, Cap, de Aframenso Indico. | 
| 


fannaryen February 1722.  3p 


boven op fwemt, en dewelke de Verwers zorg- 
wuldighyk affchuimen en drogen , en deze ge- 
„draogd zynde , komt die toebereide Indiaanfche 
holeursuit te maken, dewelke ’tgemeen met een 
bedurve. Naam Enpego (verfta Indigo) komt 


_ Be, noemen. Deze. word. uit: de Indiën gebragt 


got. Alexandrie. in Egypten, en tot Affyrien, 
en eindelyk uit die werelds-deelen, in dit ons Ver 
metien , de Koopflad van de geheel? Wereld, 
overgebragt. Hier neemt onze Schryver niet 
alleenlyk verkeerdelyk het kruid Zfatisof wede, 
daar de blaauwe verw-ítof Paftel van gemaakt 
sword ‚voor de Agil „ of het Indigo-kruid, maar 
„geeft ook een befchryvinge van de bereidinge 
van-de Indigo, die-geheelyk verfiert is, Hy zegt 
vorder ‚dat in’tKruid-boek van Caftor Durante 
verhaalt word, dat zelfs by zyn tyd-de Indigo 
bereid wierd in dat gedeelte van Italie, het wel- 
ke Mlaminia genaamt word : dat aldaar de Jyatss 
of .de-wede gezaait , en uit dezelve de- Indigo 
gemaakt wierd. Maar als het waaris, dat uit 
de wede een Fecula,-of een geftremt moer-zap , 
op de wyze als de Indigo op die plaats gemaakt 
is „ zulks is niet anders geweeft als maar een 
blaauw verw-lak , dat van de Paftel gemaakt is 
geworden ‚ maar geenzints dat uitmuntende 
blaauwe verw-lak, het welke wy Indigo noe- 
men, eù-het welke van de Azil, en geenzints 
van de-wede gemaakt word. Diergelyke-In- 


‚ landíche blaauwe lakken, konnen wy uit ver- 


feheide gewaflchen en andere zaken bereiden, 
maarnoit uitwerken.dat dezelve Indigo worden. 
Ik vinde in myne aantekeningen over de Jfatis 
ef wede, uit het Italiaanfche Kruid- boek.-van 
evol E13 Gaftel 


— 


„86 _Natuur- en Konft-Kabinet, 


Caftel Durante, de volgende woorden ,-door 
dewelke. Caxepartas mifleidis geworden, Fafi 
della fpiuma porporea.del Guadn (wede)che nuota 
fopra le caldare de ù tantori, €5 con fnceodi gra- 
ni.dell ebalo maturt:) po fato per quattros ò cin- 
ue dî con un poco-di aceto: macinato infieme „e 
Jeccato fopro sl. foco- Vindico «che-adropano 1 tih= 

dors. - \ RR 
Het fchynt of de meefte later Schryvers;-zo 
„wel als de oude, niet hebben konnen ontdek- 
ken, op welk een wyze de Indigo inde Indiën 
toebereid word. Onze Caneparius onderneemt 
egter aan zyn Lezer mede te deelen, hoe de In- 
digo in Ooft-Indien gemaakt word, Deis- 
woonders ( verfta hier door de Indianen’) zegt 
hy, mengen by.het fchuim-dat zy van de verw= 
ketels hebben vergadert „het uitgetrokke zap uit 
de trosjes van. de wilde vlter, en malen dit onder 
malkander met een weinigje azynz en laten het 
zelve dan by-bet vuur of zn de zon droogen: op 
deze wyze dan-wora de Indigo, die de Verwers 
of Schryvers gebruiken ‚toegeftelt. Hier kan de 
Lezer nu zien, dat onze Caneparius deze dwa- 
linge uit Durante heeft uitgefchreven, hoewel 
hy op deze plaats echter den naam van dien 
Schryver verfwygt. Andere, vervolgthy , mez= 
gen een gedeelte drooge flyfzel met drie deelen 
Jchuim van de Ifatts of de wede, en malen dit 
met pis en azyn wel onder malkander tot een 
deeg , uit het welke zy dan een koekje maken, 
het welke zy dan eindelyk te droogen flellen, en 
op die wyze een volmaakte Indigo word, dewel- 
he, indien zy dezelve noch fchoonder van koleur 
beges 


Yanuaryen February 1722. 87 


begeren, zy opeen nieuw wederom fyn flampens 
en daár noch wederoin fchuim van de Paftel by- 
voegen, en tot een deeg in malkander kneden; 
naderhand maken zy. bier uit tabellen als dob=. 
belfteenen, die zy polyften en te drooge zetten, 
Als wy nu op zyn plaats de bereidinge van de 
Indigo befchreven hebben , zal de Lezer gewaar 
worden, dat de Heer Cazeparius van de Indí- 
go deszelfs kruid de Axil, en deszelfs berei- 
dinge niets het alderminfte geweten heeft ; en 
dat alle deze befchryvingen maar plaats zoude 
konnen hebben om een blaauw: lak vande Paftel 
te maken, hoewel zodanige lak - bereidingen 
dan ‚noch zeer gebrekkelyk befchreven zouden 
zyn. Uit diergelyke vercicringen kan de Le- 
zer nu zien, hoe weinig ftaat te maaken is op 
een groot getal Schryvers , dewelke hier en 
daar in hunne fchriften zo wat meldinge van 
den Indigo gedaan hebben. Het fchynd ook 
of onze Caneparius de. bovengemelde befchry- 
ving „ wegens het bereiden van de Indigo, 
zelfs niet al te veel betrouwt heeft. Want hy 
geeft noch een andere befchryvinge , dewelke 
metde bovengemelde gants niet overeenkomc. 
Andere nemen (zegt hy) de Paftel zodanig fyn 
gewreven en bereid, gelyk als dezelve verkogt 
word: deze finelten zy met pis in een vat, en 
flellen dezelve in de zon om lange te laten we- 
ken, en op dat dezelve koine te rotten , za laz- 
“geals’er wurmen uit geboren worden, uit de- 
welke zy een zap parffen , bet welke zy door- 
Rlezen, en in brokjes of platte dobbelfteenen la- 
ten drogen, gelyk als die (Indigo) is, die uit In- 
diën en Alexandrien te Venetren gebragt word. 
el F 4 Maar 


88 Natuur- en Konft-Kabinet , 


Maar de Heer is het {poor geheel byfter, want 
die platte dobbel{teenen daar die man van fpreckt, 
isde Indigo Circkees, of ook wel de Indigo Fam- 
boefer, dewelke in de Provincie Gufuratte ge- 
maakt word, en tot ons in de gedaante van T'a- 
bletten word overgezonden, 


19. 

Het zoude onnodig zyn ons met de wan- 
gevoelens en dwalingen der Schryvers op te 
houden, indien dezelve niet gevonden wierden 
in de Schriften der aldergrootfte en voortreffe- 
Iykíte Mannen, die in meeft alle de zaken „de- 
welke zy in % ligt gebragt hebben, by de Ge- 
leerde zeer veel Credyt gekregen, en ook ver- 
diend hebben. Ik tragt ook op geenderhande 
wyze het aanzien van die uitmuntende Geleer- 
de Mannen in het alderminftete kreuken , maar 
alleenlyk aan myn Lezer zo veel licht te geven, 
als in myn vermogen is;om wel degelyk van mal- 
kander te onderfcheiden de Ari! of het Indigo- 
kruid, en de Jfatis of wede: de blaauwe Indigo 
en de Ooft-Indifche Inkt: de Paftel of deszelfs 
blaauw lak en de opregte Indigo ; het welk niet 
licht zoude gefchieden, wanneer wy niet met 
de uiterfte naauwkeurigheid kwamen aan te wy- 
zen, dat die Geleerde Schryvers, dewelke an- 
derzints verdienen gelooft te worden, omtrent 
den Indigo gedwaalt hadden, en als wy den oor- 
fprong van hunne dwalingen niet kwamen aan 

te wyzen 

20. 

Dat de Schryvers maar by giffinge gemeent 
hebben, dat het bereiden van de Indigo Ee 
{ Ld 


ES A k 
on SFanuary en February 1722. 89 
Indiën gefchiede, op dezeifde wyze als de be- 
reïdinge van de blaauwe verweltof , die wy Paftel 
noemen in Europa, of ten minften als een verw- 
lak van dezelve , blykt onder anderen uit den 
meergemelden Careparius. Want alfchoon hy 
dusverre wel befchreven hadde, op welk een 
wyze na zyn oordeel de Indigo bereid wierde 
van het fchuim van de verw-ketels , daar met 
de Paftel , die van de lfatis of wede gemaakt 
word, de ftoffen blaauw geverwt wierden „ zo 
hadde hy echter tot noch toe niet aangewezen, 
op welk een wyze deze Paftel van het kruid 
lfatis of wede bereid word. Wantde Paftel is 
eigentlyk de blaauwe verw-{tof die van de Jfatis 
of wede gemaakt word , maar de wede zelfs 
niet; gelyk als de Indigo de blaauwe verw-{tof 
| is die vande Axil bereid word, de Azil of het 
| Indigo-kruid zelfs niet is. Om nu het bereiden 
van de Indigo, en het maken van de Paftel te 
befchryven, volgt Caneparius de Schryvers die 
geleert hebben op wat wyze de Paftel gemaakt 
word van de J/atis in Europa, met een inbeel- 
dinge als of zulks ook op die zelfde wyze in de 
| Indiën omtrent den Indigo gefchiede, De 
blaauwfte Indigo , vegt hy, word meeft van de 
| Schilders en Schryvers geacht , maar die bleek is 
word minder geagt , en word ook voor minder 
prys verkogt. Hoewel echter de fhaf, daar deze 
beide zoorten van gemaakt word, het kruid Ifa= 
zis, het welke, voor dat het in bloem of bloeyen 
flaat , vergadert, en met een molen gebroken 
word. Lit gebroken kruid word dan op een hoop 
gelegt, daar bet in de zon flaat te loven, daar 
#á word het iu de gedaante van groote ronde pn 
en 


9. _ Natuur- enn Konff-Kabinet, 


len gekneed, en onder het dak gebragt zynde, 
met water befprengt, gd het des te beter zou- 
de geweekt worden. Dit gedaan zynde , begint 
dit geftampte en geknede kruid te geflen, en een 
groote flank uitte geven, en fwart te worden, 
en op die wyze word het bereid tot de Verwery, 
Als deze verw-flof nu met water gekookt word 
in de blaauw-verwers ketels, krygt het zelve een 
Azure of blaauwe koleur , met dewelke blaauw 
geverwd worden Lakenen, Wol, Wolle Stoffen, 
Lannen en andere dingen meer. En zn deze op- 
wallinge werpt het zelve een fchuim nu boven, 
uit dewelke, nadat zy by een verzamelt word, 
de Indigo gemaakt word, Dusverre befchryft 
die Geleerde Man, hoewel eenigzints gebrek- 
kelyk, op wat wyze de lfatis of wede van het 
Land afgefneden en vergadert zynde, bereid en 
geltampt word, hoe dezelve door geftinge een 
fware koleur verkrygt , tot bollen bereid , en 
naderhand in de Blaauw-verwery gebruikt word. 
Maar dit gefchied in Europa en op veele plaat- 
zen, maar geenzints in de Indiën, endeze bol- 
len of verw-ftof is de Paftel , en de Schryver 
dwaalt, daar hy oordeelt „dat van het fchuim van 
die bekende Paftel, de Indigo gemaakt word. 
Want de Indigo word niet van de Zfatis of we- 
de, maar van de Atl, en ook op een geheel 
andere wyze, gelyk wy leeren zullen, gemaakt. 
Doch de Schryver zulks niet wetende, heeft 
op den Indiaanfchen Indigo toegepaft „het gene 
aan hem van de Europifche Paftel bekent was, 
Dat ook by gebrek van de opregte Indigo van 
de Paftel , op verfcheide plaatzen blaauw verw- 
lak voor de Schryvers en Water-fchilders gen 
' À maakt 


cfannary en:February.vjr2. Ko | 
„maakt word, behoeven wijpnier te twyffelen, 
en dat zodanig een-blaauw: verwe lak aan de on- 
kuadige dilvwilsvoor opregte: Indigo in de han- 
den geltaptrist, smogen wy wel geruft: geloven, 
_ sen daar door is’ naar: alle waarfchynelykheid de 
vepwarringe veroorzaakt ; datde Schryvers tuf- 
fchen.dem waren Indigo , en diergelyke blaauwe 
verw-lakken „ geen. onderfcheid. hebben. ge- 
madakt ‚ven “geoordeeld. dat ‚den: Indigo ,-op de 
manier gelyk ats-zy verkeerdelyk komen te be- 
fehtyven , inde Indiën is bereid geworden, 
Zelfs word hedendaags een zekere Indigo ver- 
‘kogt, die by de-kenders Inlandfche plat-Indigo 
genaamt word „en daar. zommige onkundige 
dikwils door bedrogen worden „zy word veel 
buiten dit Land gebruikt om Schapen: mede te 
teikenen ‚ geld van agt rot tien ftuivers het pond, 
en is eigentl yk een vergiftige ftof. Gelyk nader zal 
blyken uit een Brief, dewelke de uitmuntende 
kender Hegdrik van Raat wegens den Indigo 
aan my gefchreven heeft, en dewelke ik op het 
einde van deze verhandeling zal plaatzen , en or 
met een-ander-mans Wetenfchap:, zonder den 
zelven te noemen, niet te pronken, zal ik die 
Brief van woordtot woord daar byvoegen. » 


21, 
De Oude hebben het kunsje al gehad omden 
Indigo te vervalfchen. Phlizius (a) zegt, dat 
by zyn tyd de Zadicum of Indigo gemengt wierd 
met duive-drek , of met verfcheide zoort- van 
fyn kryt, maar dat dezelve gekeurt wierd op 
het vuur, en dat dezelve, alszy opregt is, een 
fchoone purpere vlam uitgeeft; Als dan zelfs 
f ouwe- 

k (6) bib. 35e Cab, IN OREL Pk hij EN 


92 Natuur= en Konft-Kabinet, 
ouwelinks den Indigo zo zeer vervalft is gewor= 


den, en dat verfcheide Comspofitien in de plaats 


van den opregten Indigo aan de onkundige ver- 
kogt zyn geworden; is het noch meer te den- 
ken, dat by ouds, en zelfs in later tyden „ een 
blaauw verw-lak van den Paftel of iets anders 
zomtyds gemaakt is geworden. Zeer onder- 
fcheidentlyk (4) fpreekt over deze zaak Valerius 
Cordus,een Man vaneen uitmuntend oordeel en 
groote geleerdheid: De benaming „vegt hy,van een 
Sleen, word kwalyk (in Diofcorides) voor Zudi- 
eum geplaaft, het is noch fleen noch aarde, maar 
een purperagtige blaanwe koleur;, zy word by ons 
nit het kruid Mfatis bereid, welkers fchuim zy 
15 , waarom zy ook van de Duitfchers weyde-blüm, 
en indich genaamt word. Uitdeze woorden is 
waarfchynelyk of dar uit de Paftel een blaauwe 
fchilder-lak is bereid geworden ‚het welke voor 


Indigo by zommigen heeft doorgegaan , of dat 


de Schryvers verkeerdelyk gemeent hebben „dat 
de opregte Indigo, die daagelyks uit Venetien 
overal gebragt wierd, op die wyze ook hier te 
Lande gemaakt is geworden. Zy konnen te 
ligter aan die meninge geraakt zyn, door de 
dwalinge van Driofcorsdes, daar hy zegt, datde 
eene zoort van Índigo-in de Indiën als een flib- 
be aan het Indiaans Riet groeide, en de andere 
zoort een blaauwe verw-{tof was, die door 
konft gemaakt wierd van het {chuim der Vere 
wers ketels, en dat zy niet geweten hebben, 
waar zy het beter van zouden afleiden, als van 
de ketels, in dewelke metde Paftel blaauw ge- 
verwd wierd. De Schryvers gaan op die me- 

ninge 
(2) vid, Annotat. valerij Cordiin Dioftor,lib.5.cap. 107. 


bf 


a 


SJanuaryen February apar. 93 
ninge zo eenpaiig door , als of daar niet eens 
meer aan te twyffelen was, Gualtherus H. Ryff 
(a) zegt, daar hy {preekt over de Jjatis of wede: 
Ju *t Grieks word dit kruid IJatis genaamt , by 
andere Guadum, Glaftum,by de Hoogduitfchers 
Weyd, Endich, dat is Indigo, by de Franfche. 
Guesde, of Paftel de Languedoc. Zy parffen dit 
kruid met persmolens, op dat zy bet wateragti- 


ge zap daar uis zouden parffen , naderhand kne- 
den zy het zelve in groote bollen, die zy laten 


Zot een zoort van flof werken, en als verrotten. 
Deze fhof (dat dan de Paftel is) word gekookt 
in de Blaauw-verwers ketels, en in dezelve ge- 
werwt Wolle Stoffen , Vellen, enz. zo lang tot 
dezelve blaauw worden. De blaauwe fchuim 
die ’t vuur opwerpt, en op de ketels dryft, dro 
gen zy tot gebruik der Schilders, deze noemen 
de Duitfchers Indich, en de Franfchen Inde. 
Waar uit wederom blykt, dat deze Mannen 
omtrent den Indigo geheel gedwaalt hebben, 
of dat by hun tyd een blaauw {childer-lak van 
de Paftel is gemaakt, en in de plaats van den 
opregten Indigo by de Schilders, onderde naam 
van Indigo gebruikt is geworden, 


23, 

De Azil, uit welk kruid eigentlyk de Indigo 
bereid word , is, terwyl onze Europifche Schry- 
vers altyd van de wede gedroomd hebben, by 
de Mauriskes, en de Arabifche Schryvers al be= 
kent geweelt. Zelfs heeft (b) Joannes Lonicerus 
onder onze Schryvers den naam van Azil al ge- 


weten 
(4) Vid, Annotat. tn Diofcorid.lib.2..cap. 177. 


(6) Vid, scholia Nova in 2 hb, Diofcor. cap. 1713. 


94° __Natùar= en Konfl-Kabinet\ 


weten în % Jaar 1$43’ De Ifatis, zegt hy, soe" 
men zommige Nil en Nilecha der Mauriskes. 


Dit Nil is eigentlyk de Apil, of het Indigo-kruid, 
dat voor dezen Ntl genaamt wierd. By de Bar- 
baren, vervolgthy , datis in Barbarien , Nilegt, 


by de Hoogduitfchers Weide. Maar onzen Lo- 


zicerus dwaalt, dat de Mauriskes en Inwoon- 
ders van Barbarien door het woord Ni/eg: of 
Nil de Ifatís zoude verftaan hebben , want de 
Anil of het Indigo-kruid was by hen al te wel 
bekent; om dat in Barbarien, en op verfcheide 
plaatzen van het Keizerryk Marokko de Azil 
groeid, en de Indigo van dezelve gemaakt word, 
Het is ook zeer, waarfchynelyk „dat de Inwoon- 
ders van Barbarien , de eerfte zyn geweeft, de= 


welke de Axil uit de Landen van Zudoftan, het - 


welke het oorfprongkelyke magazyn van de In- 
digo is, of de Indiën , in haar Land hebben 
overgeplant, en van dezelve den Indigo, ín na- 
volginge der Inwoonders van Cambaye, Gu- 
furatte , Malabar enz. hebben bereid, Want 
deze volkeren hebben met de Indiaanfche Lan=- 
den een groote gemeenfchap gehad , en ook 
grooten Koophandel gedreven, eer de volkeren 
van Europa, door behulp van de Scheepvaart, 
zo diep tot die Indiaanfche Landfchappen wa- 
ren doorgedrongen. Daar de gelukkige voort- 
gang hunner Wapenen, hunne afkomft vande 
Arabieren, en de verfpreidinge vande leere van 
hunnen Profeet Mahomet tot in de diepfte inge= 
wanden der Oofterfche Indiën, geen geringe 
gelegentheid toe gegeven heeft, 


ZI 
Dat de Indigo by deze volkeren van he 
IË 


eenen nn 


January en February 1722. òr 
(die de Koningryken Algiers, Tunis, Tripoli 8 
Marokko, Fes, Tafilet, en andere aan de Mid- 
delandfche en de Weft-zee gelegene overvrugt- 

„ bare Landfchappen bewonen) al van onbeden-= 
kelyke tyden is bekent geweeft, is zeer wel te 
begrypen, als wy agt geven op den grooten 
Koophandel, en Scheepvaart van het Äaloude 
en magtige Carthago , het welk gelegen was in 
het Koningryk Tunis, grenzende aan Alexan-= 
drien en Egypte, en het welk een volk-plantin- 
ge was van de oude Feniciers , die de beroem- 
fte, oudíte en grootfte Kooplieden des Werelds 
zyn geweeft. Want ik geloof nict, dat iemand 
zal ontkennen, dat, terwyl de Egiptenaren ‘en 

‚ fmaliten of Arabieren, door de gelegentheid 
van de Roode Zee, en de aangrenzinge van 
Arabien, zo digte aan Indoftan , de goederen 
zo wel van Europa en Afrika haalden en brag- 
ten uit en na de diepfte Oofterfche Indiën, on- 
dertuflchen de Fegicters en hunne beroemde Co- 
lonie , namentlyk de volkeren van Carthago , 
die zelfde goederen vorder hebben gebragt naar 
alle deelen van Europa en Afrika, door de 
Middelandfche Zee, welkers boorden die vol- 
keren bewoonden. Het is ook geheel niet te 
verwonderen, dat die van Carthago een volk» 
plantinge van de Feniciers waren, dewyl deze 
Landfchappen zo na by malkander gelegen wa- 
ren; want gelyk als Carthago gelegen was daar 
nu Tunis is, aan de Afrikaanfche boorden van 
de Middelandfche Zee, en Tyrus en Sidon À 
de hoofd-Koopfteden der F eniciers, aande Sy- 
rifche boorden „ van de Middelandfche Zee- 
waren zyn zy alleenlyk maar van kik: afge= 

chei- 


g6 Natuur-en Konft-Kabinet | 


fcheiden geweeft door Tripoli,Barka en Egypten. 
Dit was ook de oorzaak, dat Alexander deGroot, 
vergramt zynde,om datdeFeniciers enCarthagers 
hemtegen{tonden, inEgypten op de uitgang van 
de Nyl, entuflchen deze beide volkeren als in’t 
midden, de vermaarde Koopftad Alexandrien 
liet bouwen, om aan deze twee volkeren de 
gemeenfchap met de Indiën door Egypten het 
groot geryf van de Nyl, de Roode Zee , en 
Arabien af te {nyden; gelyk als ook die Konin- 
gen, dewelke in Egypten Alexander de Groote 
opgevolgt hebben, alles hebbei aangewend, en 
ook ten deele hun oogmerk bereikt ‚om Alexan- 
drien tot de grootfte Koopftad des Werelds te 
maken, en de Indiaanfche en Europifche goe- 
deren langs den Nyl op en af te voeren. 


Bier dsa o annd 


24. 

De Afrikaanfche Feniciers , door dewelke 
wy de Carthagers verftaan , dreven ook een 
groote Koophandel met die van Egypten , met 
de Arabieren, en vervolgens met Ooft-Indien 
te Lande, dewy! hun Landpalen aan Egypten 
grensden, en de Koopmanfchappen met Kara- 
vanen door de Woeftyne van Barka, door E- 
gypten boven Zues over de Roode Zee, tot in 
de Koopfteden van gelukkig Arabien heen en 
weer uit en na de Indiën gebragt wierden. Ge- 
Iyk als de Feniciers van Tyrus en Sidon, door 
de weg van (tenig Arabien, uit de Roode Zee 
en door de weg van Babilonien en Syrien uit 
de golf van Perfien, en zelfs door geheel Per- 
fien te Laande uit Sina en Índoftan , ook met 
Karavanen de goederen van de Indiën ontfangen , 


en | 


| 


fe 


| 


den January en February 1722, Ed 


__ tn met hunne Schepen door alle de Plaatzen 


van de Middelandfche Zee, en vorder door ges 
heel Europá, en van daar wederom na de In= 
diën, langs dezelfde wegen met Karavanen ver- 
voerden. Terwyl nu deze uitmuntende blaau= 
weverw-ltof, namentlyk de Indigo, by de Gries 
ken en Romeinen zo wel bekent is geweeft, 
gelykwy uit Dioftorides , Plinius, Arrianus enz. 
gezien hebben, behoeven wy geenzints te twyfe 
felen, dat dezelve by de Carthagers, ende Fe= 
niciers van Tyrus en Sidon zeer algemeen be= 
kent en in ’t gebruik is geweeft ; te meer, als 
wy acht geven, dat de Feniciers van Tyrus en 

idon zeer beroemt zyn geweeft in den Kouop- 
handel van de alderuitmuntenfte verw-ftoffen, 
gelyk als blykt aan die vermaarde Koninglyke 
purperder Ouden; onder dewelke voor de befte 
gehouden wierd, de purper van Tyrus, En wy 
moeten niet zonder aanmerkinge voorby gaan , 
dat Plinius (a) oordeelde, dat de Indigo ge- 
maakt wierd van het fchuim , het welk verga- 
dert wierd van de ketels, in dewelke de kofte- 
lyke Koninglyke purper gekookt wierd; want 
het {taat te geloven , dat de doortrapte Koop- 
lieden van Egypten en Fenicien, die de kofte- 
lyke purper, daar de Stacie-tabbaarden der ge- 
purperde Vaders van Romen, en de Koning- 
Iyke Mantels mede geverwt waren, tot Romen 
te koop bragten, dit hebben uitgevonden, om 
op die wyze den Indigo, die tot Romen, vol- 
gens de getuigenifle van (4) Plinius, zeer duur 
verkogt wierd, in een hoogen prys te houden ; 

‚VilDeer. — G want 


ie (4) Lb. 35e cap.6, () Vid, lib, &r Cap.Cirar, 


« JN Nt mer deni MS 
DE __Natunre en Ronft- Kabinet ; 
want het is niet te denken, dat Pliniusditheef 
verciert , maar door een algemeen gerugt mis- 
leid is geworden ; gelyk als de later Schryvers 
mifleid zyn geworden , daar zy verkeerdelyk 
menen, datde Indigo van de wede of Paftel ge= 
maakt word. 


25. 

In die over-oude tyden, in dewelkede Feni= 
ciers en Carthagers bloeiden, was de Koophan- 
del, en de Scheepvaart door de Middelandfche 
Zee onder die twee volkeren verdeelt : zy door= 
kruifte wel alle beide deMiddelandfche Zee,maar 
op verfcheide wyzen. De Egyptenaren voeren, 
ondertuffchen door de Roode Zee,en dreven hun, 
Koophandel aan de wederzydfche zee-boorden 
van de Roode Zee, en aan die van Afrika, aan. 
Socotora , aan het Koningryk Adel, aan het 
Land Ajan ,aan de Kuften van Melinde, Mon= 
baze, en het geheele Landfchap van Zangue- 
bar , tot. Quiloa , Mofambique , en zelfs tot 
aan het goudryke Liandfchap Sofala : dit alles 
na het Weften van Aftika gerekent ,nadie kant 
van de Kaap de Goede Hoop; gelyk zy ook uit 
de Roode Zee Ooftwaart aanvoeren , en hans 
del dreven in de aan Zee gelegen Koopfteden 
van gelukkig Arabien , aan Aden, lertach, 
Caap Ros Algate in de golf van Ormus „en aan 
de overzyde by de Straat Moffanda, tot aan de 
groote Rivier den Indus , aan Guzarate in de 
golf van Cambaye, het regte Vaderland vanden 
Indigo, in het Koningryk Dekan, Cuncan, by 
Goa, Bisnagar, aan de vrugtbare Kuft van, Ma- 
labar, aan de Kaap Comorin, aan Kalikut, de 
Kuft van Coromandel, het Eyland verlag, de 

Öl- 


3 


„SJänndrjen February 17it. «98 
Golconda, in de golf van Bengala, het Ryk 
vat Arakan, Pegu, Martaban, het Koningryk 
Siam, Malakke , het goudryke Eyland Suma- 
tra, Java, em zelfs de Specery-Eilanden , of 
Molukkes, en door geheel Ooft-Indien, niet 
tegen(taande alle deze Landen in die tyden an- 
deresnamen voerde, konnen wy dezelve uit de 
oude Schryversechter wel onderfcheidelyk ont- 
dekken; en alfchoon indie tyd het kompas niet 
bekent was; konde deze Scheepvaart langs de 
zee-boorden van Afie van Koopftad tot Koop- 
ftad „ van Rede tot Rede, en van Luandfchap 
tot Landfchap zeer wel gedaan worden. Gee 
Iyk alsook de volkeren van die Landfchappen 
wederom voeren langs den zelfden weg uit de 
Indiën in de Roode Zee en op Egypten; gelyk 
als openbaarlyk blykt, uit Arrianus en andere 
oude Griekfche Schryvers. Op deze wyze wier= 
den de Koopwaren uit Afiegebragt in Egypten , 
daar die van Carthago, en ook de Feniciers de= 
zelve weghaalde, en vervoerde door de Mid- 
delandfche Zee na Europa, en de Waren uit 
Europa in:Egypten en verder brengende, opde 
bovengemelde wyze wederom gebragt wierden 
aan de Weftzyde van Afrika, en wel voorna- 
mentlyk in Afie, op alle die Plaatzen en noch 
veel meer andere, dewelke wy boven genoemt 
hebben, Ook zaten de Arabieren in deze heen 
en wedervaringe ganfch niet til , maar handel- 
de ook fterk-op Egypten en de Indiën : zelfs 
vonden de Portugyzen noch in haar tyd; toen 
zy de Kaap de Goede Hoop voor de eerftemaal 
waren ommgevaren, en in de Indiën kwathen; 
dat.dezen handel op # Roode Zee, en uit en 

2 ná 


zoo Natuur en Konft-Kabinet ; 
na de Indiën fterk bloeiden. Maar dat deze 
handel en deze volkeren in Europa niet al te 
bekend waren, was geen wonder, om dat de 
Feniciers en Carthagers, die Waren en Koop- 
manfchappen door de Middelandfíche Zee in 
Europa bragten, het welke ook de oorzaak is, 
dat die twee z20orten van Feniciers , voor de 
grootfte Kooplieden des Werelds gehouden 
wierden, voor den tyd van het bouwen van 
Alexandrien, en noch lang daar na, en dat de 
Europianen vervolgens met die twee volkeren 
eigentlyk wel de meefte gemeenfchap hadden en 
handel dreven. Deze zyn ook die geene, de- 
welke den Indigo, over zeer oude en onbeden- 
kelyke tyden , benevens een groot getal In= 
diaanfche Waren , Speceryen , Paarlen , Dia- 
maten, Juweelen, Gout, Katoene Lywaten, 
Chitzen en koftelyke: Stoffen, enz, in Europa 
overbragten. Het is geheel niet te verwonde- 
ren, dat die Feniciers van Tyrus en Sidon en 
Carthago zo ryk en magtig zyn geworden ; 
want zy trokken aan beide kanten, dat is dub- 
belde winften, en zyn buiten alle twyffel wel 
zo fchrander geweeft, dat zy an de Griekjes, 
noch aan de volkeren van ltalien, de geheimen 
van hunnen Koophandel niet hebben geopen= 
baart. Dit fchynt welde voornaamfte oorzaak 
te zyn, dat de Grieken en Romeinen zo on- 
kundig waren omtrent het Indigo-kruid en de 
toebereidinge van die koftelyké verw-ftof Indi- 
go, wetende van dezelve niet anders , als hen 
van de Kooplieden, of Ooft-Indievaarders, of 
Reizigers verteld wierd: een zaak, over de= 
welke de oude Wereld-Befchryver Strabo, op 
een 


January en February 1722: or 


een plaats, dewelke my nu niet invalt, al zeer 
geklaagt heeft, À 
2 


_ Wy hebben aangemerkt „ dat de Feniciers 
van Tyrus en Sidon , en de Carthagers , de 
Scheepvaart en den Koophandel verdeelt had- 
den. Die van Carthago bevoeren de boorden 
van Barbarien, daar nu gelegen is Tunis, Al- 

giers, Fes, enz. en-drongen door het naauw 
van de Straat by Gibralter , en verfpreide zich 
ter regter en ter linker zyde, Zy regtede ver- 
fcheide volk-plantingen op buiten de Middee 
landfche Zee, als Thebe in Beeotie, Cadix enz. 
in Spanje, Zy drongen zelfs door tot aan En- 
geland, en aande linkerzyde aan de Wefterfche 
boorden van Afrika; gelyk als de Reizen van 
de Carthaagfche Capteinen, Hineelcon en Hannox, 
getuigen, DeFeniciers van Tyrus en Sidon voeren 
aan de andere zyde van de Middelandfche Zee,op 
de Griekfche Eylanden , in de Archipel „ op Na- 


 tolie, Romanie, Macedonie, Theffàlie, Mo- 


rea, Achaje, op Cyprus , op Kandie, op  Si= 
cilie , op Venetie , op geheel Italie, hoewel 
zommige van die Landen toen een andere naam 
voerde. Ditis de reden, dat ook by de Grie- 
ken en de Romeinen, in ’t ftuk van de Koop- 
handel, de Feniciers van T'yrus meer bekent 
geweeft zyn als de Carthagers, dewelkede Ro- 
meinen wederom beter kenden door hunne we- 
derzydfche Oorlogen, die Carthago en Romen 


„zo lang hartnekkig tegens malkanderen gevoerd 


hebben. Als wy nu het bedryf van deze vol- 
keren overwegen, en dat wy uit de Aaloude 
Schryvers leeren , Ee de Indigo in Italie, tot 


3 Ro 


toz Natuur-en Konft-Kabinct, 


Romen , in Griekenland ouwelinks in ’t ge- 
bruik, en voor zo verre als dezelve een blaau- 
we verw-ftof was, bekent is geweeft, konnen 
_ wy zeer licht ontdekken, dat de Indigo al in 
overoude tyden, zelfs in de afgelegenfte deelen 
van Europa, is gebruikt geworden ; alfchoon 
zommige van die volkeren juift dikwils niet eens 
wiften waar dezelve van daan kwam; het wel= 
ke omtrent zeer veel Indiaanfche Waren plaats 
heeft gehad onder zommige onkundige en afge= 
lege volkeren van Europa; gelyk ook verfchei- 
de volkeren van de Indiën omtrent verfcheide 
Europifche Waren dikwils zeer onkundig zyn 
geweelt, en zelfs noch hedendaags zyn , om- 
trent Europifche Koopmanfchappen , die door 
de Karavanen gebragt worden in de diepfte en 
afgelegentte Landen van de Oefterfche Indiën, 


2 

De Indigo wierd niet alleenlyk binnen Ro- 
men zeer duur verkogt, maar ook zomtyds zo- 
danig met geringer ftoffen vervalft, dat zelfs de 
Schilders, dewelke dezelve gebruikte in de Schil= 
deryen die zy voor de Heeren en Liefhebbers 
fchilderde, niet fchenen betrouwd te worden 
om dezelve te kopen. Plizius (a) zegt, de 
koleuren zyn of dof of helder levendig. De hel- 
dere koleuren zyn, die de Heeren (voor dewel- 
ke gefchildert wierd) aan den Schilder (zelfs) 
gaven. Als de Megie, (der ouden) de Arme- 
nie, de Cinnaber , de Ghryfocollo, de INpieo, 
en de purparif]um of het purper-lak, Dat deze 
Heeren die koleuren voor hun eigen gelt kog= 

„ten 
(@ vid. C‚Plinii Natural, Hiftor.3s.cap.6.  * 


hd pn 
rd HE ne Pnt leet ir BEE 


br OPA 
Ed 
gee 

is 

“ui 


{ 


January en February 1722. 1c3 


ten, was, om dat die verw-ftoffen by de leef- 
tyd van Plzias tot Romen zeer duur waren, 
Waar uit blykt, dat de Indigo ouwelinks onder 
de duurlte en koftelyk(te verw-{toffen gehou- 
den wierd, Wy ontdekkenook uit deze plaats 
van Plizins, dat de Indigo by de Romeinen ge- 
bruikt wierd om mede te fchilderen, gelyk ook 
de ândere koleuren dewelke hier vpgetelt wor- 
den. De Indigo was hier ook ongemeen be= 
kwaam toe, om dat dezelve niet gelykalszom=- 
mige van de andere een migiraal, maar een zap 
was, en om dat de Ouden niet anders als met 
water-verwen (childerde. Het is te verwonde- 
ren, dat Plinius, gelyk wy reeds gemeld heb- 
ben, op een andere plaats zegt: dat de Indigo 
gemaakt wierd van: het fchuim van het purper, 
het welk in de purper-ketels gekookt wierd; 
daar zulks, volgens zyn eigen befchryvinge van 
het parparif]um , met veel meerder regt gezegt 
zoude hebben konnen worden. Want het pre 

uriffum was inderdaad niet anders, als een 
fchilder-lak, het welke van de koftelyke pur- 
per-verw der Ouden bereid wierd, Daarom 
fchynt het geheel buiten reden, van de Indigo 


“ teverhalen, dat aan deze purper-lak toepaflelyk 


was; om dat tuffchen het purpariffuim of pur- 


‚ per-lak, en de Indigo , een genoegzaam onder- 


fcheid was, om deze beide niet van een en de= 
zelfde purper-verwe af te leiden. Maar Phi 
nius fchynt met de herkomtft van de Indigo geen 
raad geweten te hebben, en bekent ook in het 
zelfde boek, dat de Indigo aan hem noch niet 
genoegzaam bekent was, 


G â Op 


„ 


104 Natuur-en Konft-Kabinet, 


28. 


Op dat de Lezer uit deze plaats van Plisius 
geen misvattinge mogte krygen, alsof door het 
purpariflum, of purper-lak, en de Indigo der 
Ouden, by de Romeinen twee verw-ftoffen 
verftaan waren geworden , die van een geflagt , 
maar alleenlyk maar verfcheide in zoort waren : 
dat is, de eene maar wat hoger of lager van 
koleur als de andere, maar echter twee fchil- 
der-lakken, die beide van de purper-verwe ge- 
maakt wierden, Zal ik het purparif}um of pur- 
pur-lak der Ouden tegenwoordig in zo verre 
mede deelen, als voor den Lezer van noden 
is, om het wezentlyk onderfcheid, tuffchen het 
purper-lak en de Indigo klaarlyk te konnen 
zien. Want wy moeten niet nalaaten in deze 
onze Natuurlyke Hiftorie van de Indigo, alles 
te onderzoeken, dat ons eenigzints tot nader 
verftand en kenniffe van dezelve kan opleiden. 
Om dat deze befchryvinge van de Indigo door 
my. als een grond gelegt zal worden, voorde 
geheele en wyd-uitgebreide verw-kunft , van 
dewelke de Blaauw-kuip het fondament is, en 
van deze tegenwoordig wederom de Indigo. War 
verder de andereverw-{toffen belangt,van elk van 
dezelve heeft de Lezer maar een beknopte Na- 
tuurlyke Hiftoriete verwagten 5 te weten, in zo 
verre, als dezelve vanden Lezer gekent en ver- 
ftaan moeten worden, om te konnen begrypen, 
het geeneik in de befchryving van de verw-kuuft, 
n de volgende Kabinetten zal komente leeren, 


wk 29. 
Plisins verhaalt , dat het purper-lak onder de 
fchil- 


er 


C___Stanuary en February (722. vor 


fchilder-verwen het alderduurfte. in prys was. 
Dit purper-lak wierd gemaakt uit een zeker 
zoott van wit mergel, het welkede Oude zu!- 
ver-krytnoemden, om dat het zulver een fchoo- 
ne glans verkreeg, als het zulver met dit zagte 
kryt geftreken en glanzig gemaakt wierd, Om 
nu van dit zulver-kryt het purper-lak of het 
purpuriffum te bereiden, wierd het zelve in de 
koftelyke purper-verwe zo lange geinfundeert, 
als van noden was , om een genoegzame hoe= 
veelheid purper-verwe in te drinken, en zich in 
zo verre te verzadigen, als vereifcht wierde, 
om een fchoone purper-koleur aan te nemen. 
Ik zal my tegenwoordig over deze witte mer- 
gel, of dit zulver-kryt, niet verder uitlaaten, 
om dat dit kryt maar als een ftof verftrekte, in 
dewelke de purper-verw kwam in te dringen. 
Wy zullen alleenlyk maar aanmerken, dat de- 
ze manier van een fchilder-lak te bereiden , ge- 
‚ heel niet van de befte was, want zodanige lak- 
ken zyn grof, en niet anders als die teken-ver- 
wen , dewelke wy Criog noemen. Zodanig 


_ gekoleurd kryt, of C'ríor, konnen wy van al- 


derhande koleuren maken, Want als wy maar 
een afverfzel of Tintuur, van het eene of het 
ander verw-hout, of Gonchenilie , of Paftel 4 
of Indigo , of afverwende wortels , bloemen, 
of kruiden maken, konnen wy door het inwer- 
pen van fyn gemaale en zagte mergel, of wit 
kryt, zodanig een afverfzel zeer ligt in zodanig 
een kryt doen indringen. Alswy dan zodanig 
een gekoleurt kryt maar met het eene of het 
andere gom- water tot een deeg maken, en wel 
drogen, verkrygen wy een Crion van zodanig 

Kg Gs een 


_zoó6 Natuur-en Konft-Kabinet, 


een koleur als wy begeren. Maar diergelyke 


fchilder-lakken zyn grof , en nooit zo fchoon 
en vol van koleur, als de lakken die van cen 
enkeld geftremt zap gemaakt worden, gelyk 
als de levendige en heldere fchilder-lakken te- 
genwoordig van de liefhebbers die dat verftaan 


gemaakt worden , en gelyk de befte Indigo 


zelfs ook niet anders is, 


Oo. 

(a) Plinius en (6) fa verhalen, dat als 
de Wolle of andere Stoffen in de purper-ketels 
geverwt wierden, dit kryt in die ketels wierd 
„gedaan, en dat het zelve de purper-koleur veel 
gretiger en eerder na zich trok, als de Wolle 
Stoffen, dewelke in die ketels geverwt wier= 
den. Maar zy voegen daar by , dat het kryt, 
het welke eertt in die ketels gedaan wierd, en 
de koleur in * begin kwam in te drinken, eer 
de Stoffen noch eens geverwt waren, het befte 
purper-lak of purpursffum uitmaakte ; hoewel 
ook noch naderhand wederom op een nieuw 
zodanig een kryt in dezelfde purper-ketels ges 
wurpen wierd, waar van een flegter zoort van 
pPurparifluim, of purper-lak, voortkwam. Gee 
lyk als ook de purper-lakken noch flegter en 
ligter van koleur waren, dewelke in her zelfde 


zop voor de darde , vierde , of vyfde reis ge-. 


worpen wierden, om dat de eerfte de fchooníte 
koleur reets na zich-getrokken hadde, 


31. 
De Lezer zal zeer ligt konnen begrypen, dat, 
om 


(a) vid. Plinii. lib. 35. cap. 6. 
(&) Vid. Ifiodor. lib, 19. Orig, cap. 17e 


B. January en February vja2. “roy” 
om dit purper-lak te bereiden, het juift niet no- 
__ dig was, dat in die zelfde purper-verw op dien 
‚tyd te gelyk eenige Wolle of andere Stoffen ge- 
_verwt wierden; want het was genoeg , alleen- 
lyk maar in de kragtig{te en gezatureerde vog- 
tige purper-verwe, zodanig een kryt in te wer- 
pen, en na dat het zelve vol gedronken en we- 
derom uitgenomen ‘was, wederom ander kryt 
in de plaats te werpen, en dit geduurig en zo 
lange te herhalen, als eenige koleur van belang 
in dit zop gevonden wierd. Maar in het be- 
reiden van zommige koftelyke zap-lakken, die 
„zonder kryt, of ander grof lichaam zyn , is het 
_welgebruikelyk, en word ook beter bevonden, 
eer{t de Wol met diekoleur, van dewelke men 
zodanig een koftelyk zap-lak tragt te maken, 
te verwen, en dan door een ligte loog die ko= 
‘leur wederom van de Wol af te trekken , en 
afgetrokken zynde, door het inftorten van Aluin- 
water te doen (tremmen tot een zap-lak , of lak 
van geftremt zap , gelyk de Karmyn, de befte 
florentynfch-lakken, enz. Behalven het on- 
derfcheid dat in het purpuriJum, of het purper- 
lak gevonden wierd, uit die wyze van berei- 
dinge, dewelke wy gemeld hebben, wierd ook 
noch een groot onderfcheid gemaakt, nade ver= 
fcheide plaatzen daar het zelve toebereid wierd. 
“Want op de eene plaats was de purper-verwe 
zelfs veel fchoonder als op de andere, en op 
zommige plaatzen wierd de purper-lak niet zo 
opregt gemaakt , als wederom.in andere Ste- 
den of Landfchappen. De purper-lak van P«- 
zioli, in ’t Koningryk Napels, wierd voor de 
befte gehouden binnen Romen. By dit Putioli 
wors 


‚rog Natuur- en Konft-Kabinet, 


worden, volgens de getuigeniffe van (a) Fabius 
Columna, de purper-viffchen noch hedendaags 
gevangen by het hooft Mifenum aan de ftran- 
den, in dat gedeelte water , het welke aldaar 
hedendaags de doode Zee genaamt word. Hoe- 
„wel de purper-verw tegenwoordig niet meer van 
die visjes gemaakt, nog gebruikt word om de 
Wollen mede te verwen, gelyk als ouwelinks. 
Maar deze horen-visjes worden hedendaagsaan 
die ftranden alleenlyk maar gevangen , om voor 
fpys of lekkerny gebruikt te worden. Aan het 4 
purper-lak van Pazttoli, volgde dat van Tyrus _ 
of lenicie, en daar aan het purper-lak van Ge= 
tulie, en eindelyk aan dit het purper-lak van 
Grieken-land. De flegter purper-lakken wier- 
den te veel gekoleurd met andere verwen, en 
hadden daarom ook niet die fchoone en zuivere 
purper-Koleur, als het purper-lak of purpurif- 
Sum van Putiolt. 


2. 

Plinius (6) sin dat onder die purper- 
lakken eene zoort gevonden wierd, het weike 
met een roode koleur vermengt wierd , die zy 
Hysginus noemden , en dat zy het purper-lak 
dit rood lieten indrinken. Met flegtfle purper- 
lak (zegt Plinius) was, dat zy met de koleur 
Caugfins vermengden, Dit komt zeer wel overe 
een met de getuigeuiffe (by den doorgeleerden 
JF. Harduinns (c) aangehaalt) vaneen onbekent 

Schry- 


(2) vid. Fab. Columna lib, de purpura. 
(6) Lib. & Cap. Citato. 


e ©, ke 78 arden) nota in GC, Plinij Natural, Hi 
Of. 4e 35e cap. e 


CER Oe 

if Pandargen February 1722. 109 
Schryver , dewelke onder de werken vanù den 
__ Grooten (a) Claud. Galenus gevonden word ; 
‚daar hy zegt, het purparif]um (het purper-lak) 
bet welk zommige ook blanketzel noemen , zyn 
„vierkante en kleine brokjes , op de manier als klei- 
ne dobbelfteenen , die van de Werwers met een 
__ roos-koleur gekleurd worden; zodanig is wel voor- 
wamentlyk het Ganuzyns parper-lak, Op die wy- 
ze blanketten zommige Vrouwen van Italie , 
Vrankryk en andere Landíchappen, noch he-= 
dendaags hunne wangen, met diergelyke fchil= 
der-lakken van een fchoone roode roos-koleur. 
Hier uit leeren wy ook , dat het toebereiden van 
verw-lakken en fchilder-lakken , zelfs in Eu- 
ropa, niet van een jongen datum , maar zelfs 
al zeer oud is, De roode koleur, met dewel- 
ke zy het Hysgins purper-lak maakten , wierd 
getrokken uit de Grana Kermes, dewelke de 
Grieken verw-grein noemde, en die wy Kar- 
mozyn Beyen noemen. Zo dat deze koleur, 
die zy Hysginus noemden, beftond uit zamen- 
menginge van de koftelyke purper-verwe. van 
Tyrus, en de fcharlake koleur van de Gruza 
Kermes. Het welke zodanig bereid wierd bin= 
_nen Tyrus en Fenicie, en binnen Romen ver- 
‚ kogt wierd onder de naam van het T'yrifche 
purper-lak of Hysgyz-koleur. Als wy nu deze 
purper-lakken byzonderlyk noemde na hunne 
byzondere koleuren, zouden wy aan dat van 
utioli wel by uitftekendheid den naam konnen 
geven van purper-lak; om dat dit van zuivere 
purper-koleur gemaakt wierd: Aan het Cazu-= 
î ; Zyas 
(a) Vid, in Galen, Oper. Libr. de Simp. Medi, ad 

Parera. \ 


IJ en N f d ols 
gro Natuur-en Konft-Kabinef; 
zyas purper-lak den naam van roosverwig:put= 
perlak : aan het Hysgins purper-lak den naam 
van fcharlaken koleurig purper-lak ; om dat dit - 
uit purper en fcharlaken-verw te zamengeltelt 
was. 


33 

De wetenfchap van de verw-ftoffen wel te 
gebruiken, en uit dezelve door zamenmenginge 
fchoone en nieuwe koleuren te maken , hangt 
af van een onderfcheidelyke kenniffe van de 
voornaamfte verw-ftoffen. Want het zoude in 
dit opzigt niet genoeg zyn, dat iemand maar 
alleenlyk kenniffe hadde van de Indigo, om de 
Indigo. te gebruiken in alle gevallen van de 
verw-kunft, fchilder=kunft , verligtery-kunde; 
verlak-kunft, enz. Het is noodzaaklyk , dat 
zodanig een ook daar boven kennifle heeft van » 
de andere verw-ftoften , dewelke in het gebruik 
van de Indigo op verfcheide wyzen konnen te 
pas komen, en dienft doen om aan de blaauwe 
Indigo-koleur verfcheide trappen en tinten by te 
zetten, Want zommige verw-ftoffen, deweis 
ke toegezet worden, geven een levendige hel- 
derheid, en andere wederom een doffe morzig= 
heid, Het is zeker, dat met de fcharlake ko= 
leur , of de verw der Graxa Kermes, of ander _ 
food, aan de Indigo verfcheide graden van pur: 
peragtigheid konnen toegevoegt worden, daar= 
om zal het niet onaangenaam zyn , de fcharlas 
ke:koleur een weinigje nader, echter maar in’ 
voorbygaan, te befchouwen. 


34. / 
Het Scharlake of Karmozyn, namentlyk de 
Grana Kermes, was by de Ouden zeer bekent, 


en 


i ___ FanuaryenFelradry17at: rf 
_ &n groeide ook op veel plaatzen, gelyk als wy 
uit deszelfs Natuurlyke Hiftorie nâ dezen zul- 
Jen‘befchryven. De Franfche noemen het zel- 
vegrained’écarlate , het word in’t Narbonifche 
Vrankryk veel gewonnen. Deze greinen of 
Karmozyn-beyen zyn zeer vol wurmpjes, wel- 
ker zap ongemeen goed bevonden word, om 
Scharlaken of Karmozyn-koleur te verwen: 
Dit Karmozyn-grein word voortgebragt van een 
laag heeftertje. In de Maanden van April en 
Mey vertoont zich een uitwerpzel , dat als een 
knobbeltje op de bladeren groeid , het welke 

_ uitwendig als met een zeer ligt wit poeder eenig= 
zints maar bedekt ís, maar zo ras als dit poeder 
of meel word afgeweegt, is de koleur van dit 
grein fchoon rood; gelyk ook dit grein met een 

‚ bloed-rood zap vervuld is, en met wurmpjes 
van dezelve fchoone bloed-roode ‘koleur. Dit 
boompje groeid meeft op fteenagtige heuvelen, 
omtrentMontpeliers,Nimes,Avegnon,en andere 
Plaatzen van dat gedeelte van Vrankryk,dat tegen 
Italien tuit : ook in Provence, in Italie, het Ges 
bied van Toskanen, Romen enz.” Zohaaft als 
deze greinen ryp en volkomen rood geworden 
zyn, lezen zy dezelve by malkanderen, en leg= 
pen die op fclhoon linnen, dat over een vlakke 
Grond uinglprid is, Volgens het berigt, dat 
“den Heer Verchand, Kruidkender en Apothe= 
Car te Montpeliers, verhaalt uit eigen onder= 
vindinge by de vermaarde Kruid-befchryver (a) 

| genes Rayus , dat zy in het begin, als deze 
__Karmozyn-greinen op. het linnen in de zon uit= 
„ gefpreid gelegt zyn om te droogen , daaglyks 
7 twee 

_(@) Hiflor, Plantarum cap‚ de dice, 


siz Natuur-en Konft-Kabinet; 


twee of driemaal dezelve omroeren, zo lang 
als dezelve noch vogtig zyn, om daar door het, 
heet-worden en broeyen te beletten, Als nu na 
het droogen zich een rood poeder boven op de 
Karmozyn komt te vertoonen, word dit grein 
in een Zeef gedaan, en dit {choon rood poeder 
word van dezelve afgezift, en het grein word 
wederom als voren op het uitgefpreid linnen in 
de zon geïegt, zo lang tot zich wederom zo= 
danig een rood poeder op het zelve komt te 


vertoonen. Het welk dan ook wederom uit= 
gezift en vergadert word, en deze ziftinge word“ ° 


zo menigmaal , en ook zo lange hervat, tot zig, 
geen poeder meer komt te openbaaren. Wy 
“moeten aanmerken, dat het eer{te poeder voort= 
komt uit de opening vanelke grein, welke ope- 
ning in elke Karmozyn-grein gevonden word, 
aan die zyde, met dewelke dezelve aan het blad 
heeft valt gezeten. Dit poeder is niet anders 
als het bloed-roode zap , met het welke elke 
Karmozyn-grein opgevult is ‚, en dat nu door 
de hette van de zon tot zodanig een poeder ge- 
droogt is. Het andere poeder, het welke zich 
naderhand noch in verfcheide reizen op het grein 
komt te vertoonen, word geboren uitde roode 
wurmpjes, die noch eerft in hun blaasje of vlies- 
je zaten, en die nu door het breeken van het 
vliesje, dat door de hette van de zon, en het 
drogen veroorzaakt is geworden, na buiten zyn 
gedreven , gefturven en tot rood poeder ge- 
droogt, op de wyze als het roode zap, van de- 
welke het eerfte poeder was voortgekomen. Als 
het komt te gebeuren, dat zich in dit poeder 
wederom leven begint te vertoonen, en dat zÀ 
ZIC 


Stannaryen. February 17ar. nig 
‚ “ich zelfs begint te bewegen, moet het zelve 
_befprengt worden met zeer fcherpen Azyn, en 
___met de handen gewreven „ en tot balletjes ge- 
maakt worden, die in de zon moeten gedroogt 
worden. Het fchynt dat door de fcherpheid van 
‚den Azyn, de nieuwe diertjes, die dit leven in 
et poeder verwekken , dood gebeten worden. 
Want als iemand dit poeder laat biyven zonder 
__„deszelfs levendigheid, door den Azyn of eenig. 
ander zuur zap tedooden, word van elk korrelt- 
‚… je poeder een zeer klein vliegje geboren , het 
-_welk een dag of twee levendig en fpringende en 
vliegende blyft, tot dat het eindelyk dood ne- 
„dervalt, en al zyn koleur verloren heeft, Ter- 
‘wyl deze vliegjes leven, zyn dezelve bitter van 
Ímaak; maar zy zyn zo,ras niet geltúrven, of 
de bitterheid is ook te gelyk met derzelver leven 
verdwenen. Het grein, van het welke nu al 
het poeder, daar wy van gefproken hebben, is 
afgezift, word ook met wyn gewaflchen , en 
naderhand in de zon gedroogt, en met het poe= 
der in zakjes gedaan, en tekoop gebragt. Zyn- 
de eigentlyk nu die vermaarde verw-ftof, waar 
mede die edele koleur , den welken wy Schar- 
lake koleur of Karmozyn koleur noemen, byna 

… zo wel geverwt word, als met de Concheztlie, 


35: 
Plinius (a) getuigt, dat de Karmozyn-grein 
roeide of gewonnen wierd in Galatia, Afrika, 
Pifidia, Cilicia ; maar dat de flegtfte zoort ge- 


vonden wierd in het Eyland Sardinien, De 
B DEEL. Oerd Kar- 


(a) vid.C,elinij Hiftoria Natural. lib, zo, cap. 12. 


sia __Natwar- en Konff- Kabinet, 

Karmozyn-grein die uit Galatie kwam, wierd 
by de Ouden voor de befte gehouden, en zom- 
mige zyn van gedagten , dat de naam Scharlake- 
koleur zo veel wil zeggen als Galate-koleur. 
De naam Scharlake aflcidende van Galate, 
Maar het fchynt my noch wel zo wis , dat 
het woord Karmozyn afkomt van het woord 
Kermes, en Karmozyn-grein zo veel wil zeg- 
gen als Kermes-grein of Grana Kermes, na het 
Arabifche woord Kermes. (a) Plizius en (b) 
Zfiodorus verhalen, dat een zekerzoort van een 
mantel, met dewelke de Romeinfche Veldhee- 


ren omhangen waren, en die Paludamentum 


genaamt wierd, wel byzonderlyk geverwt was 
met de gemelde Karmozyn-koleur , met kofte- 
lyke Purper-koleur en goud. Datde Karmozyn- 
grein zeer fchielyk in wurmen konde verande- 
ren, was ook zeer wel van de Oude aangemerkt. 
Plinius regt , dat zy daarom die Karmozyn- 


grein, dewelke in Afia grogide, Scolecsonnoem=: - 


de, het welke in het Grieks een wurmpje be- 
tekent. En dat daarom die zoort van Karmo- 
zyn-grein, die van Achene en klein Afie kwam, 
minder geagt wierd. Dit zal buiten twyffel 
veroorzaakt zyn geweeft , om dat zy het poeder 
niet genoeg met Azyn kwamen te befprengen, 
en te dooden. En dat het om die reden ook 
niet heeft konnen duuren, 


36. 
De Ouden gaven aan deze Karmozyn-koleur 
ook den naam van Coccus, gelyk byna aan alle 


de Geleerde Lieden bekent is. En ik geloof, - 


dat 
(4) Zi 2as cap.ze (6) Lid. 19e Cap. 24. 


Januaryen February 172 rs Uig 
| de naam Cuccheuilia, dien wy aan de Conche- 
gd ie geven, van deze naam Coceus afkomttig 
is. Het welke te waarfchynelyker is, om dat 

“ay beide voor de alderuitmuntenfte onder de 
__toode kolepren gehouden worden , en dat zy 
beide daar in overeenkomen, dat zy beftaan uit 
een plant, en te gelyk uit een levendig diertje 
of infzétje. Want de Conchezilie is ook niet an- 
ders als een diertje, het welke voortgebragt 
„ word uit een plant-gewas in Weft-Indien, on- 

der het Gebied van Mexsco, en ’t Lafcala. Dit 

beesje is als een goud haantje, dat de kinderen 
- onze lieven heers-beesje noemen, en in ’ klein 
‘van gedaante als een Schallebyter is in’t groot, 
entrekt zyn voedzel en zyn uitmuntende {ware 
roode koleur uit de plant, op het welke ‚het 
aat, en als het zelve tot zyn volkomen was- 
dom en rypheid gekomen is, en dat die beesjes 
log geworden zynde , zich in een groote me- 
„nigte opdie planten, diein een groot getal in 
de Conchezilie-tuinen of kwekeryen by malkan- 
deren, geplant (laan, komen te outhouden , ma- 
ken de Indianen een grooten rook, waar door 
deze beesjes komen te fmoren en tefterven, en 
van hunne plant neder te vallen, op daar onder 
gefpreid linnen, of fpreiden, waar nazy in de 
groete hettevan dezon gedroogt worden , waar 
„door hunne fchildjes en tedere wickjes, poot- 
jes en hoofden komen af te vallen, door het 
fterk drogen; daar het heen en weer fchudden 
ook zeer veel toe komtte helpen. Naderhand 
worden zy in een lugtige wind als uitgewant; 

Waar door alles wegvliegt, behalven hunneag- 
terfte gedeelte , in het welkeeigentlykde voor- 

H 2 naamfte 


tr6 __ Natúur- en Konft-Kabinet, 

naamfte koleur zich onthoud, en het welke die 
fchoone verw-ftof, die wy Cozchezilie noemen, 
komt uit te maken, Hoe bekwaam nu deze 
fchoon-roode koleuren bevonden worden, om 


met den Indigo alderhande tinten van viool,en 


purper-koleur te maaken, is, denk ik, by elk 
een genoegzaam bekent. Maar het koftelyke 
purper der Vuden, dat van de purper-visjes ge- 
maakt wierd, hadde deze toezettinge niet van 
noden, en gaf een weergalooze purper-koleur 
uit zich zelfs, die na alle waarfchynelykheid 
hedendaags onnavolgbaar is, Daarom dunkt 
my, dat het de moeite wel waardig zal zyn, 
dat ik aan den Lezer, aan den welken zulks 
onbekent mogte zyn, van de purper der Ouden 
in deze Natuurlyke-Hiftorie van de Indigo een 
weinig onderregtinge kome te geven; te meer, 
om dat in de befte Indigo, boven en behalven 
deszelfs fwaar en rykelyk blaauw , ook een 
violet-koleur of blaauw -purper gezien word. 
Het welk buiten twyffel de oorzaak geweelt is, 
dat de Kooplieden aan Plinsus hebben konnen 
Wwys maken, dat de Indigo gemaakt wierd van 
het fchuim van de purper-ketels. Ook vinden 
wy onder alle de zap-koleuren of verw-koleu- 
ren, geen verw-{tof , dewelke nader aan het 
belte.purper (namentiyk het viool-purper) der 
Ouden grenft, als den Indigo , en dat bekwa- 
mer is om door vermenginge met andere ko- 
teuren , alderhande viool-purpertinten aan te ne- 
men. Gelyk als ook geen enkelde verw-ftof 
by my bekent is, die nader aan het rood-purper 
der Ouden komt, of T'yrifche koleur, als de 
Gonchenilie, Hoewel echter onze befte Indigo 

noch 


__January én February 1722. 117 
noch ongemeen veel verfcheelt van het viool- 
purper der Oude, en de Cogchezilie ook zeer 
veel van het road-purper der Oude, het welk 


Baderhand tot Romen in grooteachtinge kwam. 


at de Franfe noemen Oofters-purper, word 
met de Gogchegilie en de gewoonlyke zouten 
geverwd. ' 


7. 

De Schryvers zyn ad in allarm, hoe- 
danig eigentlyk die Specificgue koleur was, die 
de Aaloude purper noemden. Zommige oor- 
deelen, dat het is geweeft die zelfde koleur, 
dewelke wy Scharlake of Karmozyn noemen. 


‘Maar de Oude onderfcheiden wel expreffelyk 


de Karmozyn-koleur van het purper, en noemde 
dezelve Pazicus Color, punifche-koleur, na de 
Inwoonders van Carthago de punen of poenen 3 
gelyk zy het purper gewend waren te noemen 
Color Tyrius, of Tyrifche koleur, na Tyrusin 
Fenicien. Anderezyn wederom van gedagten, 
dat het purper der Oude die koleur is geweeft, 
dewelke wy paars of vio/et noemen ; maar om de 
verfchillen van dezeSchryverste beflegten,en aan 
den Lezer een overeenkom(tig denkbeeld te ge- 
ven, was het fchoonfte purper der Oude een 
zeer hoog en fchoon rood-blaauw ‚ door het 
welke het blaauw zeer veel boven het rood 
doorftak. Want als het rood een weinigje te 
veel de overhand hadde, wierd het zelve niet 
voor zo fchoon en zuiver purper gehouden, 
Daarom zeide Plinius, gelyk wy boven gemeld 
hebben, dat het purper-lak van Tyrus niet zo 
fehoon was als dat vanPutioli nuPozzolo,om dat 
Onder dat van Tyrus te veel rood gemengt wierd; 
| El 3 welke 


118 __Natwiúr- én Konft-Kabinet 

welke purper-roode koleur, de Oude Hysginus 
noemde , en uit de koleur van het Scharlake- 
grein, en de purper-verwe , dezelve bereide. 
Gelyk als nu het purper der Oude niet was on- 
ze Scharlake koleur, zo was dezelve ook niet 
onze Paarfche koleur , maar gemeenlyk leven- 


diger en helderder als ons Paars , hoewel het 


purper der Ouden zo veel wel in zoort ver- 
fcheelden, dat het eene wel een tintje hooger 
als het ander hadde, na het blaauw , of rood, 
of zelfs na het bruin. Corzelius Nepos zegt, 
toen ik was een Jongeling , was het viool-purper 
de de mode. Maar naderhand heeft tot Romen 
zeer in de mode geweeft het purper dat wat 
rooder tint hadde, gelyk als dat van Tyrus, 
Waar uit blykt, dat het purper der alderoudfte 
volkeren is geweeft viool-purper: datis, ishet 
welke matig)yk blaauw , en weinig rood door- 
ftraalde, en de koleur van cen Amathyft hadde. 
Maar dar by die Oude, dewelke later waren, 
gelyk by de Jongelingfchap van Nepos, ten ty- 
de van Auguftus, en eenige latere Keizers, by 
de Romeinen het purper is geweeft blaauwagtig 
rood, daar buiten twyffel zeer weinig blaauw 
in doorgeftoken heeft , het welke zy daarom 
ook rood purper noemden , om dat de roode 
tint in dit purper meer doorftak als in het viool- 
purper. Een darde zoort was purper, datzeer 
blaauw was, en daarom ook het minfte in prys 
was. Als dan het befte purper, of dat der ou- 
der volkeren viool-purper was, is het noch zo 
zeer niet te verwonderen, dat de doorflepe 
Kooplieden aan Plinius en andere hebben kon- 
nen op de mouw fpelden, dat de Indigo, zo 

veel 


___Sanuaryen February 1722. 119 
veel wasals een Quint Effentie, of het befte uit 
het befte van het viool-purper, en dat dezelve 
van het fchuim of de bloem van de purper- 
ketels gemaakt wierd, 


38. 

Dat het purper der Oude gemaakt wierd van 
het zap van de hoorn-visjes , het welke in de zee= 
horens gevonden wierd , die onder den naam van 
purpers of purper-horens bekent zyn, is een 
zaak die genoegzaam by de lief hebbers openbaar 
is. De purper-verwen waren zo koftbaar, en 
wierden zo hoog geagt by de Grieken en Romei- 
nen, dat volgens de getuigeniffe van Zheopompus 
by Atbeneus en van (a) Plinius, het zelve te- 
gen zulver wierd opgewogen, Voor een pond 
van dit Koninglyk viool-purper , wierden dik- 
„wils hondert goude penningen betaalt. Het pur- 
per, dat zy Dibapha Tyria noemden , en dat 
dubbeld geverwt was, kofte in het begin dui- 
zend Dezarien het pond. Dit wasde oorzaak , 
dat de Griekfche Kooplieden, die tot T'yrusen 
Fenicte koophandel in de purper-verwen dre- 
ven, en dezelve in Griekenland en elders ver- 
kogte , zomtyds ongelooffelyke {chatten kwa= 
men te vergaderen, De vermaarde Philofvof 
Zeno, en andere Geleerde Mannen onder de 
Grieken, hebben zelfs zich niet gefchaamd in 
de purper-verwe , en in de ftoffen die purper 
geverwd waren, grooten koophandel tedryven. 
De purper-hoorns worden aan verfcheide zee- 
boorden, in verfcheide boezems, inhammen, 

WE 4 en 


Ca) Zib.g. Cap, 19. 


r20 Natuur- en Konft-Rabinet, 


en by verfcheide Luandfchappen gevonden. Maar 
de purper-koleur , die van dezelve gemaakt 
wierd, was niet van een en dezelfde fchoon- 
heid , maar kwain zeer veel te verfchelen in 
de Landen en Klymaten, daar de purper-hoorns 
gegroeid waren. Op zommige plaatzen viel de 
purper-koleur viool-blaauw , op andere blaauw- 
rood : op zommige plaatzen wierd het purper- 
zap gevonden , trekkende na het fwart. De 
oude Schryvers Aristoteles, Plinius Vitruvius , 
Ifidorus enz. getuigen, dat de nabyheid van de 
zon, en warmte van het K/ymaat , veel doed 
tot de fchoonheid van de koleur : Dat Afrika 
voortbragt viool-purper : Tyrus in Fenicierood- 
agtig -purper : de Noordelyker Landfchappen 
fwartagtig purper : en de Ooftelyke Landen 
wederom viool-purper ; gelyk ook de koleur 
van het Tarentynfche purper was. Waarom 
het zelve ook zeer hoog geagt wierd, 


39. 

Alfchoon de purper-hoorns, volgens de on- 
derfcheidinge der zee-hoorns , een byzondere 
zoort uitmaaken , word nochtans het purper 
in verfcheide andere zoorten van horens gevon- 
den, die juift niet met de naam van purpers, 
maar met andere namen na hunne zoorten ge= 
naamt worden. De Geleerde Fezuwyt Phil. 
Bonannus (a) verhaald , dat zelfs het purper- 
zap gevonden word in de Baccina of trompet- 
hoorns , inde rots-hoorns en andere; en dat uit 
een Egel-hoorn , dewelke hem levendig van 

An- 

(a) Vid. Phil, Bonannì recreatio mentis > oculi , 

part. 2. Claff, 111. de Teftac. Turbinatis. 5 


_Pannaryen February 1722. 12% 
_ Antie gezonden was, een fchoon purper vloei= 
de, dewyl hy bezig was om dezelve aan ftuk- 
ken te fnyden. Pabius Colamna verhaalt by 
den zelven van een viool-purper , het welk ook 
_uit zodanig eenhoorn voortvloeide, die gevon- 
_ den was aan de zee-{tranden van den Vefuvzus, 
by Napels. Dit koftelyke Ligueur wierd op 
verfcheide wyzen uit deze hoorns ontvangen, 
Jmperatus (tegenwoordig by myne Lezers zeer 
wel bekent) zegt, dat deze visjes hun purper- 
zap uitfpogen buiten hunne hoorns ,als de hoorn 
fterk gewreven wierd, A. Colwmra, die een 
Traêtaatje, dog zeer kort, over deze purper- 
hoorns en purper gefchreven heeft, (a) verhaalt , 
_dat de visjes gevangen zynde, dit koftelyke vogt 
van zelfs uitbraaken. In Ozomzaft Pollucis Quarto 
word verhaald, dat zy ouwelinks de fchalen 
van de gevange purper-hoorns aan (tukken bra- 
ken: dat zy deze visjes met water in een ketel 
kookten: dat daar door derzelver zap door her 
vuur in beweginge gerakende , voor den dag 
kwam, en ten deele aannam een geele koleur, 
ten deele een paarfche koleur , en ten deele 
eenige andere koleuren, Als de Lezer begerig 
| is om de gedaantens van de purper-hoorns te 
| 


ee 


zien, deze zyn door Ulyf/. Aldrovand, en ver- 
fcheide andere Schryvers, in verfcheide Figuu- 
ren uitgedrukt. Maar niemant heeft zo naauw- 
keurig, en zo veel verfcheide zoorten van pur- 
per-hoorns uitgebeeld, als de vermaarde Jezu- 
wyt Bonaunus , van den welken ik boven ge- 
fproke hebbe. 


| H 5 Ik 
(a) Vid. Fab, Column, de purpura. 


rzz Natuur-en Konft-Kabinet, 


40. 

Ik zal, om de bepaaltheid van myn beftek, 
van deze Koninglyke purper affcheiden. Want 
wy hebben nu genoegzaam getoont, dat den 
Indigo by de Oude niet is gemaakt geweeft van 
hunne purper ; en dat deze twee verw-ftoffen 
zeer veel van malkanderen kwamen te verfche- 
len, als zynde de eene van een hoorn-vis, en 
de andere van de plant Axil. De Oude, en 
zeer veel later Schryvers, hebben gemeent , dat 
de Europiche lfatis, of wede, daar de blaauwe 
Paftelvan gemaakt word, het zelfde kruid was , 
daar in Ooft-Indien de Indigo van bereid wierd. 
Om deze dwalinge ook geheel weg te nemen, 
zal ik deze twee zo zeer onderfcheide plant- 
gewaffen befchryven. En zulks noch wel te 
meerder, omdat, alfchoon de wedeef de Az:l 
twee byzondere plant-gewaffchen, ende Paftel 
en de Indigo twee byzondere verw-ftoffen zyn, 
echter de Paftel geagt word als een Inlandfchen 
Indigo ; om dat dezelve zo bek waam gevonden 
word, in het blaauw-verwen5 en dát zelfs de 
Indigo veel helderder en beter koleur verwt, 
als by dezelve Paftel gemengt word; als ook , 
om dat deze twee verw-ftoffen het fundament 
van de blaauw-kuip zvn. De wede is een Eu- 
ropifch gewas, en overvloedig, zo wel by de 
oude als later Schryvers bekent. Elke Natie 
heeft aan dit kruid byna een byzondere naam 
gegeven. DeGrieken noemen het zelve Jfatis; 
de Romeinen behouden zomtyds’ de Griek{che 
naam, en zomtyds geven zy aan dit kruid den 
naam van Glaftum. De Hoogduitfchers noe- 
men 


4 _Sfanuary en February) 1722. 123 
__hén dit kruid Weyd,de Engelfche Wode of Wade, 
__ De Nederlanders Wede. De Itaiianen Grado, 

De Franfche noemen het zelve zomtyds Paftel, 
_ Maar dit veroorzaakt verwarringe ; om dat de 
_ Patel eigentlyk is de blaauwe verw-ftof, de- 
welke van dit kruid gemaakt word. Anders 
noemen zy dit kruid Guede , en zommige ge- 
ven aan het zelve ook wel den naam van Gua- 
dam, andere.van Ni, andere die van Atl, 
Maar deze Schryvers zyn mifleid , menendedat 
dit kruid en de Axt/, daar de Indigo in de Indiën 
van bereid word , een en het zelfde kruid is, 
Daarom zetten zommige de naam van N4/ en 
Anil, dien zy by Avicenna, Mefne en an- 
dere Arabifche Schryvers vinden, over met de 
naam van Jfatis of wede. Maar de Arabifche 
Schryvers kenden zeer wel de Aril, of het In- 
digo-kruid, en verftonden geenzints door die 
naam de wede, daar de blaauwe verw-{tof, 
dien wy Pa/le/ noemen , van bereid wierd in 
_ Europa, maar het Indigo-kruid, 


41. 
| De wede word gemeenlyk in twee zoorten 
| verdeelt, namentlyk in tamme wede en wilde 

wede; gelyk te zien is in Tab. Xxxvi. alwaar 
|_door Fig. 2. de tamme wede uitgebeeld word, 
en door Fig. 3. de wilde wede. Deze twee 
zoorten van wede zyn niet anders als maar 
eene zoort, en verfchelen maar alleenlyk daar 
in, dat de eene geoeffent word op wel gemeft 
‚_ _Land,en datde andere op zeer veel plaatzen in ’t 
| wild groeid. Maar als de wilde wede verplant, 


of van deszelfs zaad gezaaid , en geoeffend 
word, 


Xz4 Natuur- en Konft-Kabinet, 


word, krygt dezelve volkomentlyk de gedaan- 
te en eigenfchappen van de tamme wede. Be- 
halven de alom bekende tammeen wilde wede, 
hebben de Kruid-befchryvers noch verfcheide 
andere zoorten, diein verfcheide vreemde Lan- 
den groeyen, ontdekt Gelyk als de Ooft-In= 
difche Zee-lfatis, die grys van koleur is: de 
Ooft- Indifche Jfatis met een grys-koleurige 
vrûgt, die de gedaante van een ey heeft : de 
Ooft-Indifche Zfatis met het blad van Leps- 
dium + de Ooflt-Indifche Jfatis met bladeren 
van de Braffica Perfoliata , en met een vrugt 
die de gedaante van een hart heeft , en grys 
van koleur is: de kleine wede Jfat1s van Por- 
tugaal, Hort. Lugd. Batav. in Appendice. Maar 
deze zyn voor de lief hebbery. 


42. 

De tamme wede die allom bekent is, en van 
dewelke de bekende blaauwe verw-ftof Paftel 
gemaakt word, heeft langwerpige breede bla- - 
deren, die donker-groen van koleur zyn. Zy 
hebben omtrent de gedaante van de {malle weeg- 
bladeren 3 maar zyn veel grooter. Defteel van 
dit kruit is omtrent drie voeten hoog , en zom- 
tyds veel hooger, na dat de grond kragtig, is, 
daar dezelve op geoeffend word. De opgaan- 
de fteel van de wede, deszelfs lang werpige bla- 
deren uitgefchoten hebbende, verfpreid zictt bo- 
ven in een breede krans, die een groot getal 
geele bloempjes voortbrengt. Deze bloemen 
veranderen naderhand in blaasjes , die afhan- 
gen, en allengskens een fwarte koleur aanne- 
men. De wortel is wit van koleur, zeer lang- 
werpig 


January en February 1722. 12 
_ werpig van gedaante, en dringt zich zeer diep 
in den grond. De wortel is met weinig vezels, 
en regt neergaande als dunne peen , zaraxicuur, 
of iets diergelyks. De bladeren die aande (tron- 
„ken waflen, zyn veel fcherper en kleinder als 
die uit de wortel fchieten. De wede behoort 
onder die zoort van (a) planten , welker bloem 
zich kruisgewys vertoont ; zodanige kruis-ge- 
daantige bloemen worden uit vier bloem-bla- 
deren te zamen geftelt, en vertoonen daar door 
eenigermaten een kruis, Als by deze bloemen 
een Calyx of kelk is, heeft dezelve ook ge- 
woonlyk vier bladen, die in dezelfde order ge- 
fchikt zyn, als de vier bloerns-bladen. En 
de Paftillus , of ftamper , gaat gewoon-’ 
lyk over in de vrugt. Gelyk gezien kan wor- 
den in Fig. 4. A, ís de kruis-formige bloem van 
de wede, uit vier bloem-blaadjes , als B. be- 
ftaande; uit welkers kelkje D. komt opryzen, 
de ftamper of ftyl (piftillum) CG, dewelke ein= 
delyk verandert in de vrugt E, dewelke byna 
de gedaante van een tongetje heeft, en als een 
blaasje eenigzints gapende , gelyk gezien word 
by F. G. befluitende, als in een doosje , het 
zaat, alste zien is by H, Deze zaadjes zyn 
eenigzints langwerpig , gelyk te zien is by I. 
De wilde wede behoeven wy niet te befchry- 
ven , om dat dezelve in alles met de tarnme 
overeenkomt , als alleenlyk dat dezelve wat 
fchiraalder van bladeren en bloemen is. Echter 
«groeid de wilde wede veel hoger als de tamine, 
j maar 
_ (4) Vid, Foferh. Piston Tournefort Inflitut. Rei Her= 


bar, Claff: 5. de Herbis &* suffruticibus Flore Pobype- 
talo-Cruciformi, Se, 


126. Natuur- en Konft-Kabinet, 


maar de fteelen zyn dunder en bruinder, ende 
kauwkens of blaasjes, die wel na een tonge 
gelykenen, zyn ook, fmalder, 


43: 

De Ifatis of wede , word op zeer veel plaat 
zen in Vrankryk, Italien, Spanje, Engeland, 
Duitsland, Switzerland, Vlaanderen enz. ge- 
zaaid; maar de wede, die in ’t Graaffchap 
Thouloufe gezaaid word, is zeer geroemd, en 
wil aldaar zeer wel gedyen. Jul: Gefar. (a) ge=" 
tuigt , dat de Oude Engelfchen , hun met dit 
Glaftum beftreken ‚ven dat zulks een blauwe 
koleur maakt ; maar wy moeten hier verftaan 
de Paftel , die van dit kruid gemaakt word. 
Plinius (b) verhaalt, dat in Vrankryk eeu kruid” 
was, het welk van gedaante, de weegbree ge 
leek , en aldaar Glaflum genaamt wierd , met 
het welk de getrouwde vrouwen, en zelfs ook 
de jonge dogters in Engeland , hun geheele lis 
chaam kwamen te beftryken 5 als wanneer zy 
dan op zommige Feeft-dagen , en in Kerkelyke 
oeffeningen , op die wyze , naakt kwamen te 
verfchynen. Zheopbraftes , Diofcorides , Pli= 
zius, Galenus, Paulus, en een groote menigte 
oúde Griekfche, en zelfs Latyníche Schryvers, 
hebben de wede en deszelfs verw-{tof befchre- 
ven ; waar uit klaarlyk blykt, dat dit kruid en 
deszelfs gebruik , al van over-oude tyden , ge- 
meenzaam bekent is geweeft, En dewyl de 
Blaauwe verw-{toffe, dewelke van dezelvege- 
maakt word, een groote over-een-komft, ten 
opzigte van het blaauw-verwen van kekgaen . 

ol- 
„ (4) vid. de Bell, Gall. lib. 5. (b) Lib.22, cap. 1, 


Nd 
mA, 
ZA 


Januaryen Febrùary 1722. Tar 
Wolle en Linne-ftoffe ,‚ met de Indigo heeft ; 
was het geheel geen wonder , dat die Mannen 
geloofde, dat het. kruid, van het welke de In- 
digo in Ooft-Indien gemaakt wierd, aldaar niet 


anders was, als by ons de Wede ; om dat de 


Anil, of het Indigo-kruid, aan haar onbekent 
‘was, Het is minder ten beften te duiden , dat 
meeft alle onze hedendaagfche Kruid-befchry- 
wers (onder dewelke zelfs zommige gevonden 
worden , die de Axil , daar den Indigo in de 
Indien van gemaakt word, onder hunne vrem- 
de Plant‘gewaffen, in Broey-kaffen en Oranje- 
huizen , Zelfs oeffenen , en voor hunne oogen 


zien) den Agzil den naam geven van 4fatis Iz- 


dica , Indiaanfdhe‘weede : Paftel de Madagas- 
Car , Paftel van Madagafcar. (In Madagafcar 
word er gevonden ): Glaftuu Indrcnia: 
Indiaanfche ‘Glaftam of wede , daar zy zelfs 
konnen weten, en met hunne oogen zien, dat 
de wede en de Az:/, twee Plant-gewaffen zyn, 
die zo veel van malkander verfcheelen , dat zy 


elk een byzondere naam vereifchen , om daar 
mede te betekenen de twee byzondere denk- 


beelden , die wy van die twee byzondere Plan= 
ten genieten. Want als wy in diergelyke za- 
ken niet naaukeurig zyn, komen uit de minfte 
misflag en verwerringe , die in het benamen der 
dingen begaan word , ontelbaare dwalingen eu 
verkeerde opizteute voorfchyn, dewelke voort= 
del ‚ en vermenigvuldigt worden van die 

chryvers, dewelke malkander , zonder hun 


‚ oordeel te gebruiken , of eenig onderzoek op 


de zaak te doen , van woord tot woord , ge- 
trouwelyk uit{chryven, D 
lk e 


«28 _Natuur- en Konft-Kabinet,- 


44. 

De wilde wede groeid op zeer veele plaat= 
zen „als een fchadelyk onkruid voor „het 
Koorn, Matth. Lobel (a) getuigt, dat de wil- 
de wede voor het Koorn zeer fchadelyk is, en 
hy vergelykt de gedaante van de bladeren van 
de wilde wede , met de bladeren van de Endi- 
vie. Dit zal mifchien de oorzaak zyn geweeft, 
zegt hy , dat Plizius de wede geftelt heeft on- 
der de Latouwen. De fteelen van de wilde we- 
de , zyn zeer houtagtig en regt. „Het geel van 
de bloemen van. de wede , “is.zeer bleek, MM. 
Lobel, die in der daad een naaukeurig Kruid- 
kender is geweeft, verzekert ook , dat de befte 
wede in Touloufe gewonnen word „ én dat 
het groene kruid, aldaar Guede genaamt word 5 
daar , na alle waarfchynelykheid., „onze naam 
wede van afkomftig zal zyn. Het voort-teelen 
van de wede is in T'ouloufe „van ,over lange 
tyden , van zo veel belang geweeft , dat altyd 
geoordeelt is geworden, dat de wede-bouw dat 
land ryk maakt, gelyk eenigzints kan gezegt 
worden van de Roode Mee of Mee-krap , ten 
opzigte van Zeeland, het land van Voren enz. 
Zommige noemen onverfchillig in hunne Boe- 
ken, dit kruid zo wel Paftel, als wede; maar 
zy-konnen uit de volgende woorden van den 
vermaarden Label, onderregt worden; daar hy’ 
(6) zegt: Dat in ’tland van Toulonfe, dit kruid 
groen zynde , Guede genaamt word , maar dat 
het zelve gedroogt , gerot, gemalen , en in zeer 
groote hopen vergadert zynde , Paftel genaamt 

word, 

(a) vid. Qbfervat. Stirpium. (6) Vid. libr. citat. 


; SJanuaryen February 1722. 129 
word. Ende word van daar gebragt door geheel 
Vrankryk, Engeland en Nederland , om verkogt 
de worden aan de Verwers, om met dezelve de 
Jiakenen , Wolle Stoffen, Linnen en andere za- 

en blaauw te verwen. ’t Word ook gezaaid in 
RyfJel, in Vlaanderen , en in Duitfehlandop goed 
vet land, alwaar ook zeer goede Wede „die maar 
weinig flegter is als die van Tonlouze „ gewon- 
zen word, Dat de naam Paster gegeven word 
aan de verw-ltof die van de Wede bereid word , 
is, om dat dezelve , onder de bereidinge tot 
klompen als een deeg gekneed word, en zom- 
tyds als bollen, of in de gedaante van koeken, 
die als tot een deeg te zamen gekneed zyu„ op 
zommige plaatzen verkogt word. Hoewel de- 
zelve anderzints ook verkogt word in poeder, 
gelyk als de meefte verw-{toffen. De naam 
Paftel is anderzints algemeen , en toepaffelyk 
ep alderhánde zoorten van Crios , als ook van 
andere verw-{toffen, die tot een Pafta of deeg 
gekneed zynde, in de gedaante van koekjes, 
blokjes, ftokjes , enz. verkogt word. Zo noe= 
men de Franfchen Paflel de Carmofin , een 
verw-ftof, die in die gedaante toegetakelt en be- 
reid is van de Karmozyn-koleur van de Graza= 
Kermes of Karmozyn-beyen : zo word in *t La- 
tyn door den Digter Horat:us Paft:llus genaamt 
een reuk-balletje , of reuk-koekje: zo noemen 
Plinius en Celfus Paftillus een zeker klompje 
van droge Artzeny, dat tot Romen by de Apa- 
thekers verkogt wierd, enz. 


EE 45. 
‚De Hooggeleerde Rembertus Dodoneus heeft 
VII Deer, baie £ ein 


130 _ Natuur-en Konft-Kabinct, 

in éen zeker opzigt in zyn tyd al eenigzints gee 
merkt, dat de Europifche Wede geheel wat an= 
ders was, als het geene de Arabifche Schryvers 
Anil noemen. Maar in een ander opzigt, heeft 
hy echter gedwaalt, en geoordeelt, dateen ze= 
kere Anil , daar Avicenna van fpreekt in zyn 
$12. Capittel, niet anders was, alsde Jfatis of 
Wede: daar ondertuffchen Avicenna op die plaats 
{preekt niet van de Wede, maar van het In- 
digo-kruid. Wy zullen ’s Mans eige woor= 
den bybrengen. Men vind (zegt (a) hy) dez 
naam van Paftellum of Paftillum „ met eenige 
befchryvinge van dien by Plinius Valerianus, in 
het darde Capittel van zyn tweede Boek. In 
vaze tyden noemen de Nederlanders dit kruid 
Wede. Avicenna noemt het Nil, in zyn g12. 
Capittel. Daar is nochtans by de Arabieren een 
ander Nil, °t welk GRANUM Nir ende Hap- 
Arnie genaamd word , waar van Avicenna 
fpreekt in’t 306. Capittel, en Serapionin't283, 
nva „ het welke een zoort van Windeof Con- _ 
wofvulus is. Dodoneus is verdwaalt, dat hy in 


het laafte van deze woorden heeft geoordeelt, 


dat de Nil, of het Indigo-kruid, een zoort van 
Winde of Convoluulus (het welk zo genaamt 
word, om dat het zich om eenige by{taande 
dingen vlegt, windt, of anders vaft hegt) is, 
daar het inderdaad geen de minfte gemeenfchap 
mede heeft. Maar daar hy in die zelfde woor- 
den oordeeld , dat de Wede geheel iets anders 
is als die Azi/, heeft hy het wit veel beter. gee 
troffen. Hoewel hy echter in de befchryvinge 
van 
(a) Ziet Kruid-boek van Rembertus Dodonays, het 
eerfle deel, heb derde Boek , het 28, Capistel, 


ON 


January en February 1722. 43t 
van de Couvolvulus {taande houd, dat de Ni» 
daar Avicenna van {preekt , in zyn 306, Capittel, 

__en Serapior in zyn 283, Capittel, een zoort van 
Winde was ; en dat N:/, daar Avicezna van 
{preekt in zyn $12, Capittel, niet anders was, 
als de Jfatis van de Grieken. «Waar uit blykt, 
‘ dat hy- maar gezien heeft, wat deze Nil niet 
was, maar eigentlyk niet wat dezelve was, 
(a) Ravelingius , die anderzints een Geleerd 
Kruid-kender was, en na de dood van Dodo- 
neus byvoegzels en uitleggingen over het Kruid- 
boek van Dodoneus gemaakt heeft, zegt, Jfatis 
4udica is daar men het Indicum of Indifch blaauw 
(namentlyk de Indigo) var maakt, Ju’t In- 
diaanfch ook Galt ende ‚Nil genaamt, in't Ara- 
bifch Anil ofte Aunil: die van onze Wede als niet 
werfchilt. Het word ook Nir ofte Annir genaamt, 
als of men blaauw zeide, Uit deze woorden 
blykt klaarlyk , dat Ravelingius met de reft ge- 
dwaalt heeft, -daar hy oordeelt, dat de Ax:l van 
| onze Wede als niet verfcheelt, Want de ril 
„of het Indigo-kruid verfcheelt vande Wedealza 
„veel als van de Winde of de Couvolvalas, 


46. 
| …_ Dat Dodoneus geoordeelt heeft, dat de dril 
een zoort van Winde of Convoluulus was, is 
| veroorzaakt door zekere zaden, dewelke aan 
hem ‘onder.de naam van zaden van N1/ overge- 
zonden waren , maar dewelke inderdaad zaden 
Er. ME Il 2 zyn 


ê 


| rs 
| 7 (4) Ziet de Byvoegzels by de Text van de Wede in's 
| rangehiaalde Boek „ daar bygevoegt door Fooft van Ravs- 
| van Antwerpen, 

| 


àl 


IJ 
- 
" 


132 __Natuur- en Konfl-Kabinet, 


zyn geweeft van andere plant-gewaflen. Spre- 


kende van de winden met blaauwe klokjes, 
(a) zegt hy, met deze winden komen niet kwa- 
dykovereen die zoorten van Nie , van dewelke 
eenige zaden over ettelyke jaren aan ons gezon- 
den zyn, want de Kruiden die daar van voort- 
kwamen, hadden zeer lange flelen , haar zelve 
ouk als die van de andere winden om de naaf? by= 
flaande flekken of fhaken vlegtende : ende een van 
die hadde een fteel met veel korte doornkens be- 
zet : de fleel van het andere had geen doornen: 
de bloemen van beide hadden een fchoone paar- 
Sche verwe : daar na volgen fwarte blinkende 
gladde zaden. Deze zoorten van dit zogenaam= 
de Nier waren aan Dodoneus gezonden van 
Antonius Cortus uit Padua; dewelke deze uit 
verre Landen, nade getuigenifle van Dodoneus, 
ontfangen hadde, tot een teken naar ons oor= 
deel, dat op dezelve zeer weinig ftaat te maken 
was. Dodonens oordeeld , dat Avscezna van 
tweederhande Nur fpreekt , dat het Nir daar 
hy van fpreekt in zyn 306. Capittel „ eigentlyk 
was de Convoluulus met blaauweklokjes, hier 
in wierd hy verfterkt door de woorden van 


Serapio, diein zyn 283. Capittel zegt, het kruid 


van de Nur gelykt het gewas van de-Leblab: 
dat is, Gonvolvalus of Winde, enz. En Dodo- 
zaeus oordeelde, dat de Ni/, daar Avicenna van 
fpreekt in zyn $12. Capittel, anders nict is als 
de Jatis of Wede van de Grieken. ‘Maar de 
Nil, daar Avicenna van {preekt in zyn s12. Ca- 
pittel, isde Azil of het Indigo-kruid ; en de Nil 
daar 

(a) Ziet het. Kruid-boek van Rembertus Dodoneuss 
het derde deel , het dartiende Boek „het zevende Capittels * 


+ r n 


ni Fannary en February 1722. 133 
_daar hy van {preekt in zyn 306, Capittel en Se- 
rapio in zyn 283. Capittel, is of niet bekent, 
“of zal een zoort van het Indigo-kruid geweeft 
zyn. Dewyl van het Indigo-kruid verfcheide 
zoorten gevonden worden „ dewelke wel in ge= 
daante van bladeren van malkanderen komente 
verfchelen , maar echter in geflagts-tekens over 
een.komen , en geen overeenkomtft hebben met 
de Wede of metde Cozvolvalus of Winde. Het 
gebeurd zeer dikwils, dat de oude Kruid-be- 
fchryvers 7o maar een gelykenis maaken met 
anderekruiden, dewelke , alfchoon dezelve om- 
trent hunne gellagts-tekens geende minfte over= 
eenkomft hebben, zy echter voor een en het 
zelfde geflagt of zoort aanzien, als zy in het 
een of het ander maar eenige overeenkomft heb= 
ben, en op die wyze zullen zy buiten tw yffel 
een zoort van de Aril, vergeleken hebben met 
de Winde, om eenige overeenkom(t van heg- 
tinge. Of zy zullen aan die Winde met fchoo- 
ne blaauwe klokjes-bloemen den naam van N4/ 
gegeven hebben, om daar mede uit te drukken 
het fchoone blaauw van hunne klokjes, die 
naam ontlenende van den blaauwen- Indigo: 
gelyk dit zelfde kruid om de fchoone blaauw- 
heid van deszelfs bloemen , elders vitr#oo/ nade 
blaauwe vitriool genaamt word ; gelyk te zien is 
inde Aantekeningen van Ravelingsus over Do- 
doneus 3, Deel, 13. Boek, 7. Capittel. Maar 
dat zy de Wede en het Indigo-kruid, ofde Azil, 
voor een en het zelfde aanzagen, om dat uit 
beide een blaauwe verwe gemaakt wierd, is een 
vol(trekte dwalinge van de Schryvers van later 
tyd, die uit onkunde van het een of het andere van 
die beide geboren word, 1 3 Uit 


234 Natuur-en Konft-Kabinet, 


47- 

Uit alle deze zaken zien wy klaarlyk , datde 
Schryvers de Auil niet gekent hebben , en dat 
die onkunde de oorzaak is geweeft, dat zy hun 
toevlugt genomen hebben tot de Jfat?s of de We- 
de; om dat van deze kwanfùuis mede een blaau- 
we verw-ftof gemaakt word. Dat ook de Griek- 
fche en onze Europifche Schryvers, dewelke 
de Anil niet gezien hadden ‚ omtrent dezelve 
dwaalde, was niet zeer te verwonderen; want 
zommige vermaarde Europianen , die zelfs in 
de Oofterfche Indiën gewoond hebben, geven 
niet alleenlyk een verkeerde befchryvinge van 
de Anil, maar ook zelfs van de bercidinge van 
den Zudiga die van dezelve gemaakt word. De 
vermaarde Garcias ab Orta, in zyn tyd Lyf- 
Medicus van den Portugyfchen Onderkoning 
van Ooft-Indien, (a) heeft de Azil al zeer ver- 
keerdelyk vergeleken by een kruid, met het 
welke de Axil geen de minfte overeenkomft 
heeft, Gelyk als hy ook de bereidinge van den 
Indigo uit de Azil kwalyk befchreven heeft, 
Het kruid by de Arabieren, Turken en alle die 
Natien Anil geaaamt (regt Garctas ab Orta) 
word in Guzaratte , daar het groeid „Gali, maar 
au van de meefte Nil geheten. Het ts eer kruid 
dat jaarlyks gezaaid word, en den Bafilicum 
(zodanig zet Clufius dit over uit het Portugys) 
gelyk is; want het word op dre zelfde wyze vers 
gadert, en gedroogt zynde geweekt. Dit, nader- 
band wel gekueuft en 1 broden gekneed , flellen 


En 
(2) Vid. Garcia ab Orta Plantar.Hifbor. lib, x1.cap.26. 


SFanuaryen February 172 138 
%y eenige dagen te drogen; en gedroogt zynde, 
ea het met een groene koleur voorziente zyn: 
maar hoe meer het gedroogt word, hoe meer het 


sa blaanw overgaat, tot dat het eindelyk in een 


hoog blaauw of Veneetfche kolenr verandert. Dee 
ze befchryvinge heeft geen de minfte overeen-= 
komft met de Azil, Want de Axl gelykt ner- 
gens minder na als na de Bafilicum, Maar het 
zoüde wel konnen zyn , dat de overzettinge 
van Clufius hier gebrekkelyk was, Garcias ab 
Orta gebruikt in het Portugys het woord Maz- 
irignam, en dit woord heeft Clafius overgezet 
Bafilicum, dog eenigzints onzeker, Want C/u- 
fius (a) zegt , De Schryver gebruikt het woord 
MANGIRIQUAM , welke zaam alle de Portugye 
zen, dewelke ik daar over geraadpleegt hebbe; 
hebben overgezet BAsiLicUM. Maar deze ge- 
bykenifle komt my zeer onbillyk voor, om dat wy 
uit de BASILICUM geen Paflillen plegen te be- 
reiden, maar wel van de Isatis, Ik geloof ook 
dat Garctas ab Orta zelfs, door deze naam Mar= 
girignam de Ifatis of Wede verftaan heeft, om 
dat hy zegt, dat de Adwil op die zelfde wyze als 
de Mangiriguam vergadert, gedroogd, geweekt , 
neuf, tot broden gekneed, en wederom ge- 
droogd word, Het welk van de Bafilicum geen- 
zints, maár van de Wede volkomentlyk gezegt 
kan worden. Bebâlven dit alles, fchyntonzen 
Gurcias ab Orta dit zelfs maar uit zyn inbeel- 
ding, die hy noch van de Eropifche bereidinge 
van de blaauwe gd Paftel heeft overig 
4 ger 


(a) Vid. Clufis Annotat, in Garcia ab Orta Hiftor, 
Plantar, lib. 11. cap. 26, 


136 __Natuur- en Konft-Kabinef ; 

gehouden, befchreven te hebben ; want het ís 
wel hartelyk mis, dat de Indigo op die wyze 
als hy befchryft gemaakt word. De Indigo is 
 eengeltremt zap, of een lák van het kruid Az:/, 
maar geenzints een geftampt poeder , gelyk de 
Paftel van de Wede is. De Aril word niet 
gekneuft, en dan tot broden gekneed. Dit heeft 
plaats omtrent de Wede, en de daar van ge- 
maakte. Paftel.. De bereidinge van de Indigo 
gefchied op een geheel andere wyze. De ver- 
maarde Clufius heeft ook al bemerkt, dat Gar- 


ctas hier dwaalde. My geheugt, zegt hy, dat 


ik over eenige Jaaren van Alexandrie (in Egyp- 
ten) zaad van Azil gekregen-hebbe, en dat de 
planten die daar uit voortkwamen , bladen had- 
den vande Colutea Minor, of kleine Lombaard= 
fche Linfen. Voorwaar Lezer ! van-alle de 
gewaflen, met dewelke de /z:/ kan vergelekeu 
‚worden, is tot noch toe geen een bekent, het 
welk in verfcheide omftandigheden, en gedaante 
‚van bladen , nader met de Az#/ overeenkomt , als 
zommige foorten van deColutea of deliombaard- 
fche Linfen. Zodat Clufias hier eenigzints agter 
de zaak geweett fchynttezyn , en dat het zaat van 
Anil ‚dat aan hem uit Alexandrien overgezonden 
isgeweelt , zaad vande opregte Azil geweeft zal 
zzn. De Avsl heeft-zo veel overeenkomft met 
de Colutea, dat zelfs onze aldernaauwkeurigfte 
hedendaagfche Schryvers „de Axil Indiaanfche 
Colutea of Ooft-Indifche Lombaardfche Linfen, 
of ook wel Indigo voortbrengende Linfen noe- 
men. Hoewel wy echter zullen bewyzen, dat 
de Agil geen zoort van Colutea, maar een plant 
cneengeflagt op zich zelven is, Dezeplant Azi/ 
ir … maakt. 


4 


Vale BLP. 


‚January en February 1722. 137 

maakt een geflagt „ dat zo wel zyn zoorten heeft 

als de Colutea, Daarom zalik door verfcheide 
Figuuren de geflagts-merktekens van deze plan- 

ten benevens malkander uitbeelden, op dat de 

Lezer het onderfcheid zelfs zal kunnen gewaar 

worden. | : 


4 

Gelyk wy gezien hebben, dat de Schryvers 
om de gelykheid van de twee blaauwe verw- 
ftoffen, die voortgebragt worden van de We- 
de, en van de Azil, zomtyds aan de Ax:/ de 
naam van Indiaanfehe Wede gegeven hebben, 
hebben zommige later en naaukeuriger Kruid- 
befchryvers zig voor die misflag tragten te! ver- 
hoeden, en hebben naauwer gelet opde gedaante 
van de Azil, of het Indigo-kruid. En dewylzy 
uit de fchikkinge, geftalte , en gedaante der bla= 
deren , en uit de kaauwkens of zeer dunne 
peultjes, die aan den Axz! groeyen, en uit des- 
zelfs zaat in die dunne peultjes oordeelden, dat 
het zelve aldernaatt te brengen was aan de Co- 


dutea of Lombaardtche Linfen , hebben zy ge- 


oordeelt, dat het Indigo-kruid of de Az:/, een 
zoort van Lombaardfche Linfen was; te meer, 
om dat onder-de Lombaardfche Linfen „ ver- . 
fcheide zoorten gevonden worden , dewelke, 
alfchoon zy al vry wat van malkanderen {chy- 
nen te verfchelen , ten opzigte van bladeren, 
peultjes , blaasjes, kaauwkens, zaad, komen 
zy-echter in hunne geflagts-merktekens overeen, 
Aan dewelke het Indige-kruid niet voldoet, en in 
het Indigo-kruid de geflagts-merktekens van de 
Lombaardfe Linfen niet gevonden worden. Uit 


„welken hoofde ik met perzzigfie de Azil tot cen 


|B nieuw 


138 Natuur-en Konft-Kabinet e 


nieuw geflagt onder de plaiit-gewaflen zal vers 
heffen, gelyk als ik dezelve ook met deszelfs 
zoorten byzonderlyk zal befchryven. 


verg 49. 

Als dan de Azil of het Indigo-kruid, geen 
zoort van de Lombaardfche Linfen of Colutea 
is, behooren wy ook den naam van Lombaard- 
fche Linfen of Colutea geenzints aan dezelve 
toe te paffen, gelyk als zommige van de vers 
maardfte Kruid-befchryvers, als by- voorbeeld 
de uitmuntende Paulus Hermannus, voor de- 
zen Profeffor tot Leiden; dewelkeaande Azil 
de naam heeft (a) heeft gegeven van Colutea In- 
dica Herbacea, Indiaanfche kruids-gedaantige 
Lombaardfche Linfen, uit dewelke de Indigo bes 


reid word. (vb) Mortfon noemt dezelve Nel en — 


ook Indiaanfche Indigo, op welke laafte bena- « 
minge wy konnen aanmerken, dat de Azil of 
Nil niet is de Indiaanfche Indigo, om dat de 
Nil of Ant! het kruid is, en de Indigo de Fe= 
eula,moer, geftremt zap , of liever de verw- 
lak , dewelke var de Az:/ bereid word. Vere 
fcheide Schryvers zyn van gedagten , datde Azil 
of het Indigo-kruid , het welk voortgeteelt word 
in het Koningryk Guzaratte , en in Cambaje, 
langwerpige en fimalle bladeren heeft als Ros- 
maryn. Het welk veroorzaakt is uit de vol= 
gende woorden van den vermaarden Reifiger 
(Ce) Fan Huygen van Linfchoten, Het Anil 
(zegt 
(a) Vid. Horti Academici Yugduno-Batavi Pauli 
Hermanni, paz. 168. (6) Hifl. 2, pag. 202. 
(c) Ziet de Scheepvaart van Fan Huigen van Lin=" 
Schoten , het 69, Capittel., 


„Januaryen February 1722.  13ô 
(zegt by ) anders Indigo en in Guzaratte Gali: 
van ‚andere Nil: het welke een koftelyke verwe 
15, en zeer in Portugaal getrokken ende verban= 


‚ delt, waft in Indiën in't Koningryk van Cam- 


bayen, Het kruid is byna gelyk Rofemaryn , word 
gezaaid gelyk ander kruid, ende op zyn fayzoen 
geplukt en gedroogt , ende daar wa nat gemaakt 
en goftootrn, ende alzo zekere dagen weder ge- 
droogt en bereid. Het isin het eerfl fyn groen, 
maar daar na word het fyn blaauw ; gelyk als 
bet blykt als het herwaarts gezonden word. Hoe 
dat het fchoonder van aarde en flof is, hoe ’t be- 
der is, en om te beproeven of het goed is, zo 
brand ment met cen kaars, en als het zich zel- 


‚ven ontdoed gelyk als fyu meel, is’t goed. Maar 


vadien bet word gelyk als zant , deugd het miet: 
desgelyks in 't water geworpen zynde, is het goed 
wanneer het komt te dryven ‚ maar kwaad als 
het zelve komt te zinken. Deze Anil word in 
groote agtinge gebonden, en geld altyd, zo wel 
an Ooft-lndien , als in Portugaal meerder als 
de kruid-nagelen. De Koning heeft dezelve bin- 
wen weinig jaaren herwaards verpagt , zo dat 
niemand dezelve in Ooft-ludien mag koopen , of 
na Portúgaal brengen , als die Pagters, op de 
wyze alsde peper. Deze befchryvinge van de be- 
teidinge van de Indigo is in verfeheide omftan- 
digheden verkeert, en meer overeenkomftig met 
de gebrekkelyke befchryvinge van Garcras ab 
Orta, als met de waarheid. Want het kruid 
Auil word niet tot poeder geftampt, maar des- 
zelfs moer bereid zynde tot een blaauw lak, 
het welke wy Indigo noemen, Het is zeer 
waarfchynelyk, dat Jax Huigen van Linfchoten 

| deze 


‚x4o Natuur-en Konft-Kalinct, 

deze befchryvinge van Garcias ab Urta, die voor 
hem gefchreven heeft, ontleend heeft; temeer, 
“om dat deze Reifiger geen man is geweeft, 
die in de.Kruid-kunde afgeregt was. Daarom 


is bok zeer weinig taat te maken op die woor-_ 


den, daar hy zegt, het kruid is byna gelyk als 
Rofemaryn. Hy zal buiten twyffel meer acht 
gegeven hebben, dat dit kruid een klein hee- 
ftertje is, op de wyze als de Rofemaryn , als 
wel op de overeenkomtft van deszelfs bladen en 
andere deeìen met de Rotemaryn. Echter heb- 
ben de Schryvers dit nagevolgt. (a)Cafparus Bau- 


hinaus (helt een zoortonder het Indigo-kruid „het - 


welke hy den naam geeft van Indiaanfche Wede 
met bladeren als Rotemaryn „die zeer na zoude 
komen aan onze Jfatis of Wede. Verfcheide 
Schryvers hebben voorgegeven, dat onder de 


verfcheide zoorten van de Äg:l ook eenezoort * 


word gevonden, dewelke met langwerpige en 
lange bladeren, als Rofemaryn, zoude voor- 
zien zyn 5 miaar als wy alles wel doorfnuffe- 
len , fchynt zulks meer op het geloof, en van 
hooren zeggen , als uit een kenniffe van de zaak 
zelfs, Hetis waar, dat eenige zoorten van 
Azil gevonden worden met lange bladeren 5 
maar deze zyn niet van gedaante als de blade- 
ren van de Rofemaryn. Zommige geven zelfs 
voor, dat zy een zaad uit de Indiën hebben ont- 
fangen, uit het welke diergelyk een plant met 
bladeren als de Rofemaryn is voortgekomen; 
maar dat van zodanig een plant de Indigo ge- 
maakt word , hebben zy enkelyk maar op 
gaed geloof aangenomen. Het is bedenkelyk, 

dat 

(2) Vid, Cabar. Banhini Pinac. lib, 3. febt. 4. 


__ Fanuaryen February 1722. A41 
dat zodanig een zaad zal geweeft zyn van cen 
zoort van Gezifta, of iets diergelyks , en geen- 
zints van de Azil, of het Indigo-kruid. De 
voortreffelyke (a) Leonardus Plaknetius fpreekt 
_ van een verw-Gegiffe met bladeren als Rofe- 
maryn; maar hy zegt, enkelyk maar op de ge= 
tuigenifle van Cafparus Banbinus, dat deze zou= 
de gezonden zyn geweeft uit de Indiën van den 
Heere Zerentius, en dat het opfchrift van dien 
was, Kruip-ANir. Maar wart taat op: dier- 
gelyke Notitien te maken is, zal aan den Lezer 
wel bekent zyn. Pruknetius getuigt, dat hy 
diergelyk een plant bezat : maar dat de fteet 
van die plant hoekig was, endat dezelve daar- 
om wel meeft tot de Gezifte behoorde; hoewel 
(zegt hy) ik hoor verhalen, dat dezelve bereid 
word tot het afverwzel van een blaanwe koleur 
in het Korningryk van Bisnagar, en in andere 
plaatfchen van Ooft-Indren. « IWy hebben dezelve 
(vervolgt hy) ontfangen onder den titel var Ro= 
Jemarya-boom, Liet hier van de afbeeldinge in 
Tabula xxxvri. Fig. s. Voor de reft weet de 
vermaarde Plukgetius niet te bewyzen, als met 
Linfchoten , dat uit diergelyk een plant met bla= 
deren als Rofemaryn , ergens Indigo gemaake 
word; ook heeft deze plant geen de minftege= 
Iykeniffe of overeenkomtt met de Azil of het 
Indigo-kruid, of met eenige van deszelfs zoor= 
ten. Ik ontken niet, dat diergelyke Gezifte in 
Ooft-Indien gevonden word ;-maar wy zullen 
niet eerder aännemen dat deze is de Axil, of 
het kruid van het welke de Indigo bereid word ; 
voor dat zulks nader is aangetoont, 

Ik 


(2) vid, Le Plúknetij Almageft: li G. 


142 Natuur-en Konft-Kabinet, 


so. 

Ik oordeel, dat wy veel beter ftaat konnen 
maken op Schryvers, dewelke de Kruid-kunde 
zelfs hebben verftaan, en te gelyk zelfs in Ooft- 
Indien wonende, met voordagt van de Azil of 
het Indigo-kruid gefchreven hebben. Voorna- 
mentlyk , als zy noch daar en boven van die uit= 
ftekende naauwkeurigheid zyn geweeft, dat zy 
op de plaatzen daar de Azil komt te groeyen, 
en den Indigo uit dezelve bereid word, dit kruid 
naar het leven hebben doen tekenen, en in ’ 
koper hebben uitgebeeld, Onder deze durven 
wy geruftelyk ftellen de Makers vanhet Boek, 
genaamt Mortas Indscus Malabarieus, nament- 
lyk den Hoog-Edelen Hegricus van Rheede van 
Drakenftein, Gouverneur van het Koningryk 
Malabar enz. enz. en den Heere Johannes Ca- 
Jearius, Deze (a) befchryven een plant-gewas, 
het welke volkomentiyk in alle omftandighe- 
den , geftalte van gewas, gedaante van ftelen , 
bladeren , bloemen , kaauwkens, zaad, enz. 


overeenkomt met de Aui/. Zy geven aan dit 


heettertjeden naam van Azer:; maar getuigen , 
dat het in de Bramynfche Landtaal Nely ge= 
naamt word. Welke naam Ney buiten eeni- 
ge twyftel gebogen is vande algemeen bekende 


naam Ni, Aul 5 of dat bedenkelyker is, de 


naam A2, is om de ligtheidshalven afkomttig 
van dit „Nely. Zy getuigen , dat dit als een 

kruidagtige heefter groeid, omtrent tot de hoog- 

te van cen mans lengte, (hoewel dit zeer onge= 

Iyk is) aan alle kanten dwarstakken uitfchie= 
tende 

(«) Vid, Hort, Malabar. Part, 1, Fig. 54. 3 


| 


dh AAI 


_____ Sfanuary en February 1722. 143 


tende, gelyk als in lig. 6. uitgebeeld word. De 


wortel is witagtig, houtig, en met digte veze- 


Jen omhangen. De ftam is omtrent van de dikte 
van een mans arm. Aan de bloem A. A. blykt 
klaarlyk , dat dezelve is een Flos Papilionaceus 
of vlinder-bloem. De naam vlinder-bloem heb= 
ben de Kruid-kundige ontleend vande vlindert- 
jes of kapelletjes; want als deze beesjes neder- 
zitten, en hunne voor-wiekjes gelyk veelryds 
om hoog houden, en de agter-wiekjes die ook 
wat korter zyn een weinig lager, gelykenen zy 
zeer wel na zodanig een bloem , den welken 
wy den naam van Flos Papilionaceus of fiinder- 
bloem geven. Gelyk te zien is uit het flindertje 
X, en een daar nèvens geplaafte Flos Pap:liona= 
ceus of vlinder-bloem Ain Fig, 7. Om dat nude 
Ifatis of Wede een gewas is, het welke kruis- 
bloemen voortbrengt, gelyk te zien is in Fig 4, 
en de Ax:/ een vlinder-bloem dragende heefter 
is, en dat ook in bladen, takken, vrugten al- 
des komt te verfchelen , ziet de Lezer openbaar= 
ik dat de Wede of het Paftel-kruid , en de 
Agil of het Indigo-kruid , geen twee zoorten 
van een en het zelfde geflagt , maar elk van een 
byzonder geflagt zyn; en dat vervolgens de 
Avil geenzints langer Jfatts Indica of Indiaans= 
fehe Wede behoort genaamt te worden. 
, 


n $L. { 

— Nu ftaat ons noch te onderzoeken, of de 

Anil een zoort is vande Colutea (Liombaard- 

fche Linfen) of niet, Het is de waarheid , dat 

de Azdl, zo wel als de Lombaardfche Linfen, 

met een vlinder-bloem, of Flos Papilionaceus 
pronkt. 


144 Natuur- en Konft-Kabinet, 


pronkt. Maar al de planten , dewelkeeen vlin= 
der-bloem dragen, zyn daarom niet van een ge= 
flage; in tegendeel vinden wy een groote me- 
nigte verfcheide geflagten van planten, dewel- 
ke een vlinder-bloem voortbrengen. Maar eer 
wy dit aanwyzen, zal ik eerít de deelen van de 
vlinder-bloem voorttelien. Ikzalook tegelyk;, 
om den Lezer door de verandering een weinig 
te vervarfchen, een digreffie inwerpen , en in 
dezelve voorftellen vericheide geflagten van 
plant-gewaflen met vlinder-bloem; om dat de 
Azil infgelyks een plant-gewas met vlinder- 
bloem is; en dat hier door noch klaarder zal 
blyken , dat de Azt/ niet behoord onder die 
kruid-geflagten , van dewelke de Schryvers, 
op verfcheide wyzen , dezelve tot een zoort 
ftellen. Ik hoop ook, dat myn Lezer wel zal 
goedkeuren, dat ik in het befchryven van het 
Indigo-kruid, en den Indigo zelfs zeer omftan- 
dig ben, en zeer wel zal gelieven te Ónderfchei- 
den, dat het geheel wat anders is, een plant- 
gewas te befchryven als een kruid-befchryver, 
of een geheele natuurlyke- en konften-hiftorie 
van een plant-gewas, en alles wat daar uit be= 
reid word en mede verrigt word, te vertoonen. 
De Geleerde Cordus , van ons voor dezen al 
aangehaalt, is de eerfte gewecft, dewelke aan 
deze bloem, om deszelfs gedaante, den naam 
van vlinder-bloem gegeven (a) heeft. Een vlin- 
der-bloem in lig. 7. getekent, met A is te za- 
men (6) geftelt uit vier ongelyke bloem-bladen, 
dewelke uitryzea uit een eenbladíge holle kelk 

B. B.B. 

(a) Vid. Hiftor. lib, 2. cap. 162. 
(&) Zaflinnt. Reiherbarie de Lournefort Fig. 7. 


Yanuary en February 1722. I4y 


B.B.B. en ook K. Deze vier kelkjes worden 
hier voorgeftelt om derzelver verfcheide geftal= 
te, en om aan te wyzen , dat alle de vlinder- 
bloemen geenzints van een en dezelve gedaante 
zyn. Het is genoeg om een vlinder-bloem te 
Zyn , als dezelve beftaat uit ongelyke bloem- 
bladen , welker bovenfte bloem-blad D den 
ftandaart (na het Vaandel van de Ruiters ) ge- 
naamt word , en welkers benedenfte bloem- 
blad E de kiel (na den bodem van een Schip) 
word genaamt , en welkers twee middelfte de 
vleugels worden genaamt , die door F. FF. bete- 
kent worden, Het gebeurd zomtyds wel, dat 
de kiel uit twee bloem-blaadjes beftaat in zom= 
mige vlinder-bloemen, geïyk als in het bloeyzel 
van de boonen, erwten, en Lathyrus of piatte 
erwten, Her is aan deze bloem eigen, dat de 
Pifillum of’ ftyltje L overgaat in de vrugt O, 

ewelke een haauw (gelyk de vrugt- fchilten 
daar de Roomfche boonen en Turk{che boont- 
jes en diergelyke in komen te groeyen) genaamt 
word. Gelyk als de bloem-bladen van de vlin- 
der-bloem uit dekelk B, of K Uitryzen, komt 
ook uit de kelk opryzen de Piftillam, getekent 
met C, of ook met L. 


Ee: 

De plant-gewaflen met vlinder -bloemen, 
worden om deze en geene byzonderheid in ver: 
{cheide geflagten verdeelt; en als die byzonder- 
heid dan gevonden word in verfcheide zoorten, 
worden die alle aangemerkt als zoorten van 
zOdanig een geflagt, het welk om die byzon- 


derheid als een geflagt op zich. zelfs, van alle 
VIL Deer. WE de 


EN 


146 _Natüúr- en Konft- Kabinet, 
de andere geflagten en plant-gewaffen met vlin- 
der-bloemen ondetfcheiden is. Alfchoon dan 
nude Colxtea of Laombaardfche Linfen, daar 
in met de Axil of het Indigo-kruid overeen= 
kommt, dat zy beide vlinder =bloemen dragen, 
volgt daar uit op geenderhânde wyze, dat uit 
dien hoofde de Azsl een zoort vân Colutea 70u- 
de zyn. Want onder de verfcheide geflagten 
van plant-gewaffchen , dewelke alle een vlin- 
der-bloem drágen , zyn noch verfcheide hoofd- 
geflagten , dewelke elk wederom geflagten on- 
der zich hebben, en elk van deze onder-geflag- 
ten hebben dan noch hunnezoorten ; gelyk on- 
der andere by voorbeeld, dre plazt-gawaf/en met 
een vlinder-bloermn , welkers Piftillum of ffamper 
overgaat in een een-dofig en kort boontje; gelyk 
de GrYcyRRHIZA of het Zoethout, éen onder- 
geflagt vân deze is, en welkers vlinder-bloem 
getoont word in Fig. 8. met A.A; uit welkérs 
kelkje B, B. opgaat het ftampertje of Piftillam 
GC, het welk nâderhand overgaat in een kort 
boontje D, dat gemeenlyk befwangett is met 
zaadjes ; gelyk gezien word in E,‚ die de ge- 
daante hebben van een nier, als te zien is in F. 
Om dat nu noch verfchefde vlizder-bloem dra- 
ende plant-gewaflen gevonden worden, welkers 
Piftillum of fhampertje overgaat in een kort boont- 
je ‚ worden deze alle gehouden.als ónder-ge- 
flasten van die vlieder-bloem dragende plant-ge- 
waffen, welkers Piftilluin of flampertje overgaat 
in eeh kort boontje; en gelyk als het Zoethout 


vâù deze eengeflagt is, zo is ook wederomeen 


andere geflagt de Cicer. Wy noemen het Zöet- 
hout cen geflagt of onder-geflagt, om dât nóch 
vere 


MB it’ 
ed 


% 


_ Sfanuary en February 17e2. — 147 
verfeheide zoorten van Zoethout gevonden wor= 
“ den. Wy noemen ook de Gicer een geflagt of 
onder-geflagt, om dat noch verfcheide zoorten 
van Cecers gevonden worden. De Cicer ver- 
fcheelt nu âls een geflagt van het Zoethout, 
onder het hoofd-geflagt van die plant-gewaffen 
met een vlinder-bloem , welkers fhampertje overs 
gaat in een een-dofig en kort boontje of boon= 
kauwken , om dat de Cicer een plant-gewas is 
met eén vlinder-bloem , welke vlinder-bloem 
uitgebeeld word in Fig. 9. met A.A, uit wel” 
kers kelkje B, B. B, ryft het (tampertje C, het 
welk naderhand overgaat in het korte. boon- 
peultje D, dat eenigzins opgeblazen is als een 
blaasje, eh bevrugt is met Cicers, gelyk tezien 
isin E.E; welke Cizers de gedaante hebben 
_als uitgebeelt word in F, Omdat nu verfche:- 
de zoorten van Gicers gevonden worden, kan 
elk een wel zien dat het noodzakelykis, datde 
Cicers Als een onder-geflagt dat zyn zoorten 
onder zich heeft moeten geftelt worden, onder 
het hoofd-geflagt van die plaut-gewaffen met een 
| vlinder-bloeim , welkers flampertje overgaat in 
| een kort boon-bauwke. De LiOMBAARDSCHE 
LANSEN ís een ander onder-geflagt van het hoofd- 
| geflagt van die plant-gewalfen met een vlinders 
| bloem, welkers frampertje overgaat in een kort 
boon -Ranwke. De Lezs word in het Neder= 
duitfeh alleenlyk Linfen genaamt, tot onder- 
fcheid van de Golutea, die Lsombaardfche Lin- 
fen genaamt word, Ik hoop niet dat het on- 
| EEE aan den Weetgierigen Lezer zal 
| zal zyn, dat ik de voornaamtfte hoofd-geflagten 
‚en Onder -geflagten met haar voorten met zo 
: 2 veel 


= 


148 __Natuur- en Konft-Kabintt, 


veel omftandigheid kome te befchryven; want 
de onkundige zullen uit deze ftaaltjes konnen 
leeren , met welk een naauwkeurigheid de be- 
roemde hedendaagfche Plant-befchryvers aan de 
planr-gewaflen hebben weten waar te nemen de 
onaffcheidelyke geflagts-merktekens, door de- 
welke de plant-gewaffen in verfcheide hoofd- 
geflagten, onder-geflagten en zoorten, volgens _ 
een goede ordre , onderfcheiden en verdeelt 
worden 5 ende kundige liefhebbers zulleu door 
deze ophelderinge ontdekken, dat de Aut of 
het Indigo-kruid niet behoort tot die plant-ge- 
waflen , onder dewelke de Kruid-befchryvers 
dezelve tot noch toe geftelt hebben; behalven 
dat elk een zal konnen zien de byzondere ge- 
fteltheden, door dewelke de Azil van alle de 
andere plant-gewatflen onderfcheiden is. 


53 

De Legs of Linfe , is een plant-gewas met 
vlinder-bloem getekent in Fig. ro. met A, A, 
uit welkers kelk K‚. K. opryt de ftamper B, 
welke ftamper naderhand overgaat in het korte 
boon-haauwke CG, welk boon-haauwke bevrugt 
is met zaadjes, gelyk te zien is in D, en wel- 
ke zaadjes van een ronde gedaante zyn, gelyk 
als uitgebeeld word met E. Het kruid Ozo- 
brychris (dat geen duitfche naam heeft die my! 
bekent is) is wederom een ander onder-geflagt 
van het hoofd-geflagt van die plant - gewaflen 
met een vlinder-bloem, welkers ftampertje 
overgaat in een een-dozig en kort boon-hauw-/ 
ke, Ziet deszelfs vlinder-bloem in Fig. twel 
A, A, uit welkers kelk CG. G, opryft het ftam-| 
pertje, 


Sranuary en February 1722. 149 
pertje B, het welk naderhand overgaat in het 


boon-haauwke D, dat zomtyds is Egels ge- 
wys, en zomtyds als in E; en bevrugt is met 


een zaadje, gelyk te zien is met F , dewelke 
“de gedaante heeft van een nier in ’t klein, ge- 


1yk tezien is met G. Van dezoorten van alle 
_deze onder-geflagten, zullen wy niet fpreken, 


want die zyn veel in getal ‚ maar moeten ook 
elk met de onaffcheidelyke merktekens van zyn 
geflagt voorzien zyn, of zy behoren niet tot zo- 
danig een geflagt. De ulnararta is mede een 
onder-geflagt van het hoofd-geflagt van die plant- 
gewaflen met een vlinder-bloem, welkers fram- 
perije overgaat in een een-dozig boon-haauwke, 
Deze vlinder-bloem word vertoont in Fig. 12. 
met À , uit welks pypsgewyze en als opge- 
zwolle kelk B, B. B. opryft het ftampertje C, 
het welk naderhand overgaat in een kort haauw- 
ke D, dat bevrugt is met een zaadje , gelyk te 
zien isin E‚ dat rondagtig is, gelyk blykt in F. 
De Doryenium is mede een plant-gewas met een 
wlinder-bloem , welkers frampertje overgaat in 
een een-dozig en kort boontje, Maar het is de 
moeite niet waardig , om alhier alles uit te beel- 
den. 


54 
Een Ander hoofdBellhge van de plant-gewaf- 
fen met vlinder-bloem , maken die plant-ge- 
waflen met vlinder-bloem ‚ welker ffampertje 
“verandert niet in een kort boon-haauwke, ge- 
lyk-als het voorgaande, maar ix een een-dozig 
boon-haauwke dat lang is. Onder dit hoofd- 


‚ -geflagt behooren wederom verfcheide onder- 


geflagten, en onder elk geflagt veele byzondere 
«6 K zoor= 


rso Natuur-en Konft-Kabinet, 


zoorten. Onder dit geflagt behoren , by voor- 
beeld, 1. De boonen met al haar zoorten, ge- 
Iyk als Roomfche boonen, Paarde boonen enz. 
van ongemeen veel verfcheide zoorten, zyn de 
bloeyzels zo algemeen bekent, dat ik dezelve 
niet behoeve uit te beelden. 2, Gelyk ook deZLuup:- 
zen met alle haar zoorten. 3. De Orobusof erve 
met haar verfcheide zoorten. Deze is mede 
een onder-geflagt van die plant-gewaflen met 
vlinder-bloem , welkers flampertje overgaat in 
een een-dozige boon-haauw die lang is. Gelyk 
gezien kan worden in kig, 13. deszelts vlinder- 
bloem A, dewelke beftaat uit het bloem-blad A, 
den ftandaard genaamt, uit de kiel CG, en uit 
de vleugels B; uitde kelk K ryft de (tamper E, 
omwonden met het vlies D, Welke flamper 
naderhand overgaat in het lange boou-kaauwke 
F, het welke bevrugt is mer zaadjes, te zien 
in G, dewelke gewoonlyk ey-rond zyn, ge- 
Iyk biykt met H. De Erwte met al haar zoor- 
ten, is ook een onder-geflagt van die plaut- 
gewaflen met vlinder-bloem , welkers flamper 
overgaat in een cen-dozige haauw die lang is; 
maar deze is al te gemeen bekent om uitgebeeld 
te worden. De Lathyrus of platte erwt, is inf= 
gelyks een onder-geflagt van die zelfde plant-, 
gewaflen; gelyk ook de Ciymenum, Maar de- 
ze hebben zo weinig overeenkomtft ín gedaante 
‚van plant, van blad, van kaauwkens , van zaad 
met de Aril, dat het niet eens nodig is om de= 
zelve uit te beelden. Gelyk als ook isde Ochrus 
of kleine erwte, en de Victa of wicke ; gelyk | 
als ook de erve of het ervam, Maar de Ga- | 
lega, die mede een -onderegeflagt van die | 
vline | 


| 


Panuary en February A722. AST 
wlinder-bloens dragende plant-gewaffea, welkers 
flampertje verandert in een lang boon-baauwke, 
is, heeft in gedaante van bladen, van bloemen, 
van haauwkens , en nier-gedaantig zaad, als 


__ ook van groote en hoogte van plant, zo veel 


__@vereenkom{t met de Azil, dat wy goedgevon- 


den hebben dezelve uitte beelden. Devlinder- 
bloemvan de Galega word uitgebeeld in Fig. 
14. met A, uit deszelfs kelk F, ryft de ftam- 
per E,‚ dewelke overgaat in het {mal boon- 
haauwke G , dat met zaad bevrugt is, gelykte 
zien is in H, ende gedaante heeft van een nier, 


‚ gelyk blykt in .L. By deze kenteikens mogen 


gevoegd worden de bladen, die twee en twee 
dwars over malkanderen , gelyk blykt by M. 
M., aan het ribbetje of takje N , komen tc 
groeyen ; behalwen een blad dat aan ’t einde 
groeid , gelyk blykt by O, De Affragaloides 
is wederom een ander onder-geflagt van deze 


_ haauwkes plant-gewaflen ; gelyk ook de Aphacas 


ss. 

De plant -gewaffeu met vlinder -bloem, wel- 
kers flampertje overgaat ineen lit-haauwke ‚ma- 
ken wederom een ander hoofd-geftagt uit onder 
de plant-gewaflen met vlinder bloem; onder 
dit hoofd-geflagt behoord als een ouder-geflagt 
de Securidaca of het bylkens-kruid metalle des- 
zeifs zoort, welkers vlinder-bloem uitgebeeld 
word in Fig, rs. met A, uitswelkerskelk BB. 
uitryft het ftampertje C, dat naderhand over- 
gaat in een regt haauwke D, met veel litten, 
die elk bevrugt zyn met cen vierkantig zaadje 
G. Odder dit hoofd-gellagt is ook de Orzitho- 

K 4 podium 


AS2 Natuur- en Konft- Kabinet, 


Podium of vogel-voet met deszelfs zoortert. 
Maar deze heeft geen repte, maar kromme lit- 
haauwkes, Als ook de Paards-yzer of Ferrum 
Egqninum met alle deszelfs zoorten. Mitsga- 
ders de Hedyfarum met deszelfs veelvuldige 
zoorten, als ook de $corpioides of het Schor- 
pioen-kruid met alle deszelfs zoorten, en het 
welke een lit-kaauwke heeft, dat als cen 
alikruik gekruld is, 


$ó. 
De plant-gewafen met vlinder-bloemr en drieen 
blad, maken wederom een ander hoofd-geflagt 
uit onder de plant-gewaflen met vlinder-bloem. 
Onder deze is een onder-geflagt de Lorus. 
met deszelfs veelvuldige zoorten. De vlinder- 
bloem van de Lotus word uitgebeeld in Fig. 16, 
met A, uit welkers kelk B. B. ryft de ftamper 
C, die overgaat in verfcheide zoort van haauw- 
kes, nade verfcheide zoort van Lotus, gelyk 
als in D.E. F of G; by welke tekens ook als 
een geflagts-merkteiken bygevoegd word, drie- 
blad A, voorzien aan den uitgang van deszelfs. 
fteeltje met de vleugel N. De Zrifolium met. 
deszelfs overvloedig veele zoorten, is mede een 
onder-geflagt onder het hoofd-geflagt van plazt- 
gewaflen met vlinder-bloem en drie-blad, Hoc- 
wel de vlinder-bloem aan zommige zoorten van 
klaver juift niet wel zo volkomen in zyn dec- 
len is, als by voorbeeld in Fig. 17. A, is vlin= 
der-bloem van klaver en D D is infgelyks 
bloem van andere klaver, maar deze bloem 
— heeft niet volkomen alle deelen van de vlin= 
der-bloem , en kan daarom genaamt worden 
vlin= 


\ 


Kin JFannaryen February 1722. 153 
vlinder-bloem-gelykende bloem Q is een klaver= 
‘blad zynde het mede -geflagts-merkteken. Een 
ander onder-geflagt van dit hoofd-geflagt, is ook 

de Anon:s, of het ftal - kruid „met alle deszelfs 

_ goorten , het ‘welke een zoort'heeft, die A, 

_ AR. noemt Azoxis Americana „ Folio Latiori, 

_ Subrotundo. Anil five Indigo Guadalupenfis. 'Zo 
dat alhier de Azil van Guadaloupe voor een Axo- 
wis gehouden word. Hier van op een andere 
plaats. « De Melilote is infgelyks een onder-ge- 
flagt van het hoofd-geflagt van de plant-gewaf- 
fen met vlinder-bloem en drie-blad, Gelyk als 
ook de Feenum Grecum of Fenigriek, en der- 
zelver zoorten. Infgelyks ook de Medica, wel- 
kers vlinder-bloem uitgebeeld word in Fig. 18. 
À, uit welks kelkje B, B, voortkomt het ftam= 
pertje C, dat naderhand in de alikruik-formige 
vrugt E overgaat; in dewelke het zaad K ge- 
vonden word, dat veeltyds de gedaante van een 

_ miertje heeft. Van de Medica “vyn zeer veel 
zoorten. De Medicago is ook-een onder-geflagt 
van het hoofd-geflagt van plant-gewaffen met 
vlinder-bloem en drie-blad. Infgelyks ook de 
Phafeolus of Turkfche boontjes, van dewelke 
een ongemeen groot getal verfcheide zoorten 
zyn. 


$7. i 

Onder de plant-gewaffen met vlinder-bloem 
is noch wederom een ander hoofd-geflagt, na- 
mentlyk de plant-gewaflen met vlinder-bloem, 
welker flamper overgaat in een twee-dozig baauw= 
ke. In welke haauwkes het zaad legt, gelyk uit= 
| gebeeld word in LN. S. van Fig. 19. dat haauw- 
‚_kes vande Affragalus zyn. Onder dit hoofd» 
| Ks geflagt 

| 


| 


zy4 Natuur on Konft-Kabinet, 


geflagt behoord ook als een onder-geflagt de 
Zragacantha of boks-doren, en ook de Peleci- 
gus. Dusverre hebben wy nu uitgebeeld ver- 
Ícheide hoofd-geflagten met hunné onder-ge- 
Magten van de kruiden of kruid-gedaantige 
Heefters met vlinder-bloem, Nu zullen wy 
een weinig van de vlinder-bloem-dragende boo- 
menen Heefters {preken. En welvoornament- _ 
Iyk, om dat de Colutea onder de boom-heefters 
behoort. En dewyl de Schryvers eenparig be- 
kennen, dat de Aril infgelyks een Heetfter is, 
en met de geflagtsmerkteikens van de Colutea 
na hun oordeel zeer veel overeenkomft heeft, 
hebben zy geftelt, dat de Ari! of het Indigo- 
kruid, een zoort-van Colgtea is, aar dit is 
veroorzaakt , omdat zommige de Azil ze}fs 
Colutea genaamt hebben. Gelyk als Pluknettus, 
die een plant Amf onder de Colutea heeft uitge- 
beeld; niet tellende dat deze de Axel zelfs was, 
maar een Colutaa, - Paarom noemt hy dezelve 
Colutea Foltis Anil, of Lioombaardfche Linfen 
met bladeren van de Azil, Deze word uitge- 
beeld in Fig. 20, en is pe Anil zelfs. 


De boomen en Heefters met vlinder-bloem 
konnen zo wel in verfcheide hoofd-geflagten, 
en die wederom in hupune onder-geflagten met 
hunne zoorten verdeelt worden, alsde vlinder- 
bloem-dragende kruiden en kruid-gedaantige 
Heefters, daar wy boven van gefproken heb- 
ben. Een heofd-geflagt word gemaakt van die 
boomen en Heefters met vlinder-bloem, dewel- 
ke met boom-bladengroeyen , dieaan huntakje 


enkeld en niet wederzyds regt tegens malkander 
dae over 


Sanuaryen February vez. vrg 


__ovér ftaan , maar den cen omden anderen. De 


id 
| 


| 


Í 
Í 


Genifha met alle deszelfs zoorten is een Onder- 
geflagt van dit hoofd-geflagt. In Tabula 
XXXviit. Fig. 1, word van de Geniffa uitgebeeld 
de vlinder-bloem À , welkers ftamper B opry(t 
uit de kelk G, en verandert in-de platte en lan- 
ge haauw D. By deze gellagts-kenteikens wor- 
den gevoegd de fchikkinge vande bladeren H 
en [ , de eene hooger ais de andere, Vande Ge- 
nifke worden veel zoorten befthreven. De Cra- 
tolaria is een ander onder-geflagt van het hoofd- 
geflagt der vlinder-bloen-draagende boomen en 
Heefters met wervelbeenswyze gefchikte bladen. 
De Spartiwin en deszelfs zoorten , maakt. ook 
een onder-geflagt uit van dit hoofd-geflagt; ge- 
lyk als ook de Geziffa- Spartiumn met deszelts 
zoorten: de Geziftella, de Siliguafbrum , enz. 
De boomen en Heefters met vlinder-bloen: , wel- 
ker boom-bladeren drie-blad zyn, maken een an- 
der hoofd-geflagt. ‘Onder dit hoofd-geflagt is 
de „Anagyris een onder-geflagt. Ziet deszelfs 
vlinder-bloem Fig. 2. A. De ftandaart Q-is ia 
deze vlinder-bloem korter als de andere bladen. 
De ftamper ryít uit de kelk GC, en verandett in 
de haauw D, die bevrugt is met niersgedaan- 
tige boontjes H‚, De boom-bladeren zyn 1. 
Liet Dodoneus pag. 1230. De Cyrifus maakt 
ook een ander onder-geflagt uit van dit hoofd- 
geflagt „en heeft veele zoorten. Ziet in Fig. 3. 
Aen B. Uit welkers kelk CG. G. ryít de lam 
per D, die eindelyk verandert in de haauwkes 
EF. l. K,‚ die verfcheide. zaad voortbrengen, 
De bladen zyn uitgebeeld door N. De Cyzifo- 
Genifta maakt wederom een ander onder-geflagt 
RT van 


end ten af Ts Re lar oa 


156 Natuur-en Konft-Kabinet, 


van dit hoofd-geflagt , en is een gewas dat van 
de Cytifus en van de Gezifte verfcheeld, om 
dat haar bladen ten deele enkeld zyn , en ten 
deele drie-blad. 


59. 

De boomen en Heefters met vlinder-bloem, 
welker boom-bladen aan weerskanten van hunne 
takjes dwars uitfchieten , en met hunne dunne 
blad-fleeltjes als by malkanderen gevoegs fchy- 
nen, maaken wederom een ander hoofd-geflagt 
zit onder de vlander-bloem-dragende boomen en 
Heefters. Dat onder dit hoofd-geflagt eindelyk 
„de Anil of het Indigo-kruid behoord, is zeker, 
„zo wel als de Golutea. Maar of die twee elk 
voor een onder-gefiagt van dit hoofd -geflagt 
moeten gehouden worden, dan of de Axl maar 
een zoort van Lombaardfche Linfen (Colutea) 
is, zullen wy moeten onderzoeken met veel 
naauwkeurigheid, want deze zaak is tot noch 
toe wat duifter. Want beide ftaan hunne boom- 
bladen dwars over malkander aan detakjes , en 
beide dragen zy vlinder-bloemen , beide konnen 
zy ook onder de Heefters geftelt worden. Hoec- 


wel de Lombaardfche Linfen (Colutea) meer- | 


der behooren onder de boom-heefters, en de 
Atl miet hooger als onder de kruid -heefters 
kan geftelt worden. 

6o. 

De Pfeudoacacia is mede met deszelfs zoor- 
ten een onder-geflagt van het hoofd-geflagt der 
boomen en Heefters met vlinder-bloum , en twee 
dwars-bladen, welkers fleeltjes in hun takje als 
tot malkander verfmelten. In Fig. 4. word uit- 
gebeeld met A. Â, de vlinder- bloem van de 

Pfen= 


5 Sanuary en February 1722. 157 
E Pfendoacacia, uit welkers kelk B. B. B. uitry{t 
_het ftampertje GC, dat met het vlies D omwonden 


__ is, en naderhand overgaat in een plat haauwke 


_E; het welk bevrugt is met het zaad F, het 
welk de gedaante van een nier heeft. By deze 
 geflagts-merktekens worden nu ook gevoegt de 
bladeren G.H, dewelke, als door zamenvoe- 
_ ginge van hunne fteeltjes, twee aan twee aan 
__het takje dwars over malkander, en een blad 
_aan het uiterfte einde by [, valt zyn. Om dat 
nu de Pfeudoacacta , noch in bloem , noch 
haauwkes, noch bladen, noch plants-groote, 
(die uit hun middel-ribbetje , zy-ribbetjes uit- 
fchieten, dat in de Axi/ zelden gefchied) met 
de Axil gelyk van gedaante is , kan de Axl al- 
toos niet geftelt worden als een zoort van de 
Pfeudoacacia, fchoon zy met dezelve al onder 
een en het zelfde hoofd-geflagt kwam te behe- 
ren. De Emerus is wederom een ander onder= 
geflagt van het hoofd-geflagt van die boomen ez 
Heefters met vlinder-bloern , welker boom-bladen 
twee aan twee nit bun fleeltje dwars over mal- 
kander groeven, In Fig, s. word uitgebeeld van 
de Emerus de vlinder-bloem A‚A, uit welkers 
kelk GC. C. uitryft het (tanpertje B; het welk 
naderhand overgaat in het dunne peul-haauwke 
D, het welk bevrugt is met langwerpig rond 
zaad F. Dit zaad komt in gedaante niet over= 
een met dat van de Azi/, want dit zaad is lang- 
werpig rond, en het zaad van de Axl heeft de 
gedaante van een nier in ’t klein; behalven dat 
de Emerus byna in geen zaak met de Azil over 
eenkomt, als in de dunne haauwkes, en in de 
fchikkinge der boom-blaadjes, en het algemeen 

merk= 


158 _ Natuur-en Konfl-Kabinet, 

merkteken van een vlinder-bloem. Daarom 
kàn de Azil ook geenzins voor een zoort vande 
Emerus gefteit werden, al behoorde dezelve al 
onder het zelfde hoofd-geflagt. De Corogilla is 
mede een onder-geflâgt van dit hoofd-geftìagt. 
In Fig. 6. A. word deszelfs vlinder-bloem uit- 
gebeeld , welkers ftamper C ryft uit deszelfs 
kelkje B, dat overgaat in het lit-haauwke D, 
het welk bevrugt is met langwerpig rond zaad 
F. De Axil kan ook op geenderhande wyze als 
een zoort van de Coroz:lla geftelt worden, om 
deszelfs lit-haauwke, ed, enz. De Emeras 
en de Corogilla worden van de meefte Kruid- 
befchryvers als zoorten van de Colutea (Lom- 
baardfche Linfen) aangemerkt, maar verkeer- 
delyk. De Barba ‘Jovis word infgelyks als een 


onder-geflagt van dit hoofd-geflagt geftelt. Maar — 


om dat dezelve zo weinig gemeenfchap met de 
Anil heeft, zal het niet eens nodig zyn dezelve 
alhier te befchryven. De Colutea, aan dewel- 
ke de Kruid-befchryvers den naam van Lom- 
baardfche Linfen geven , is mede een onder- 
geflagt van de boomen en Heefters met vlinder- 
bloem, en twee dwars over malkander ftaande 
boum-bladen, die paar en paar aan hun takje 
groeyen. Van dit geflagt oordeelen meeft alle 
de nieuwe Kruid-befchryvers, dat de Axl een 
zeort is; waarom zy ook den Axz:/ noemen, 
Colutea Indica, of Indifche Lombaardfche Lin- 
fen. Maar dit is veroorzaakt, om dat zy ver- 
fcheide zoorten van plant-gewaffen onder de 
Colutea brengen , dewelke als de merk-tekens, 
en alles näauw onderzogt worden , daar zelfs 
niet eens onder behoren. f 

De 


… ___ Januaryen Febfaáry 1922. tje 


\ ór. 
_ De Kruid-befchryvers verdeelen de Luom- 

bäardfche Linten (Colxtea) noch wederom in 
twee geflägten ; als 1. De Colazéa Veficaria, 
of Lombaardfche Linfen met blaas-haauwkes , 
dat de ware Coldtea is; en >. DeColgtea Sili- 
gef, of de Lömbaardfche Linfen met peul- 
 haauwkes. Onder elk van deze twee geflagten 
behooren verfcheide zoorten. Maâr datde Azi! 
_op geënderhande wyze een zoort ís vân de Co- 
dated Veficarin, of Lombaardfche Linfen met 
_blaâs-hâauwkes, is dé waârheid. Want de Azi/ 
draagt geen blaas-haauwkeés, in&âr zeer dunne 
langwerpige peul-baauwkés. Om dit klaarlyk 
aan te wyzen , worden de Lombaardfche Lin- 
fen met blaas -haauwkes (Colutea Veficaria } 
‚ uitgebeeld, In Fig. 7. A. is de vlinder - bloem 
van de Colutea Veficariâ, uit welkers kelk B 
uitryít de ftamper C; dewelke naderhand ver= 
andert in een vliesagtig doosje D, dât als een 
blaas opgeblazen is, en bevrugt is met zaad E, 
F.G, dat de gedaante van eén niertje heeft, De 
| Calwtea word ook onderfcheiden in boom-hee- 
‚ fter en kruid-heefter, onder alle de zootten van 
| Colgtea, die de groote van een boomagtige hee- 
| ftef uitmaaken, behoott ook geenzints de Atl, 
| Waântde Azi/ is niet anders als een kruid-heefter. 

En de meelte kruid-heeftêrs, aan dewelke de 
| Schryvers de naam van Colatea hebben toege- 
‚ voegt,behooren eerder onder andere gewaffen als 
onder de Colutea ; namentlyk onder de Polygala, 
‚ (want zommige Schryvers hebben geen agt ge= 
(geven, of het plant-gewas, dat zy den naam 
van 


| 
Î 


160 Natuur- en Konft-Kabinet, 
van Colutea gaven , vlinder-bloem of andere ge= 
ftalte van bloemen droeg) onder de Coroxilla, 
onder de Orobus, onder de Axthyllis, onderde 
Securidaca , onder de Melilotus , onder de He- 
dyfarum ‚onder de Aflragalus. Om deze en 
veel meer andere redenen, dewelke myn beftek 
niet toelaten , ftellen wy „ dat de Anil is een 
onder-geflagt van die kruid-heefters en kruiden 
met vlander-bloenr , en twee over malkander flaan- 
de dwars-blaadjes , die paar aan paar uit hup 
takje groeyen , benevens een enkeld blad aan het 
einde van hun takje. Dit onder-geflagt of de 
Atl, heeft verfcheide zoorten, dewelke in ge- 
daante van bladen, groote van plant enz. zeer 
veel van malkander komen te verfchelen 5 en 
alfchoon onder de kruid-heefters , aan dewelke 
de Schryvers den naam van Colutea Herbacea 
Seliguofa of kruid-gedaantige heelter van Lom- 
baardfche Linfen met peul-haauwkes geven, 
verfcheide gevonden worden, die in dezen of 
geenen zaak vry wat overeenkomf{t met de Azz/ 
hebben, zullen wy echter de Az:/ als een by- 
“zonder geflagt ftellen , om dat uit verfcheide 
zoorten van de Axel, de Indigo bereid word; 
het welk in geen zoort van de Lombaardíche 
Linfen gevonden zal worden. Ook word hier 
door de Axi/ naauwkeuriger onderfcheiden , by 
deszelfs aloude naam betekent en buiten ver- 
warringe gebragt. Maar laat ons nu, na deze 
onze digref}ie of afwykinge , over de plant-ge- 
waflen met vlinder-bloem, eens overgaan tot 
den Azil, of het Indigo- kruid met deszelfs 
zoorten. Voor zo veele als tot noch toe aan 
ons bekent zyn geworden. 

Wy 


ge anuaryen February i7et. z6ï 
je ; 62. 
Wy hebben aangemerkt , dat de Galega zeer 
_ wéel overeenkomft heeft met de Aril , ten op= 
” Zigte van gedaante en groote van plant , fchik- 
inge en gedaante van bladen , van bloemen, 
van dunne en langwerpige haauwkes; als ook 
_ van zaad, het welke in beide de geddante van 
een nier in ’t klein vertoont. Gelyk gezien kan 
‘worden in Tab, xxxvir. Fig. 6. De Schryvers 
_ van de Hortus Indicas Malabarticus (a) getuigen; 
dat deze plant in Tab. <xxvir. Fig. 6. uitgebeeld, 
groeid in zandige en fteenagtige gronden : datde 
bloem A. A, is een vlinder-bloem : dat de bladen 
Btoeyen aan dunne telgjes B. B, B, die uit de 
grooter takjes C. C.C, uitfchieten : dat deze bla= 
den uit die telgjes twee aan twee, en dwarste= 
gen malkander over voortkomen , gelyk te ziert 
is met D.D.D. : dat de bladen met zeer dunne 
| fteeltjes E.E.E. aait deze telgjes vaft zyn: dat 
| deze telgjes gewoonlyk voorzien zyn met vyf, 
‚ of fes, of zeveri-paar bladen , bereveris een en- 
keld blad aan het uiterfte einde van elk telgje, 
gelyk blykt F.F.F ; datde bladen klein, en van 
gedaante langwerpig zyn; van een zeer fyne te 
tamenWwevinge van fibertjes, maar een weinig 
dik van zelfltandigheid , van een gladde én onge- 
meene zágte oppervlakte: Debladen vertonen 
aan derzelver omgekeerde zyde in’t midden een 
ribbetje, het welk door de lengte van het blad 
doorloopt, zonder eenige zy-ribbetjes , gelyk in 
de meefte boom-bladen anderzints gebeurd, uit 
tefchieteri, maar hier niet gebeurd, om de on- 
beed fyne zamenwevinge van het blad vande 
‚VII Deer. L Auit., 
| (4) vid: Hort, Ind. Malabar, tom. 1. tab 54. 


| 


162 __Natuur- en Konff-Kabinet, 

Anil. Hoewel echter zommige zoorten van Azil 
gevonden worden, welker bladen zeer fyne zy= 
ribbetjes uit hunne middel-ribbe vertoonen. De 
koleur van de bladen is groen-blaauw „ aan de 
bovenfte kant watdonkerder , en aan de verkeer- 
de zyde wat ligter van koleur ; doch aan geen 
van beide zyden blinkende, maar doof en zon- 
der weerfchyn. De {maak van deze bladen is 
bitteragtig, , maar als dezelve lang gekaauwd wor- 
den, verwekken zy een flappe hette in den mond: 


de bloemen groeyen aan zeer dunne telgen G. : 


G.G, dewelke uitfpruiten uitde takken , opdie 
plaats , alwaar de bladen-telgjes voortkomen by 
H.H. H. De bloemen zyn zeer klein, en han- 
‚_gen aan weerskanten van deze blom-telgjes ; zo 
dat deze blom-elgjes een lang werpig blom-bosje 
vertoonen, De blommen beftaan uit vier blom= 
blaadjes, geïyk de andere vlinder-blommen ; een 
blom-blad , namentlyk de kiel, heeft de gedaante 
van een nagel of klaauw, enis gefloten, maa- 
kende met de ftamper, den welken het befluit, 
de gedaante van een klaauwtje. Twee andere 
blom-bladen, namentlyk de vleugels, zyn naauw, 
en zeer dun, en omhelzen met een inwendige 
mond , die roos-koleurig, rood is ‚het klaauwtje. 
Het vierde blom-blad , namentlyk de ftandaart, 
voor het welke het klaauwtje als gekeerd ftaat, 
is lang en breed , dun en ligt groen van koleur, 
na boven ftaande, en agter vver buigende, naar 
het blom-fteeltje. Deblommen van deze 4z:/ zyn 
zonder eenige reuk, Inhet midden van de-blom 
. vertoont zig het ftampertje, dat groen van koleur, 
hol en als een dun draadje is. Het is boven ge- 
{pleten , en in noch dunder draadjes epe 

ee 


January en February 1722. 163 


dewelke als zeer kleine wol-draadjes zyn. Deze 


_ fyne wol-draadjes van het ftampertje zyn aan, 


haare zeer kleine top-puntjes witagtig van ko- 
leur, de holligheid van het (tampertje is met een 


_ fyn-draadje bedekt, de kelk 1, daarde blom en 
_ftamper uit voortkomen, beftaat uit vyf blaad- 
jes, die groen van koleur zyn, en fpits toelo- 


pen. Het botje of knopje, eer het zelve overgaat 
in bloem, is langwerpig rond, en wat plat aan 
de eene kant, daar de ftandaart zich eerft opent. 


„Het ftampertje van de blom gaat gelyk in andere 


vlinder-blomimen over in de vrugt, namentlyk 
in een lang rondagtig en dun haauwke K. K, in 
het welke het zaat legt , gelyk gezien kan worden 
in L. Het welke de gedaante heeft van een niertje - 
in’tklein, gelyk blyktin M. De haauwkes zyn 
in’t eerft groen van koleur , maar worden ryp 


‚zynde blinkende kaftanje-bruin, geïyk ook de 


zaden ryp zynde bruin’ van koleur en blinkende 
zyn. Dit kruid-heeftertje draagd tweemaal bloe- 
men in een heete en regenagtige tyd van het jaar. 
Verder getuigen de vermaarde Schryvers vande 
Hortus Indicus Malabaricus , dät uit dit plant- 
gewas bereid word de Indigo, dewelke zy naar 


de wyze van het Land Ame , en ook Indigo 


noemen. De Hoog-Geleerde A, Syen (a) ver- 
haald in zyn Aantekeningen, dat Dokter Her- 
mans, die toen op Ceylon woonde, in het Jaar 
1678 de boven-gemelde Plant uit‘ Ceylon heeft 
overgezonden aan zyn Edele voor de Kruid-tuin 
van de Hooge Schoole te Leide, met de naám 
van Polygala Indica Fruteftens, uit welkers bla- 
dende Indigo gemaakt word: maar de Indigo van 
2 Cey- 

(@) Vid. Not, er Comment, D, Pr. A. Syen in Libr. EN 


‚ze plant word uitgebeeld in T'ab, xxxvin. Fig. 8. 


164 Natuur-en Konft-Kabinet 
Ceylon is flegter , als die, dewelke gebragt word 
_van Malabar , Coromandel of: Negapatan, by de 
Ceylonners word het Amari genaamt. 
63- \ 
De Schryvers van de Hortus Indicus Malaba= — 
ricus befchryven noch een andere Plant-gewas, — 
het welke zy Colizil, ende Braminers of Inge- 
zetenen Schéra-Punca (a) noemen. Maar dit 
Plant-gewas is buiten alle tegenfpraak de Azil 
Minor (kleine Azil) gelyk als het voorgemel= _ 
de is de Axil Major, groote Aril. Want daar « 
de Axil, dewelke wy boven befchreven hebben, 
komt te groeyen tot de hoogte van een mans 
lengte, is deze kleine Jul een kruid-heefter, 
dewelke maar twee, of ten hoogfte drie voeten 
hoog groeid. Deze plant komt in onze geflagts= 
merkteikens zo volkomen overeen met de bo- 
ven befchreven Azil , dat niemant die redelyk 
is, zal afkeuren ,dat wy dezelve voor een zoort 
van de Anil houden, en aan dezelve den naam 
van klein Axil of klein Indigo-kruid geven. De- | 


hier agter geplaaft, Deszelfs wortel isdradig , de 

-fchil van de wortel witagtig of ros. De fchil / 
van de wortel is bitteragtig, en een weinigje 

-fcherp of hitzig in’t kaauwen , maar echter zons { 
der eenige reuk, Deftam groeid gewoonlyk tot | 

de dikte van vier vingeren, en fchiet zyne takken | 

aan alle kanten dwars van zig; zynde van een! 

hart hout, met een fchors die asgraauw van ko=| 

leur, met een groene {chil, en bitter en bytene{ 

de van maak is, De bladen groeyen aan dunne, | 
telgjes, aandewelke zy met zeer dunne fteeltjes 

3 valt, 
(«) Vid. Lib. Cit. Fig. 55: 


„January en February 1722. _ 16y 
vaft, en klein , en van een langwerpige ronde ge= 
daante zyn. Voor zyn de bladen wat ronder en 
breder als agter; derzelver koleur is aan de bo- 
venkant van gemeen groen, en aan de andere zy- 


de groen-blaauw , en dof zonder eenige glans of 


_blinkendheid, Van {imaak bitter en bytende. De 


Tl 


blommen zyn klein ,. en hebben de gedaante van 
vlinder-blom , en beftaan uit vier blom-blaadjes, 


_ waar van het eeneis de kiel, dievan koleur wit- 


agtig groen is. Detwee vleugels zyn zeer klein „ 
en omhelzen metde kiel het ftampertje, dat na 
het grootfte blom-blad , namentlyk de ftandaart, 
gebogen (taat, Het vierde blom-blad,de ftandaart 
genaamt, isbreed, en agter over gebogen, alles 
op de wyze als wy te voren befchreven hebben 
vande blom vande Axi/. Het ftampertje of (tylt- 
je, dat uitde kelk opry(t, is van gedaante als de 
ftamper vandegroote Azil, Dit ftampertje gaat 
eindelyk over in langwerpige en zeer dunne 
haauwkes A.A, die wat platagtig en een wei- 
nig krom gebogen zyn,omtrent twee of drie duim 
breed lang, eerft groen en naderhand bruin-rood. 
van koleur. In deze haauwkes word gevonden 
het zaad B.B, dat langwerpig rond en wat plat- 
agtigis, en de gedaante van een nier in ’t klein 
vertoont, De koleur vanhet zaad is eer{t groen 


en naderhand fwartagtig, De fchikkinge van de 


bladen is gelyk als die van de groote Azil. Dit 
heeltertje draagd tweemaal in ’t jaar bllommen en 
vrugten in een regenagtig en warm Saizoen. De 
Hoog-Leeraar A. Syez oordeelt in zyne aanmer- 
kingen over deze Plant, dat deze infgelyks is 
een plant-gewas , daar de Indigo van bereid word ; 
maar hy oordeelt, datzo weldeze, als de voor- 

13 4 gaande, 


156 __Natuur- en Konfl-Kabinet, 
gaande,dewelke wy groote Axil hebben genaamt; 
een zoort is vande Polygala. Daarom geeft die 
Geleerde Kruid-kenner den naam van groot en 
klein Indiaanfch Polygala aan deze twee plant- 
gewaflen, maar de Polygala behoort niet onder 
de vlinder-blofn-drageride plant -gewaffen; en 
dezetwee zoorten van Aril hebben geen de rmin- 
fte overeenkomtft in gedaante van blonr, vrugt 
of zaad met de Polygala, 


64. 
De vermaarde Wwilbelidss Pifò (a) befchryft 
twee byzondere plánt- gewaflen , dewelke inf- 
gelyks zoorten van den Az:l of het Indigo-kruid 
zyn, dewelke in Brafyltot Weft-Indien groeyen» 
Hy zegt van de eerfte, dat de Portuúgyzen dan 
den zelven den raam geven ván Erva d’Anir, 
dit Air betekent de Aril of het Indigo-kruid, 
dat van veele, en voornamentlyk vande Portu- 
gyzen, inde plaats van Anil Antr genaamt word. 
De Ingebotene van Brafil noemen deze plant 
Caachira; dezelve word uitgebeeld Tab. xxxvarr. 
Fig. o. Pifo zegt, dat alfehoon de Portugyzen 
van Brafil deze plant weinig gebruiken tot het 
maken van Indigo, dezelve echter overal komt 
te groeyen. Dat de wortel zeer dun is; dat uit 
de wortel veele takken opryzen die aan alle zyden 
veel telgen hebben, aan dewelke de bladen , die 
zeer klein zyn, by paren groeyen , behalven een 
enkeld blad dat boven aan den telg groeid , op 
dezelve wyzeals wy van de twee zoorten van ° 
Malabaarfche Axil verhaalt hebben. * Aan elke 
telg worden gemeenlyk drie en vierpáar bladen ! 
met een enkeld blad aan het toppunt Ar 
e- 
(4) Vid, Pifon. Natur. Hiflor. hb. 4. cap. 39. 


De 


January en February c72rì 467 
Benevens deze blad-telgen , komen eenige dun- 
nefteeltjes, aan dewelke kleine bloempjes groei- 
jen, uitfchieten. Deze bloempjes zyn van een 
purperagtige koleur, die met eenige wittigheid 


als gedommelt is. Deze zoort van Azi/ ver- 
_ feheelt van de twee boven-gemelde zoorten „dat 


deszelfs bloemen een aangename reuk uitgeven, 


_ het welke ook vän de Az// of het Indigo-kruid 


van Madagafcar , dat zy Bagbets (a) noemen, 
getuigt word, eg 


d 5: 
_ De andere zoort van Azil of Indigo-kruid, 
dewelke Pifo (6) befchryft, verfcheelt ongemeen 


„ veel in gedaante van de drie zoorten, dewelke 


Wy dusverre befchreven hebben; dezelve word 
uitgebeeld Fig. 10. Pfo getuigt, dat deze ook 
in Brafil groeid, en uit dezelve Indigo bereid 
word ; en dat dezelve, veel hooger groeid âlsde 
eerfte zoort, dewelke hy befchreven heeft. Dat 
dezelve met een (tam opryft die fpongiagtig is, 
en hier en daar met rofle vezelen begroeid is: 


dat dezelve zodanig zappig is, dat als dezelve 
_ gebroken word, het blaauwe zap daar uit vloeid : 


dat de bladeren paar aan,paat uit de telgen uit- 
fpruiten, en {malen langwerpig zyn: dat tuf- 
fchen de bladeren , daar zy aan het bovenfte einde 
van de telgen bosgewys by malkander ftaan, bloe- 
men op{chieten , die:wit.en rond van gedaante 
zyn, ende groote van een Magdaliefje hebben : 
dat de wortel zeer dun en ook vol blaauw zap is : 
dat de zedicinale kragten van dit gewas volko- 
men overeenkomen met die van het welke hy 


eerft 


(a) Hiffoire de la Grande Ile Magdaraftar par le Sieur 


de Flacourt, chapit,a6, (b)Vid, Pifon Tibr. > Loe. Citat, 


mm Se heek es, 
168 _ Natuur-en Konft-Kabinet, 
eer{t gefchreven heeft. Hy geeft ook aan dit plants 
gewas den naam van Caachira, Wat de merkte= 
kens vandeze plant belangt, moeten wy beken= 
nen , dat dezelve niet met de gellagts- -merktekens 
overeenkomen met de Aril; om dat dezelvegeen 
vlinder-blom draagt ;- maar echter daarin, dat de 
bladen twee aan twee groeyen , en dat uit dezelve 
ook de Indigo bereid word. Maar dit moeten wy 
ftellen onder de gebrekkelykheid vande geflagts- 
verdeelinge dier Kruid-befchryveren, dewelkede 


geflagten der plant-gewaflchen, onderfcheiden 


uitde bloem, de vrugt , het zaad „enz. welke ge= 
brekkelykheid, zichin allede methodens van ge- 
flagt-verdelingen der planten, altyd min of meer 
voorkomt; om dat de natuur gewoonelyk fpeelt 
met duizende veranderingen en ongelykheden 5 
waarom wy ook geenzints konnen belet worden, 


deze Caachtra van Brafil te ftellen , alseen zoort 


vande Azi/, of het Indigo-kruid. Definaak van 
dezeplant ís ‘ook cen weinig bitteren fcherp, ge= 
lyk als de voorgaande, dewelke wy Een 
hebben. Pifo getuigt,dat deze plant-gewaflen we 
meeft in de aan zee gelege gronden komen a 
groeyen. 66, 

Hernandes en Recchius («) fpreken ok van 
twee zoorten van plant-gewaflen, uit dewelke 
die van Mextco Indigo bereiden. De eerfte van de- 
ze twee zoorten van Mexicaanfche Anil, komt 
zeer wel overeen met de Caachira van Pifo, met 
langwerpige bladen , dewelke wy zo even voor- 
geftelt ‘hebben; zy geven aan deze planten den 
Indiaanfchen naam van Xiubguilits Pitzahac, dat 
is, Zudigoekruid met finalle bladen. En aan den 
daar 
(a) Vid. Hiftoria Mexiocang lib, 4. , 


| 
Î 


Ë 
| 
| 
Ì 


___Sfamuatyen February 1725  16î 


daar uitbereïden Indigo, den naam van JMobuit/î 
enz. Deze Indigo van Mexico, dewelke Hernan 
des en Recchins befchryven, zal buiten twyffel 


_vandenzelfdenaartzyn, alsde Indigo Guatima- 


lo; het welke, om de nabygelegentheid van dat 


__Landfchap, by het Ryk van Mexico, zeer welte 


denken is. Deplant Az:/, of het Indigo-kruid , 
wil zeer wel groeyen op alle de plaatzen daar de 
luchten zeer warmen de gronden tot het voort= 
teelen van plant-gewaflen bekwaam zyn5 gelyk 
wy getoont hebben, dat deze Kruid-heefter ge- 
vonden wordin Afrika, Afiaen Amerika. Wat 
Amerika belangt, aldaar fchynen de luchten en 
gronden zodanig bekwaam tot het voorttelen van 
deze Kruid-heefter tezyn, dat, gelyk als wy uit 
Pifogezien hebben , dezelve in Brafil, en ook op 
veel andere plaatzen vanzelfs voortkomt, en in 
het wilde groeid, De Eerwaardige Heer DuZertre 
(a) getuigt, dat dezelve groeid en ook aangefokt 
word op de voor-Eylanden van Amerika, de= 
welke door de Franfchen bezeten en bewoond 
worden, Hy geeft aan de plant zelfs (die anders 
den naam van Agil voert) den naam van Indigo. 
Deze plant (zegt hy) woerd den naam van een 
koftelyke Koopmanfchap , van dewelke (hy fpreekt 
van de Weft-Indifche Indigo) twee zoorten ge- 
vonden worden. De eerfle zoort die Guatimalo 


_… _gewaamt word , ts de fchoonfte, de fynfte en de duur- 


e van prys. De tweede Schyf-Iudigo genaamt 
ip oeren ia de Weft-Lidien, Sa dewelke 
onze Eylanden een gedeelte zyn. De flruik vande- 
ze plant word redelyk groot, enn groeid tot een 

L hees- 
(a) Hiftoire Generale des. Antilles Habitées par les Fran- 
gois tom 2..Contenant U Hiftoyre Naturelle trave 3.chap. 12; 


170 Natuur-en Konff-Kabinet, 

beeflertje , als dezelwe niet gekort of afgefneden 
word; zy verdeelt zich in verfcheide takken en 
telgen , dewelke voorzien zyn met kleine blaadjes, 
die omtrent niet grooter als de nagel vande kleine 
Binger zjn , enwat dik. De koleur van deze bla- 
den is aan de boven-zyde hoog-groen , en aan de on- 
derfle kant verzulvert groen. De bloemen zyn 
roodagtig, de vragten langwerpige peultjes, die 
vervult zynmet zaad het welk olyf-Rleurigis. De 
befchryvinge van deze Azil, door deze oog-ge- 
tuige, komt zo volkomen overeen met de Azil 
van Malabar en Ooft-Indien, inde Hortus Iuds= 
cus Malabaricus befchreven , dat niemand kan 
twyffelen dat deze plant een zoort van een en het 
zelfde geflagt is ; gelyk ook openbaarlyk blykt 
aan deszelfs gedaante, dewelke in Fig. 11, uit- 
gebeeld word, 


A 67. 
_… De Heer De Rochefort (a) befchryft ook eên 
zoort van Auil, die met de Az! dewelke wy be- 
fchreven hebben, zeer wel overeenkomt. Vaz 
deze plant (regt.hy) word gemaakt die viool- 
kleurige verw-of , dewelke Indigo genaamt word, 
Dezeplant isnoch veel kleinder van gewas, als 
dekleinftedewelke wy tot noch toe befchreven 
hebben. En mag daarom met regt alderkleinfte 
Indigo genaamt worden, Want dieHeer en oog- 
getuige verzekert, dat dezelve niet hooger als 
twee voeten een half komtopte groeyen. Deze 
plant word uitgebeeld in Tab, xxxviuu, Fig, 12, 
hier agter bygevoegd. De bladen van deze plant 
zynongemeenklein; en terwyl de plant ftaat te 
groeyen, 
(a) Hifboire Naturelle &* Morale des Iles Antilles de 
P Amerique livr.1. chap, 10, artic, 3. 


Sanary en February mi Pf 


groeyen , groen van koleur ; maar als de plant 
rypis, worden de bladen geelagtig van koleur. 
De bloempjes zyn roodagtìg van koleur, zy word 


op de voor-Eylanden van Amerika voortgeteelt 


van zaad , dat met regels in eest regten lyn gezaaid 
word, Dereuk vandeze plant (zegt de Heer Ao- 
chefort)is zeer onaangenaam, in tegendeel van 
deze zoort ván Indigo-plant, dewelke gevonden 
word ophet groote Eyland van Madagaftar, en 
zeer kleine bloempjes voortbrengt, die zeer lieffe= 
Iyk vat reuk ; en ade van koleur zyn, 
5 ) 


‘Ferwylwy hier van de Indigo van Madagaftar 
fpreken, zullen wy aan den Lezer mede deelen 
het geen de Heer de Flacoart van dezelve in de 
Hiftorie van Madagaftar ‚dewelke wy reets heb- 
ben bygebragt, heett aangetekent. Bagbets (zegt 
hy) daten Oofd-Iudien Anil genaamt word, is et- 
gentlyk die plant, van dewelke de Indigo gemaakt 
word. Zy verzamelen een groote menigte van dit 
kruid, zo haaft als het zelve begintte bloeyen; zy 
werpen het zelve omte rotten 1n een groot vat met 
water, en roeren het zelve daaglyks om met een 
groote flok. Zo haaft als dit kruid is verrot (het 
welke gewoonlyk binnen drie of vier dagen is vol- 
bragt) lezen wy uit het zelve de fleelen, en on- 
mutie vezelen. Nadat zy deze flof dan wel heb- 
ben door malkanderen geroert , maken zy een gat 
am het benedenfte gedeelte van het vat, op dat door 
het zelve zoude uitvloeyen in een ledig vat, door 
een lek-zak van linnen, gelyk als door een zeef, 
het water dat op dien tyd verkregen heeft een 
donkere viool-koleur. By dit doorgezygde blaauwe 
zap gieten zy omtrent een half-pint boors-oly, of 

meer 


172 __Matuur- en Konft-Kabinet } 

meer of min, na de hoeveelheid van dit zap. Nas 
derhand flaan zy dit zap geweldig door malkander 
met een zoort vaneen draay-boom , zo lange Zok 
de boom-oly met dit zap door en door vermengt is. 
Naderhand laten zy dit zap flil laan, als wan- 
weerde verw-flof naden grondkamt te zinken ‚in 
de gedaante vant een moer , en zich van bet water 
komt af te fcheiden; als wanneer zy het water 
doen nitvloeyen , of weg lekken door eenzak, op 
de manier als wy gewoon zyn des Hypocras door 
zelekken. De moer of de geftremde verw-fbof, de= 
welke van zyn water ontlaft ep over is gebleven, 
Spreiden zy uit op een breden fleen, en laten de- 
zelve in de fchaduwe droogen. Terwylzy onder- 
tuflchen wel zorge dragen , dat dezelve ze ve 
de minfte flof of vuiligheid befmet word, eze 
moer, nugedroogt zynde, is de opregteeu zozeer 
vermaarde blaanwe verweftof , dewelke Indigo 
genaamt word, Hier ziet de Lezer nu in het kort, 
op welk een wyze de Indigo op Madagafcar be- 
reid wierd, op dien tyd toen de Franfche een ge- 
deelte van dat groote Eyland bewoonde, Na- 
derhand zal ik befchryven de verfcheide manie- 
ren, door dewelke de Indigo bereid word in 
Afia, Amerika, enz. 


9. 

Zommige Liefhebbers en Kruid-beminnaren 
van Europa, en zelfs van dit ons Nederland, 
hebben de nieuwsgierigheid gehad, om het zaad 

"vande dzi/te ontbieden uit Ooft-Indien, en van 
verfcheide plaatzen van Afia en Amerika; en heb- 
ben dit-zaad geoeffent in hunne broey-kaffen, en. 
het eindelyk door hunnen yver zo verre gebragt, 
dat zy van het zelve goede planten hebben doen 
voort- 


VAE" RI: 
__ SFandaryen Felruaryrzar: _ A7t 
voortkomen. Hier van zyn getuigen de Kruid- 

hoven van de vermaarde Hosge Schoole te Lei- 


den, en Amfterdam. Ook heeft de vermaarde 
en alom bekende Kruidkenner en Oeffenaar de 


Heer («) Abraham Munting in zyn eigen Kruid- 


hof tot Groeningen, de Azil niet alleen uit zaad 
ewonnen ‚ maar zelfs verfcheide zoorten van 
dezelve gehad. De Heer Muzting noemt het 
zelve een heefteragtig gewas ; waar uit blykt „dat 
de Azi/ geen boom -heefter, maar een kruid- 
heefter is , gelyk wy te voren aangemerkt heb- 
ben. Diezelfde Heer heeft driederhande zoorten 
van Agil of Indigo-kruid voortgekweekt. Als 
1, Axel met ronde bladeren; 2. Azil met lang- 
werpige bladeren; 3. Axi/ met Lombaardfche 
Linfen-bladeren, De Azi/ met ronde bladeren 
van de Heer Munting, word uitgebeeld in Fig.1 3. 
De blaadjes van deze Azil zyn zeer teder ‚ de 
blommen hebben de gedaaute van vlinder-blom. 
„Debladeren zyn wel groen, maar trekken zeer 
ligt naar het geel. De blom is roodagtig van ko- 
leur, en van een {waren en onlieflyken reuk. Het 
fchynt uit de gedaante en befchryvingen , dat de- 
Le zoort van Az:/ met ronde bladen dezelfde is, 
dewelke de Heeren Du Zertre en Rochefort be- 
fchreven hebben ; te meer, dewyl zy infgelyks 
getuigen ‚ dat aan dezelve een onaangenaame 
reuk befpeurd word, Uit de ontdekkingen de- 
„welke wy dusverre gedaan hebben; blykt ook 
klaarlyk , dat alleenlyk ten opzigte van de reuk 
‚drie onderfcheiden omtrent de Azi/ gevonden 
word. Want debloemen van de Azi/ van Ma- 
8 labar 
(4) Ziet Naauwkeurige Befchryvinge der Aard-ge- 
wallen , door A. Munting, 2. boek, 47. Kapitt, 


174 _Natuur- en Konft-Kalinet, 

labar zyn geheel zonder reuk, de bloemen vait 

de Axi/ van het Eyland Madagaftar zyn zeer 

lieflyk en aangenaam van reuk, en de blommen 

van de Aril van de voor-Eylanden van Amerika 

zyn van een fwaaren en onaangenamen reuk. 
70. 

De Axil met lange bladen van den Heere Mfuu- 
Zing, word uitgebeeld in Iig. 14. Deze zoort 
groeid (na de getuigeniffe van dien Heer) wel 
vyf voeten hoog ; en verdeeld zich in veele ta= 
melyke dikke, afch-graauwe en ligte zyde-tak- 
ken, waar aan de bladen ook by paren tweeaan 
twee tegen malkander over voortkomen. Deze 
bladen zyn omtrent twee vinger-breed lang, en 


een halve vinger-breed in de brecdte , achter . 


ftomp-rond, maar voor zeer fpits toelopende; 
teder van aart; donker-groen van koleur, dog 
onder bleker als boven; in ’t midden voorzien 
met een regt doorlopende groote ader , waar 
uit verfcheide kleinder adertjes, om hoog ge- 
keert, voortvloeyen. De bloempjes van deze 
Azil zyn van een witte roodagtige koleur. Als 
deze bloempjes vergaan, worden zy gevolgt van 
veele by malkander gevoegde zeer dunne peult- 
jes of haauwkes met zaad, het welk, als het 
zyn rypheid heeft bekomen, fwart is. De Azi/ 
met bladeren van Lombaardfche Linzen van den 
Heere Munting , komt ook volkomen overeen 
met die zelfde zoort van Azil,dewelke wy reeds 
befchreven hebben; gelyk als blykt in Fig. 15. 
Deze bladen zitten ook aan hunne telgjes met 
zeven of negen paar in getal regt tegen malkan- 
der over , behaiven een blad, het welke, ge- 
Iyk als in de andere zoorten, aan het einde Ie 

net 


h il ZN fs f 4 A / 
…___ Sfannaryen February 1722. 17} 
het telgje komt te groeyen. Deze bladeren zyn 
in het midden ook voorzien met een ruggetje 
_of zigtbaar adertje. Tuffchende telgjes komen 
wederom andere dunne telgjes voort, aan de- 
welke vyf, zes, zeven of agt kleine bloempjes 
uitfpruiten, die van een purperagtige koleur , en 
van een aangename reuk zyn. Tot de oeffe- 
ninge van deze plant-gewaffen , zegt de Heer 
Munting , word vereifcht een zandige en lugtige 
aarde, die wat verwarmdt word met tweejari= 
ge paarde-miít, eenjarige duive-mift, hoender- 
drek en het mol van bomen of verrotte boom- 
bladeren , alles wel door malkanderen geroert; 
waar uit klaarlyk blykt, dat dezelve een war- 
me en te gelyk zalpeteragtige grond beminnen, 
Want dat uit deze miften zalpeter bereid kan 
worden, hebben wy in onze verhandelinge over 
de Salpeter voor dezen in het Natuur-en Konft- 
kabinet overvloedig genoeg aangewezen. Als 
deze plant-gewaflen in de Lente buiten gebragt 
worden , beminnen zy een opene , watime, 
vrye, luchtige eu geheel ter zon gelegene 
plaats , daar zy de ftraalen van de zon , van 
des morgens vroeg, tot des na de middags ten 
drie vuren onbelemmert konnen genieten, be- 
vryd voor alle {cherpe koude en noordelyke 
Winden. Zy moeten zeer weinig water heb- 
ben, en het water , daar zy mede befproeid 
_worden, moet eerft in de zon laauw gemaakt 
„worden. 


bi 
} 


| 71 

‚_ Niet tegenftaande de Heer Manting deze 

plant-gewaflen heeft voortgeteelt, zyn dezelve 

‚_ _&chter zeer teder van aard in deze onze luch= 
ten ; 


_ x76 _Natuur- en Konft-Kabinet , 

ten; want 1 konnen zelfs in de Lente, noch 
bok in de Zomer geen koude regenen, veel 
minder fneeuw , ryp; of vorft, of fterke win- 
den verdragen. Ook dragen zy in deze Noord- 
fche Landen geen zaad. De Heer Munting ge-' 
tuigt ook , dat deze plant-gewaffen hier te Lan- 
de nooit blommen voortbrengen , alfchoon dië 
Heer de blom op het berigt van andere befchre= 
ven heeft; echter is aan ons bekent gemaaktdat zy 
hier te Liaande ook zomtyds bloempjes hebben 
voortgebragt. Zy moeten omtrent half Sep= 
tember in huis gebragt worden , endes winters 
in de ftoof-kas maar eens of tweemaal van bo-= 
ven met een weinigje laauw regen-water bego= 
ten worden, 


72. 
De Liefhebbers zyn gewoon de Anil indeze 


onze koude Landen door zaad, dat varfch uit 


Ooft-Indien gebragt is, aan te winnen. Dit | 
zaad word in een pot, niet diep, gezaaid, met | 
een waflchende maan van de maand Maart, 


April of Mey. Naderhand word deze pot in 
warme Paarde-Mift gezet, tot op den eerften 
van de maand Juny, bedekt zynde met een gla- 
zen raam, De Heer Muzting verhaalt, dat hy 
op die wyze de Axtl met ronde bladeren viet 
Jaren lang goed en wel heeft konneri bewaren: 
Dat hy dezelve in dien tyd tot een klein boomp- 
je, dat anderhalve voet hoog was, hadde op- 
gefnoeyd. “De andere zoorten bevond de Heer 
Munting veel tederder van aart , en duurde, 
(opgegroeid zynde tot de hoogte van een voet ) 
maar drie Jaaren. Na welken tyd zy in ‘het 
Jaar 1654, na het eindigen van den Winter; 

beide 


Dt si oe 


_ Yanuaryen February1722. 177 
evanvzelfs- zyn vergaan. Vanzelfs groeyen 
heefteragtig „ en niet gelyk enkeld kruid ge- 
onlyk. doed. Hun flammetje is ook hout- 
„waar uit blykt, dat de Azil een kruid- 
erts. Zy blyven hier te Lande in de ftoof-- 
kaflen,des Winters ‚en in de open lucht des 
mers-altyd groen, maar laten haar onderfte 
eu , door ouderdom in den Winter geel 
lende, nu en dan van zelfs ter neder vallen. 
Indigo, dewelke te Batavia, en op het Ei- 
and’ Java groeid, word uitgebeeld in Fig16; 
zovals dezelve naar het leven afgetekent is , 
door, den Heere C‚ de Bruin, vermaart Reizi- 
ger, konftig Tekenaar) enz, 


- ‚Na dat wy geleerd lize ‚ dat van de Axil 
verfcheide zoorten gevonden worden ; is het 
geheel niet.te verwonderen, dat in deze Lan- 
den-zo weelderley zoorten van verw-ftof Indigo 
uit fia, Afrika en Amerika worden overge= 
bragt. ‚Want behalven dat deze plant in. zo 
veelderley zoorten onderfcheiden is, word ook 
een groot,onderfcheid in de Indigo gevonden, 
uit hoofde van de-verfcheide Landfíchappen, 
grûnden, luchten:enz.’, daar dezelve komt te 
greyen-; daar noch bykomt , de verfcheide 
_Wyze, door dewelke de Indigo by verfcheide 
| volkeren, van de: Agil „gemaakt word. De 
‚ waârdye van de :verw-ftof Indigo is zeer ver 
fehillende „ om het. onderfcheid van deszelfs 
deugd en. gebruik, gelyk als openbaarlyk blykt 
zeen: Brief ‚dens welken de Heer Hendrik vaz 
Zaan my over die zaak: op den, 1.8, February 
| -oMIL Dees. M Tees 


| 


€ 


OAN 


178 _ _Natuur- en Konft-Kabinet, 
1723. gefchreven heeft , en tmet-dewelke wy _ 
dit flukje zullen befluiten. Ik zal inhet toe- 
komende Natuur-en Konft-Kabinet vande In- 
digo, deszelfs bereidinge „ gebruiken nutheidin * 
de Verw-konft , Schilder-konft, Verligtery- 
konft, Verlak-konft, Geneeskunde, benevens _ 
verfcheide Proeven omtrent den Indigo ín ’t 
werk geftelt, laten volgen. „zich 


BRIEF vanden Heere Hendrik van 
Raat aan Willem van Ranouw , over 
de verfcheide zoorten van Indigo. 


MYN HEER! 


OO Nader de Indigo, dewelke wy in deze Lan- 
den ontfangen, is wel de voornaamtfte die 
ons uit de Spaanfche Weft- Indien gezonden 
word. Deze word van de Kooplieden Zwdigo 
Guatimalo of Granada genaamt; na het Land- 
fchap GvATiMALO, het welke de Spanjaarden 
aan de vafte Kuft, niet verre van Mexico, i 
de Weft-Indien bezitten , en alwaar deze Indí 
go zeer overvloedig voortgeteelt en aangewon 
nen word, De Indigo Gustimalo word in 

roenen en ook in Kaflen overgezonden, D 
zelve valt zeer ongelyk in deugd , en is oo 
daarom van een zeer verfchillende prys. Wan 
de eene is veertig of vyftig ftuivers meer waar 
dig als de andere. Daarom moeten. wy de pryijk 
van de Indigo Guatimaio noteeren var 45 1 
1oo ftuivers het pond. Dat is 24 as guld,het@ 
Alle, of de meefte Indigo is violet-blaauw Ö 


‚_____Januaryen February 1722. 179 
‚ koleur, Deligfte is gewoonlyk de befie; en 
de befte Indigo moet als kurk op ’t water 
RYVEN. ' 
Vy krygen in deze Landen ook Indigo uit 
‘ranfche Weft-Indiën ; gelyk als by voor- 
de Indigo van Sint Domino. Onder 
word ook vry wat onderfcheid gevonden, 
ende van 36 tot só ftuivers het pond, Zo 
dât het verfchil in dezen omtrent een guiden 
op het pond zoude bedragen. De oorzaken van 
dit onderfcheid van deugd, zo wel in de Indigo 
auatimalo, als Sint Domingo, of ook andere 
ndigo , zyn verfcheiden, en ik geloof by u 
ger wel bekent, Ook twyffel ik niet, of gy 
zült wel weten de oorzaaken vande minder of 
eerder deugd van de Indigo in de verhande- 
lingen over die {tof klaar genoeg open te leggen. 
VIARTENIQUE zend ook Indigo na Eurupas 
eze is omtrent waardig 40 ftuivers het pond, 
ok maaken de Franfchen die op GUARDE- 
LOUPE woonen Indigo , die na deze Landen 
zonden word, Deze is ook omtrent 40 ftui- 
vers het pond waardig. De Indigo van Guar- 
oupe komt in vaten. 
De treffelyke Colonien, die de Engelfchen 
in de Weft-Indien hebben opgeregt, laten ook 
geenzints na deze koftelyke verw-{tof Indigo te 
labriceren, Gelyk by voorbeeld de Indigo Bar- 
ados , alzo genaamt naar het Eyland Barbados, 
dat aan de Engelfche behoord, Deze Indigo 
Barbados ís de fleg{te zoort van al de zoorten. 
an Indigo , en is'zó hard gls teen ; daarom 
word dezelve ook gewoonlyk maar van 8 tot 
2 ftuivers het pond verkogt. Deze Indigo word 
ES M 2 mede 


MR RL 


180 _Matuur- en Konft-Kabinet, 


mede in vaten overgezonden. De Indigo van … 


JAMAICA is vry wat beter, Deze word van 30 
tot 45 (tuivers het pond verkogt. Aiïwaar ge- 
noegzaam uit komt te blyken , dat deze juift 
ook niet van de befte zoort van Indigo is. Deze 
komt ook over in vaten. De [ndigo van Sint 
Euftace en Montferrat is door de bank noch 
een weinig minder van alot, en kan in prys ge= 
noteert worden van 30 tot 40 ftuivers het pond. 
Ook komt dezelve zeer zelden alhier in Hol- 
land, maar meeft in Engeland. 

Uit de Hollandfche Weft-Indien word ook 
zomtyds eenige Indigo gezonden, en word ook 
niet van de allerflegte gekeurd. Want de In- 
digo van: Curaflouw word in prys genoteert van 
45 tot so (tuivers het pond. Deze word ook 
in vaten herwaards overgevoert; hoewel zeer 
weinig van dezelve overgebragt word. De Hol- 
land , of bewoonders van Suriname, zyn ook 
al eenigen tyd bezig geweeft met den Indigo, 
maar díe voorttelinge fchynd zeer weinig op te 
nemen; want de Indigo van Suriname komt 
in een zeer geringe hoeveelheid ; anderzints is 
dezelve ook niet van de flegtíte zoort, gelyk 
uit de prys blykt, want dezelve word q0 a so 
ftuivers het pond genoteert. 

De Deenen hebben ook een Colonie te Sint 
‘Thomas daar Indigo gemaakt word. Deze is 
maar van een middelmatige deugd, en geld ge- 
woonlyk 36 a 4o ftuivers het pond , en word 
mede in vaten overgevoerd. Ik zoude nu noch 
ook wel konnen fpreken van Afrika, daar ik 
weet dat ook Indigo op verfcheide plaatzen ge- 
wonnen word; maar ik moet openhartig ok 

en, 


Januaryen February 1722. 18t 
den, dat dezelve tot noch toe niet tot myne 
nifle gekomen is. En ik geloof, dat wy 
ks van u zelfs zullen dienen af te wagten, 
r wat Afie belangt, dat zend zeer veel In- 
o na Europa, die aan my ook bekent is ge- 
‘worden. 
Onder de plaatzen van Afia, daar de Indigo 
overvloedig voortgeteelt en gemaakt word, 
noeten wy bekennen, dat het Land van den 
Grooten Mogol , boven alle de andere de 
kroon fpant ; zelfs in dat opzigt van alle de 
Landfchappen van geheel Afia. De Indigo, 
dewelke uit de eigentlyke heerfchappy van den 
Grooten Mogol gebragt word , draagt de naam 
van Zedigo Lauro, of ook wel van 4zdigo d’A- 
gra, of ook wel van Jxdigo Biana. Maar zy 
word dan na de Stad of het Dorp genaamt, 
onder welkers Gebied of Kreits zy komt te 
groeyen, of gemaakt word. Maar deze Indi- 
go komt nu weinig over, daar zy in tegendeel 
| voor dezen met zeer groote partyen van twec- 
hondert en tweehondert vyftig duizend ponden 
| te gelyk overgebragt wierd. Zy zeggen, 
dat een Inlandfche onluft of oorlog hier van 
de oorzaak is. Deze Judigo Lauro is al in 
| ons Land uit Ooft-Indien overgebragt van het 
| begin van de opregtinge van onze Ooft-Indi- 
| fehe Maatfchappye, Xy word altyd in Farde- 
len overgebragt. Uit het Koniugryk van Gu- 
| füratte, daar de vermaarde Koopftad Suratte 
| tegenwoordig de hoofdplaats van is, en welk 
| Koningryk tegenwoordig tot een Wingewett 
of Provencie van den Grooten Mogol gebragt 
18, komen de twee volgende: zoorten van In- 
Pas £' 


kia digo , 


182 __Natuur- en Konft-Kabinet, 


digo , namentlyk JZudigo Circkees , en Iudige 
Famboefer. De Indigo Circkees word zodanig 
genaamt, na het Dorp Circke , in het welke 
dezelve gemaakt word. Dezeis de befte van 
deze twee Gufuratrifche zoorten, en word me: 
de in Fardelen overgebravt. Maar alfchoon 
de Indigo Girckees beter als de Jamboefer is, 
komt dezelve echter niet te pas by de befte 
zoerten van Indigo. Gelyk als haar prys , die 
van vyftien tot vier-en-twintig ftuivers het pond 
genoteert word, komt uit te wyzen. De Zudigo 
Jamboefer geld maar 14 a 16 ftuivers het pond. 
Deze beide zoorten zyn gemaakt tot de gedaante 
van Tabletten, dewelke zy vygjes noemen ; en 
de jamboezer word ook overgebragt in Farde- 
len als de Kaneel. 

Uit de Nederlandfche Ooft-Indien word ook 
ecnige Indigo tot ous overgezonden, Gelyk als 
onder andere de Zudigo van Java of Batavia. 
Maar deze komt tegenwoordig zo goed niet 
meer als wel voor dezen. Deze Indigo van 
Java word gemaakt tot ronde Zabletjes , en 
deze Indigo word, na dat zy reeds haren eifch 
al verkregen heeft, wederom gekookt,en noch 
eens gezuivert. Dit is de oorzaak, dat dezelve 
zomtyds zeer goed en zuiver en hoog in prys 
gevonden word, Zy word overgezonden in 
katten; en de prys kan gezoteert worden van 
40 tot 80 (tuivers het pond. Van Ceylon word 
ook zomtyds Indigo overgezonden, gelyk als 
ook van Cormandel , maar zo weinig, datde- 
zelve maar tot monfters verftrekt. 

Hier te Lande word ook een Inlandfche In- 
digo verkogt , dewelke plat- Indigo genaamt 

word, 


Panuary en February 1722. 183 


ord, om dat zy in ftukjes gevormt is. Maar 
tis een Compofitie, en geld van 8 en meer 
ers het pond. Dezelve word veel buitens 
pds gebruikt om Schapen mede te tekenen, 
s anderzints. Maar alfchoon deze Compofitie 
n my bekent is, zal ik-dezelve echter niet 
befchryven , om het bedrog niet te voeden, 
ant het is reeds te beklagen, dat met het poe- 
er van de befte Indigo zo veel kunsjes gepleegt 
De Indigo en de Patel zyn ‘het fon- 
t van de/Blaäuw-kuip. Waar toe heden- 
daags veel Erffurter Paftel, of by gebrek van 
die andere, zoort. van Pattel gebruikt word. 
___Maar ik zal wegens het verder gebruik van de 
Indigo niet breder uitweiden , om dat aan my 
_genoeg bekent is, dat die zaak overvloedig ge- 
__noeg aan u bekent is. Daarom zalhetmy voor 
dezen reeds genoeg zyn, het geene ik tot on- 
| derhoudinge van, onze vrindíchap , en ‘Corref- 
| pondentie , van de Indigo dusverre hebbe ge- 
chreven. Wat de drie gezonde Boeken be- 
__langd, dezelve zal ik aan ‘een vermaard Get 
„___mneesheer tot Gent , die een groot vriend van 
B. is, in ’t kort overzenden, Ondertuffchen 
| blyve ik enz. 


HENDRIK van RAAT. 


| icterdai den 18. 
| ‚ February 1723. 


‚Einde van de Maanden January on February, 
Ee 


BEER E GON, 
Van den 1 | 
BOEKVERKOOPER. 


D e Heer var Ranouw heeft aan My toege- 
ftaan , om op de twee volgende Stukjes 
van dit Zevende Deel , de Maanden die wy 
ten agteren Zyn, te ftellen, op dat wy met den 
tyd te eerder gelyk mogen geraken. Want het 
“_verfchil van de dagtekeningen van de Brieven, 
die zomtyds in *t Kabinet gedrukt worden , is 
anders te groot , ten opzigte van den Datum 
van ’t Kabinet zelfs. 


AAN en Aer Bord weiss À lik Nin od 


Jauary en Februari, 1722. 


nf 


heg 

« _ 
\ 

A u k 
: 

OR 
A 
E wieren 


KABINET 


DER 
BNATUURLYKE 


à HI STORIEN, 
_ WETENSCHAPPEN, 


KONSTEN 


HANDWERKEN, 


Voor de Maanden 
MAART jJULY 1722. 


Verciert en opgeheldert met Kopere Plaaten. 


Te AMSTERDAM, 
By BALTHAZAR LAKEMAN, 


Boekverkooper achter de Nieuwe Kerk, 
over de Molfteeg. 1722. 


Elin a ARC Ù vd ue 


wt a LA: d A da H 


he Lon NE alan NE 
ARB n bt 5 Sr A REST heat ad Ki s 
et ad > é 


OA MIET MÁ er Ji 
evi ARL 2 Del za eN, ATA: „rok 
ANNES odd 95110 wsdbary ja) 
kebert „gaafdloMt Shave Je 


jd PAB 
BENA TUUR 
Jl EEN À 
_ KONST-KABINET, 


Woor de Maanden 


k MAART, —- JULY. 
€ 


1722. 


Negentiende verhandeling van de ALGE- 
| MEENE Natuurlyke Hiftorifchryvers , 
Ì en in de zelbe het vervolg van bet kort 
| begryp en de opheldering der Natuurlyke 
! Hiftorie , en de proefkundige Wysbegeerte 
| van ROBERTUS BOYLE, waar in 
gebandelt word vande LUCHT. 


L, 
We E Hoogwaardige Robertus Boyle, 
G\ \P) heeft het naaukeurig en naarftig 
BAS! JS onderzoek van de lucht, van zo 


RAZ veel belang geoordeelt, dat hy op 


| EL, A 2 die 


4, Natuur- en Konfl-Kabinet, 


die zaak, in het jaar 1651 aan zyn Neef ge- 


fchreeve hadde, noch eentwedeaan dien zelven 
Heer, en dewelke gedagtekent is tot Oxtort 
den 24 Maart 1667, heeft toegezonden, En 
dewyl tuflchen het Schryven van deze twee 
Brieven, agt gehele jaren verlopen zyn, kan 
de Lezer op een goeden grond vermoeden, dat 
de vermaarde fchryverindit vervolg geen min- 


der zaken zal komen te ontdekken, als in den 


eerften Brief gevonden werden, Aan dezen 

Brief geeft de Heer Boyle den Naam van eerfte 

vervolg , om dat die Heer eenige tyd nade- 

zen tweden Brief nog een vervolg heeft in ’% 

licht gegeven ; gelyk als naderhand, als wy 

dns het zelve komen te fpreken,ook zal bly- 
en. 


ze 

In dezen tweden Brief heeft de Heer Boyle, 
even gelyk als in den eerften ‚ten opzichte vau 
de Lucht , voornaamentlyk het oog op des 
Loacats fwaarte en elafticiteit, en derzelver 
uitwerkingen op de lichamen enz. Tot deproe- 
ven, dewelke de Heer Boyle in dit vervoig 
heeft voorgeftelt, is een Luucht-pomp van een 


geheel andere zamentftelling en gedaante, als _ 


deeerfte, den welken wy hebben uitgebeeld,ge= 
bruikt. Ook hadde de Heer Boyle indien tuf- 
fchen- tyd verfcheide bekwame werktui- 
gen en glaze reciptenten van alderhande groote 
doen gereet maken. Maar dewyl % zedert dien 
tyd de Luucht-pomp zeer veel is verbetert, en 
dat elk een dit werktuig na zyn verfcheide zin- 
nelykheid, verfcheideuclyk kan toetakelen, ez 
e 


Zl b BEA 

(i Maar, July, 1722. 5 
deel ik het geheel niet nodig te zyn, juilt alle 
de verfcheide gedaantens van Lucht-pompen 
uit te beelden, dewelke van verfcheide lief heb- 
_bers zyn gebruikt. Wyzullen ons vergenoe- 
gen, dat wy reets hebben uitgebeeld de eer{te; 
__mamentlyk die van den groot Achtbaren Otto 
de Guiricke, en noch die van den Hoog waar- 
digen Robertus Boyle. Voorde reft zullen wy 
Ë dezen eene uitbeeldinge mededeelen van de 


li 


alderbekwaamf{te Lucht-pompen, dewelke na- 
_derhand uitgevonden, en in een algemeen ge- 
bruik geraakt zyn. De Heer Boyle klaagt in 
de Voorrede van dit vervolg, over de gebrek- 
kelykheit van de figuuren en platen, mäar ik 
hebbe dezelve niet alleen in onzetab. XX XIX, 
‚___hier agter by gevoegt verbetert, maar ook ee- 
__nige werktuigen uitgebeeld, die in de platen van 
den Heere Boyleniet zyn. Het welkeik voorde 
‚___Lezers, dewelke de Heer Boyle komen na te 
‚__zien nodig hebbe geoordeelt hier aan te teke- 
‚nen. 


Door verfcheide eid: is onfeilbaar ge- 
bleken, dat de Lucht een zekere zwaarte heeft, 
maar behalven dezelveze ondervinden. wy ook 
‚__inde Lucht een wederftrevendekragt , of elaft:- 
‚_eiteit, welkers te rugdryvende neiginge altyd 

egaal is, met de drukkinge van deze zwaarte; 
in zo verre dat een klein gedeelte lucht in een 
glas zodanig ingefloten zynde , dat het zelve 
‚__geen de minfte gemeenfchap met de buite-lucht 
‚_ heeft, dezelfde kragt van perzinge heeft „als 
‚__de zwaarte of drukkinge van den dampkring of 
A 3 bui- 


1 


6. __ Natuur-en Konft-Kabinet 

buite-lucht op de lichamen, op dewelke dit 
gedeelte komt te drukken. Al {choon wyde- 
ze zaak met verfcheide proeven voor dezen 
hebben-bewezen, zullen wy echter de volgen=- 
de proeven van den Here Boyle mededelen, 
om dat dezelve buiten twyfel zeer overtuigende 
en aangenaam voor den Liezer zullen bevonden 


worden. Uit de volgende proef zal blyken dat _ 


het kwikzilver kam opgeperft werden tot een 
aanmerkelyke hoogte, alleenlyk door de Elaf- 
ticiteit van een klein gedeelte lucht, al zo 
wel als door de zwaarte van een drametraal- 
gelyke. lucht-kolom van. den dampkring. 
De Heer onderzoeker beeft genomen het 
glazen bakje in tab, XXXIX. fig. 1. gete- 
kent met A. de vierde part van dit bakje was 
opgevult met kwik, inde hals van dit bakje 
wierd geftoken den glazen Zubus B, van zeer 
dun glas. Dezen tubus was aan beidede einden 
open , «en floot met het onderfte einde zo 
nauwkeurig in den hals van het kwik bakje, 
dat dezelve door behulp van cement, aldaar 
lucht-dicht in gepaft was, en dat de lucht die 
in de ruimte C van dit bakje nu befloten was, 
geen de minfte gemeen{chap hadde met de bui- 
te-Incht. Dit bakje A wierd met gemelde 
tubus B gezet in een zeer langwerpigen glazen 
recipient, die tot deze proef gefchikt was, ge- 
Iyk te zien is met DE F, na dat nu het einde 
D van dezen recipiext gevoegt was aan de 
lucht-pomp , wierd de Lucht uitgepompt, en 
uit den recipient en vervolgens ook uit den 
glazen tubus B; zo ras als nu deze tubus B 
was geworden een luchtledige plaats, rees 

d daat- 


REASOPODREE trsvkad 

dd Mott, a Julin OP 
…__daatlyk:de kwik, die in het-bakje A was, na 
___boven ij-den-:tubus-B tot-de hoogfte van 27 
___duim’by'Geedeze: kwik -wierd tot die-hoogte 
__opgepar{taileenlyk door de-Eilafticiteis of te rug- 
_ dryvende kragt van heb weinigje lucht,” het 
_ welke beflooten was inde ruimte van het bak= 
je C‚swant orn dat deze lucht, dewelke inde 
… ruimte C. vandit: bakjes wás ; mergens konde 
… Bitgaan, oeffende dezelve-zyne perzinge al- 
_ leenlyk op de kwik ‚rdie in het bakje was, 
__maâr ‚konde die kwik niet-op'‘perzen ‘in den 
‚__tubus, omdat deze tubus vol lucht was dé+ 
__wyl dezelve ;, aan deszelfs boven einde open 
| zynde; “volkomen gemeenfehap hadde met dè 
buiten-lucht. «Maar :zo ras als‘door de lucht- 
pomp zo wel uit denrécipient-D E'F , ‘en ver- 
volgens-ook uit den tubus BB, de lucht was uit= 
gepompt, verloor de kwikvaan die zyde de te- 
genperzing van de buite-lucht,, „waar door de 
perzinge vâir de lucht , diein de ruimte C'bës 
floten-was, op, de kwik de Overhand kreeg, 
en vervolgens de kwik inde tubus B op petf= 
feri:tor de hoogtte van: 47 duin by G. hier ait 
bleeksopehbaarlyk ; dat «de &lafticiteit van dé 
weinige lucht, die in de ruutite CG was’, “to 
veel kragt oeffende om de kwik op te petzên 
tot de hoogte van 27 duim; alsde z waart vánì 
de. buite-lucht dewelke nu uitgepompt wás ilt 
den tecipient en glazen tubus B; door dewelke 
de kwik was nedergehouden kwam te bedras 
gensen dat vervolgens de perzingen van de Dlafa 
ticiteit van de lucht op de lichamen egaal is, 
met de drukkinge die de lucht op de lichamen 
oeffent, door deszelfs twádrte. Het Welk 
mar A4 noch 


8 Natuur= en Konft-Kabinet 

noch klaarder bleek, zo ras als de buite- lucht 
wederom ingelaten wierd in den recipient D 
E F, en vervolgens in den tubus B, dewyl 
daar door de kwik daatlyk weder. nederzakten 
in het bakje A, en de tubus B vol lucht en 
„wederom ledig van kwik wierd als van te vo- 
ren. Deze proef verfcheidemaal hervatzynde, 
was gedurig van die zelfde uitkomft, 


Zommige hebben senordseik dat uit deze 
proef nog niet genoegzaam bleek, dat de kragt 
van de Elafticiteit van de lucht egaal is, met 
de zwaare- kragt van de lucht. Zy geloofden 
dat zulk een klein gedeelte lucht „gelyk als in 
de ruimte GC was ingefloten, niet magtig ge- 
noeg was, om de kwik zo veel te rug te dry- 
ven als miffchien een veel grooter gedeelte in- 
gefloten lucht, en dat miflchien een. groot ge- 
deelte ingefloten lucht door deszelfs &laftsci- 
teit de kwik in een luchtledige plaats , mif- 
íchien veel hoger zoude komen op te perzen 
als de zwaarte van de dampkring gewoonlyk 
in een Barometer komt te doen; en dat daar uit 
dan zoude blyken, dat de zwaare-. kragt van 
de lucht of dampkring, geheel onegaal is met de 
te rug dryvende kragt of Elafticite:t van de 
lucht, Al fchoon nu deze voorftellinge zon= 
der eenige grond of -waarfchynelykheid is „heeft 
echter de naauwkeurige Heer Boyle zulks met 
de volgende proef onderzogt. 


je $% - 
De Heer onderzoeker nam een groot gla- 
s A Zen — 


Maart, —— Jul), 1722. 9 
zen * vat fig. 2. getekent met A. Na dat nu 
__n dit zeer groote vat ingegoten was een mag- 
__tige hoeveelheit kwikzilver, wierd in dit vat 
_ gefteken een zeer dunnen en langen glazen 
_Zubus, dewelke gelyk als de eerfte daar wy van 
… gefproken hebben in fig. r. insgelyk aan zyn 
_ beideeinden open was. Dezen tubus wierd 
_ @ok regt over einde geftelt in het groot glaze 
_ vat A, en in de hals B van dit vat, zodanig 
_Tuchtdigt met cement toegefloten en vatige- 
__maakt, dat de Lucht, dewelke in de ruimte 
van dit vat was, geen de minfte gemeenfchap 
konde hebben met de buiten-lucht , want zulks 
konde niet gefchieden. met het onderte einde 
van de tubus , om dat het zelve in de kwik 
was geftelt. Dit zeer grote glazen vat, be- 
nevens de vaft{luitende tubus, wierd geplaaft 
in een recipient die ongemeen groot en hoog 
was. Nadat nu de lucht uit den recipient 
was uitgepompt , konde, hoe zeer met deuit- 
pompinge ook wierd aangehouden, echter de 
kwik door de grote menigte lucht die in ’t 
groot glaze vat in de ruimte ingefloten was, 
niet hooger opgeperft werden, als de lucht op 
Jr word door de zwaarte van den damp- 

ring in de bekende Barometer. Waar uit 
openbaarlyk blykt, dat de Elafticiteit van veel 
of weinig lucht noit krachtiger is, alsde zwaar= 
te kragt van de lucht, wel verftaande de EJaf- 
ticiteit van de natuurlyke Lucht, zo als wy 
dien inademen , maar geenzints van in malkander 

geperfte of door hette aan gezette Lucht. 
As 6, Als 


* De Schryver zegt een kruik, maar wy oordeelen 
beter een glas, 


ed 


zo __Natuur- en Konft-Kabinet; 


6. 

Als wy verfcheide Barometers die van een 
zeer ongelyke wydte zyn neffens malkandere 
befchouwen, zullen wy (als dezelve door een 
treffelyk meefter gelyk als by voorbeeld de ver- 
maarde D. G. Fahrenheid toegettelt zyn) be= 
vinden, dat de kwik door de zwaarte van de 
Lucht tot een evergelyke hoogte word opge- 
perft, onder die voorzorg nochtans, dat wy 
geen een van alle die Barometers of pypen al 
te naauw maken. Om een reden dewelke wy 
op een andere plaats zullen geven. Wy zul- 
len bevinden, zegge ik, dat de kwik-kolom 
zo hoog zal ftaan ín de naaufte tubus als in de 
wydíte tubus van zodanig verfchillende Baro- 
meters. De reden hier van ís van zich zelven 
klaar, want dewyl een lucht-kolom de kwik 
opdryft in den naauwf{ten tubus van een van 
die Barometers „ behoeft zodanig een lucht- 
kolom geen grooter zwaarte- kragt te oeffe- 
nen , als een andere lucht-kolom dewelke de 
kwik tot die zelfde hoogte op perft in de al- 
derwydfte tubus van een van die onderfchei- 
de Barometers; want het is wel waar, datde 
kwik-kolom in den wydften tabus dikker of 
groter van. diameter is, maar hier moet te= 
gens aangemerkt worden , dat insgelyks de 
lucht-kolom , die dezelve opperft , isen 
zo veel groter van diameter is, als de lucht- 
kolom die de kwik-kolom opperft in den 
aldernaauwften tubus, zynde de Diameter van 
elke lacht-kolorn egaal met de diameter van 
de kwik-kolom die elk komt op te pet 
Is 


BROCMEREE 4 
____Maart, July, 1722. 11 
__Als dan het gewigt van een lucht-kolom van 
__het bovenfte van den dampkring tot op de op- 
pervlakte van de kwik die in ’ bakje van de 
ometer is gerekent, egaal is,met een kwik- 
olom die de hoogte heeft van 27 of 28 of 
29 duim, na de onderfcheide zwaarte van den 
_ Dampkring, is het ook zeeker dat de verfchei- 
de kwik-kolommen , in een en dezelfde. ge- 
_fteltheit van de Lucht, by malkanderen ge- 
_plaatft (taande, altyd alle te gelyk moete zyn 
_van de hoogte van 27 of 28 ot 29 duim, na 
_dat op dien tyd de Dampkring meerder of min- 
_ der zwaar is. Verfta hier geen Engelfche7dui- 
_… men. 


7: 


Gelyk als deze zaak nu waar ís, ten opzig- 
te van de zwaarte-kragt van de Lucht, wilde 
de naauwkeurige Heer Boyle ook wel eens 
door proeven onderzoeken, of deze zaak ook 
plaats heèft ten opzigte van de te rug dryvende 
kragt of Elafticiteit van de Luucht , dat is of 
de lucht door deszelfs Elafticiteit de kwik in 
glazen pypen van verfcheide wydte, tot eenen 
dezelfde hoogte zoudeop parzen ‚namentlyk of 
de opgepatfte kwik-kolom in de wydfte pyp zo 
hoog zoude worden opgebeurd , als in de naauw- 
fte, Hier toe nam de Heer Boyle het zelfde groot 
glazen vat, het welk in fig. 2, met A uitge- 
beeld is, en twee glaze pypen van een ver- 
fcheiden Diameter , als dezelve by beurten in 
dit glazen vat geplaatft wierden, zoude blyken 
by het uitpompen van de Lucht, dat de kwik 

door 


12 _ Natunr- en Konft-Kabinet, 


door de Elafticite:t van de Lucht hyna zohoog; 
wierd op geperft ín den wydften tubus 
als in den kleinften, wiens Diameter echter 
wel de helft minder was. De kwik zoude 
door de Elafticiteit van deze beflote Lucht 
wel tot een en dezelve hoogte op geperft wor- 
de als de ub: van een en dezelfde wydte wa= 
ren geweelt, maar als de kwik in de wydíten 
tubus wierd op geperft, is daar door veroor- 
zaakt, dat de ruimte van het glazen vat daar 
de lucht in befloten was, groter wierd als wan- 
neer de kwik in den kleinen tubus wierd opge- 
perft, en dat door het opryzen van meerder 
hoeveelheid kwik , de ingefloten lucht zich 
in die groter ruimte meerder kwam te verwyde- 
ren,en vervolgens zwakker wierd, als dat maar 
een veel minder gedeelte kwik in den naauwfte 
tubus uit het glaze vat wierd opgedreven na 
boven, na welke proportie de opgeper{te kwik- 
kolommen ook maar kwamen te verfcheelen, en 
‚_geenfints na’tgrooteverfchil van de hoeveelheid 
des opgeperften kwiks. Als deze twee ver- 
fcheide pypen geftelt waren geweeft in twee 
verfcheide glaze vaten, en dat de proportie van 
de ingefloten lucht gefchikt was geweeft na 
de hoeveelheid van de kwik, en de wydte van 
elke tubus, of dat dezelve te gelyk in het 
glazen vat geplaaft ftonden, zoude de hoogte 
van de opgeperfte kwik in de twe pypen van 
ongelyke diameter egaal zyn. Waar uit ge- 
noegzaam openbaar is, dat de elafticiteit van 
de lucht, de kwik tot een en dezelfde hoogte 
in een wyden tubus zo wel zoude opperzen, 

als 


ij Maart, July 1722. 13 
_als in een tubus van minder diameter, zo wel 
_ als de lucht door deflelfs fwaarte - kragt de 
_kwik in pypen van een ongelyke drameter tot 
een en dezelfde hoogte komt opte perzen.T'ot 
‚vermaak van eenige liethebbers vertoonde de 
Heer Boyle een Fontein, dewelke fprong door 
de elaftic:teit van de lucht, zo alsdezelve na- 
_tuurlyk zonder eenige inperzinge of aanzet- 
__tinge van warmte geftelt is. De Heer Boyle 
__nam een grote glazen Fles, gelyk als vertoont 
word in Fig. 3. A. deze wierd met een be- 
hoorlyke hoeveelheid water opgevult. In de- 
ze fles wierd geftelt een glazen tubus B. van 36 
duim lengte, Dezelve was open aan elk ein- 
de, en wierd met deflelfs onderfte einde ge- 
plaaft onder het water, dat in de fles was. De 
hals van den fles, daar den tubus door ging, 
wierd zodanig digt toe geluteert, dat geen 
drup water, nog iets van de ingefloten lucht 
konde doordringen. ter zyden de binne wan- 
de van den hals, en den pyp. Dit werktuig 
wierd geplaatft in den zeer grooten recipient C. 
20 ras als door de lucht-pomp maar een wei- 
nig lucht uit den recipient wierd uitgepompt, 
begon de lucht die in de fles was zich uitte zet- 
ten, om dat door de uitpomping van de lucht, 
die in de recipient was, dezelveverfwakt was 
in deflelfs egale tegenperzinge, waar door het 
water dat in de fles was met geweld geperft 
wierd, niet alleen in den glazen tubus B, maar 
zelfs tot boven tegens den bol D. van den recz- 
pient, Deze Fontein duurde zo Jang tot de 
verwyderinge van de lucht E. die in de fles A 
befloten was, egaal was met de luchtdie noch 
in 


| 
| 
| 
| 


14 Natuur-en Konft-Kabinet, 

indenrecipient was. Maar zo ras wederom 
eenige lucht uit de recipient wierd uit gepompt, 
begon daatlyk de Fontein wederom te {prin= 
gen, zo lang tot de verwyderinge vande beide 
luchten wederom egaal waren. Het boventte 
einde van den tubus B. was zeer naauw ge- 


maakt, waar door het fpringen van de Fon= _ 


tein langer duurden. Op dezen tubus wierd 


geplaaft het koper werktuigje F. in fig. 4. het — 
welk vol pypjes was, waar door “verfcheide _ 


waterftralen vertoont wierden. Behalven dat 
door deze proef de elafticiteit van de lucht 
wierd aangetoont, tragte de Heer onder- 
zoeker ook te gelyk te ondekken, of de linien 
die de waterftralen befchreven in een zeer ver- 


dunde lucht niet verfcheelde van de linien de- — 


welke de waterftraalen maakten in een dikker 
tucht. Maar hy konde zyn oogmerk om de 
gebrekkelikheid des werktuigs niet bereiken. 
Ook wierd door deze proef klaarlyk ontdekt, 
hoe door de egaalheid van de wederzydfche 
parzinge, en evengelyke elaftsciteit van de lucht 
een lichaem in defzelfs ftandplaats ongekreukt 
gehouden word, gelyk als aan dit water biykt, 
het welke uit de glaze fles A geparft word in 
de hoogte, zo ras als de lucht in den tubus B 
door de uitpompinge van een weinig lucht, 
maar een weinig dunder is geworden, als de 
lucht die in de ruimte E van de fles befloten is, 
en wederom komt op te houden met {pringen, 
zo ras als deze beide luchten namentlyk die van 
den recipient, en die, dewelke in de ruimte E 
befloten is, van een en dezelfde verwyderinge 
zyn geworden, en vervolgens met een egale 

kragt 


REE td en er 


E __ Maart, — — July 1722. 1 
ijn 3 elk-aan zyn zyde, met dewelke hy. het 
water komt te raaken, op het water drukt. 
_ Op dezelfde wyze als alle lichamen die daag- 
_ 1yks in de lucht verkeren, hoe teder dezelve 
__@ok mogen zyn, door deze egale perzing onge- 
kreúke blyven, maar zo ras als deze perzinge, 
het zy door de fwaarte van de lucht, of door 
defzelfs elafticiteit aan de eene of deandere zy-* 
de de overhand heeft, worden zy of uit hunnen 
_ ffantplaetssgedreven, ‚of op de eene of de an- 
_ dere wyze gekreukt, of verbryzelt, uitgeno- 
_ men in ’t geval van’t volkomen rond, gelyk 
als een rond glaze Bolletje , de fwaarte van 
den gehelen dampkring konde verdragen, en 
een platte glazen ruit met een grote flag ver- 
bryzelt wierd, op de eerfte of twede uitpom- 
ping van de lucht. 


9. 

Het vermogen van de te rug dryvende kragt 
of elafticite:t dat natuurlyk aan de lucht is,‚heb- 
ben wy door verfcheide proeve gezien, nietal- 
leen op de vloeibaare lichamen, gelyk als het 
‚ kwikzilver, of het water, maar zelfs ook op 
de vafte lichamen, gelyk wy zien hoeeen blaas 
met een groten flag in een recipient aan, ink 
barft door de elafticiteit of uitzettinge van de 
‚ Tùcht, dewelke in dezelve befloten ís, zo ras 
| als de buite- lucht, die op defzelfs buitenwwan= 
den met de-binnen lucht op de binnen wanden. 
egaal drukt, word weg gepompt. Of als wy 
zien hoe een ronde glaze bol vol lucht in een 
uitgepompte recipient tot gruis-aan {tuk komt 
‚ te barften, dat zo fyn is als zulverzand, Maar 


bl nu 
1 
1 


hd 
En 


vs 


16 Natuur= en Konft-Kabinét, 
nu wilde de Heer Boyle wel eens weten hoe 


veel kragt een weinigje luchtkan oefenendoor —_ 


defzelfs elafliciteit. De Heer Boyle nam de 
Varkensblaas in fig. 5. A. vaneen zeer mid. 
delmatige groote, en dreef zo veel lucht uit 
dezelve dat defzelfs vyfde deel maar met lucht 
opgevult was. Defzelfs boventten hals B wierd 
met een fterk touwtje lucht digt toegebonden, 
en aan het onder{te gedeelte van den ftop G, 
of den haan van de kraan, door dewelke de 
lucht uit en in den recipient F gelaten word, 
Aan het onderfte gedeelte D, van den Blaas is 
gebonden een gewigt van 1s pondenE, zoras 
als nu de lucht die in de Blaas befloten was 
van de perzing van de lucht des recipient ont- 
flagen wierden, kwam deze binne- lucht zich 
uit te zetten, en in defzelfs volumen zodanig, 
zich uit te breiden, dat dezelve de blaas ver- 
vulde en dede uitzette in de wydte, tot diege- 
daante in dewelke gy dezelve uitgebeelt ziet; 
en dewyl de blaas door deze uitzettinge korter 
wierd, was het blykbaar, dat door de Elaft:- 
eiteit van de weinige lucht die inden blaas was 
ingefloten, het gewigt E wierd opgetilt, juift 
%o veel in de hoogte als het onderfte gedeelte 
D van de blaas genadert was aan het bovenfte 
gedeelte B. De Heer Boyle hervatte deze 
proef met een groter blaas daar zo weinig lucht 
in gelaten was, dat dezelve byna geheel flap 
kwam te hangen, echter was de Elafticiteit 
van dat weinigje ingefloten lucht zo vermo= 
gende dat (na het u't- pompen van de lucht uit 
den recipient in dewelke die blaas geplaaft was) 
het zelve niet alleeniyk den blaas kwam op te 
vul- 


k Maart, July, 1722. 17 
vullen, en uit te zetten, maar ook optilden 
een gewigt van 24 ponden. De Heer onder- 
_ zoeker geeft vorder in bedenkinge, of door 
deze proef niet wel eenigzints zoude konnen 
opgeheldert worden de beweginge en de kragt 
der menfchelyke fpieren, door een zoort van 
een vergelykinge by. deze elafticgue opblazin- 
BA: 4 


ik 10, 
_ In deeerfte tyden toen de {waarte-kracht en 
 Elafhsciteit van de lucht eerft ondekt waren, 
_ maakten de hooge Scholen zeer vele beweginge, 
„en wilde hun oude ftelling, dewelke gemeenlyk 
_ vacui fuga of afkeer der Natuur van ’t ledige ge- 
__naamt word,op geenderhande wyze verlaten. Zy 
_ gaven zeer veel moeyte aan de Heeren T orricelli, 
Guericke, Merfennus , Petit, Pafcal , Boyleen 
andere, Onder deze plenilten en_ tegenwor- 
ftelaars bevonden zich zelfs verfcheide zeer 
‚ doordringende en grote verftanden, zo dat 
naauweliks eenige proef tegens haar gevoelen 
gedaan wierd, daar zy niet de eene of andere 
uitvlugt op witten te vinden. Als zy het water 
in een pomp den zuiger (die de lucht uit des 
pomps-buis uitpompt) zagen volgen, en als na 
klimmen in de hoogte, oordeelen zy, dat dit 
water in de pomps-buis opklom uit hoofdevan 
_een afkeer die de natuur hadde van het ledige: 
dat alles ja het geheel al zodanig vervult, en 
niet als lichaam was, dat nergens een_ eenig 
lichaam hoe dun of klein het zelve ook zyn 
mogte, uit de gebuurfchap van defzelfs- om= 
zingende ligchamen konde vertrekken, of des- 
_VIL Deer, B zelfs 


| 


18 Natuur-en Konft-Kabinet , 
zelfs plaats wierde daatlyk , zonder eenige 
tuffchenkomtte, vervult : dat daarom ook zo 
ras als de zuiger van een pomp na boven gaat, 
het water dezelfde daatlyk volgde, op dat 
tuffchen den zuiger en het water geen ledig 
zoude zyn. Maar het geen deze Heeren wel 
voornamentlyk overhoop kwam te werpen, 
was dat uit de proef van Torricelli bleek, dat 
dit water in de pomp na boven geperft wierde 
van de lucht, die op de oppervlakte drukt 
van het water dat in de put is, in dewelke de _ 
pomp géplaaft (taat. En dat alleenlyk om datde — 
tegenperzinge van de lucht die in den tubus van 
de pomp was word weg genomen, zo ras als 
die lucht word uitgepompt, en dat dit wa- 
ter dat de zuiger fchynt na te volgen,tot geen 
grooter hoogte kan geparft worden, als het 
water dat in de bak daar de pomp inftaat door 
de juifte fwaarte van de lucht die op deszelfs 
oppervlakte drukt, dáar toe gedwongen werd, 
en noit hoger : Dat als dit opklimmen van 
het water gefchiede uit hoofde van die zo ge- 
naamde afkeer van het ledige, het water ze- 
lerlyk den zuiger zoude volgen tot alderhande 
hoogte, al wás zelfs zulks tot honderten meer 
voeren, daar nu in tegefideel het water maar 
32 Rynlandfctie voeten opklimt, en altes wat 
dan de zuiger vat cen pornp nog hoger opgehdalt 
word een lugtlêdige plaats is, om dat het wa- 
ter op 3à voet hoogte blyft ftaan,‚en de zuiger éch- 
ter de lucht uit den tubus van den pomp wég- 
pompt. Niet tegenftaande de Heer Boyle zich 
in die ktweltie wegens het vaczi fuga of den 
afkeer van het ledigen niet wilde mengen, 

oor= 


Maart , Julys 1722. 19 
oordeelde die Heer, om dat hy nu aan beter 
werktuigen geraakt was, dat hy door proeven 
wel zeer klaar zoude aantoonen, dat niemant 
om uit te leggen het opklimmen van het wa- 

ter in den tubus van den pomp zo ras als de 
‚ zuiger na om hoog gehaalt word , zyn toevlugt 
tot het vacui fugam of afkeer van het ledige 


__zoude behoeven te nemen. 


He 

Neemt een koperen pyp, gelyk als uitge- 
beeld (taat in fig. 7 met A. dezelve moet ge- 
Bogen zyn, gelyk als dezelve uitgebeeld is, 
laat aan het dikfte einde maken de koperen 
kraan B, en fluit dat einde lucht-digt in de 
_pyp C van de lucht-pomp , daar dezelve door- 
_fteekt door het tafeltje D. luteert lucht-digt aan 
het dunfte einde E van den gebogen koperen 
pyp den glazen zubus F. deze tubus moet so 
duimen lang zyn. Plaats dezen glazen tubus 
| perpendicunlair of regt overeind, en met heton- 
derfte einde G. in het glazen vat met kwik H, 
dat dit einde een weinig in de kwik ingedom- 
pelt is. Pompt dan de lucht uit den glazen 
pyp F, en de kwik zal noit hoger als 30 dui- 
men, dat is by r opklimmen, hoelang gy ook 
met pompen moogt aanhouden. En in dezen 
tubus F. die so duimen lang is zal een ruimte 
die twintig duimen lang is, dat is van 1 tot F. 
overblyven. Om dat de lucht-pomp K, die 
‚op de oppervlakte van de kwik in het glaze vat 
|H, komt te wegen, juift net zo fwaar en niet 
{fwaarder is. Na dat nu de dampkring de eene 
{dag lichter of fwaarder weegt, en dat deze 
B 2 lucht- 


20 __ Natuur- en Konft-Kabinet , 


lucht-ftraal K, derhalven meerder of minder 
komt te parzen, zal de kwik-kolom ryzen of 
dalen, op 28. 29. of byna 30 duim. Als nu - 
een vogt ligter bevonden word, als de kwik, 
zal het zelve ook na mate dat het lichter is, 
daatlyk hooger ryzen. Het welk daatlyk blykr, 

“zo ras als gy in de plaats van kwik in dit glaze 
vat H, water giet, want zo ‘ras als dan de 
lucht gepompt word uit de glazen tubus F', 
zal het water niet alleen klimmen tot aan het 
bovenfte einde van den tubus, maar zelfs ook 
overlopen, en als de tubus de lengte hadde, 
zelfs tot de hoogte van byna 32 Rynlandfche: 
voeten, om dat de kwik-kolom van 3o duim 
zo fwaar is, alseen water-kolom van 32 
Rynlandfche voeten, en deze elk egaal wegen 
met de lucht-kolom. Dewyl dit kwikzil- 
ver en het water op het vitpompen van de lucht 
nu op dezelve wyzè na bovengaat, als het wa- 
ter in de houte pypen van de gewoone lange 
pompen,blykt klaar door uitpompen en uitzuigen 
dat het kwik-zilver noch het water nier hoger 
konnen opgevoert worden , als doorde {waar- 
te van de lucht, of door des zelfs Elafticizeit, 
en dat wy deze zaak ook geenzins met het vacuz 
fuga of afkeer van * ledige behoeft uit te leg- 
gen, 


rar 
Het zyn zeer aangenaame proeven, waar 
door wy betogen, dar wy door het uitpompen 
van de lucht konnen ontdekken de proportie 
van de fpectficgue {waarte, dewelke de vogten 
onder malkander hebben. Neemt by voor- 
beeld 


- 


Maart , — July, 1722 af 
beeld gelyk in fig. 8. uitgebeeld word, een ko- 
peren pyp A. voegt aan deszelfs dik {te einde een 
koperen kraan B. en fluit dit zelfde einde lucht- 
digt in de pyp C. van de lucht-pomp , daar de- 

zelve door de tafel D. doorfteekt, het andere 

_&inde E. moet gemaáäkt zyn met een dwars-pyp 

_F. in het einde G. van de dwars-pyp moet 

lucht-digt geluteert worden den glazentubus X, 
deze glaze tubus moet met deszelfs onderfte 

inde perpezdiculair geplaatft (taan in het glazen 

Bakje met kwik H. in het einde I. van den 
dwars-pyp moet luchtdigt geluteert worden den 
glaze tubus K. deze glaze tubus moet met 
zyn onderfte einde perpendiculair geplaattt (taan 
in een glazen vat met water L. als gy nude 
lucht zult pompen uit dit werktuig , moet 
zeer voorzigtig gehandelt worden. Want om 
dat deze glaze pypen niet langer zyn als so duim, 
kan niet veel lucht uit dezelve gepompt wor- 

‚ den, of de lucht-kolom M. zoude het water 
| zekerlyk al te hoog op perzen, door den tubus 
‚ K; om dat dezelve het water in een geheel 

\ luchtledige plaats zoude opdryven tot 32 voet 

| gelyk als wy getoont hebben, 


13. 
De Heer Boyle onde dat zodanig. een 

‚ werktuig zoude konnen gemaakt worden. met 
‚ Een redelyk getal glazen pype, en dat op die 
‚_wyze in het doen van eene proef verfcheide 
vogten te gelyk tegens malkanderen zouden 

‚ konnen gewoogen worden , en te gelyk ontdekt 
| worden de hoogte die elk vogt beklom, ende- 
| welke beantwoorde de proportie tuflchen de 
Ik B 3 trap 


22. Natuur-en Konfte Kabinet , 


trap van parzing, en de fpectficgue {waartens 
de vogten. Zo ras als nu op een zeer naarzig- 
tige wyze een weiniger lucht was uitgepompt 
kwam het water daatlyk inden glazen tubus K. 
op te ryzen tot de hoogte van 42 duim en by 
N, en op dien zelven tyd was de kwik maar 
opgerezen omtrent drie duim in de tubus X. 
by O. het welk zeer wel kwam te beantwoor- 
den aan het onderfcheit van {waarte dat gevon. 
den wierdtuffchen de kwik en het water ,zynde 
de kwik veertienmaal fwaarder als het water, ge- 
Iyk als indezetwe vloeibare floffen kwam te bly- 
ken. Want dek wik veertien maal waarder zyn= 
deals het water , rees het water ook veertien maal 
hoger als de kwik. De Heer onderzoeker ver- 
volgde deze proef en bevond met groot ge- 
noegen dat door het uitpompen of wederom in- 
laten van een weinigje lucht, deze twe vloei- 
bare ftoffen kwamen te ryzen en te dalen ge- 
proportioneert op malkander , en elk na zyn 
fpecificque {waarte. Uit deze proef blykt on- 
wederfprekelyk , dat het opryzen van de kwik 
eu van het water niet gefchied uit hoofde van 
de zo genaamde afkeer van het ledige, maar 
enkelyk en alleen door de fwaarte-kragt vande 
lucht. Anders zoude zekerlyk de kwik in een 
en dezelfde gefteltheid van verdunde lucht op- 
ryzen tot de hoogte van 42 duimen zo wel als 
het water. 


14 

Om het onderfcheid van de fwaarte van an- 
dere vloeibare vogten, door deze proefbevin- 
dinge te ontdekken, ledigde de Heer Boyle het 
glazen 


—__ Miart, — July, 1722. 23 


__ glazen vat H. van deszelfs kwik, en goot in 


dit vat een zeer ligte pekel die geraakt was van 
gemeen water met keuken- zout. Na dat de 
glazen tubus X. met deszelfs onderfte einde 
geftelt was in die pekel, op dezelfde wyze als 
te voren in de kwik, wierd wederom voor- 
zigtiglyk een weinig lucht gepompt uit de beide 
glazen pypen X en K, ftaande den tubus K. 
_ wederom als voren in het vars water, dat in 
het glazen vat L. gehouden wierd. Op deze 
uitpomping rees daatlyk het vars water weder- 
om als te voren op de hoogte van 42 duimen; 
maar de pekel die {waarder was rees niet hoger 
als nauwelyks tot 40 duimen. Waar uit date- 
1yk konde gecalculeert worden hoe veel de pekel 
fwaarder was als het water. Maar om dat dit 
onderfcheid niet groot was, uit hoofdedat de- 
ze pekel zeer flap gemaakt was, wilde de Heer 
. onderzoeker dit onderfcheid van fwaarte tuf= 
fchen de alderkragtigfte pekel en gemeen water 
eens navorfchen; daar toe nam die Heer een 
goede hoeveelheid gemeen zout, en liet het zel- 
ve fimelten, tot een alderfwaarfte pekel in een 
vogtige lucht. Deze pekel in de plaats vande 
ligte pekel in den tubus X. gedaan zynde, en 
de lucht als vooren voorzigtiglyk uit de beiden 
glaze pypen gepompt zynde kwam, toen het 
värfch water wederom op de hoogte van 42 
duim-was, deze fware pekel 75 lager te ftaan 
als<het varfeh water, Door het inlaten van 
een „weinige ‚lucht „ het verfch water gezakt 
7ynde tot ‚op ‘een ‘hoogte van 21 of 22,0f 23 
duimen; was de ‚hoogte van -de fware ‚pekel 
ook swederom 3 of ier duim lager als.die van 

B 4 het 


24. Natuur- en Konft-Kabinet , 


het varfch water. Onder de pekels of logen 
word mede het fwaarfte loog geacht dat van 
pot-afch gemaakt is, door de potafch van zich 
zelfs te laten fmelten in een kelder. Zodanig 
een loog wierd door den Heer onderzoeker 
insgelyks eens tegens malkander in dit geeftige 
werktuig gewogen „en bevonden dat toen het 
varfch water was opgerezen tot de hoogte van 
42 duimen de loog van potafch niet hoger 
was opgeparft als byna tot maar 30 duimen, 
zo dat de kolom van dit loog ruim twaalf duim 
korter was, als de kolom van het vers water. 
Niettegenftaande zy elk waren opgeperft door 
twe lucht-kolommen die egaal fwaar waren. 
Als het water niet hoger wierd opgeperft als 
tot 21 duim, ftonde ook de loog-kolom 6 
of 7 duimen lager, als de op de helft ver- 
korte water-kolom. Uit dit alles blyktklaar- 
Iyk dat door zodanig een werktuig en de 
lucht-pomp op een zeer openbare wyze kan 
ontdekt worden de fpectficgue fwaarte van elk 
vogt , en de proportie van fwaarte tuffchen de 
vloeibare lichaamen of vogten, Hoe wel ech- 
ter de fpecificque fwaarte van elk vloeibaar 
lichaam of van de vogten en proportie van der 
zelver fwaarte onder malkanderen, opeen ge- 
heel andere wyze gelyk ik na dezen zal be- 
fchryven veel accurater kan gewogen worden, 
Want om dat de Damp-kring op zommige ty- 
den van {waarte byna een veertiende gedeelte 
komt te veranderen gelyk door de Barometer 
daaglyks aangewezen word , zouden wy de 
Jpecificque fwaarte van elk vloeibaar lichaam op 
deze wyze zonder behulp van een daar nevens 


ge- 


_ __ ‘Mart, —— July, 1722. 25 
geftelde Barometer befwaarlyk in de uiterfte 
graad van netheid konnen bepalen, en al fchoon 
de fwaarte dewelke de damp-kring op zodanig 
_ een tyd hadde al door een daar nevens geftelde 
_ Barometer wierd aangewezen, op dien tyd als 
_ wy zodanige proeven kwamen in het werk te 
' ftellen, zouden zich noch al verfcheidebelem- 
__meringen op doen , dewelke eenigzints hin= 
 derlyk zouden konnen zyn. Neemt maar 
eens by voorbeeld, dat wy daar toe een Baro- 
meter kwamen te gebruiken , die niet van de 
uiterfte volkomenheid was; gelyk als de meefte 
Barometers zyn, dewelke toe geftelt zyn ge- 
worden van menfchen die in diezaken dik wils 
onkundig, of zeer onervaren en niet opletten- 
de genoeg zyn. Want als de lezer eens ge- 
liefd in agt te nemen die zaken, dewelke de 
naauwkeurige Heer Fahrenheid in zyn brief, 
die gevonden werd in het Natuur- en Konft-: 
__ Kabinet, voor de Maanden January en Fe- 
bruary 1722. getoont heeft, dat waargenomen 
moeft worden ín het maken van Barometers, 
zal klaar genoeg blyken, dat de meefte Baro- 
meters, die van onbedagtzame gemaakt zyn, 
de eigentlyke fwaarte van de Lucht niet ftipz 
telyk komen aan te wyzen ; gelyk als blykt 
uit de ongelyke lengte van de kwik kolommen 
in verfcheide zodanige Barometers, daar zy op 
een en dezelve tyd naaft malkanderen geplaaft 
worden. 


1e. 
Terwyl de Heer Boyle bezig was, om te 
onderzoeken de evenredigheit tuflchen de 


| B 5 fwaarte- 


26 Natuur-en Konft-Kabinet, 


fwaarte-kragt van de lucht en des zelfs Elaft;- 
citeit, heeft hy de uitwerkingen van de Elafti- 
citeit van de ingeflote Lucht, nog verder ver- 
volgt , en onderzogt of door de Elafticiteit, 
even gelyk als door de fwaarte-kragt te gelyk 
zoude konnen aangewezen worden, de fpecz- 


fyegue (waarte der vogten tegens malkanderen 


geconfidereerd. De Heer onderzoeker nam 
een zeer fterke kruik van een pint, in deze 
kruik wierd een goede hoeveelheid kwik-zilver 
geftort, en boven op dit kwik-zilver wierdeen 
menigte water gegoten. In de kruik wierden 
twe glaze pypen geplaatft, namentlyk een lan- 
ge en een korte; de lange was voor het water, 
en de korte voor de kwik; om dat het water 
veel hoger als de kwik opgeperft werd van een 
egale kragt. Deze tweglaze pypen warenaan 
hun beide einden open, en wierden in de kruik 
zodanig geplaat{t, dat het einde van de kortíte 
pyp tot in de kwik reikte, en het einde vande 
langíte pyp in het water, werdende in de hals 
van de kruik lucht-digt geluteert met Cement. 
Zonder dat de lucht die in de kruik boven het 
water nog overgebleven was , op enigerhande 
wyze eenige gemeenfchap konde hebben metde 
buite-lucht, die in de beide glazen pypen was, 
om dat de eene met des zelfs einde in de kwik 
ftak , en de andere in het water dat boven de 
kwik ftond. Deze kruik wierd geplaaft in een 
recipient die van gedaante zodanig geftelt was, 
dat deze beide glaze pypen in des zelfs langen 
hals konden geburgen worden ; omtrent op 
de wyze aìs dien recipient, dewelke in fig. 1. 
uitgebeeld werd. Na dat nu de lucht uit de 

reci= 


Maart, — July, 1722. 27 
recipient maar een weinigje begonde uitgepompt 
te werden , begonde daatlyk de kwik en het 
water elk in zyn glazen pyp op te ryzen : niet 
__om dat de kwik en het water opgepar{t wier- 
den door de fwaarte van de lucht, gelyk als in 
fig. 7. uitgebeeld werd, maar door de £laftici- - 
geit van de lucht, dewelke befloten was in de 
kruik. Want de buite-lucht, die in de glaze 
pypen was, eenigzints vermindert werdende 
door het uitpompen van een weinigje lucht uit 
den recipient, parft daatlyk minder op het wa- 
ter door den glazen pyp, die in het water fton- 
de, en ook minder op de kwik door den gla- 
_ zen pyp die in het kwik-zilver ftond; waar 
door verloren zynde het evengewigt, dat deze 
buiten-lucht hadde met de beflote lucht van de 
kwik in de parzing , op de kwik en op het wa- 
ter, noodzaakelyk de kwik zo veel in des zelfs 
glazen pyp, gelyk als ook het water in de zyne 
moeften opryzen, als de overmaat van kragt, 
die daar door in de binne-lucht van de kruik 
geboren was, kwam te bedragen. Uit welke 
proef niet alleen openbaarlyk blykt, dat de 
lucht door des zelfs Elafticiteit net zo veel 
perft als zy door des zelfs fwaarte of gewigt 
komt te drukken, maar ook dat de lucht door 
des zelfs Elafticiteit elk vloeibaar ligchaam 
zo wel tot de hoogte na des zelfs fpecifycgue 
fwaarte opdryft, als door des zelfs fwaarte- 
kragt : gelyk als kwam te blyken. Want 
als de kwik in des zelfs glazen pyp twe duim 
kwam op te ryzen, klom het water op tot 
de hoogte van agtentwintig duim; om datde 
kwik veertienmaal fwaarder is als het it 

at 


28 _ Natuurs en Konft-Kabinet , 

dat is dat twe duim kwik zo veel weegt als 
agtentwintig duim water: Als het mogte ge- 
beuren dat de liefhebbers uit vermaak deze 
proef-ondervindinge eens beliefden in het werk 
te ftellen, zal het beter zyn, dat hy zich be- 
dienen van een doorfchynende glazen fles als 
van een kruik , om dat het opryzen van de 
kwik, en ook van het water in der zelver 
pypen, niet eer kan gezien worden, als daar 
de pypen boven uit de kruik komen , daar 
alles door een glazen fles gezien kan wor- 
den, 


Ió. 
De Heer Boyle ín aanmerking genomen 


‚hebbende, dat, niettegen{taande door de Hee= 


ren Petit en Pafcal te Rouaan alover langen 
tyd de proeven waren in het werk geftelt, 
door dewelke kwam te blyke de fpecrfycgue 
hoogte, tot dewelke het water kan opge 
pompt worden, noch zeer veel geleerde man- 


ne op verfcheide hoge Scholen, en op ande- - 


re plaatzen gevonden wierden, dewelke hun 
out gevoelen, zamentlyk dat het-water in een 
pomp den zuiger volgt, uit een afkeer dewelke 
de natuur beeft van het ledige , op geenderhan- 
de wyze wilden verlaten, en vervolgens- aan 
de proef-ondervindingen vau de Heeren Tor- 
__ricelli, Pafcal en Petit, weinig geloof fchenen 
te geven, zich miffchien inbeeldende dat het 
water onder het in t werk ftellen van die 
proeven tot geen groter hoogte als ruim 32 
Franfche voeten hadde konnen opgepompt 
worden, uit gebrek van de werktuigen „ de- 

welke 


\ Maart, — July, 1722. 29 
welke die heren daar toe hadden gebruikt, of 
uit andere onbekende oorzaaken. Dit alles be- 


woog de Heer Boyle, om deze zeer aanmerke- 


lyke proef ook eens met de alderuiterfte naan- 
keurigheid en voorzigtigheid in het werk te 


“ ftellen. 


17. 

De plaats, dewelke tot deze proef uitgeko- 
ren wierd, was een plat op een huis, het wel- 
ke 30 voeten van den grond hoog was, gelyk 
gezien kan worden in tabula XXXIX., fig. 8. 
met Â. dit plat was bezorgt met zeer hegt en 
fterk traly-werk B. uit gebrek van een glazen 
buis van de vereifchte lengte, liet de Heer 
Boyle een pyp C. toeftellen van 31 ‘Engel- 
fche voeten lengte, en dewelke diametraal 
een duim wydre hadde, van Cypersblik; en 
niettegenflaande deze pyp uit verfcheide delen 
aan malkandere gemaakt was, wierd echter 
dezelve volkomen lucht-digt gemaakt, door 


_foudeerzel, cement en diergelyke voorzorgen. 


In het boven einde van deze blikken pyp wierd 
een zeer fterke glazen pyp De, van omtrent 
drie voet lengte, vaft en lucht-digt gelgteerr. 


_Op dat als het water hoger kwam te klimmen, 


als de lengte van den blikken pyp bedroeg, het 
zelve in dezen glazen pypzoudekonnen gezien 
worden. Aan het bovefte einde van dezen 
glazen vyp wierd wederom lucht-digt ge/uteert, 
een pyp van blik, die de gedaante hadde als 
een omgebogen Arm; gelyk te zien is by E 
deze pyp rekte met zyn tak F. tot aan het 
werktuig G, dat op het plat A geftelt was. 
Om 


3o __Natuur- en Konft-Kabinet, 


Om aan dit werk de behoorlyke valtigheid te 
geven , waren gemaakt de dwars-{porten il en 
[, benevens nog verfcheide touwen, Bomen, 
en andere bindzeis ‚ dewelke alhier niet uitge- 
beeld worden „door dewelkealles onbewegelyk 
valt gemaakt wierd. Het onderfteeinde vanden 


langen blikken pyp ftak in het vat K , in het 


welk zo veel water wietd gegoten, als tot de- 
ze proef vereifcht wierd. Na dat nu alles klaar 
was, wierd de lucht-pomp G. aan de gang ge- 
bragt , en vlytig bewogen door den Arbeider 
die op het plat verbeeld ftaat met L. 


18. 

De verfcheide ongemakken en toevallen de- 
welke onder dit pompen voorvielen te boven 
gekomen zynde, heeft de Heer Boyle bevon- 
den, dat het water, dat in het vat K was, op 
gebragt wierd in den glazen pyp D. na dat nu 
met alle kragt van pompen het water niet ho- 
ger konde gebragt worden als by D, heeft de 
Heer Boyle door een meetfnoer nauwkeurig 
afmeten de hoogte van de water-kolom vande 
oppervlakte van het water by M; en bevond de 
lengte van deze water-kolom te zyn 33 voeten 
en Ó6 duimen Engelfche maat. Om nu de 
fwaarte van den dampkring op dien zelfde tyd 
door kwik-zilver te wegen, gebruikte de Heer 
Boyle een Barometer, en bevond de kwik- 
kolom 29 duim en 3 a 4 linien Engelfche maat 
lang. Waar uit klaarlyk kwam te blyken dat 
de water-kolom juift tot die lengte was opge- 
bragt, welker fwaarte over een kwam met de 
fwaarte van den Dampkring op dezen tyd, en 

met 


Maart, — Jarl, 172 3t 
met de fwaarte van de kwik-kolom dieindien - 
tyd in de Barometer gevonden wierd. Waar 
uit genoegzaam bleek , dat de water-kolom tot 
de hoogte van 33 voeten en 6 daimen Engel- 
fche maat opgepar{t was, door de diametraal- 

‚ gelyke lucht-kolom N, en geerzints door het 
fuga vacni of den afkeer, dewelke de natuur 
kwanzuis zoude hebben van het ledige, na de 
ftellinge der pleniften, om dat van Dtot E een. 
lucht-ledige plaats was, daar het water dan ze- 
kerlyk ook in opgeklommen zoude hebben; 
maar dat nu door geen kragt van pompen kon- 
de gefchieden, om dat de lucht niet fwaarder 
op dien tyd kwam te wegen. 


19. 
Op dat nu niemant aan de waarheid van deze 
proef-ondervinding zoude konne twyfelen, 
heeft de Heer Boyle tot getuigen laten roepen 
de zeer beroemde Heren Dokter Wallifius, 
Wrenus, en Millington, dewelke by herha- 
linge van deze proef het water noit hoger kon- 
den brengen als tot 33; voet Engelfche maat. 
_In het op-pompen van het water wierden aan 

het bovenft gedeelte van de water-kolom on- 
| fange veel lucht-blazen gezien, het welk de 
| lucht was die in het water tevoren ingewikkelt 
_ was geweelt, gelyk wy reêts hebben aangewe- 
‚_ gen, dat zich altyd lucht'in het watert komt te 
| bevinden. Deze lucht ís om des zelfs licht- 
‚_heid en om het weg gaan van de lucht die de 
‚ oppervlakte van het water te voren nederper- 
| fte, eerft gereet om de luchtledige plaats van 
‚_den langen tubus in te nemen; en dit is ook de 
oor- 
| 


32 Natuur-en Konft-Kabinet;, 
oorzaak dat die lucht-bellen boven geftadig los 
kwamen te barften, terwyl wederom andere 
van onderen opkwamen, en der zelver plaats 
vervulde, het welke zo lang duurde tot de 
meefte lucht die in het water als opgefloten 
geweelt was, daar uit was vertrokken; hoe- 
wel de Heer Boyle bekent, dat dit zeer lang 
duurde, en dat hy deze lucht-bellen eindelyk 
wel kragtig heeft zien verminderen, maar noit 
zodanig geheel zien agterblyven, dat niet nog 
een geduurige wemeling van lucht-bellen in 
het water gezien wierde. Het welk een teken 
is dat de lucht, díe zich gewoonlyk in het wa- 
ter bevind, al veel hardnekkiger met het water 
verknogt en als vereenigtis, als anderzints wel 
geoordeelt zoude worden. 


26. 

De geleerde oordeelde in dien tyd, in de- 
welke de Heer Boyle dit eerfte vervolg gefchre- 
ven heeft, dat de gefteltheid van de lucht zeer 
veel verandering konde toebrengen aan de veer- 
kragt der elafiycgue of veeragtige ligchamen. 
Om dit te onderzoeken dede de Heer Boyle in 
een recipienteen matig ftuk balein, het welke 
door gewigt een weinigje gebogen was, en de 
minfte verandering van deszelfs Elafticiteit ge- 
noodzaakt was aante wyzen , door een ge- 
wigt. Maar de verandering dewelke de Heer 
Boyle op de uitpomping ondekten, was zoda- 
nig gering, dat de Heer onderzoeker oordeel- 
de dat de proeven, dewelke door een zak-hor- 
logie, of diergelyke tedere werktuigen, om- 
trent die zaak gedaan werden , veel bek wa- 

mer 


Maart, —— July 1722. 33 


mer zyn om deze geringe verandering te on- 


_ dekken. 


Ld 


21, 

De Heer Boyle oordeelde dat het niet ot- 
mogelyk was, om eer: regelmaat of aanwyzer 
uit te vinden, door dewelke naaukeurig aan= 
getoont, en als gepeilt wierd , de nette hoe- 


veelheit van lucht „dewelke in elke recipient na 


de uitpomping overblyft. Onder verfcheide 
werktuigjes, dewelke de Heer onderzoeker 
oordeelde dat bekwaam zouden konnen zyn 


om te konnen aanwyzen de hoeveelheit van 


lucht , dewelke uit een recipiegt is uitgepompt, 
kwam hem voor om blaafen van alderhande 
grote na de ruimte van de recipienten te ge- 
bruiken : deze blazen byna geheel te ontledi- 
gen van lucht, behalven een weinig lucht, om 
zich te konnen uitzetten : zodanig een blaas 
te doen in den recipient, uit de welk de lucht 
uitgepompt wierd, om te konnen Calculeren 
aan het uitzetten van de blaas, door de Elaft:- 
citeit van de lucht die in zodanig een blaas be- 
floten was, de hoeveelheid en de fwakheid of 
kragt van de lucht, die nog in zodanig een re- 
ciptent overgebleven is. Maar de Heer Boyle 
bevond zo veel gebreken aan deze blazen, dat 
hy naar andere middelen omzag. 


22, 

De Heer onderzoeker nam een klein glazen 
tubusje, dat maar eenige duimen lang was, 
maakte het zelve hermetifche gefloten, aan des 
zelfs eene einde, goot het zelve vol’ kwik- 

VI, Deer. C zilver, 


34 Natuur-en Konft-Kabinet, 
zilver, en keerde het zelve voorzigtiglyk het 
onderfte boven in een klein flesje of bakje, in het 
welkeinsgelyks een‘weinigjekwik-zilver gedaan 
was. Dewyl nu zodanig een glazen pypje 
maar eenige duimen lang was, bleef dekwik 
zeer lang in dezelveftaan, al {choon dit werk- 
tuigje al geplaaft tonde in een reciptezt, daar vry 
wat lucht uitgepoimpt wierd , maar als eindelyk 


ongemeen veel lucht uit zodanig een recipient 


was uitgegaan, en dat de lucht, dewelke nog 
in dezelve overig was ‚niet kragtig genoeg was 
om de kwik zo hoog op te perzen als het glazen 
pypje lang was , begonde de kwik allengskens te 
zakken , waar door zeer net kondealsafgeperkt, 
en gepeilt worden de hoeveelheid van lucht, 
dewelke altyd min of meer in de recipiexten na 
de uitpompingen over blyft. 


23: 

Zodanig een RP was echter noch ook 
al veel ongemakken in de behandeling onder- 
worpen, om dat de kwik die in het bakje was, 
of het pypje dat in dezelve geplaaft ftond , 
de behandelinge en beweginge van den 
recipient niet al te-wel konde uit{taan. Daar- 
om heeft de Heer Boyle alles aangewent, om 


een ander werktuigje uit te denken, door het 


welk de lucht inderecipient kondegepeilt wer= 


den, en inalle gevallen gebruikt konde werden. « 
Zodanig een werktuigje heeft de Heer onder- 


zoeker eindelyk uitgevonden, en het zelve be- 


kwaam gevonden tot alderhande gebruik, en 


dat het in de meefte recipienten dewelke gebruikt 
Wierden konde geplaat{t worden. : 
24. 


GEND PA 


d 


Maart, —= Huy, 1722. 35 


24. 
Zodanig een werktuigje was gemaakt van 


Een glazen pyp, die zeer dun en van de ge- 


daante van een cylinder, en omtrent 6 of 8 of 
zo duim lang was, en de dikte hadde van een 
ganzefchagt. Dit pypje wierd gebogen aan de 
lamp; tot de gedaante gelyk als in fig. 9. uit- 
gebeeld word. De om hoog geboge armen 
van deze cylinder zyn een weinig ongelyk van 
lengte, gelyk te zien is aan de langearm A ‚ende 
korte arm B, in het einde van het eene armtje A. 
dat hermetifche toegezegelt is, werd omtrent een 
duim of een halve duim breed natuurlykelucht 
gelaten, in het overige gedeelte van dit armtje 


gelyk ook in den andere arm die boven by B. 


open is, is kwik-zilver gedaan. Als dit nu 
geplaaft werd in een recipient, zal noodwen- 
dig de kwik in elke arm moeten ryzen of dalen, 
na dat uit de recipiezt lucht uitgepompt is, of 
ingelaten werd. Om nu met graden zeer naau- 
keurig afte perken , word een {novertje met zeer 
fyne koraaltjes gehangen buiten aan het armtje 
À. nadat nude kwik inditarmtje A komt te ry- 
zen of te dalen, kan zeer naaukeurig gecalcu- 
deert werden de hoeveelheit van lucht, die ín 


den recipient C gevonde werd, Want als het 


ebeurd, dat de lucht zeer wel uit den recipient 
is uitgepompt, werd de kwik-kolom in B min- 
der geperft door de opening van B, als de 
kwik-kolom in A, door de lucht die in dat 
armtje dat by A toegezegelt is overgelaten was: 
Zo ras als nu de kwik in A van de Elaftici- 
teit van de ingeflote u meerder geperft ade 
, 52 za 


36 Natuur-en Konft-Kabinet , 


zal de kwik zakken tot aan D, en in het arm- 
tje B zal de kwik ryzen tot aan E of lager of 
hoger. Ditkan nu alles zodanig fcherp en naau- 
keurig aanwyzenentoegeltelt worden , dat zelfs 
het aldergeringfte gedeelte lacht, dat noch in 
den recipient ‚ na’t witpompen mogt komen 
over te blyven, kan otidekt worden; of dat 
ook daatlyk kan ondekt werden de aldermintte 
lucht die door eenige opene {cheurtjes of reetjes 
onverwagt wederom in den recipient mogte in- 
geflopen zyn. 


25. 

Die niet by uitftekendheid naauwkeurig en 
oplettende is, zoude miffchien oordeelen, dat 
zodanig een lucht-verklikkertje ineen recipient 
weinig nut en dien{t zoude konnen doen ; maar 
een naaukeurige zal daatlyk konnen zien, dat 
nauwelyks op eene proef , die in een lucht- 
ledige recipient gedaan word, een goede cal/- 
culatie kan gemaakt werden, zonder zodanig 
een verklikkertje. Om dat alde lucht noit ge- 
heelelyk uit een recipiezt kan uitgepompt wor- 
den; om welke reden wy ook noit moeten 
befluiten, over de uitwerkingen dewelke wy in 
uitgepompte recipienten zien gebeuren, als of 
dezelve voorvielen in een plaats die volkoment- 
Iyk lucht ledig was. Als dan nu door zoda- 
nig een lucht-verklikkertje , onder het doen 
van elke proef in een uitgepompte recipient 
openbaarlyk word aangewezen de hoeveelheid 
van kragt, dewelke de lucht, die noch altyd 
in uitgepompte recipientenis overgebleven; op 
de ftoffen, die om te onderzoeken in den. re- 
cipient 


Maart, — July, 1722: 37 
cipient gedaan zyn, komt te oefene, konnen 
wy in het opmaken van onze befluiten , of ca/- 
eulatien , de hoeveelheid van die kragt at trek- 
ken of by voegen, of op een andere wyzeon- 
zen aandagt op dezelve veftigen, 


26. 

De Heer Boyle heeft ook verfcheide proeven 
in de Barometer aangeftelt met kwik, onder 
dewelke eenig tin gemengt was. De Heer 
onderzoeker was van gedagte, dat na matedat 
onder het kwik-zilver tin gemengt was, zo- 
danig een kwik-kolom, ook door de tegen- 
wegende lucht-ftraal , hoger opgeparft zoude 
worden, als een kwik-kolom van zuivere 
kwik ; om dat het kwik-zilver daar tin onder 
is, in een en het zelfde volvmen zo veel lich- 
ter is, als zuivere kwik , als het tin minder als 
het kwik-zilver komt te wege. Maar om dat 
bet kwik-zilver door byvoeginge van tin in een 
Amalgama overgaat, word deszelfs vloeibaar- 
beid niet alleen zeer veel belemmert , maar als 
maar eenig tin van belang onder het kwik-zil- 
ver gemengt werd, geheel benomen; in zo 
verre , dat zodanig een Amalgama in de hoeda- 
nigheid van een deeg, of ook wel in degedaan- 
te van een poeder overgaat. Dit was de oor- 
zaak , dat de Heer Poylé zyn oogmerk niet wel 
konde bereiken; want hoe weinig tin ook on- 
der het kwik-zilver gemengt werd, zal daar 
door niet alleenlyk eenigzints benoomen wer- 
den de vloeibaarheid van het kwik-zilver, maar 
het kwikzilver verkrygt daar door ook een ze- 
kere kleverigheid, door dewelke het eenigzints 
C 3 als 


38 Natuur-en Konft-Kabinet, 

als vaft kleeft aan de wanden van den glazen 
Barometers-buis, waar door het gewillig opry- 
zen zeer veel belet word. 


27: 

Als het kwik-zilver deszelfs vloeibaarheit 
kwamte behouden, als in het zelve tin‚of gout,of 
zilver, of loot gefmolten wierd, zoude door 
deze proef konnen gevonde werden de propor- 
tie van elk metaal , al fchoon dezelve onder 
malkander gemengt waren, Gelyk zulksinde 
logen, wyn, water, en andere vogtigheden, 
dewelke zeer vloeibaar en niet kleverig zyn, 
doorgaat. Als de kwik kleverig gemaakt werd: 
door de Amalgamatie met tin, is dezelve niet 
bekwaam om de regte fwaarte van den Damp- 
kring aan te wyzen. Want de refsfteutie de- 
welke het glas aan het kleverige kwik-zilver 
komt te doen, moet afgetrokken worden, van 
de fwaarte-kragt van de lucht-kolom, die zo= 
danige kwik komt op te perzen. 


28. 
Om de fwaarte van den Damp-kring op ver- 


fcheide, verre van malkander afgelegen plaat- 


zen, zo wel in verfcheide landfchappen van 
Groot Brittanje, als in verfcheide andere ge- 


weften van de Waereld, op een en dezelfde. 


momenten des tyds, door behulp van Barome- 
ters te ondekken, oordeelde de Heer Boyle, 
dat de Barometers van zynen tyd daar niet be- 
kwaam genoeg toe waren, en wel voorna- 
mentlyk, dat op de Barometers, die in vers 
ícheide andere landen toegeftelt waren , niet 

altyd 


do volk MG 


ij ' 

Maart, —= Fulys 172% 39 

altyd wel ftaat te maken was. De rede hier 

_ van kan de lezer nazien in den Brief * vanden 

_ Heer D. G, Fahrenheid, op den 18 February 
1723 over die Itof aan my toegezonden. 


il 29, 
gl De Heer Boyle heeft verfcheide voorftellin- 
gen gedaan, om Barometers toe te flellen „de- 
_ welke bekwaam zouden zyn, om over zee ver- 
_ voert te werden , en in dewelke de kwik- 
_ kolom in een en dezelfde fwaarte van den 
Damp-kring, in verfcheide Barometers op een 
_ Corredte egale hoogte kwam te ftaan. Maar 
dewyl aan dien Heer het geheim niet bekent 
__was, om de tubus van een Barometer met kwik- 
zilver te vullen, zonder dat eenige lucht inde- 
zelve onder de kwik kwam in te fluipen, be- 
“ halven nog verfcheide andere inconvententen, 
hier alle niet te melden, was zulks voor dien 
_ naaukeurigen Heer genoegzaam ondoenlyk, 


o. } 
De konft van en Barometers en Ther- 
mometers toe te ftellen, is nog niet zo alge- 
meen bekent, als wel in *t gemeen geoordeelt 
werd. „Hier komt nog by, dat zeer. weinig 
menfchen naaukeurig en bekwaam genoeg zyn, - 
om de veranderingen des damp-krings en des 
weers vaan de Barometers en Thermometers 
‘zodanig waar te nemen, als dat eigentlyk wel 
behoort. Anderzints zoude het van een onbe- 
denkelyke nutheit zyn , dat te gelyk op dezelf- 
C 4 „ fide 


% Zie Natuur-en Konft- Kabinet January en Februa- 
Ey 1722 i 


45 __Naftuurs en Konft-Kabinet ; 

de moimenten des tyds, op verfcheide plaatzen 
van Àfia, Afrika, Amerika en Europa, de 
dagelykfche veranderinge des dampkrings, en 
de des weers waargenomen en aangetekent 
wierde, Hier uit zoude verfcheide redenen 
van zommige vloedenen bewegingen des luchts 
van zomm ge doorgaande winden, faifoenen , 
onftuimige, ftormagtige, tille, vogtige ‚droge, 
koude, hete faifoenen en jaargeryden , vrugt= 
baarheid, en onvrugtbaarheid zelfs gezondheid 
en ongezondheid der tyden, konnen ondekt, 
en veel zaaken voor uit gezien worden. 


ks 

Zommige plelbdemdiels hebben geoor- 
deelt, dat de hoogtte wolken niet veel hoger 
vanden grond zyn, als een Engelfche myl, en_ 
dat de toppen van de hoogfte bergen niet boven 
twe Engelfche mylen van den grond verheven 
zyn. Maar niettegenftaande het zeer moeye- 
lyk is, om deze zaak wiskonftig te bepalen, 
wat de hoogte der hoogfte wolken belangt, is 
het echter zeker, dat de hoogfte wolken op 
zommige tyden veel hoger als een ‘Engelfche 
myl van den grond verheven zyn; en wat de 
toppen der hoogíte bergen belangt , zulks is 
niet wel te ondekken om dat zommige bergen 
zo ongemeen hoog zyn, dat geen menfch ook 
tot der zelver uiterften top zoude konnen gera= 
ken, zonder zyn leven te verliezen. Want 
wy konnen maar in een zekere hoogte van den 
Damp-kring leven, en als wy in een hoger ge- 
welt van de lucht opklimmen, word ons 
lichaam niet alleen daatlyk zeer ontftelt, maar 
de 


wk an 

ú Maart, —= July, 1722. 4r 
_ de lucht is aldaar te fyn, en wy konue in de- 
__ zelve nier leven, Het fchynt dat de vlam des 
levens, die ín de lucht is, door dewelke het 
_ leven der Menfchen en der Dieren met heet 
ij bloed onderhouden werd, in de benedendelen 
_ van den Damp-kring, en niet indeszelfs hoog- 
fte gewelten gevonden werd, 


de 

__ De Piek van Ride op het Eyland Tene- 
riffa werd gehouden voor een van de hoogtte ber- 
gen van alle die op den aardkloot bekent zya, 
De Heer Boyle heeft de naaukeurigheid gehad 
om uit verfcheide ooggetuigen te vernemen, 
alles wat by hen van de Piek van Kanarie on- 
dekt mogt zyn. Zommige reizigers hebben 
voorgegeven , dat zy op een afftand van 60 
Duitfche mylen den Piek van Kanarien uit zee 
konden zien; núaar een zeker verftandig man 
_ heeft aan den heer Boyle verzekert, dat hy de 
top van den Piek van Kanarien op een afltand 
van 40 uren heeft konnen zien : Dat op dien 
afltand de hoogfte top van de Piek van Ka- 
narien zich op deed, als een blaauwagtige py- 
ramide, dewelke boven de wolken uitftak, 
Andere ooggetuigen verklaren nogtans, dat zy 
de Piek van Kanarie van veel grooter afftand 
konden zien. Het ís ook zeker dat zulks veel 
van de helderheid en dunheid van de lucht komt 
af te hangen. De voornaamf{te mannen ko- 
men over een, dat de Piek van Kanarien in een 

perpendiculatre linie veel meer als zes uren hoo 
is, waar uit komt te blyken, dat de hoogfte 
bergen veel hooger zyn, als ouwelinks geoor- 
© deelt 


42 __Natuur- en Konfl-Kabinet, 


deelt is geworden. Wat de manier belangt, 
om de hoogte van een Berg te meten door be- 
kulp van de Barometer, dezelve zal den lezer 
bekent zyn, want wy hebben dezelve voordezen 
in ons Natuur-en Konft-Kabinet geleerd. 


33: 

De Pleniften dewelke in dien tyde toen de 
Heer Boyle dit eerfte vervolg van zynen 
brief aan de Vicomte Clifford en Dungar 
kwam te fchryven, het fuga vacx1 met alder- 
hande uitvlugten trachtede {taande te houde, 
deden zy, ten opzichte van de onderfteuning des 
kwik-koloms in den Barometer, een zeer on- 
gegronde tegenwerpinge. Alsde kwik-kolom, 
door de fwaarte van de lucht alleenlyk opge- 
dreven wierd tot de hoogte, gelyk wy dezelve 
in een lucht-ledige tubus, zo wel in de open 
lucht, als in de beflote kamers of vertrekken 
komen te zien, oordeelden die Heren, dat dan 


de kwik-kolom die in een befloten kamer op- 


geperft word in een lucht-ledigen tubus, niet 
van dezelve hoogte zoude konnen zyn, als een 
kwik-kolom, die buiten het huis in de open 
lucht opgeparft word, om datde tegenwegen- 
de lucht-ftraal ín een befloten vertrek, volgens 
de perpendiculaire , maar zoude konnen gere- 
kent worden de lengte te hebben van de zol- 
deringe van zodanig een befloten vertrek ; daar 
in tegendeel de wegende lucht-kolom door de 
welke de kwik-kolom buirens-huis opgeparf{t 
werd, de lengte heeft van de uiterfte hoogte 
van den Damp-kring, tot op de kwik die in 
het bakje van de, Barometer is, en vervolgens 

ook 


va 
al 
[ja 
Á 
1 
wh 
1 
Ne 
Ki 
ry 
: 
nk 


\ 


a 


Maart, — — July, 1722. 43. 
ook zeer veel {waarder moer wegen, als de 
lucht-kolom in een beflote kamer. 


34 
Om te begrypen dat de bovengemeldetegen- 
werpinge zonder grond is, moet aangemerkt 


worden, dat de lucht van cen beflote kamer 
of door een fchoortteen , ot door de reten der, 


deuren en vengfters, altyd gemeenfchap heeft 


_ met de buite-lucht, en dat de lucht deszelfs 


fwaarte-kragt zo wel oefent door fchuinfche 


__als regte linien; gelyk als gezien kan werden, 


als een Barometer met twe takken fchuins ge- 
houden word; of als aan een Barometer ge- 
maakt werd een perpendiculaire tak, dewelke 
boven bermetifche gezegelt „en lucht-ledig, is, 
en een {chuin{che tak die boven open is voor 
het doorlaten van de lucht, zal de kwik in de 


_ lucht-ledige tak van de Barometer zo-wel tot 


deszelfs gewoonlyke hoogte opgeparft worden, 
als of de lucht-{traal perpendicu/air op dezelve 
geparft hadde, Zelfs zien wy, dat de lucht 
deszelfs {waarte kragt oefent door de alder- 
naauwf{te doortogt, want als detak „die boven 
open is aan deszelfs boven einde , zodanig 
nauw was gemaakt, dat de diameter van die 
naauwe opening tien maal kleinder was , als 
de overige ruimte van dien tak , en van den 
lucht-ledigen tak ‚zoude echter de luchtde kwik 
door die zeer nauwe openinge tot dezelfde 
hoogte opperzen, als of de Diameter van die 
opening egaal was geweelt, met de Diameter 
van de kwik-kolom , de oorzaak hier van isde 
vloeibaarheid van de lucht, die op de kwik 

komt 


44 Natuur-en Konft-Kabinet, 


komt te wegen. Om deze zaak nog klaarder 
te begrypen, hebben wy uitgebeeld in fig. 10 
een Barometer A, wiens korte tak B omgebo- 
gen is by C, en deszelfs einde D, dat open- 
gelate werd voor de lucht, zeer dun en ver- 
volgens naauw is, De lucht, dewelkenu door 
deze naauwe opening indringt, zal de kwik in 
de lange tak A, die lucht-ledig , en boven ge- 
floten is, by E opparzen tot de hoogte van F'; 
en de kwik-kolom van G tot F zal van de- 
zelfde {waarte zyn, als de lucht-kolom H. 
Dit zelfde vermogen oefent de lucht ook door 
deszelfs Elafticite:t. Want laat, gelyk uitge- 
beeld word in fig. rt. in de Barometer A de 
kwik door de fwaarte van de lucht opgeperft - 
ftaaû by B; fluit cef zegelt dan het open einde 
van dekorte-tak by C, dat geen lucht meer 
kan dringen door de geflote opening , zal ech- 
ter de kwik blyven {taan by B, niet langer zo 
hoog opgeperft wordendedoor de fwaarte-kragt 
van de buite-lucht, om dat deszelf invloed is 
belet, maar alleenlyk door de &lafticiteit van 
de lucht, die nu befloten is in de ruimte van 
C tot D. 


Ik heb onlangs eens aangetoont *, dat het 
water ín zeer naauwe pypjes van zelfs, en zon= 
der eenige parzinge konde opklimmen, toteen 
zekere hoogte boven defzelfs fource , en dat het 
zelve in de naauwf{te pypjes hoger zal opk lim- 
men, als in de glaze pypjes die een weinige 

wyder 
* Zie Natuur-en Konft-Kabinet, November en De- 
cember 1721, pag. 417, tab. XXXVI. fig 3, 


Maart, Julys 1722. 45 
hi wyder zyn. In een glaze pypje, welkers dia- 
_ meter ; van een linie is, zal het water opklim- 
men omtrent twe duim breed boven deopper- 
vlakte van het water, in het welkezodanig een 
_ pypje (taat. De Heer Boyle heeft verfcheide 
bedenkingen gemaakt over middelen van het 
water uit zich zelfs, en zonder eenige parzinge 
van lucht of‘van. vuur te doen opklimmen in 
de hoogte. Die Heer nam een zeer lagen gla. 
_ zen pyp, die een bekwame wydte hadde, en 
‚in dewelke het water, om deszelts wydte, 
__boven deszelfs fource , niets zoude konnen op- 
_ klimmen. Deze pyp was over de dartig dui- 
__men lang, en aan deszelfs beide einden open. 
De Heer onderzoeker oordeelde „ dat door mid- 
del van eenige tof, in dewelke t water gre- 
tiglyk intrekt, in zodanig een pyptedoen,aan 
het water gelegentheit zoude konnen gegeven 
worden, om in zodanig een pyp tot een rede- 
\ Iyke hoogte van onderen na boven op te klim- 
men. 


he 
u 


36. 

Dat het water uit zich zelfs, en zonder op- 
geparft te werden in zommige ftoffen, in de- 
welke het zich van ondere heeft ingedrongen 
kan opklimmen, blykt genoegzaam, als wy 
een wollen lapje met het eene einde leggen in 
een roemer met water, en met hetandere einde 
daar buiten; gelyk als ik in hetzelfde Kabinet, 
en in dezelfde tab. dewelke wy zo even aan- 
gehaalt hebben, voor dezen hebbe bygebragt. 
Maar de Heer Boyle verkoor hier toe goede 
meny, om dat die Heer oordeelde, dat een 

me- 


46 __Natuur- en Konft-Kabinet , 


metaal-kalk , die door het vuur fyn gecalcineert 
is, zeer bek waam zoude zyn om het water in 
te ‘lurpen ‚daar het zelvedie kalk of meny kwam 


te raken, en dat de zeer fyne deeltjes van de _ 


meny, om hunne ongemene fynheid, zeer 
bekwaam zouden zyn, om de water-deelen , 
door dewelke zy nat waren geworden, mede 
te delen aan die menydeeltjes, dewelke haar 
naalt lagen en kwamen te raken; dat ook het 
water doordringende genoeg zoude zyn, om 
te penetreren tuflchen deze deeltjes, en in de 
zeer kleine hokjes of tuflchenruimtentjes, die 
deze deeltjes noodzakelyk tuffchen malkander 
maaken; en dat op deze wyze het water gele- 
gentheid zoude krygen, om allengskens op te 
klimmen van het onderfte gedeelte van zoda- 
nig een met meny gevulden glazen pyp, na 
deszelfs bovenfte einde, wanneer deze pyp met 
deszelfs onderfte einde eenige duimen ín ’t was 
ter geplaaft wierde. 


vi 

Onze Nile onderzoeker geloof: 
de, dat deze proef zo wel zoudekonnen in het 

‚werk geftelt worden met geftoten glas, zand, 
kry:, gekapte fpongie , Boomwol, of iets 
diergelyks; maar het behaagden dien Heer voor 
deze reis zulks te onderzoeken met meny. Na 
dat nu deze glaze pyp met meny was opgevuld, 
wierd aan deszelfs onderfte einde een doekje van 
linde gebonden, op dat de meny niet zoude 
konnen uitítorten , en het water echter van on= 
deren door dit doekje zoude konne dringen in 
den glazen pyp. Deze pyp wierd perpendiculair 
se- 


DRE = 


Maart, —— July, 1722. 47 


gezet in een potje met water dat zeer wyd was, 


op dat het water in het potje niet te hoog zou- 
de ftaan, en echter genoeg zoude zyn, om in 


den pyp te konnen opklimmen. Hetonderfte 


gedeelte van dezen pyp (tond omtrent tweduim 
in het water, en het overige van den glazen 
pyp (tond omtrent 32 duim in de hoogtebuiten 
het water. Het water begonde allengskens te 
dringen in de meny, en zelfs op te klimmen 
na boven, het welk konde gezien worden, 
om dat de meny hooger koleur hadde aange- 
nomen, zo ver als dezelve nat was geworden. 
Dit daurde zo lang, tot dat het water de hoog- 
te van 30 duimen bereikt hadde. Naderhand 
wierd deze proef nog eens hervat, en toen was 
het water in een glazen pyp, die langer was tot 
een hoogtevan 40. duim opgeklommen. De 
Heer onderzoeker oordeelde, dat op diergelyk 
een wyze het water tot vry aanmerkelyker 
hoogte zoude opklimmen, als daar toe nog 


andere middelen aangelegt wierden. 


Zommige geenfdd barnes hebben geoor- 
deelt, dat het opklimmen der zappen ín de pyp- 
jes der plantgewaffen konde uitgelegt worden, 
door de proef van het opklimmen van het wa- 
ter in de zeer dunne glazepypjes, vandewelke 
wy in Artic. 35 gefproken hebben. Maar wy 
konnen wel toeftemmen dat de kleverigheid 
der zappen , wel eenige gelegentheid geeft om 
op te kruipen langs de wanden der kleine vaat- 
jes, maar deze ootzaak zoude alleen niet mag- 


tig genoeg zyn, om een gehele circulatie dêr 


zap= 


48 Natuur- en Konft-Kabinet, 


zappen voort te brengen, gelyk als wy in de 
bomen, plantgewafleu, en zelfs in de vrugten 
k.men te ondekken. In de zap vaatjes der 
plant-gewatfichen zyn verfcheide hulpmiddelen, 
die mm deze tyne glaze pypjes niet gevonden 
werdeu, gelyk als onder anderen de klap-vlies- 
jes, en kronkelingen , door dewelke de een- 
maal opgeklomme zappen belet worden in het 
zeifde vaatje wederom nederwaarts te konne 
gaan. Ook ondekken wy een genoegzamen 
corzaak om de zappen uit de wortel op te par- 
zen tot de bovenfte gedeelte der plantgewaf- 
fchen : namentlyk de warmte der zon, deuit- 


damping des aardryks na boven, de bewegin- - 


ge die verwekt werd door het onderaardíche 
vuur, de fynheid en vlugheid der deeltjes uit 
dewelke de meefle zappen der plantgewaffchen 
beftaan. Want dat onder de zappen der plant- 
gewaflen zich zeer veel fyne en vlugge deelen 
bevinden, getuigt genoegzaam de aangename 
reuk van de houten, fchorfen, bladen, bloe- 
men , bloeizels, vrugten , en zaden der plant- 
gewaflen. Alle welke zaaken als medewer- 
kende oorzaken konnen aangemerkt worde, 
omtrent het opklimmen van de zappen der 
plant-gewaflen uit hunne wortels, en uit de 
diepe gronden der aarde, tot in de hoogfte de- 
len der boomen en planten. 


39. 

Wat nu eigentlyk het opklimmen van het 
water uit en door zich zelfs, zonder eenigede 
alderminfte parzinge, of aandryvende oorzaak 
van beweginge belangt, oordeele ik dat deze 

ont- 


eben nt ER 


_ Mhart, — July, 1722. 49 
ontdekkinge dikwils gelegentheid zoude kon- 
nen geven, van werktuigen te vinden „door de 
welke het water zoude konnen opgebragt wor- 
den van de laagte in de hoogte, zonder per- 


zingen van vuur, of lucht of overmalinge, of 
_Op-pompinge; maar alleenlyk door deszelfs 


voortkruipende beweginge, en opklimminge 
langs een {tof van het eene deeltje van zoda- 
nig een {tof na het andere, als by een ladder 
van de eene {port op de andere, Ik twyfel niet 
of wy zouden, als wy op deze zaak yverig 
kwamen te werken; ftoffen vinden, die het 


Water veel gretiger zouden opflurpen als de 


meny daar wy van gefproken hebben. Want 
zommige ltoffen , die zeer togtgatig , zeer 


droog en natgierig zyn , zien wy dikwils in een 


zeer korten tyd een grote menigte water van 
Onder opflurpen ‚ en geleiden na boven. Al 
Íchynt een ondekkinge of proef int begin zeer 
gering, gebeurd het echter dikwils, dat nader- 
hand uit dezelve gehele konften en een groot 


getal aanmerkelyke handwerken voortgekomen 
“zyn. Getuigen hier van zyn de wyduitgeftrek- 
te {cheepvaart door de ondekkinge van de by- 


zondere eigenfchappen des zeilsfteens : de 
vuurwerk-kunde met al zyn groten aanhang 
en werktuigen van kanon, bomben, granaten ; 
Mmynwerken, alleen door de ondekkinge van 
de hoedanigheden van een onnozele vermen- 
ging van houtskool, fwavel en zalpeter „tot een 
poeder dat wy buskruid noemen : de Druk- 
konft : de Glasblazers-konft, en alle de kon- 
ften van het maken vanamauzeh, van hetamo- 
lieren „van het maken van alderhande glas, 


_VIL Deer, D van 


so. __Natuur- en Konft-Kabinet , 

van verre-kykers, vergroot-glazen „ fpiegels, 
brillen, brand-glazen, die alle voortgekomen 
zyn, uitde enkelde ondekkinge van de hoe- 
danigheid, dewelke een mengzel van zand of 
vuurfteen met een valt zout , het zy pot afch 
ot fouda komt te verkrygen, door de uiterfte 
tormenten van het vuur, enz. 


o. 

De Heer Boyle heef wegens het opklim- 
men van het gekreftaltizeerde out, aan de bin- 
nen wanden der vaten een aanmerkinge , die 
veel overeenkomt heeft met de proef van de 
opklimming des waters, daar wy boven van ge- 
handelt hebben. Als een fterke pekel van zee- 
zout, of een fterke folxtte van vitriool, ofeen 
andere kragtige loog, gedaan werd in een wyd 
glas, by voorbeeld een zuiker-glas, en in de 
warmte van de zon geftelt werd , zullen de 
waterdelen allengskens voor een groot gedeelte 
wegwazemen, door de warmte van de zon, 
en het zamengeftremde zout , of de vitriool, 
zal niet alleenlyk den bodem van het glas be- 
dekken, maar zelfs langs de wanden van het glas 
zullen eenige zout- of vitriool-kryftallen op- 
klimmen, veel hoger als de oppervlakte van 
de pekel, of de flutte of het loog-zout zelfs 
geftaan heeft. De Heer Boylegetuigt , dat me- 
nigmaal door hem ondervonden is, dat, door 
lang in de zon te ftaan, dit zout eenigeduimen 
hoog boven de oppervlakte van deszelfs loog 
was opgeklommen na boven, aan de binnen- 
wanden-van het glas. Het welk menigmaal 
tot zulk een hoogte îs opgerezen, dat het zelve 


En 


sarah 
; f 


Maart, === July 1722. Sr 
miet alleen kwam te beflaan de bovenfte rand 
van het glas, maar zelfs daar overheen was ge- 
„klommen, en zelfs een korft hadde gemaakt 


_< aan de buitenfte wanden van het glas. Uit de- 


ze proeven kan de lezer ondekken, dat zom- 
mige ligchamen door hun eigen textuur en aan= 
eenfchakelinge, het vermogen konnen hebben 
van op te klimmen van de laagte nadehoogte, 
alleenlyk uit hen zelfs, en zonder behulp van 
eenige opparzende oorzaak. Het welk als de 
ondervindinge zulks niet klaarlyk aantoonde, 
anderzints zoude fchynen te ftryden tegens de 
fwaarte van de lichamen, waar door zy moe- 
ten neigen en bewegen van de hoogte na de 
laagte, en geenzins van de laagte nade hoogte. 
Deze opklimming na boven is nog te meerder 
te verwonderen, dat dezelve gefchiet in zoda- 


…_nige {waare ligchamen als het zout, dat dik- 


wils gelyk als het vaftezout , door geen geweld 
van vuur kan opgevoert worden van de laagte 
‚na de hoogte, 

| 41. 

De perzing van de lucht daar wy zo menig- 
maal in deze NATUURLYKE HIST'O- 
RIE VAN DE LUCHT van gefproken, en 
dezelve met zo ongemeen veel proeven bewe- 
zen hebben, ondekt zich ook zeer baarblyke= 
lyk in de werkinge der koppen met dewelkede 
menfchen hen daaglyks laten koppen. De Ge- 
neesheeren onderfcheiden de koppen in blinde 
koppen en in bloed-koppen. De blinde koppen 
worden genaamt, als ín een glazen, of ande- 


„te kop, een weinigje de werd aan brand ge- 


Pp fto= 


sz Natuur-en Konft-Kabinet, 

ftoken, en als door de hitte van dit gefwinde 
vaur de lacht uit de holligheid van de kop ver- 
dreven zynde, dezêlve fchielyk geftelt word op 
het menfchelyk lichaam, alwaar onder zoda- 
nig een blinde kop, het vlees, daar dezelveop- 
geplaalt (taat, tot een zeer groot gefwel word 
opgeperft, Bloed-koppen werden genaamt, als 
de huit op een plaats met zeer veel kleine 
fneedjes werd door gekwitft, en devanbinnen _ 
heet gemaakte kop daar op geftelt zynde, in 
defzelfs holligheit een goed gedeelte Bloed word 
opgeparft. De onk.indige oordelen over dit 
verfchynzel gewonelykwerkeert; wantzy ges 
loven dat door de kop het bloed getrokken 
word uit het ligchaam : en dat door dekophet 
gefwel, dat in de blinde koppen zich vertoont, 
insgelyks word opgetrokken. Maar dit vers 
fchynzel moet uitgelegt worden door de wer- 
king van de iucht, 


42. 

Door het vlammetje, van het aangeftoken 
vlas, word de lucht, die in de holligheit van 
de kop is, voor een groot gedeelte uit dezelve 
gedreven. Als de kop dan gefwindelyk op het 
ligchaam geplaatft word, is de holligheid van 
de kop een plaats die byna luchtledig is ; om dat 
het weinigje lucht, dat noch in de holligheid 
van,de kop is Óvergebleven, weinig tevenper- 
zinge-kan doen; dewyl‘de kop zeer haaltiglvk 
is hout, geworden. Als nu de buite-lucht, die 
de kop aan alle tyde omringt, belet word te 
dringen ij de hotligheid van de kop, om te ver- 
vullen die Plaats, uit dewelke, door het vlam- 
hat metje 


Maart, == Jus 1722. 63 
metje van het aangeftoken vlas, de lucht is uit= 
gedreven, word de kop, door het gewigt van 
den gehelen -Dampkring , opde huid geparft, 


__in zo verre als het weinigje verfwakte lucht, 


__dat in de holligheid van de kop noch was over- 


gebleven „door defzelfs. klaftsc:teit op de, bin- 
nenwanden van de kop minder kragt komt te 
oeffenen,, als de buiten-lucht op de buiten wan- 
den. pi 


43: 3 
Als wy begrypen dat de holligheid van de 


_ kop die op het ligchaam. geplaatft ftaat , een by- 


na lucht-ledige plaats-is, konnen ‚wy zeer ligt 


_ verflaan, door welk een-oorzaak in dekop word 


opgeparft het vlees van de, plaats daar, de kop 
over geplaault ftaat. Want dit vlees, of dar ge- 
deelte van de huid, geen, drukkingegenietende 
van de buiten-lucht, die egaal is met de druk- 
kinge dewelke de buiten-lucht. oeffent, op alle 
de uitwendige delen van het ligchaam „: moet 
noodzakelyk tot een gefwel opryzen inde byna 
lucht-ledige holligheid van de kop. Om dat dit 
vlees van achteren of inwendig meerder parzin= 
ge geniet, als op die plaats, de huit uitwendig. 
Als-de buite-lucht wierde weggenomen van den 
omtrek van ons geheele ligchaam, zoude, ons, 
geheele ligchaam ongemeen veel komen opte 


„fwellen, gelyk als wy zien aan de Dieren met, 


heet bloed, wanneer zy. in, een recipient 1yny 
daar.de lucht uitgepompt werd. Want de lucht 


_en het vuur, die altyd van.binnen in ons lig= 


chaam zyn, parzen met dezelfde kragt , als;de. 
buite-lucht, om te beletten dat ons lichaam van 
53 TD 3 de 


4 


s4 ___Natuur- en Konft-Kabinet , 


de buîiten-lucht uiet plat en in malkander ge- 
par{t word. Als dan nu de buiten-lucht opde 
plaats over de welke de byna lucht-ledige kop 
geftelt is, niet kan parzen, verkrygen de bin- 
nen lucht en onze bewegende zappen zo veel 
overmaat van kragt op die plaats, en parzen het 
vlees in de gedaante van een gefwel, om te 
vervullen de lucht-ledige plaats van dekop, tot 
zo lange als de uiterlyke tegenftreving met de 
inwendige en na buiten parzende kragt egaal 
is. 


14 

Ik heb dit verfchynzel een weinig omftandi- 
ger uitgelegt, op dat uit deze ophelderinge te 
gelyk ook zoude konnen verftaan worden de 
reden, waarom niet het vlees, maar het bloed 
in de bloed-koppen opgeparft word , om de 
lucht-ledige plaats van de kop te vervullen, Als 
het gebeurd, gelyk veeltyds gefchied,en in een 
glazen kop gezien kan worden, dat het vlees 
niet zodanig komt te wellen, of het bloed zo- 
danig uit te fpatten, dat de gehele ruimte van 
de kop vervult word, maar dat een gedeelte 
van de holligheid van de kop zonder vleis of 
bloed gezien word; gefchied zulks, om dat in 
de kop noch zo veel lucht was overgebleven. 
Want door het vlammetje van het aangeftoken 
vlas word juift al de lucht die in de kop was 
niet geheel uitgedreven. Deze lucht die dan 
nog in de kop komt over te blyven wederftreeft 
het vlees, of het bloed, en belet dat het zelve 
niet kan dringen in het gedeelte van dekop , het 
welke zy zelfs komt te beflaan, Gelyk ook 
gezien 


bes: 4 


Maart, — July, 1722. 55 


_gezien kan worden als zodanig een aangelto. 


ken kop, in de plaats van op het menfchelyk 
ligchaam , geftelt word op kwik-zilver, of op 
water; want de kwik nog het water zullen in 


__de kop niet zodanig opgeparft worden, dat zy 


de geheele ruimte van de kop komen te vervul- 
len, maar in de kop zal overblyven een groote 
of kleine lucht-bel , dat is de plaats in dewelke 
zich de lucht bevind, die nog in de kop was 
overgebleven, en nu om het verliezen vandes- 
zelfs hitte, in deszelfs natuurlyken ftaat geraakt 
zynde, in deze kleinen ruimte by malkanderen 
geparft is. 


45: 
By het leven van den vermaarden GASSEN- 


„DUS, en den uitmuntenden DESCARTES 


begonden zich in verfcheide hoge Scholen twee 
Seétens op te doen; tuffchen dewelke een he- 
vig verfchil was omtrent de ruimtens en onin- 
beeldelyk grote afltanden, die gevonden wor- 
den tuflchen de aardeen defterren, en tuffchen 
de eene planeet of vafte fter ende andere. Aan 
de eene zekte wierd den naam gegeven van A- 
tomiften, en‚aan de andere van Kartefianen. 
De Atomiften die Navolgers van Epicurus 
(wiens naam Gaflendus heeft getragt te verde- 
digen) waren, oordeelden dat die grote ruim- 
tens ledig waren, en dat door dezelve niet als 
de ftralen van het licht paf/eerden. De Kar- 
tefianen oordeelden dat deze groote tuffchen- 
ruimtens exadfelyk vervult waren met een ftof, 
die fynder als de lucht is, etn aan dewelke de 
Kartefianen den naam van fynehoofd-ftof, fyne 

4 ma- 


s6 _Natuur- en Konft-Kabinet, 
materie, of Ether geven. De Heer Boyle heeft 
in zynen tyd, in dewelke deze kweftie het mee- 
fte gerugt maakte, zich geenzints in dezelve be- 
lieven in te wikkelen , gelyk als die Heer in 
het algemeen geen liefhebber van defpeculative 
geleerdheden was. Ik weet van goeder hand, 
en uit een Man die zeer lang gemeenzaam met 
de Heer Boyle verkeerd heeft , dat het, zo iras 
als de Heer Boyle bemerkte dat een Schryver 
in de plaats van een proefkundige, onder ftel- 
kundige zaken voort bragt, en in de plaats van 
op proeven, op onderftellingen, en opgefinuk- 
te fpeculatien en opinien bouwden , aan dien 
Heer naauwelyks de moeite waardig was, de 
boeken van zodanig een Schryver eenste lezen, 
Daar is ook niets dat ons oordeel meerder be- 
derft, en onze eigen wysheit meerder opwekt, 
als het veel lezen van /peculatsve-boeken , en het 
onderwys van onderftellende leermeefters, 


46. 

De Heer Boyle merkten aan, dat het voor- 
naamfte gedeelte van het bekende heel-al niet 
anders zoude zyn als zodarige fyne materieder 
Kartefianen, by aldien het waarheid was dat al- 
le de bovengemelde ruimten, zodanig metdeze 
fyne materie vetvult waren, dat niet het alder- 
minfte ledig, zelfs niet zo klein als het alder- 
kleintte deeltje, van deze fyne materie zelfs, 
tuffchen beide gevonden wierd. Want als wy 
alleenlyk maar eens op ons gezigt, een rouwe 
“calculatie maken, tuffchen de groote van deze 
ruimten, en die van alle de fterren, planeten, 
zon, maan, aardkloot, en alles wat wy zien, 
Riks is 


Maart , —— July, 1722. 57 
is de ruimte van ’tgeheel-al dat wy konnen zien, 
_by de fterren, en alle de lichamen te vergely- 
ken, als den bekenden Ociaan, by de Vif- 
{chen die in dezelve fwemmen. Als wy dan 
(om de voorftellinge van de Heer Boyle nog 
__ van meer gebruik tot opheldering te maken) 
_ ook eens-begrypen, dat de deelijes van deze 
ubtiele Kartelìaanfche materie, zodanig digt . 
_ ín malkanderen gedrongen zyn, dat nergens in 

_dezelve eenige onttoffelyke ruimtetjes gevon- 
den worden, zoude noodzakelyk moeten vol- 
gen, dat in de plaats, dat deze oninbeeldelyke 
— ruimte van het zigtbare geheel-al, ledig en van 
__alle materie, behalven de ftralen des lichts ont- 
bloot zoude zyn, dezelve in tegendeel in een 
evengelyk wvoluimen, meerder ftoffelykheid - 
zoude beflaan , als de ligchamen dewelke in 

dit oninbeeldelyk groot ruim van ons gevonden 
worden, en zelfs als de {waart{te onder dezelve, 
namentlyk het gout. Om dat het gout noch 
tocht-gatig is, en ook door die tocht-gaatjes 
wezens door laat, die vry wat ligter en onftof- 
felyker zyn als het gout zelfs. Want als de 
__ligchamen dewelke komen te dringen door het 
| goud, gelyk als by voorbeeld het vuur, meer 
__ftoffelyk en in míalkander gedrongen waren als 
het gout, zoude het goud noodwendig fwaar- 
| der wegen, met deze ligchamen vervult zynde, 
| als zonder dezelve, door de vermeerdering van 
een ftoffelykheid, die zelfs (toffelyker en {waar- 

| der moefte zyn als het gout, het welk echter 
niet gefchied , om dat elk wezen na deszelfs 

| meerder of minder ftoffelykheit in een even ge- 
| _ 1yk volumen, fwaarder of lichter komt te wegen 


Ds 47- Als 


58 _ Natuur-en Konff-Kabinet, 


47° f 
Als nu een zeer groot ligchaam, gelyk als 
by voorbeeld de maan of de aard-kloot zeer 
fnelleyk door zodanig een ruimte kwam te be- 
wegen, zoude het in der daad niet waarfchy- 
nelyk zyn, dat zulks zo vaardiglyk , als wy 


sten dat zuiks gebeurt, van de eene plaats in . 


de andere zoude konnen verhuizen , om de 
fteffelykheid, en vervolgens tegenftrevendheid 
en folsditeit van zodanig een fyne materie, die 
fwaarder en ftoffelyker zoude moeten zyn, als 
het goud. Om dat wy dan openbaarlyk , en 


met onze oogen zien , dat de oninbeeldelyke 


ruïümntens van het bekende geheel al, zeer be- 
kwaam zyn, om door te laten gaan de Aard- 
kloot de maan, deandere planeten „de ftarren en 
verfcheide hemel-ligten ,kanik niet zien, dat wy 
tor het uitleggen van de verfchynzelen die de 
natuur aan ons daagelyks, en ook op aange- 
ftelde proeven vertoont, deze fubtiele matery 
van Deskartes en zyn navolgers van noden 
hebbeu. 


Ik weet ook niet die welke reden wy zou- 
den genoodzaakt zyn, om te geloven, dat in 
deze oninbeeldelyke groote ruimtens, niets an- 
ders zoude gevonden worden als de ftralen van 
het ligt. Waarom zouden in deze ruimtes niet 
konnen zyn uitvloeyzels van alderhande fyne 
fioffen, die voortkwamen uit zon, maan, pla- 
neten , commeten , vafte fterren enz.? want 
niernant van ons zal immers oit konnen weten, 

hoe- 


slet deld ' 

k Maart, —= Julys 1722. 99 
_ hoedanig deze ontzagchelyke ligchamen geftelt 
_ zyn, zelfs tot dienft van ons en aller dieren le- 
Î ven; tot dienft van onzen aard-kloot, en van 
malkanderen. De fcherpzinnige Luocke zegt 
_ op een zekere plaats, dat als van het groot ge- 
5 tal (terren eens een eenige {ter te niet gedaan 
__ wierde, wy niet verzekert zyn of wy in zoda- 
it nig een geval wel zoude konnen in ’tleven bly- 
_ ven, en of de zaken die nu op den aard-kloot 


gebeuren wel zouden konnen beftaan. 


9, 

___ Omdat zo hideaken veel menfchen in de 
_fubtiele materie van Deskartes, als in een nieuw 
fnofje behagen hadden, kreeg de natuurkunde 
van Deskartes zeer veel aanhangers, om dat 
dezelve kwam te ruften op fpeculative redene- 
ringjes , en maar eenige verkeerdelyk uitgelei= 

de proefjes, om deze redeneringjes te begun- 
fligen, en de half blinde zand in de oogen te 
ftroyen, en hen zelve te doen inbeelden, dat 
_zy zonder eenige moeite van belang, en zon= 
der een groot getal moeyelyke, koftbare en zeer 
werkzame proefondervindingen aan te regten, 

of van proef kundige natuurkundige, die geloof- 
baar zyn, geleerd te hebben, binnen zeer kor 
ten tyd konden werden Philofofen en Natuur- 
kundige, die alle andere zouden voorby ftre: 
ven. Het welk ook van die uitwerkinge is 
geweeft, dat binnen zeer korten tyd de nyders 
_endewevers ‚de dames aan het A lombertafeltje, 
‚de vergulde jonkers der zaletten, en wel 
‚ voornamentlyk de jonge Studenten, de luid- 

_ rugtigfte Natuurkundigen des Werelds wier- 


den, 


60: Natuur-en Konft-Kabinet; 

den, en openbaarlyk den draak ftaaken metde _ 
ondervindinge, en-moeyelyken en koltbaren 
arbeid der grote mannen. Om deze en dierge- 
Iyke reden heeft de Heer Boyle ondernomen 
te onderzoeken of de fubtiele materie en des- 
zelfs gwaltficatien gemakkelyk door op onze 
zinnen werkende proeven, uit deszelfs fchuil- 
hoeken zo ligt voor den dag tehalen zoude zyn, 
als dezelve door /peculat:ve redeneringjes aan eik 
een beduid wierd. 


so; 

Om dit uit te voeren, ftelde de Heer Boyle, 
gelyk als in fig. 12, aangewezen word, in den _ 
recipient A, het gewigt B op den bovenften 
bodem C van de geizventeerde blaas-balk D. 
De onderfte bodem E hadde de Heer Boyle on- 
beweeglyk vatt gemaakt aan het Blok F ; alles 
in dier voegen dat de Bovenften Bodem Cdoor 
de wervel G geheel konde opgehaalt worden, 
na boven, en op die wyze de gehele holligheid 
van den blaas-balk ten vollen konde werden 
verwyderd, in de gedaante als dezelve verbeeld 
ftaat in fig. 12. «Maar om nu te weten of uit 
de holligheid van de blaas-balk ook eenige ftof 
uitging, na dat de lucht, en uit derecipient A, 
en uit den blaas balk D in deze gedaante ge- 
ftelt zynde, uitgepompt was, wasook gemaakt 
een zeer dun pypje, gelvk gezien kan worden 
in fig. 13. met de letter H‚ boven inde boven- 
ften bodem C van de blaas-baïk D, boven de 
opening van dit kleine pypje B wierd geplaaft 
het ongemeen fyn en licht pluimveertje 1; op 
dat zo haaft als maar eenige ftoffe uit den blaas- 
ion balk 


of zn Asti x, l, 

Maart, —— Julys1722. Gr 

‘balk door het pypje Hkwam vloeyen, zulks 

__daadlyk zoude konnen ondekt werde, uit de 

_ beweginge van de pluisjes van dit ligte enfyne 

__ pluimveertje. / 
hi 


A st. 
De Heer Onderzoeker oordeelde , dat de 
Pleniften een groot en proefkundig bewys te- 
__ gens de vacuitten die het ledig (tellen zouden 
… konnen inbrergen, als uit de opening van dit 
_ kleine pypje H een uit(trominge vaneenigefyne 
_ materie konde ontdekt worden, na dat de lucht 
uit den recipient A, en uit den blaas-balk D 
wel was uitgepompt, zo ras als door het op- 
_zakkeude gewigt B, de blaas-balk nedergedrukt 
wierd. Maar als uit zodanig een groten lucht- 
ledige ruimte, als de holligheit van die blaas- 
balk kwam te bedragen, door het {chielyk te 
zamen parzen van den blaas-balk, geen vloed 
konde verwekt werden, door het naauwe pyp- 
je H,‚ dewelke zigtbaar was door debeweginge 
van de fyne pluisjes van het zeer klein pluim- 
veertje 1, zouden de vacuiften geoordeelt heb- 
ben, dat de fyne-hoofdftaf der Cartefianen en 
andere Plenitten zeer befwaarlyk door proeven 
te bewyzen zoude zyn, 


. $2, Ì 

Maar dewyl de geheelen zamenhang ,— van 
alles wat die Kartefiaanfche- Natuurkundige in 
de Natuurkunde weeten „> gebouwt isop deze 
fubtile materie, zoude alles wat zy omtrent die 
zaken geleerd hebben , geheel vervallen , en on- 
waar bevonden worden, als hen konde aange- 
Ee 8 toont 


62 Natuur-en Konft-Kabinet, 


toont worden, dat zodanig een fyne materie 


niet is. Dit is de reden dat zy op proeven van 


die natuur, als wy boven gemelt hebben, hun 
ftellinge van de fyne materie zo ligt niet zouden 
verlaten, te meer daarzy hun fyne hoofdftof zo 


ongemeen fyn ftellen, dat dezelve zondereens 5 


te raken, door verfcheide zaken kan heen 
vloeyen, en dat zo ras als deze luchtledige 
blaas-balk D fchielyk komt neder te vallen, 
hun fyne hoofdftof met dewelke de gehele ruim. 
te van den blaas-balk na hun oordeel volko- 
mentlyk vervuld is, uit deze ruimte uitvloeid 
door het leer, en het hour van den blaas-balk , 
en dat vervolgens hun fyne hoofd -ftof niet eens 
verpligt is, om juift uit te gaan door de ope- 
ninge van het pypje H, en het pluimveertje Ì 
te bewegen. 


53. 

Om echter zo het nete was zodanig een 
fyne hoofd-ftof, door dewelkealle lucht-ledige 
ruimtens volkomentlyk , na het gevoelen der 
Kartefianen vervult worden, met proeven aan te 
wyzen, gebruikte de Heer Boyle daar toe alle 
middelen die maar eenigzints konden dienen 
em zyn oogmerk te bereiken. Daar toe liet 
dien Heer blaas-balken aan ftellen die niet van 
leer, maar van blaazen gemaakt waren , om 
dat bevonden was dat deze veel eerder komen 
te barften, eer zy eenigede minfte dun gemaak- 
te of fyne lucht zouden door laten, gelyk wy 
in verfcheide gevallen gezien hebben, als wy in 
dezelve de kragt van de Elaftiteit van de lacht 
hebben aangetoont. Diergelyke Mn, 

E Iet 


vi ‚ Maart , July, 1722 63 


liet die Heer, tot nog meerder voorzorge om 
te beletten, zo het mogelyk was, dat die fyne 
_materie niet overal daar uitvloeide, en meerder 
verpligt mogt worden uit te gaan door het dun 
_pypje H, en het pluimveertje 1 te bewegen, 
eral beftryken met ongemeen vaft en digt 
vernis. Maar in weerwil van ditalles, koude 
aan de pluisjes van het zeer fyne pluimveertje 1 
_niet de minfte beweginge befpeurd worden (door 
_ dewelke zoude komen te blyken, dat uit de 
ruimte van de lucht-ledige blaas-balk D cen 
_fyne ftoffe kwam te vloeyen door de openinge 
van het pypje H,‚) op dien tyd als de luchtie- 
_dige blaas-balk D daar zy legt ín de lucht-ledige 
recipient A door de fwaarte van het gewigt B 
fchielyk wierd neder geparft. 


DE 

Behalven de bovengemelde proef heeft de 
naaukeurige Onderzoeker ook nog andere proe- 
ven in het werk geftelt, tot dienít van de lief. 
hebbers, en om te ondekken, of zodanig een 
fyne materieis, dewelke datelyk de ruimtens, 
daar de lucht uitgepompt werd, volkomentlyk 
wederom vervult. Maar die Heer heeft door 
‚de aldernaaukeurigfte proeven geenzinshetaan- 
zyn van zodanig een fyne hoofd-ftof, als Des- 
kartes en zyne navolgers begrypen, konnen be- 
wyzen. Op dat nu de lezer de natuur van dit 
onderzoek onderfcheidentlyk mag begrypen, 
‚ ftaat te letten , dat wy' niet met de vacuiften, 
‚ dewelke het ledige ftellen , moeten geloven, 
‚dat doorde ruimtens , daar de lucht uitge- 
‚ pompt werd, niet anders komt tepafferax alsde 
À Bas « ligt- 


\ 


| 


64 _Natuur=en Konft-Kabinet ; 
ligt-ftralen, Want de ondervinding zal ons het 
tegendeel leeren ; om dat de zeil-fteen in een 
lucht-ledige recipient komt te werken op de 
naald, die buiten den zelven gehouden werd. 
Waar uit blykrdat het wezen, waar door het 
yzer naar den zeil-fteen beweegt zich alzo wel , 
als de (tralen van het licht, of als het vuur „ 
komtte bevinden in een recipient, al fchoon al 
de lucht uit dezelve is uitgepompt. Maar de- 
wyl niemant aan deze wezens tot noch toe zo 
veel floftelykheid toegefchreven heeft, om een 
plaats, daar de lucht uitgepompt is, zodanig: 
wederom te vervullen , datdie gehele plaats 
niet als enkeld ftof, matery, of lichaam zon= 
der eenig ledigheit, of zo als gy dat beliefd te 
dopen is geworden , kan het wel waar zyn „dat 
in een recipiezt, daar de lucht uitgepompt is, 
zich bevinden, en ook uit en in dezelve kon- 
nen dringen, verfcheide wezens die zeer ligt 
en zelfs weinig ftoffelyk zyn, en vooralles zo 
wykbaar zyn, dat zy geen de aldermintte bewe- 
ginge koomen te verwekken aan de fyne pluis- 
jes van het zeer tedere pluimveertje 1. als wy 
dan konnen begrypen dat diergelyke wezens 
van verfcheide foorten, en van zo ongemeen 
weinig ftoffelykheid ,‚ konnen vloeyen in en 
door de lucht-ledige ruimtens , gelyk als wy | 
door de proefondervindingenen waarnemingen 
geleerd hebben, volgt daar geenzints uit , dat 
wy insgelyks ook konnen begrypen , dat alle 
Jucht-ledige raimtens , en de oninbeeldelyke 
lucht-ledige plaatzen, dewelke in ’t geheel-al 
tuffchen ons en de ftarren, en tuffchen de ftar- 
ren zelfs gevonden worden, vervult zyn met 

de 


han 


Maart, July, 1722. 65 
de fyne hoofdftof na het denkbeeld van Des- 
kartes en zyn navolgers: dat is, zonder dat e- 

__ nig ledig gevonden word, en alles niet als met 

_matery vervult is. Want by te brengen dat 
ker licht-ftraalen, het, vuur enz. in dierge- 


_ Iyke ruimtens zyn, zich overal bevinden, en 
vervolgens die gehele ruimtens vervullen,dezel- 
ve voor een bewys veritrekken , dat zodanige 
ruimtens volkomen en overal met ftoffelykheid 
voorzien zyn, is door onze voorbeelden, die 
wy voor dezen by gebragt hebben van den rook, 
‚van de reukdelen , enz. al genoegzaam beant- 
_ woord. 


55: 
_ De Heer Boyle heeft ook de curieusheid 
gehad,-om te onderzoeken, of in de uitge- 
pompte en lucht-ledige. recipient niet overge- 
— bleven was een wezen, het welke bekwaam 
is, om de kleine vlokjes, of ligte pluisjes, 
die neder vallen van de hoogte tot in de laagte 
van zodanig een uitgepompte recipient ‚in hun- 
ne beweginge te doen heen en weder gaan ‚en 
met verfcheide kromme linien , wentelingen 
en draaijingen hun nedertogt te doen volbren- 
_ gen, dan of die ligte pluisjes door een regte 
_ Jyn na beneden vallen. Hier toe liet de Heer 
Onderzoeker blazen den recipient uitgebeelt 
Fig. 14: met A. Door het draaijen van de 
wervel. BB wierd na genoegen geopent of ge- 
floten het tangetje C, waar door op hun tyd 
los gelaten wierden de ligte pluisjes D DD. 
Na dat nu de lucht zo veel als zulks doen- 
Iyk was, uit de recipient A was uitgepompt, 
wierd een pluisje los gelaten, het welk in een 
VII. Deez, E reg. 


he, bin ad 


66. __Natuur- en Konft-Kabinet , 

regte lyn, als een ftuk leod,zonder de min- 
fte omdraaijinge nederzakte, gelyk als gezien 
word met DDD. De Heer Onderzoeker her- 
vatte deze proef nog eens,en dezelve was van 
dezelfde goede uitkom(t. Naderhand wierd 
in den recipient de lucht ingelaten, en na dat 
de recipient met lucht vervult was, wederom 
diergelyk een. pluisje los gelaten; maar dit 
pluisje zakte niet zoo ras na beneden, als de 
pluisjes, dewelke in de lucht-ledige reciptezt 
nedergevallen waren, maar maakte veel om- 
draaijingen en wentelingeneer het op den grond 
kwam. 


56. 

Nu is aan elk liefhebber genoegzaam be- 
kent, dat al de lucht noit zodanig uit de reci- 
pienten gepompt word, of in een zogenaam- 
de lucht-ledige recipient is altydt noch een 
weinigje uitnement verdunde lucht overgeble- 
ven; dewelke ook door de gehele ruimte van 
den. recipient verfpreid is. Niet tegenftaande 
nu in deze verdunde lucht noch meerder te- 
genftrevinge is, als in den recipient gevonden 
zoude worden wanneer de zelve volmaakte- 
Iyk van alle lucht ontbloot ware , gelyk als 
blykt door de lucht-verklikkertjes daar wy van 
gefproken hebben. Wat moet nu de Rede 
zyn, dat deze dunne verfpreide lucht, die noch 
altyd in de uitgepompte recipienten overblyft, 
geen tegenttrevinge vertoont aan de nederval- 
lende pluisjes DD D, in de luchtledige rec#- 
pient A van Fig. 14? De oorzaak is buiten al- 
le tegenfpraak de weinig ftoffelykheid, of lig- 

_cha- 


' 


\ 
‘ 


til oe A 


mj nt 


Maart, —— Jäh 1722. 67 
chamelykheid van die ongemeen weinige en 
zeer wyd verfpreide lucht, na mate van des- 


zelfs groot volumen ; want Zo ras ais meer 
lucht in den rectpiezt ingelaten word, verto- 


nen de pluisjes in het nederzakken draaijingen 


__en wentcelingen, door de tegenftrevinge van 


de lucht, door dewelke zy na beneden zak- 
ken ; waar door wy onderwezen worden, 
dat in een lucht-ledige recipient zich wel kon- 
nen onthouden verfcheide uitvloeizels „wezens, 
verdunde lucht, vuur , licht{tralen , klank-o- 
vervoerende materte, magneetftof, enz in de 
welke, na de ruimtens dië zy beflaati, maar 
zeer weinig materie gevonden word. Als 
dan ook de lucht na mate van deszelfs ftoffe- 
Iykheid, of geheel geen of enige belemmerin- 
ge geeft aan deze pluisjes, in het nedervallen; 
wat belemmeringe zoude dan de fyne hoofd- 
ftof van Deskartes, en deszelfs navolgers wel 
moeten veroorzaaken, aan deze pluisjes, als 
zy door dezelve kwamen neer te zakken, om 
dat deze hoofdftof digter , ftoffelyker en ver: 
volgens ook {waatder moet zyn als het goud; 
dat is zonder enige ledigheid, of onligchame- 
likheid toe te laten in deszelfs volumen? 


AGSTE VERHANDELING. 


Van de BYZONDERE NATUUR- 
LYKE HISTORISGCHRIVERS, en 
in de zelve het vervolg van de natuurly= 
ke hiftorie en de bereidinge rvan de Indigo. 

E 2 De 


68 _Naur- en Konft-Kabinet 


I. 
E Indigo-tuinen, in dewelke de Fran- 
fchen en Engelfchen op de voor-eylan- 
den en eylanden die zy in Amerika bewonen 
de. Indigo voortkweken, worden toebereid 
van goede aarde, die kragtig is, en zeer wel 
bearbeid en gelyk gemaakt word. In deze aar- 
de maken zy kleine putjes, die omtrent een 
voet van malkander zyn; in elk van deze put- 
jes werpen zy zo veel zaat van Anil, als zy 
met den duim en de twee voorfte vingers kon- 
nen vatten; dit zaad bedekken zy met om- 
trent twee duim breed aarde; gelyk als uitge- 
beeld word in Tab. XL met AAAA. Zy 
nemen dit zaijen gewoonlyk waar op een re- 
genagtigen tyd, om dat deze de bekwaamfte 
is om het zaad te doen {wellen, en eerder uit 
te doen fchieten , als in een groote hitte en 
langdurige droogte. Als de regen zagt en 
enigzints aanhoudende is „of dat de grond door 
voorgaande regen vogtig genoeg is, komt om- 
trent vier dagen na den tyd van de zaijinge de 
Anil al te voorfchyn , voornamentlyk als zy 
het geluk hebben, dat op of onder den regen 
een bekwame warmte komt te volgen. 


2. 

Als de Anil in goede aarde, en in een be- 
kwaam (zifven gezaid is, verkrygt de zelve 
binnen den tyd van drie maanden zodanig een 
bekwame hoogte, dat dezelve voor de eerfte 
maal afgefneden kan worden. Dewyl zy het 
zaad van de Anil niet enkeld , maar met vin- 

\ „ger 


Maart, July, 1722. 69 
gergreepjes in zodanige putjes zaijen , komt 
zodanige gezaide Anil te voorfchyn , niet by 
enkelde planten, maar by bosjes, gelyk als 
__ gezien kan worden met BBBB. Dit gefchiet 
_ op datzy binnen zeer korten tyd zeer veel jong 
_ loof of jonge bladeren zouden verkrygen. 
__ Want als zy elke plant byzonder kwamen te 
_zaijen, zouden zy of meerder plaats van no- 
__den hebben, of minder kruid in zodanig een 
__ korten tyd voort teelen. Deze eerfte (nee, of 
\_ dit afgefneden kruid, is dan eigentlyk die Anil, 

_ van dewelke zy de zeer vermaarde verf{tof In- 
__digo bereiden, zonder dat zy zo lang behoe= 
ven te wagten dat het zelve zyn volkomen 
__ hoogte bereikt, tot een heefter opgefchoten is, 
el ie blom , vrugt of zaad voortgebragt 

_heett. 


3: 


| Na deze eerfte (neede, bot de ftam weder- 

om uit, maar veel overvloediger als van te 
\_ voren, om dat elk ftammetje dan veel takken 
‚__uitfchiet, die in zes weken wederom volko- 


| 
| 


|__men bekwaam zyn, om gefneden te worden. 
\_Op dezen tyd moet zeer naauw agt gegeven 
“worden, op dat de plant niet tot deszelfs vol- 
| _komen rypheid kome. Want dan laat de- 
zelve daatlyk al zyn bladeren vallen , en de 
Indigo-bereiders zouden meer als zes gehele’ 
weken moeten wagten , eer wederom nieu- 
we bladeren gegroeid waren. Het welk zeer 
fehadelyk voor de Indigo-makery zoude zyn. 


E3 Het 


zo Natuur- en Konft-Kabinet , 


Het voornaamíte kwaad, dat aan deze A- 
nil plantery, of aan deze planten overkomt, 
is een zeker zoort van rufpen, die zomtyds 
binnen ene nagt voortgeteelt worden ; hoewel 
het ene land{chap zulks meerder onderworpen 
is als het andere ; want op het Eyland Sint 
Kriftotfel gebeurd dit zomtyds wel eens, maar 
op Martinike , volgens’t berigt van ooggetui- 
gen, wederom zeer zelden. Als deze ryp in 
de Anil komt te graszeren , zien de inwoon- 
ders daatlyk meeft al hun fchoone hoop van 
voordeel verdwynen. Nechtans komen zy 
deze fchade zomtyds enigzints te gemoet , met 
daatlyk al de Anil af te fnyden, zo ver als de 
zelve dan maar gegroeid mag zyn, enrhet af- 
gefnede kruid met rufpen en al in de kuip te 
werpen, en zich van het zelve tot de Indigo- 
bereiding te bedienen. Andere komen dit on- 
gemak te hulp met een fcheidinge te maken, 
tuflchen de Anil, die van de ryp aangetaft is 
geworden, en de Anil , die noch volkomen 
daar van bevryd is gebleven. Deze fcheidin= 
ge word gemaakt door het affnyden van de 
Änil, in dewelke de ryp reets graszeert. Maar 
dit hulpmiddel heeft geen plaats als int geval, 
wanneer maar zeer geringe plekken befimet 
zyn, en dat de overige Anil noch geheelelyk 
bevryd is. 


$- 
Als de Anil deszelfs rypheid gekregen heeft, 
word dezelve, gelyk aangemerkt is, afgefne- 
den 


wehl” OAN Meen de ei > heid 6 
à AN 
id eid 


b 
k | 
k: 


Maart, ——= Jus 1722. 71 
den voor dat dezelve in Bloei gaat, met zekre 
daar toe bekwame mefzen, dewelke byna de 
gedaante hebben van een Sikkel ,gelyk als uit- 
Rid word met C. Terwyl de fwarten 

DD met de mefzen C de Anil affnyden 
word die tot bundels gemaakt, gelyk uitge- 
beeld is met EE. Maar als het kruid nog 
te kort is word het zelve in linde-zakken ge- 
daan , om gebragt te worden in de Indigo- 
makery , dewyl de Indigo bereideryen zomtyds 


__al een redelyke tu{lchenwydte van de Anil- 


tuinen afgelegen zyn. Naderhand word de 
Anil in de kuip H geworpen, gelyk als uit- 
gebeeld word met FFF. Aan deze kuip H 
word den naam van de uitwerk-kuip gege- 


_ ven. De Anil in deze kuip geworpen zyn- 


de word gefchikt, gepakt, en met de’ voeten 


_op malkander valt, geftampt, of digt in mal. 
__kander gedrukt; en naderhand word op de 


zelve een groote raam gelegt, die valt ge- 
drukt word met een groot ftuk houd dat over 
dwars gelegt word, op dat het water , dat 
naderhand in de kuip gegoten word, zoude 
konnen ftaan boven de ingepakte Anil. Daar 
na worden geopent de kranen ** van de wa- 
terbak +, op dat het water allengskens zoude 
lopen in de uitweek-kuip H; het welk zo 
lang vervolgt word , tot dat het water even 
boven de oppervlakte van het kruid komt te 
ftaan. Naderhand begint de doorgeweekte 
Anil te geften, zeer heet ‘te worden, en zo- 
danig te broeijen , dat het water een half ko- 
kende beweging krygts * : 1; 


dik De- 


72 Natuur en Konft-Kabinet; 


6. 


Deze giftinge of opbruizinge is zeer nood- 
zakelyk tot de bereidinge van de:Indigo; om 
dat door dezelve wel voornamentlyk de fcho- 
ne Blauwe koleur „en flym daar de Indigo van 
gemaakt word, veroorzaakt en als opgewekt 
word. Als zonder deze Broeijinge en geflin- 
ge het water op de-Anil gegoten was, om des 
zelfs zap maar enkelyk uit te trekken,en als 
op te lofzen , zoude voor eerft niet zo veel 
ligchaam en flym uit de Anil getrokken wor= 
den, en de vereifchte blauwe koleur en ftof- 
felykheid, die wy den Indigo noemen, zoude 
daar niet wel uit bereid konnen worden. Waar 
uit klaarlyk blykt dat de Indigo niet is een en- 
keld uitgetrokken zap van de Anil, maar een 
wezen het welke van dit kruid door middel 
van een verrottende geftinge,als half op nieuw 
voortgebragt word. 


Alfchoon wy nu aan deze zo zeer noodza- 
kelyke Broeijenge den naam van geftinge ko- 
men te geven , moeten wy echter de zelve 
van de ware geftinge onderfcheiden ; om dat 
deze broeijenge meerder overeenkomft met de 
verrottinge als met de volkomen geftinge 
heeft. Deze beweginge is geen volkomen 
geftinge , dewelke ftrekt. om een ef/eztie en 
wynig wezen te bereiden, en de vuiligheden 
af te Ícheiden, en boven:uit te fchuimen of na 
den grond te ftoten: maar buiten en behalven 
de volkome geftinge gefchieden in de ligcha- 

LG | ES! men 


Maart, —— Jul, Wax: 73 

men ver{cheide geftende en bruizende bewegin- 
4 gen, de welke baftert-geftingen konnen ge- 
___naamt worden. Ook kan om ver{cheide re- 
__denen deze Broeijenge van den Anil geen vol- 
komen verrottinge genaamt worden , door de 
_ welke een ftof, in dewelke de volkome ver- 
rottinge gebeurd , geheelelyk in een ander 
wezen komt over te gaan, want den wezens- 
__band van de Anil word niet zo volkomentlyk 
_ontwezend, of in den Indigo, die uit het fly- 
__mig zap van de Anil gemaakt word , komen 
ik nog over te blyven verfcheide hoedanigheden, 
die in het kruid Anil gevonden worden. Daar= 
om moeten wy begrypen dat de Broeijeng van 
__de Anil een ontbindende beweginge is, die ten 
_ delen uit de geftinge, en ten delen uit de ver- 
_rottinge beftaat, en aan beide komt te partici- 
_ peren. Hoe veel veranderinge van koleur, 
_ reuk, fmaak en kragt de verrottinge en de 
geftinge nu aan een wezen konnen toebren- 
gen, is zeer wel bekent aan zodanige ftof- 
fcheidkundige mannen, die de Chymifche 
werkdaden in den grond verftaan. Door de 
verrottinge worden de wezens-banden der ftof- 
fen niet alleen los gemaakt, maar de olyde- 
len, en zoutdelen, die in de ftoffen als ver- 
fcholen en voor de zinnen als verburgen la- 
gen, worden fyn geflepen op vrye voeten ge- 
bragt , en dikwils zodanig ligt gemaakt, en 
van hunne kerkers en windzels ontflagen, dat 
zy uit dezelve uitgaan als een vlug en olyag- 
tig zout, gelyk als de fware ftanken, en de 
vlugge zouten die door verder verrottinge uit 
zommige kruiden gemaakt worden , ‘ over- 
a? E s vloe- 


Se 


74 __Natuur- en Konft-Kabinct, 
vloediglyk getuigen. De aanmerkelyke uit- 
werkinge van de geftinge konnen wy ook 
gewaar worden , als wy agt geven , hoe 
door de geftinge uit alderhande koren ko- 
renwyn, uit honing, en uit zuiker , wyn en 
brandewyn, en uit het zoete zap der druiven 
geeltige wynen, en uit de Brouwers gyl fter- 
ke en dronken makende bieren voortgebragt 
worden. 
8. 

Als de doorgeweekte Anil in het hevigfte 

van deze broeijende beweginge is} geeft de 


zelve een groten {tank van zich. Het welk - 


een openbaar bewys is, dat de fyne olydelen 
en vlugge zouten door die beweginge los ge- 


maakt worden. Deze ftank konnen wy ook 
zelfs nog gewaar worden aan de blauwkui- — 


pen, in de welke met de Indigo blauw geverwd 
word, als ook aan het blauwgeverfde lin- 
den en andere blauwgeverfde {toffen. De 
{maak van het kruid Anil is zeer bitter , waar 


uit blykt dat in de Anil zeer veel fcherp zout 


en oly gevonden word, gelyk ook blykt aan 
de Indigo , om dat dezelve in het vuur gewor- 


pen zynde zeer wel vlam wil vatten en bran- 


den. , Waar door ook genoegzaam getuigt 
word dat zy is een brandende ftof, in de wel- 
ke oly en zoutdelen gevonden worden. 


9. 

Alfehoon nu deze broeijende geftinge tot 
het bereiden van de Indigo zo hoofdnoodzake- 
Iyk is, moet echter zeer naukeurig agt gege- 

ven 


d 


BEETA 9 { 
Maart, - Jus 1722. 75 
ven worden, op een zeker tydpunt, in het 
welke deze beweginge de Anil-pap tot een ze- 
_ kere graad van koleur , reuk en cor/ijtentie 

gebragt heeft. Dit tyd-punt waer te nemen, 
is een kennifle, die door de ondervindinge 
verkregen word,en in de welke de voornaam- 
fte kont van de Indigo-bereidinge beftaat. Want 
_ als deze verrottende gettinge al te lang wierde 
_ toegelaten, zoude alles noodzakelyk beder- 
_ ven, de Indigo-pap zoude in een vappa , of 
_ verfchaalde en kragteloze flyk, of bedurven 
ftof , overgaan, en alle deszelfs af?:ve zoute, 
‚vette, lugtige en fynfte olydeeltjes verliezen, 
_ gelyk wy zulks in de totale verrottingen, en 
_ zommige geftingen, daaglyks ondervinden, in 
de Azynmakeryen , Bierbrouweryen, Wyn- 
_ wordingen , Korenbrandewyn-{tokeryen , 
__Brood-bakkeryen, enz. 


OE en — 


\ 


10. 
__Het naukeurig agt geven op zekere tyd- 
punten heeft plaats in de bereidingen van 

meeft alle ftoffen. De voorbeelden hier van 

zyn zo veel en overvloedig, alst groot ge- 

tal der verfcheide konft-gewrogten. De ftaal- 

temperinge, het hegten en wellen der metalen, 

het koken van de glas-fpys, zelfs het toema- 

ken, koken, bakken en braden van onze da- 

gelykfche voedfels, het verwen, het koken en 

rafineren van Zuiker, Borax , Sperma Ceti, 

Camfer, het maken van Vermilioen, het ko- 

ken van Verniffen, het maken van Buskruid, 

} van Lymen, van Lakken, het koleuren der 
| Amauzen, het maken van de ronse, en 
Uie 


| 


26 _Natuure en Konft-Kabinet, — 

duizende andere produtten van de konft zyn 
hier volmondige getuigen. Zelfs heeft de 
natuur ín het voortbrengen van de natuurlyke 
fchepfelen zekere tydpunten van de uiterfte 
volmaaktheid, tot de welke de fchepzels ge- 
bragt worden. | 


TE 
Als wy de verrottende geftinge , door de 
welke de Indigo-pap geboren word, in een 
zeker opzigt befchouwen, konnen wy dezel- 
ve ook vergelyken by de kokinge. Want 
gelyk als de kokinge door het vuur verregt 
word, en de wezens tot verfcheide verande- 
ringen doet overgaan, fpeelt insgelyks het 
vuar alhier de voornaamfte rol , gelyk als 
komt te blyken uit de herte die onder deze ver- 
rottende opbruizinge van de geweekte Anil 
zich komt te vertoonen. Als wy dit alles o- 
verwegen, zullen wy ons geenzints behoeven 
te verwonderen, dat wy uit het kragtigekruid 
Anil, de aanmerkelyke ftof , die Indigo ge- 
naamt word, zien te voorfchyn komen. Want 
de ftovinge, broeijinge , kokinge, vetrottin- 
ge, en geftinge zyn operatien die alderhande 
nieuwe zaaken doen te voorfchyn komen. 
Door een zapte en egale Broeijinge zien wy 
een weinig flym in een levendig kuiken ver- 
anderen, en de meefte dieren voortkomen uit 
beginzels , die nergens minder, als na de die- 
ren die daar uit voortkomen, gelyken. 


I2. 
Als onder het Broeijen en geften van de A- _ 
nil 


Maart, —— Puls 1722. 77 
nil het behoorlyke tyd-punt gekomen is, in de 
welke de Anil in de Indigo-flym verandert is, 
moeten zeer promptelyk de kranen GG van 
de uitweek-kuip H geopent worden , op dat 
dit flymige zinéluur, uit de uitweek-kuip H, 
« zoude vloeijen in de flag-kuip L. Loven over 
deze flag-kuip I is gemaakt een houten rol K 
met zes kanten , aan elk einde van deze rol 
zyn twe yzere bouten LL, de welke konnen 
| Draijen in twe gootjes van yzer MM. Aan 
de twe zyden van deze rol zyn vaftgemaakt - 
_zes pyramidale flagers , aan elke zyde drie by 
_NN, de welke hier niet konnen gezien wor- 
‚den, en een perzoonO beweegt gedurig deze 
“rol K, op diewyze, dat alsde drie flagers aan 
__de ene zyde opgaan, de- drie, die aan de an- 
dere zyde zyn, na beneden worden gedrukt. 
‚ Deze beweginge gefchied gedurig, en zo lang 
tot de koleur van dit flymige zZin&uur zeer 
fchoon hemelsblaauw word. 


ABe 7e j 
___Terwyl het (lymige afverfzel van de Indigo 
geklopt word, gieten zy‚by beurten enige le: 
pels met oly van olyven in het zelve, om te 
beletten dat het zelve niet komt te fchuimen; 
of zich te verbinden met het water tot een e= 
gaal. wezen. Want zonder deze oly zou het 
onmogelyk zyn , hun oogmerk te bereiken. 
Omtrent het kloppen en bewegen van dit af- 
verfzel, moet ook naukeurig op het behoor- 
lyke tydpunt agt gegeven worden. Dit tyd- 
punt is geboren wanneer het Indigozap de ver- 
eifchte hemelsblauwe koleur heeftsaangeno- 
… men, 


bud 


78 Natuur- en Konfl-Kabinet, 


men. Want als zy na dat zulks gefchiet is, 
nog langer met hèt kloppen kwamen aan te 


houden, zoude de Indigo-grein, die door den 


bekwamen tyd van kloppen zich geformeert 


heeft, wederom met het afgeflagen water ver- _ 


enigen , en zy zoude zeer veel Indigo-grein 
verliezen. Als zy ook het Indigo-zap niet 
lang genoeg geflagen hadden, zoude her grein 
van de Indigo, dat zich noch niet geformeert 
hadde, onder het water vermengt blyven. Als 
onder het kloppen het indigo-zap de vereifch- 
te blauwe koleur heeft aangenomen, is zulks 
een teken, dart al het grein van de Indigo zich 
van het water heeft afgefcheiden , daar in ge- 
holpen zynde door de ingeftorte oly. 


14. 

As wy begrypen dat de oly een zeer tak- 
agtig en kleverig wezen is, het welke zich 
met het water niet kan vermengen , konnen 
wy zeer licht verftaan, dat de gomagtige , tak- 
agtige, zoute en hersagtige deelen van het zap 
van de Anil zich, door dit kloppen en flaan, 
piet de olydelen komen te verenigen, en zich 
vervolgens van het water af te fcheiden tot 
een wezen; in welke af{cheidinge van de wa- 
terdelen, en te zamen menginge van de tak- 
agtige olydelen de fchietinge van het Indigo- 
grein eigentlyk beftaat. Door dit Irdigo-grein 
moeten wy niet anders verftaan als een zeker 
ftremzel, dat zich ontdaan heeft van de wae= 
terdelen, en het welke niet anders is als de 
eflentie van de Anil, die door de verrottende 
geftinge uit de Anil voortgebragt is. Ee dit 
rem 


Maart, Julys 1722. 79 
_ftremzel word met regt den naam van Indigo- 
_grein gegeven, om dat tuffchen het zelve en 

de Indigo geen ander onderfcheid ter wereld 
ís, als dat dit ftremzel nu nog nat, en de In- 
_digo droog is. Als dit ftremzel, na dat het 
zelve behoorlyk is geklopt, van zyn meefte 
waterdelen afgefcheiden is, en deszelfs zeer 
 fchone blauwe koleur aangenomen heeft ‚door 
onkunde nog langer geklopt word, laat het 
zich door het {laan wederom met veel wa- 
terdelen vermengen, het verlieft zyn blauwe 
koleur , en de Indigo die daar uit voort- 
komt verkrygt een morzige en fwartagtige ko- 
leur, gelyk als de Smits kool. 


15. 

___Na dat nu het indir Hen behoorlyk is te 
_ zamen geftremt, word het zelve in ruft gela- 
ten, als wanneer het zelve zich binnen een 

kwartier van een uur zagtelyk komt te zetten 

op den grond van de flag-kuip, even gelyk ais 

een wyu-moer, terwyl het water , daar dit 
ftremzel zich van afgefcheiden heeft, op het 
zelve komt boven te dryven. Om nu al het 
‚ water zeer voorzigtiglyk van dit firemzel of 
Indigo-grein af te fcheiden, word het zelve 

zeer zagielyk uitgelaten , door openingen of 
gootjes, de welke daar toe de ene boven den 
\ anderen in de flagkuip gemaakt zyn. Op dat 
‚nu van het Indígo-grein geheel niets verloren 
| zoude gaan, laten zy het water dat boven het 
\ zelve ftaat niet lager boven van het zelve aflo- 
pen, als tot dat het helder en klaar en onge. 
| kleurt blyft, “Want zo ras als het zelve met 
[|M eni- 
| 

Î 


me 


lend ad 


ie 
80 __ Natuur-en Konft-Kabinet, 
enige koleur, en met de ligíte delen van den 
Indigo vermengt, komt uit te lekken, word 
dit water daatlyk gevangen in een tobbe, of 
een bekwamen bak, uit de welke het zelve, 
benevens het overige ludigo-ftremzel, over 

egoten word in lekzakken van linden 
PPPPPP, door de welke het water word 
door gelekt, en de Indigo behouden , die on- 
der dit water vermengt was. Na dat nu het 
water uit het Indigo-ftremzel is uitgelekt, 
worden deze lekzakken gedragen door de 
fwarten QQ, en de Indigo uit dezelve uitge- 
ftort in platte vierkante Bakjes van hout 
RRRRRRRR, die omtrent een duim breed 
diep of hoog van randen zyn, om in dezelve 
de Indigo te drogen. 


1ó. 

Als de Indigo in deze platte houte bakjes 
enige tyd gedroogd heeft, begint dezelve enig- 
zints te Íplyten door de droogte. Op dien. 
tyd word de Indigo gefneeden in tabletten, en 
na dat de zelve op die wyze nog enigen tyd 
geftaan heeft, beginnen zich de zelve door de 
droogte te fcheiden van malkanderen ; en van 
de randen en den bodem van deze platte houte 
kiftjes of bakjes los te worden, als wanneer 
deze zabletten worden het onderfte boven ge- 
keert, om ook insgelyks aan de andere zyde 
te drogen, en hart te worden, om tegens al- 
ke bedervinge en fchimmelinge wel te konnen 
uren. 


A 
In zommige landen gebruiken zy tot het 
be- 


Maart, —= July, 172 B 
„bereiden van de Indigo brak water , maar 
zulks gefchiet uit gebrek van zoet en verfch 
water; want de ondervindinge heeft geleerd, 
dat het alderligtfte en alderzoetfte water tot 
de bereidinge van de Indigo het bekwaamfte 
‚bevonden word; daar in tegendeel het brakke 
… water dikwils de oorzaak is, dat de Indigo 
_uit de lucht enige vogtigheid na zich komt te 
_ trekken, waar door fchimmelagtigheid ver- 
oorzaakt word: Gelyk als wy weten dat het 
_ zee-zout, dat ín het brakke water gevonden 
_ word; zeer licht door de lucht vogtig komt te * 
8 worden. Maar om dit gebrek voor te komen, 
__word in zommige landen , gelyk als in de 
_ heerfehappy van den groten Mogol, in Cam- 
_ baye, en zelfs ook in Guatimalo, de Indigo 
en gedroogt op heet gemaakte yzere 
plaaten. 1 JORD AKE 


18: 

In zommige landen. word de Indigo wel e= 
__nigzints op een andere wyze bereid, maar hét ' 
komt alles maar uit op het zelfde oogmerk. 
Behalve dat zommige onder het Indigo-ftrem- 
‚ zel andere ftoffen , uit een bedriegelykheid ; 

komen te vermengen ,gelyk als onze kooplie- 
den tot hun grote fchade dagelyks gewaar wor- 
den. Of, gelyk als zommige minder zoorten 
komen uit te wyzen, en daarom ook veel 
minder in prys verkogt worden. Hoewel 
ook zommige Indigo flegter en fwakker van 
verwe is, om dat de Anil, daar dezelve uit 
gemaakt word, minder bekwaam en deügd= 
zaam vald in het ene landfchap als in het an= 

VIT. Deer. F dere; 


Dn 


825 Natuur-en Konft-Kabinet ; 

dere ‚en zelfs in den enen tyd van;het jaar als: 
in den anderen. Waaruit ik, oordeel dat de 
Lezer nu genoegzaam begrypen kan de oor- 
zaak van het groote onder{ícheid dat in de ver- 
fcheide zoorten van Indigo gevonden. word. 


19. Lod 

Al de kuipen , dewelke tot de Indigo-berei- 
dery gebruikt worden , moeten gemaakt wor- 
den van (teen, die door kalk eu-cement wel 
aan, malkanderen;gehegt is. Zommige hebben 
dit zomtyds ondernomen in. kuipen van hout, 
maar de ondervinding heeft hen ‚tot hun {cha- 
de, geleerd dat het hout de fcherpheid van’ het 
zap. van de Anil niet kan wederftaan; want 
het zap van de Anil of het Indigo-kruit is zo 
doordringende en fcherp „dat het zelve door 
het hout geheelelyk komt te pezetreren. Waar 
uit wy genoegzaam konnen begrypen, dat in 
het plantgewas Anil een. uitftekende a@Zivsteit 
en fcherpheid. verburgen is. _ Gelyk. ook ge- 
noegzaam blykt uit de groote broeijinge, op- 
geltinge en verrottinge , die het zelvein de uit- 
week-bak komt aan te regten; maar wel voor- 
namentlyk aan de onverdragelyke ftank „ de- 
welke deze plant onder de bereidinge komt uit 
te wazemen; die zelfs zo ongemeen kragtig 
en fchadelyk is, dat: de Negers, die nog niet 
gewoon. zyn in de zelve te werken, daar zeer 
dikwils van komen-te fterven. Zelfs bevinden 
daaglyks de arbeiders „ die hier in onze pakhui- 
zen, met het ftorten en zuiveren: van de Indi- 
go, bezig zyn, aan hunne neusgaten; ia-hun 
keel „ in de borft en zelfs: in het hooft,’ dat uit 
[ide 


re + Jelke NK 


Mûart, ——= July, 1722. 83 
de Indigo zeer fcherpe deeltjes uitwazemen, 
door de welke hunne lichamen dikwils zeer 
worden uitgedroogt „ en de vliezen van de bo- 
vengemelde delen aangegrepen ; hoewel de e= 
ne die ongemakken minder onderworpen is, 
_ als de andere, en de ene menfchook veel eer+ 
der tot het verdragen van de uitvloeizels van de 
Indigo komt te gewennen als de andere. 


20. 
Aansmy is, onder verfcheide proefjes, ge- 
geven door den Heer van Tiel, een takje van. 
de Anil plant, zo als het zelve van de Heefter 
in Weftindiën afgeplukt is gelyk als in Tab, 
XL Fig. 1 met A uitgebeeld word. Dittak- 
je was by den Heer van Tiel al verfcheide ja- 
ren bewaard, en nochtans. zodanig volkomen 
_frifch , gezond , ongemytert , en zonder 
fehimmel, dat ik niet het: allerminfte gebrek 
aan het hout, of aan de peultjes, of aan de; 
zaadjes „die in de peultjes befloten leggen; 
kan ontdekken. Waar uit de duurzaamheid 
en beftendigheid van het;hout„ de vrugt „en ’, 
faad genoegzaam komt te blyken. _ Ik hebbe 
het zelve naar het leven, en zo groot als. het- 
in der daad is, in de gemelde Tab. XL la- 
ten uitbeelden. De peultjes BBB zyn donker: 
bruin van koleur. Het zaad CG is bruin geel’, 
van koleur en gekauwd zynde ongemeen zil-, 
tig, en, zeer lang in de mond gehouden. zyn» 
de „een opdrogende en zamentrekkende fmaak;, 
die een weinigje bitteragtigheid over zich had- 
de. Het fteeltje DDD is zeer egaal, dun, 
hart en houtagtig. 3: 


84 Natuur-en Konft-Kabinet ; 
21. | 
De Indigo van Sint Domingo is tegenwoors 


dig al zeer veel in ’t gebruik, en onder dezel- 


ve worden (lukken gevonden ,die uitmuntend 
fchoon, zuiver en kragtig van. verwe zyn; 
maar ook worden onder dezelve wederom 
fltukken gevonden, die zeer flegt, ja zommi- 
ge die byna valfch zyn, en de welke vry wat 
meer van malkander in waardy komen te ver- 
{chillen als anderzints het onderfcheid van de 
prys van de Indigo van St. Domingo, nament- 
Iyk van 36 tot s6 ftuivers komt te bedragen. 
Maar dewyl de kwade ftukken onder de goede 
gemengt worden konnen wy wegens het onder- 
fcheid, dat gevonden word tu{lchen de befte 
en de flegfte St. Domingo, ter wereld geen 
ftaat maken op het onderfcheid en den onder- 
fcheiden prys der fortimenten. Daarom heb 
ik laten uitzoeken alderbefte St. Domingo, 
middelmatige St. Domingo, en de flegfte St. 
Domingo. Ik hebbe van elks een geheel ftuk- 
je, zonder het zelve tot poeder te ftampen ; 
gewurpen in fchoon gemaakte, en welgerei= 
nigde glaze wynkelkjes, die met regenwater 
twe darde opgevuld waren. Ik heb,zonder de 
{tof te roeren, dezelve laten {taan twe aren in 
de Zon, op den na den middag ten twe u- 
reti. Ik vonde geen andere veranderinge van 
koleur aan dit koud regenwater, als dat zich 
onder op den grond een weinig doorfchynende 
geelagtigheid vertoonde, waar door ik ont- 
dekte, dat in de Indigo gevonden word een 
ftof, behalven de blauwe koleur ;die door wa= 

oe ter 


"d ned il on 


Maart, — July, 1722. Sp 
ter opgeloft zynde, een geelagtigheid vertoont, 
en dat deze {tof ook. zeer gereet is om zich 
met kout water te verenigen, en zich eerder 
te laten opioflchen als het blaauw van den In- 
digo. 


22. 
Zo haaft als ik in elk kelkje byzonder met 
een fchoon ftukje van een gladde en fchone 


_toebakspyp begonde te roeren , fcheide de befte 


Indigo van St. Domingo daatlyk van malkan- 
der, en het water wierd zeer hoog Blauw van 
koleur. Ik liet het geen dat nog niet gefmol= 
ten was weder zagtjes na den grond zakken, 
en het water wierd helder, enigzints door- 
fehynende en fchoon blauw van koleur. De 
koleur van dit blaauw trok een tintje naar 
het groen, het welk ongemeen veel verfcheeld 
van de koleur van deze zelfde befte Indigo, als 
zy droog is, en doorgebroken zynde, op zyn 
fchoonfte bezien word. Want dan is dezelve 
alderfchoonft violet blaauw, of befte paars 
van koleur, de welke in der daad zeer aange- 
naam voor het oog is. Na dat deze befte [n- 
digo van twe uren tot zes uren, dat is vier u-. 
ren in het koud water in de Zon geftaan had- 
de, en dat noch veel meer koleur in het wa- 
ter opgeloft was geworden, was het groene 
tintje verdwenen, en het water hadde een vol- 
komen blaauwe koleur. Dit groene tintje 
was, na myn gedagten, veroorzaakt van het 
geel, daar wy van gefproken hebben , want 
geel en blaauw maakt-groen. Maar van dit 
geel is zo weinig in de Indigo, dat het zelve 
’ F aan 


86 _Natuur- en Konft-Kabinet, 

aan de koleur geen. veranderinge kan geven, 
zo ras als de Indigo maar meerder opgeloft 
word. 


Jel 
Na dat de middelzoort van de Indigo van 
St. Domingo, insgelyks eerft twe uren in de 
Zon geftaan hadde, en wel omgeroerd wierd, 
bleef echter het ingeworpe ftukje in deszelfs 
geheel, en zulks al vry hartnekkig , zonder 
dat het water door dit roeren enige andere ko- 
leur kreeg als een alderbleekft en nauwelyks 
„kennelyk blaauw. … Maar de flegfte Indigo die 
byna valfch was en even lang in het water ge= 
ftaan hadde , wilde zich gants niet laten ont- 
binden, en gaf aan het water geen andere ko- 
leur als het geel daar ík van heb gefproken, 
en het welke ik geloof voort te komen van 
een muffige en fchimmelagtige ftof die altyd 
aan de (tukken Indigo min of meer gevon- 
den wordt. „ De middelzoort Indigo hadde 
zelfs te zes uren nog. maar een weinig meer- 
der koleur gegeven , en liet zich door het roe- 
ren met de pyp ook nog geenzints breken, als 
maar enige kleine brokjes, die afgeweekt 
fchenen te zyn. Maar van de flegfte zoort was 
niets. afgeweekt , veel minder liet de zelve 
door het roeren met de pyp zich breken , en 
gaf ook niet de alderminfte koleur aan het 
water , als een ongemeen bleek tintje van 
geel, dat naauwelyks gezien konde worden. 


24e 
Uit deze proeven, van de Indigo uit zich 
zelfs 


_ Nin Aad 
Maart, — July, 1722. 8 
zelfs door kout water-te doen oploffchen, kon- 
de ik zeer licht het grote onderfcheid van de 
Indigo van St. Domingo ontdekken, en ik 
wierde ook door deze proeven gewaar, datde 
ftof, met de welke zy de Indigo te St. Do- 
__mingo vervalfchen ‚geen de minfte koleur aan 
_ het koude water, al fchoon ‘het zelve in de 
_ Zon ftaat, van zich komt af te geven. Het 
_Onderfcheid van de Indigo kan ook zeer wel 
___door het gezigt aan de Droge Indigo gezien 
____worden. Want als de befte Indigo doorge- 
_ broken, en van binnen gezien word, vertoont 
de zelve een ongemeene fchone viool-ko- 
leur, als de middelzoort word doorgebroken 
wel blaauw , maar veel minder purper of 
___paarfch. Maar als de flegfte zoort doorge- 
__broken word, is de koleur die van buiten 
‘blaauw is, om dat zy by de beter zoorten 
vermengt gelegen heeft, van binnen fwart- 
agtig en onaangenaam voor ’t gezigt. 


25. 
‚ Door de {waarte kan de Indigo ook zeer 
wel onderfcheiden worden. Want de alder- 
befte is zeer ver de ligfte en de middelzoort 
volgt daar aan, maar ‘de flegfte is rna 
fwaar en zo hart als zagte fteen. - T'oen ik 
het droge. ftukje van de befte Indigo in het 
koude regenwater kwam té werpen dreef het 
zelve zeer luchtig en ook omtrent een mi- 
nuit van een uur lang. Als ik het zelve na 
den grond kwam te (toten ging het van zelfs 
wederom na boven;-tot dat het eindelyk 
doorweekt van water {cheen te zyn en ook 
11 F 4 on- 


88 _- Natuur- en Konft-Kabinet, 

ongemeen veel lucht-bellen hadde uitgelaten, 
wanneer het na den grond zakte. Het ftuk- 
je van de middelzoort dreef omtrent de hon- 
derfte gedeelte van een minuit op ’t water 
en ging toen daatlyk na den grond van het 
glas. Het ftukje van de alderflegfte St. Do- 


mingo zonk , in ’t water geworpen zynde, 


daatlyk als een fteen na den grond. De deugd 
van de Indigo kan ook gekent worden aan de 
fchimmel met de welke de Indigo-ftukken 
uitwendig befchimmelt zyn. Het is aan de 
Indigo zeer eigen van buiten aan fchimmel uit 
te werpen. De bete Indigo werpt de meefte 
fchimmel na buiten. Het fchynt dat de min- 
der zoorten niet zo togtgatig en ligt zyn, om 
deze deeltjes door te laten ,„ of het fchynt 
dat in de mindere zoorten minder van die 
vlugge en zeer fyne fchimmel-deeltjes zyn. 
Ook is de fchimmel van de befte Indigo de 
witfte van koleur. Op de alderbefte ftukjes 
zet zich een {chimmel, dat zo wit is als 
fneeuw , en het welk op de Indigo legt als 
een fyn meel, of zeer witte blom. Zodanig 
een witte Bloem zien de kooplieden van den 
Indigo liever, als dat de fchimmel van den 
Indigo zeer fchrael, dun of van een graauwe 
koleur is. Want deze zeer witte bloem geeft 
te kennen dat de Indigo zagt, fyn, vet, wel- 
gevoed, zuiver en vol koleur is; daar de an- 
dere {chimmels een fchraalheid van den Indi- 
go betekenen. 


26. 
Des avonds ten 1o uuren, na dat de flegte 
en 


k 


Maart, Julys 1722. 89 
en middelmatige zoort van Indigo 8 uren te 
_ weken geftaan- hadde, gaven zy nog geen het 
___minfte afverfzel aan het water, daarom goot 
__ik op het ftukje van de flegtte Indigo kokend 
water in een thekopje, waar door het zelve 
week wierd, en zich door een {tampertje van 
yzer aan tuk liet vryven, zich met het water 
kwam te vermengen , en aan het zelve een 
_fwarte Blaauwe koleur kwam te geven. _ Ik 
__ bevond dat zo ras als de Indigo in het kokend 
__ water ontbonden was geworden, de zelve een 
‚zeer onaangename reuk en walgelyke (tank 
nit gaf, het welk ík in alle de zoorten van 
Indigo en zelfs in de belte ondervonden hebbe. 
Deze ftank is een eygen reuk, en kan nergens 
‚ by vergeleken worden, als na. de kuipen der 
blaauwverwers, en na het blaauwe linden, net 
welk noch eerft varfch geverwt is. Ik goot 
dit hoog aftrekzel van de flegfte Indigo weder- 
om by het koude water, in het kelkje daar dit 
ftukje Indigo niet in hadde konnen fimelten, 
om te ondervinden of de koleur , ín het kou- 
de water gewurpen en geheel kout geworden 
zynde , ook wederom zoude nederftryken na 
den grond, en het water of helder , of ten 
-minften weinig afgeverwd zoude nalaten, ge- 
Iyk als wy omtrent veel koleuren zien gebeu- 
ren, de welke in kout water zonder loog niet 
konnen opgeloft, of verenigt worden, en door 
de hette des vuurs verenigt zynde, wederom 
„naar den grond zakken, zo ras als zy koud 
worden, en uit het water vertrekken na den 
grond, zo ras als zy van het vuur en van de 
hette ontbloot worden. . Maar niet tegenftaan- 
F s Pi de 


99 _ Natuur-en Konft-Kabinet, | 
de veel grove en ongefmolte delen uit dit af- 


verwzel wegzakten na den grond, bleef echter 
het water enigen tyd zeer hoog blaauw „en vry 


wel gefatureert. Waar uit kwam te blyken, 


dat de flegite Indigo niet gelyk als de befte , 
zich in kout maar wel in kokend of zeer heet 
water wilde laten ontbinden en oploffchen. 
Naderhand goot ik ook op de zelfde wyze ko- 
kend water op de middelzoort van de Indigo 
St. Domingo, maar ik hadde byna de zelfde 
uitkomft , als met de eezfte zoort, en bevon- 
de dar ik ook een zeer flegt ftukje uit het mon- 
ftertje van de middelmatige zoort van Indigo 
aangetroffen hadde. 


27 

Naderhand heb ik zeer zagtelyk al het wa- 
ter of afverwzel afgegoten van de befte Indií- 
go, en ik bevonde dat dit afverwzel, het welk 
uit de befte Indigo getrokken was, alleenlyk 
maar met kout water „in dentyd van agt uren, 
dat was van twe uren tot des avonds ten 1o 
uren, veel hoger van koleur, en meer verza- 
digt was, als de afverwzels van de twe bo- 
vengemelde zoorten, die door kookend water 
ontbonden waren. Op de ftof die niet ge- 
{molten was, en op den grond van het kelk- 
je leide, goot ik (dezelve in een thekopje ge- 
daan zynde) een weinigje kokend water, in 
het welke de zelve daatlyk met een weinigje 
vryven van het yzeren ftampertje kwam te 
fmelten voor het groot{te gedeelte. Ik goot 
dit by zyn eigen afverwzel wederom. in het 
kelkje,en bêvond dat dit afverwzel ongemeen 
: fwaar 


ns 


nt ee 


8 ATOMEREON 0 
k Maart, —— Julyy 1722. Or 
__fwaar verzadigt was, endat in deze befte zoort 
| ongemeen veel meer koleur was als in de twe 
__boven gemelde zoorten. 
\ 
} 28. 
____Na dat deze drie zoorten van Indigo van St. 
Domingo in het regenwater nog in ’t geheel 
te week geftaan hadden 24 uren, was de ko- 
leur van de middelzoort en flegfte zoort meeft 
wit het water en na den grond weg gezakt, 
_zynde in het water maat overgebleven een zeer 
fchraal afverwzel, elk na mate van deszelfs 
deugd. Dit afverwzel was na verloop van 5 
‚dagen ook geheel na den grond gezakt, en het 
„water van deze twe zoorten byna klaar en wit 
_ geworden. Waar uit kwam te blyken, dat 
__deze twe zoorten van Indigo zeer flegt waren, 
__en dat het water niet gekoleurd was geweeft 
__door een gefimolten zapagtigheid , maar alleen- 
lyk door een zeer fyn poeder, het welk door 
de hette van het vuur was opgeheven, en om 
deszelfs ligtheid en fynheid in het water hadde 
gedreven „en op die wyze een koleur vertoont, 
zo langê tot het zelve allengskens wederom 
geheel na den grond gezakt was. Maar in de 
befte zoort was de blaauwe koleur niet alleen 
volftandig blyven ftaan , maar zelfs nog meer- 
der geworden. Waar uit blykt dat de regte 
Indigo zich met het kout water zonder enige 
toezetting van loog of fcherpigheid zeer wel 
komt te verenigen. 


29: 
Om te onderzoeken of de Indigo van een 
zuur= 


9x __ Natuure en Konft-Kabinet, 
zuurtemperende of alkalyne hoedanigheid was, 
heb ik een lepel van het afverfzel of tizciuur 
vande befte Indigo gegoten in een ander {choon 
kriftallyn kelkje. En om dat deze tinduar, 
gelyk als boven gemeld is, zeer gefatureerd | 
en fwaar van koleur was, heb ik by de zelve} 
gegoten twe lepels zeer zuiver en helder regen- | 
water, om de #:zêuur te verdunnen. Echter 
bevond ik de blaauwe koleur nog zodanig 
fwaar, dat dezelve nog niet geheel doorfchy- 
nende was. Waar uit ik ontdekte dat het re- 
genwater ongemeen veel blaauw afverfzel van 
de Indigo kan dragen, en in zich verfwelgen. 
In dit verlengde afverfzel ftortte ik vyf drup- 
pels oly van vitriool die ongemeen kragtig en 
{waar was; maar ik leerde tot myn verwon- 
dering, en geheel buiten myn verwagtinge „dat 
de blaauwe koleur van deze zeer fcherpe, by- 
tende en alderwreedfte oly niet het alderminfte 
kwam te verfchieten of te verkleuren. Waar 
uit ik ontdekte; dat in de Indigo geen alkalyn 
wezen ontdekt wierd; 2. dat de Indigo onder 
de wrange en te zamentrekkende wezens be- 
hoort; 3. dat de Indigo is een zeer vafte ko- 
leur, en zeer beftendig voor de lucht, en voor 
de zure Vitrioolagtige en zure Sulferagtige de- 
len, die zich gemeenlyk in de lucht bevinden, 
en noodwendig boven alle andere koleuren 
kan beftaan. Ik liet dit onveranderde afverf- _ 
zel een half uur ftil ftaan, maar toen bevond 
ik dat enige delen naar den grond waren ge- 
pretipiteert. Waar door het tinluur zo veel 
echter maar verdunt was geworden, dat het 
zelve nu eenigzints doorfchynend blaauw was. 
In 


Maart, — Jul, 1722. 93 


vee 

In dit zz uur nd ik enige druppels fter- 
_ke loog van pot-as, om de zure delen van de 
__oly van vitriool op te lofzen, en te ondekken 
welk een verandering deze zeer kragtige loog 
‚zoude toebrengen aan de blaauwe koleur.Maar 
de loog van pot-as was van geen andere uit- 
Werkinge, als dat zy de ftof die naar den grond 
\ geprecipiteert was door de oly van vitriool, 
weder naar boven dreef en de koleur een wei- 
pigje blaauwer maakte. Ik goot in een ander 
glazen kelkje een lepel vol van het kragtige 
#ndluur van de befte Indigo dat door water 
uitgetrokken was, zonder het zelve te verlen- 
gen of te verdunnen. Hier by ftortte ik zeer 
‚ veel van de fterke loog van pot-afch, maar de 
‚zelve maakte geen verandering in de hooge 
_ blaauwe koleur van dit gefatureerde afverfzel. 
_ Waar uit openbaarlyk kwam te blyken, dat 
__de Indigo-koleur ook zeer beftendig is tegens 
_ de Alkalyne en zuurbrekende zouten, en dat’ 

de blaauwe koleur van de Indigo ook zelfs 
zeer beftendig moet zyn in die varfche luchten 

de welke met veel fyne zuurbrekende of Al- 

kalyne delen bevrugt zyn. 


ker Ie 

Kn Aeit de" Bbvcheemidlde proef-ondervinding 
ontdekken wy ook, dat de Indigo een zeer 
byzonder wezen uit de plantgewafzen is ,want 
als ín de uitgetrokke blaauwe zappen uit bloe- 
men of kruiden , het zy van violen, van het 
kruid Orfeilje, of de Lakmoes, of he; ve 

A EDE= 


94 _Natuur= en Konft-Kabinct, 
kebeziën, of van deze of gene blaauwe bloe- 
men, ingedrupt word een loog van pot-afch, 
worden zy groen ; gelyk ook zelfs de meette 
zappen van de bloemen of kruiden, van wat 
koleur zy ook mogen zyn. Maar als in de 
blaauwe zappen ingeftort worden oly van vi- 
triool, of van zure geeft van falpeter , of van 
fwavel, of van keuken-zout, of andere fwa- 
te mineralifche ture geelien , worden deze 
zappen rood. Naar welken regel het blaauw 
uittrekzel van den [ndigo, door het inftorten 
van de oly van vitriool, rood , en door het 
inftorten van de loog van pot-afch groen 
hadde behoren te worden. Waar door ook 
enigzints beveftigt word dat de blaauwe ko- 
leur van den Indigo geen gewrogt van de 
vegetatie of het uittrekzel van den Anil of 
het Indigo-kruid is , maar dat deze blaauwe 
koleur in dit zap naderhand voortgebragt 
word, en een gewrogt is van de rottende 
geftinge , en het flaan daar ik van gefproken 
hebbe. Waar door wy de oorzaak een wei- 
nig beter konnen zien, waarom de Indigo 
zo zeer byzonder is in vergelykinge van de 
andere blaauwe zappen der overige plantge- 
waflen. 


\ x. 

Ik goot le Eej. lepel vol in een an- 
der fchoon glazen kelkje van het zeer kragti- 
ge tinétuur van de befte Indigo , en verlengde 
het zelve met twe lepels fchoon regenwater. 
In dit verlengde #induur deed ik een matige 


hoeveelheid van Aluin, die in regenwater ge- 
Ímol= 


AA 


VI LTN 


| Maart, —= Fulysr7i2. op 


fmolten, en door een kladpapier gelekt was. 


_ Maar de Aluin gaf ook zeer weinig verande- 


ringe aan de blaauwe koleur; als dat deszelfs 
doorfchynendheid daar door een weinigje wierd 
opgeheldert „en. de dofheid van-het blaauw een” 
weinigje weg genomen. Waar toe ook ge- 
woonlyk den Aluin van de verwers gebruikt 


… word , om de dofheid der koleuren en verf- 
_ ftoffen, by de welke de aluin te pas komt, op 


te helderen en deftoffen tedoen aangrypen, Uit 
deze proef blykt ook klaarlyk dat de blaauwe 


_ koleur vande’ Indigo de kragt van-den aluin 


wederftaat; het welk zo zeer. niet te verwon- 


_ deren is,om dat zeer veel verfftoffen den aluin 
__konnen verdragen, maar den: aanval van de 


pot-afch „ «en oly van vitriool ongekreukt te 
konnen verdragen, is van veel belang in verf- 
ftoffen die van plantgewafzen bereid worden; 


B ah 

Wy ondervinden cat de wittrekzels met-wa=> 
ter van zamentrekkende plantgewafzen, gelyk 
als-het afziedzel van de gâlnoten van eyken= 
bladeren of het afziedzel. van de fchors van’ 
eykenhout het trekzel vansthe; van {umaâch;, 
en diergelyke: zamentrekkende-ftoffen „daat=" 
lyk in een {warten Inkt veranderen „zo ras als 
daar by gegoten word vitriool die in water is 
gefimolten; en dewyl de Indígo’ een zaimen=” 
trekkende {maak heeft, goot ik. een lepel vol. 
van het -meergemelde hooge tinduur vande" 
befté Indigo-van: St. Domingo ineen poftelei=* 
ne kopje; zonder het zelve met: water te vere” 
lengen.” -Ik-ftortte in dit kopje énige druppels: 

Add, groes 


96. _Natuur- en Konft-Kabinei ; 
groene vitriool van yzer die in regenwater ge= 
Ímolten was, maar het tizéiuur van de Indi- 
go wierd niet fwart, maar begon te fchifteny . 
en binnen enige minuten wierd het zinéfuur 
geheel klaar water, en de Indigo, die in het 
zelve gefmolten was geweeft, zakte op den 
grond van het kopje in de gedaante van een 
dik en drabbig poeder. De delen van devi- 
triool hadden de delen van den Indigo aange- 
grepen, de welke malkander omhelft hebben- 
de hun water verlieten en na den grond zak- 
ten. Jk goot het water dat helder en klaar 
was zagtelyk boven van het poeder af, in een 
ander kopje , en bevond dat het poeder zyn 
blaauwe Indigo koleur wel niet geheel verlo- 
ren hadde ,maar dat het zelve echter veel don- 
kerder en als een blaauwagtig groen, het welk 
morzig is en na den fwarten trekt, was ge- 
worden. Ik goot het water, dat in een the- 
kopje van het poeder afgegoten was , weder- 
om op het poeder, en ftortte in het zelve eni- 
ge druppelen fterke loog van pot-afch. Hier 
door wierd het poeder dat op den grond lag 
wederom aangegrepen, en liet zich wederom 
met het water mengen, maar niet op de wyze 
van een Zinc uur , maar als een drabbig groen 
zap, in het welke de Indigo verfpreid en ver- 
deelt was in zeer kleine en ligte deeltjes, die 
om hunne ligtheid nu niet langer op den grond 
bleven leggen , maar door het gehele vogt 
kwamen te dryven, maar op een wyze dat ik 
oordeelde dat de zelve allengskens wel weder- 
om het water zouden verlaten en nadengrond 
gaan; gelyk als ook binnen twe minuten ge- 
N fchied« 


\ „bd 


ki 
ki 


| 
" 


Eke Koch A 


„Maart, mm fal, i722. “97 


fchiedde zals wanneer het water wederom klaar 


was, en ‚op den grond een zeer ligt en bewe- 


gelyk. poeder, dat zeer groen van koleur was, 
nedergezakt was. «Dit poeder was veel fyn- 
der van delen en ookveel lichter als het eerfte, 
ter noch de pot-afckr in het zelve ingeftort was; 
want op de minfte fchuddinge en beweginge 
van het kopje liet het zich met het water men- 
‚gen, en vertoonde een groen en drabbig #7 


uur. … Om dat de pot-afch de vitr'ooldelen 


en deszelfs zuur had aangegrepen , en daar 
door de Indigo-deelen voor een gedeelte van de 
vitriool-deelen waren ontflagen. Na dat dit 


gezonken poeder twaalf uren geftaan hadde, 
_was eindelyk de blaauwe koleur geheel veran- 


dert in een groene koleur, en enige delen als 
van yzerroeft. Ook gaf het poeder een reuk 
van zich gelyk als het yzer, wanneer wy op 
het zelve pot-afch water, of andere zuurtem- 
perende vogten komen te gieten, die voortge- 
bragt wierd door de werkinge van de pot-afch 
op de vitriool vam yzer. 


4 

Door deze proef Der wy de oorzaak 
ontdekken waarom de fwartverwers hunne 
befte ftoffen die fwart geverwd moeten wor- 
den, eerft blaauw verwen: Want om dat de 
vitriool , die in de fwarte verwen is, zo gre- 
tig op de Indigo aanvalt ; ende zelveomhelft, 
is het niet te verwonderen dat de fwarte verwe 
wonderlyk wel aan de ftoffen komt te hegten, 
op een blaauwen grond ; behalven dat nog de 
Indigo. de vreedheid Rn de fwarte verwe e- 
8 : nig= 


-98 Natuur en-Konft-Kabinét, 
nigzints, verzagten’te gemoet komt; in zo 
verre als dezelve de fcherpheid van de vitriool, 
door des zelfs omhelzinge, komt te breken; 
gelyk als de. fwart-verwers ook wel gewent 
zyn een ligte roden-grond in de plaats van 
een blaauwen te leggen op de ftoffen „de 
welke zy fwart verwen, of dat zy Brafilien 
hout, af ander root verwhout gebruiken on- 
der het fwart verwen , om de vreetheid van , 
de vitriool en galnoten te verzagten. - 


í8 35. 
> Om te onderzoeken op welk een wyze 
de vlugge en alkalyne pis-zouten zich komen 
te gedragen omtrent den Indigo, heb ik ge- 
goten een lepel vol van het meergemelde _ 
fware tinttuur van de befte Indigo van St. 
Domingo in een fchoon glaze kelkje,en heb 
het-zelve verdunt met twe lepels vol regen- 
water y «in zo verre, dat dit fchone blaauwe 
tinctuur byna doorfchynende was geworden. 
Ik ftortte in dit verdunde zinuur. een. wei- 
nigje vlugge geeft van Armoniac-zout, maar 
dit gaf geen verandering aan de blaauwe ko- 
leur.» als dat het:de-doorfchynendheid een 
weinig -benam „gelyk: de piszouten gewoon- 
lykr de,afverwzels „der verfltoffen wel een 
weinigje, troebél maken. … Ook ‘hadde: dit 
vlugge zout in destiaëzar verwekt een reuk , 
die enigzints na,devreuk: van rozen fweemde. 
Ik ftortte hier byzenige, druppelen zeer goede 
en zure-geeft van fälpeter , het. welk de zin&uar 
wel. een weinig, ‘wederom ophelderde >maar 
geheel geen nadeel aan deszelfs blaauwe koleur 
ie kwam 


€ 8 


VET Gi 


_ Maart, —— July; 1722. «99 
kwatn toe te brengen. Waar uit de beftendig- 
‘heid van de blaauwe koleùr van de Indigo o- 
penbaarlyk kwam te blyken. Want de ande- 
re verfitoffen zouden alle deze zure geeften, 
_en kragtige en fcherpe zouten op geenderhan- 
de wyze, met zo weinig veranderinge , kon- 
nen uitftaan. Gelyk als by voorbeeld de rode 
koleuren vande Gonchenilie, Karmozyn-beyen, 
rode houten, Chineefe Lak-verw „of de fwar- 
te koleur van vitriool met galnoten, Sumach, 
the of andere te zamentrekkende bladeren, 
vfugten, fchorzen enz. of zelfs ook de ande- 
_re blaauwe koleuren van Lakmoes, of Orfeil- 
__je, of violen, krakebeyen , alderhande blaau- 
we bloemen, of de bruine en gele koleuren, 
_ dewyl deze door het byvoegen van de boven- 
gemelde zure geeften en {cherpe zouten, zeer 
veel veranderingen omtrent hun koleur onder 

_ worpen zyn. 


$ 


| N 6. 

„Onder de zure pre ‚ de welke zeer krag- 
tig zyn. om de koleuren uit te wiffchen „ 
of ten minften te veranderen, word niets zo 
vermogende „gevonden als het fterk water, 
Daarom ftortte ik een lepel van het fware tiz- 
&uur van de Indigo wederom op nieuw in een 
fchoon glaze kelkje, en zonder het zelve mét 
water te verlengen ftortte ik in het zelve ryke- 
lyk veel feer fcherp ftark water of agua fortis; 
maar de blaauwe koleur bleef even beftandig 
alste voren. Het welk ik niet geloof dat by- 
‚_ na een enige koleur ter wereld , zodanig als 
‚__de Indigo zoude konnen uitftaan. Waar door 
GA wy 


roo …Natmur- en Konft-Kabinet , 

wy ontdekken dat wy ons nu niet langer be- 
hoeven te verwonderen over de beftendigheid 
van de blaauwe koleur die met den Indigo ge- 
verwd word. 


37° 

Onder de vlugge delen en zouten die ín de 
plantgewafzen gevonden worden „is een zout, 
het welke wy kers-zout noemen, en het wel- 
ke gevonden word in kruiden die tegen de 
fcheurbuik gebruikt worden , gelyk als de le- 
pel-bladen’, de tuin-kers, de water-kers, debe- 
keboom enz. Dit zout is wel zeer hitzig, maar 
ook zeer ligt, vlug en fyn ; want als deze 
kruiden gevreven of geftampt worden, verlie- 
zen zy dit kerszout zeer fchielyk, dewyl het 
daatlyk vervliegt. Ik was nieuwsgierig om te 
weten hoe zig dit zeer ligte en vlugge zout 
zoude gedragen met een wezen dat zo beften- 
dig en te gelyk zamentrekkend ís als-de Indi- 
go. Ik goot wederom op nieuw een lepel 
van het bovengemelde kragtigetizétuur vande 
Indigo in een fchoon glaze kelkje, en ftortte, 
zonder het zelve met water te verdunnen,daar | 
in een goede hoeveelheid zeer kragtige geeft 
van lepelbladen, die met voorloop van bran- « 
dewyn gediftilleerd was. Maar ik ontdekte « 
niet de allerminfte veranderinge aan de blaau- 
we koleur van het fchone #zénur van de In- 
digo. Niet tegenftaande verfcheide andere 
verfltoffen , die uit plantgewafzen bereid zyn, 
zigtbare veranderingen en ophelderingen door 
den voorloop van brandewyn onderworpen 
zyn. Ik verwagtte van het vlugge kerszout 
der 


Ef OENE) RAMON Nl 4 t 5 
— Maart, —— Súly, 1722. ref 
_ der lepel-bladen wel geenzonderlinge verande- 
__ringe omtrent de koleur. van de Indigo , maar * 
_… wel enigzints omtrent den reuk. Het welk 
_ Echter niet gebeurde, als dat de reuk van de 
__depel-bladen uit het #nuur van de Indigo veel 
_ eerder was verdwenen, als uit een evengelyk 
_ gedeelte water, in het welke ik in een ander 
__the-kopje de zelfde hoeveelheid van geeft van 
8 lepel-bladen ingeftort hadde, in het welke de 
_ reùk nog zeer lang was overgebleven , na dat 
de zelve al zeer lang uit het afverwzel van 
de Indigo vertrokken was geweeft. Even 
als of het kers-zout zich zo wel met het ge- 
fatureerde Indigo-tin&uur niet konde vereni- 
_ gen als het zelve nog wel voor enigen tydzyn 
_ Verblyf kwam te houden inhet fchoon regen- 
_ water. 


38. 

Het gebeurd zomtyds dat de vegetabile‘zu- 
ren, als by voorbeeld de Azyn, het zap van 
Citroenen, aalbeffen, appelen, zuringe, drui- 
ven en andere zure vrugten of kruiden, op 
zommige zaken komen te werken , dezelve te 
verbyten, of te ontbinden , daar dikwils de 
minerale zuren, als de zure geeft van vitriool, 

_ van gemeen zout, van fwavel, van zalpeter, 
of de Clyffus van Antimonie enz. minder 
magt op komen te oefenen. Om dit, ten op- 
zigte van den Indigo ,te onderzoeken ftelde ik 
twe fuïvere glaze kelkjes, en goot inhet eene 
twe lepels vol fchoon regenwater , eri in het 
andere twe lepels vol helder Citroen-zap , het 
welk ik zo nT uit een friffche Citroen 
In 3 ge- 


zoz Natuur-en Konft-Kabinet, 
_ gedrukt hadde. In elk kelkje goot ik vervol- 
gens een lepel van het dikwils gemelde krag- 
tige tindinur van de befte Indigo ; maar beide 
de tinAuren waren egaal blaauw van koleur, 
als alleenlyk dat de #ztiuur met het Citroen- 
zap niet zo doorfchynende en helder was als 
die met het water. Het welk veroorzaakt 
wierd door de dofheid van het Citroen-zap, 
Anderzints was de blaauwe koleur in beide 
van een en de zelfde hoogte van tint; hebbene 
de vervolgens de blaauwe koleur van de Indí- 

o niet het allerminfte geleden door dit zeer 

yne en kragtige vegetabile zuur , namentlyk 
het Citroen-zap : het welk echter zeer weinige 
koleuren (gelyk als na dezen, als wy over 
andere verf{toffen komen te handelen , nader 
zal blyken ) konnen uitftaan, en waar uit wy 
‘een uitmuntend bewys trekken van de beften- 
digheid en de vaftigheid van de blaauwe ko. 
leur van den Indigo. 


Alfchoon ik een ad een zeer vermaart 
pis-zout, namentlyk de geeft van het zout van 
Armoniac, een proef op den Indigo genomen 
hadde, wilde ik echter zulks noch eens nader 
onderzoeken met de pis zelfs. Ik ftelde twe 
zuivere glaze kelkjes, en goot in het ene vier 
lepels fchoon regenwater , en inhet andere 
vier lepels wel gekookte en hoog geel geko- 
leurde Menfche-pis. Ik goot in elk kelkje 
een lepel vol van het dikwils gemelde {ware 
tinbuur van de Indigo. Maar het was zeer 
Sangenaam om tezien, dat het Indigo-ziz& var, 
Ì het 


FAD 


__ Maart, Ju 1722. 103 
het welk in de pis gegoten’-was,- bleef hangen” 


_ inhet bovenfte gedeelte van de ‘pis „ omtrent. 


tot een breedte vantwe Linien of een zesde van 
een duim, terwyl ondertufichen het andere 


gedeelte van de pis geheel helder en klaar was 


gebleven. « Daar in tegendeel de Indigo-tin- 
Enur die in het water geftort-was daatlyk zich 
door het gehele water kwam te verfpreiden. Ik 
bewoog het glas van de pis enige reizen van. 
de laagte naar de hoogte, waar door de:{terke. 
Indigo-tinduur , in de gedaante:-van wolkjes, 
wel naar beneden gedrongen wierd ,: maar el- 


_ ke reis wederom, en zulks ook al zeer fchie- 


_lyk, naar boven klom. 


o. 

De oorzaak van ie verfchynzel is, om dat 
de Indigo zeer ligt is, en zo lang als de zelve 
droog is op het water als kurk komt te dry- 
ven. En dewyl nu de Indigo-®inâuur een by= 
zondere wezens-band hadde aangenomen door 
den langen tyd , in den welken de Indigo in 
het zelve gefmolten was, kwam dit zindluur 
te dryven op de pis, die wederom een andere 


‚ wezens-band hadde met ‘deszelfs loogzouten; 


waar door de pis ook fwaarder van gewigt was 
als het #:7@ uur van Indigo dat op het zelve als 
een blaauwen rand bleef ftaan. Als ik door 
dezen rand horizontaal door zag, was de ko- 
leur volkomen blaauw, gelyk als de fterke 
tinétuur van de Indigo ; maar als ik van boven 
in het glas door dezen rand na den ‘grond van 
het glas kwam te zien „ fcheen alles tot inden 
bodem van het glas zeer fchoon groen. „het 

| G 4 welk 


zo _Natwar= en Konft-Kabinét, 

welk veroorzaakt wierd van de gele koleur 
van de pis, en de blaauwe koleur. van de In- 
digo die op de pis kwam te dryven. Want 
blaauw en geel maakt groen. Dit zelfde zult 
gy zien gebeuren, als gy een pikdonkere ka- 
mer maakt, en een rond gat in een vengfter 
boort, door het welke het ligt alleenlyk maar 
kan doorgaan. Zo ras als gy voor dit gat een 
blaauw glas ftelt zullen, als gy daar door 
komt te zien, al de voorwerpen buiten op de 
ftraat blaauw fchynen. En als gy op dit blaau- 
we glas nog een glas , dat geel is, komt te 
plaatzen, zullen alle de voorwerpen die gy 
daar door ziet groen fchynen. Na dat nu de- 
ze pis met de rand van de Indigo zonder het 
minfte te veranderen een geheel uur geftaan 
hadde, roerde ik met een lepel dit mengzel 
ondet malkander. Waar door de wezens-band 
van elk in zo verre verbroken wierd, dat zy 
te zamen mengden en een zeer fchoon en 
doorfchynend groen tizcuur uitmaakten. 


L. 

Uit de bovengemelde proef ondervindin- 
gen is nu de deugd en beflendigheid van de 
blaauwe koleur van de befte Indigo genoeg- 
zaam gebleken , maar behalven deze proeven 
gebruiken de kooplieden van de Indigo ook 
nog een andere manier om de waardy en deugd- 
zaamheid van de Indigo te ontdekken , na- 
mentlyk door het vuur. Zy leggende Indigo 
op het vuur , en als de zelve geheel weg brand, 
nemen zy zulks voor een teken dat de Indi- 
go opregt is. Maar indien de Indigo geheel 
geen 


OAT Rs RT Urd aen 
PN Hili 
N 


Pd 


ze Maart, — Julys 1722. 109 


wdd 5 / 
en vlam vat, of dar dezelve een f'waar caput 


_mortuum of uitgebrande ftof overlaat, oordee- 
‚ Yen zy dat de indigo of geheel ondeugend of 


vervalftis. Ik leide om deze proef in de befte 
indigo van St. Domingo infgelyks ook aante 


_ftelien een ftukje indigo van tien grein op een 


brandende en vlammede kool. Zoo ras als 


_de indigo vlam vatte gaf dezelve een zeer fwa- 


ren Rook uit, die voor een gedeelte blaauw , 
en voor een gedeelte rood purper van koleur 


… was, en een zeer {waren onaangenamen ftank 
_ hadde, Deze ftank of reuk kan genoegzaam 
_ nergens by vergeleken worden , als by den 
__fwaren reuk van de blaauw kuipen , of by het 


linden , dat nog vars met indigo blaauw ge- 
geverwd is. De indigo vatte wel vlam , zo 
lang als dezelve in de vlam van het vuur was, 
en veranderde eindelyk in een gloeyendekool, 
die echter niet zodanig beftendig was, dat de- 
zelve in zyn geheel bleef, maar door het aan- 


raken viel dezelve van malkander. Om dit 


noch nader te onderzoeken, hield ik een ftuk- 
je indigo in de vlam van de kaars , het welk 
infgelyks vlam vatte, en ook met een zeer 
witte vlam brande , zo lang als het zelve in 
de vlam gehouden wierd , maar zo ras als het 
zelve te rug uit de vlam van de keers gehaalt 
wierd, ging de vlam daatlyk uit, niet in ftaat 
zynde om uit zich zelfs de vlam te voeden. Het 
gedeelte van de indigo dat op deze wyze ver-' 
brand was , hield ook geen gloeyende kool , 
maar verroonde een uitgebrande donkerbruine 
ftof, en daar het zelve een fcheidinge maakte, 
tuffchen de onverbranden indigo van het zelfde 
G s ftuk- 


zo6 Natuur-en Konft- Kabinet, 

ftukje, vertoonde zich een purperagtige roden 
kring, de welke zeerglintterdeen blonk. Dee. 
ze gliniteringe. wierd veroorzaakt van een groot 
getal kleine deeltjes, die als robynpuntjes uit- 
ftaken , zynde elk puntje zo klein als de punt 
van een fyne naald. De uitgebrande kool van 
de indigo fcheide ik met een zeer dun mesje van 
de onverbrande indigo af, het welke. zichzeer. 
licht lietaffcheiden, en viel by het gemeldero- 

byn koleurig ringetie af , opeen wit papier „. 
het welke ik daar onder gelegt hadde. _ In het 

nedervallen brak de kool in zeer kleine ftukje, 

die omtrent van grote ware als de korrels van 

zeer fyn buskruit , en ook omtrent zoo hatd. 

Ik wierpdeze uitgebrande korrelties wederom, 

op een kool vuur, van de welke de as was 

afgedaan , op dewelke dezelve wel gloeynd 

wierden , maar echter hunne hardigheid zeer 

lang behielden. Ik vreef dezelve met een zeer 

klein mesje zeer fyn op de kool , maar dezelve 

veranderde doorhetvryven wel ineen poeder 

dat bruin van koleur was ‚, maar verteerden niet 

als voor den tyd van 3 minuten toen alles in 

een donkere as verandert was. Waar uit ge- 

noegzaam komt te blyken dat deeze befte in= 

digo van St. Domingo niet geheel weg bran- 

dede maar een matige hoeveelheid van Caput 

mortnum kwam na te laten. 


Is. 

Ik nam een ftuk van een dragma van de 
flegíte zoort van de indigo St: Domingo, en 
hield het zelve in de vlam vande kaars, maar 
het wilde geen de minfte vlam vatten, doch 
gaf 


Maart, =— July, 1722 107 


f cd zich een onverdragelyk ftank , dievol- 


omen en geheel met de ftank van de befte 


indigo over een kwam. Ik leide dit ftuk ‘op 


_een brandende kaol , daar het zeer lang lag te 
„ Ímeulen, maar geen vlam vatte , en gaf een 
_ftank uit die zich door het. gehele huis ver- 


_ fpreide, Na verloop van twee minuten , gaf 


_ dit ftuk geen meer rook noch ftank van zich 


1 


… af, enlwas verandert in een fwarte en harde 


«kool , byna van gedaante als een uitgebrande _ 
__fmitskool. Ik nam deze kool die gloeyend 
was met een klein tangetje van het vuur , en 
_ leide dezelve op een koude yzere plaat omte 
verkoelen. Zo lang als de rook van dit ftuk 


_ flegfte indigo kwam te duren was de reuk 
van de ftank tot het laafte toe volkomentlyk 


egaal met de ftauk van de rook van de alder- — 
befte indigo , maar het caput mortuum was 
eindelyk zo fchoon uitgebrand dat in het zel- 
ve niet de alderminfte reuk meer overig was. 
Toen het caput mortuum kout geworden was; 
vond ik het zelve nog in zyn geheel , en zo 
hard dat het zich zonder van malkanderen te 
vallen genoegzaam liet behandelen: ik konde 
egter het zelve vryven op een wit papier. En 
om te ondekkenof ook zand onder het zelve 
gemengt was, kaauwdt ik een gedeelte van!dit 
poeder tuflchen de tanden, maar fchoon het 
zeer knarfte, ondekte ik echter dat geen zand 
onder deeze {tof gevonde wierd. Maar dat 
de Rof beftond in een fmakeloos, en aardag- 
tig ligchaam , dat ongemeen vreet en té za- 
mentrekkende was. LAD 


16, 


to8 Natuur- en Konft-Kabinet, Lj 


16. 

Uit de ftank en ’t caput mortuum van dee- 
flegte indigo bemerkte ik genoegzaam, dat de 
flot, daar de indigo te St. domingo medever- 
valfcht word , niet anders is als de droezem 
van de indigo die ondeugend en kwalik uitge- 
vallen is, te meer om dat dit caput mortuums 
na lang op een kool vuur gelegt te hebben. 
kwam te verteeren in een afagtig wezen. Het 
welk niet zoude gefchied zyn , als het zelve 
in een onverbrandelyke aerde , of zand hadde 
beftaan. Maar alfchoon die van St. Domingo 
hunnen indigo nu op deze wyze komen te 
vervalfchen , namentlyk met onder de befte 
indigo een meer of minder hoeveelheid (tuk- 
ken van de flegfte ook wel middelmatige in- 
digo te werpen, zyn daarom de middelen door 
dewelke de Indigo vervalfcht word niet over 
al de zelfde. Want de Indigo-Bouwers van ver- 
fcheide plaatfen onder het gebied van de 
‚ grooten Magol, laten dikwils hun nat Indi- 
go grein, in de plaats van in houte bakjes , 
gelyk als wy befchreven hebben , drogen op 
het zand , waar door zich vry wat zand 
in deze blauwe verfltof komt in te wik- 
kelen. Waar door zy het gewigt van den 
Indigo merkelyk weten te doen vermeerde- 
ren. Maar de Indiaanfche en andere Koop- 
lieden, dewelke tot Suratte, Bengale, en in 
verfcheide andere plaatfen den Indigo kopen, 


zyn in tegendeel ook afgeregt op proeven die 


dit bedrog komen te ontdekken. 
Om 


_ Om de beftendigheid van de blauwe koleur 
__van den Indigo nog nader te onderzoeken ‚heb 
ík nog verfcheide andere proeven, mer dezelve 
__gedaan , door de kragtige tinduar te werpen 
_ in Brandewyn, in Wyn-Azyn, in Olie van 
_terpentyn; menfchen-quyl, in gefmolten Ar- 
‚mmoniac zout , en nog in verfcheide andere 
_floffen, in dewelke anderzints een grote kragt 
en vermogen om de ligchamen te ontbinden 
en te veranderen befpeurd word. Maar de 

_ Veranderingen dewelke deze alle aan de be- 
__ftendige en vate blaauwe koleur van de In. 
digo toebragten waren zo gering , dat de zel- 
ve niet waardig zyn vm aangemerkt te worder; 
als alleenlyk in de Franfche wyn. Ik ftelde 
twe zuivere glaze kelkjes; in het eene kelkje 
goot ik twe lepels vol regenwater ‚ En in het 
andere twe lepels vol Franfche wyn, die zeer 
blank en kaars-fchoon was, Ik goot in el 
kelkje een lepel vol van de fware Indigo ko- 
leur ; maar de koleur van het tin ux met wyn 
was veel levendiger, doorfchynender, helder- 
der als de tizdluur met water. Ook was dè 
koleur van de #inéluur met wyn een weinigje 
groen van tint. 


: 
) 
| 


18. 

Na dat het tinluur met wyn twaalf uren 
geftaan hadde, was al de Indigo op den grond 
van ’t kelkje gezakt, en de wyn was weder- 

om gekeel klaar , wit «en. doorfchynende get 
worden. Ik goot de wyn zeer zagtelyk; van 
gol het 


tn 


«ro Natuur-en Konft-Kabinet s 
het poeder af, en goot op het zelve wederom 
kout regenwater , waar door het poeder we- 
derom van de grond wierd opgeligt,, en zig 
_ met het regenwater verenigden, en een Blauwe 
&inétuur vertoonden. In ditzrcuur dreven zeer 
veel ongemene tyne deeltjes, als een zeer fyn 
ftof van den Indigo, hetwelk zich echter niet 
met het water wilden verenigen, maar na ver= 
loop van 6. uren op den groud van het kelkje 
kwam te zakken, en een zeer ligt blauw en 
doorfchynend tizéluur in het water. nalieten. 
Ik proefde de klare wyn dewelke ik vande In- 
digo hadde afgegoten ,en bevond dat dezelve 
zeer te zamentrekkende en vrang was gewor- 
den. Deze Stypticiteit of zamentrekkendheid 
van de wyn, die vry vrang was, wierd voort- 
gebragt van eenige zamentrekkende delen de- 
welke de wyn uit den Indigo hadde opgeloft , 
en gefmolten. „Waar uit klaarlyk blykt „ dat 
dedelen van den Indigo diede blaauwe koleur 
verwekken , niet in den wyn zodanig komen 
te fmelten , dat dezelve zich tot een wezens- 
band, met dezelve verenigen, gelyk als in het 
water; maar wel de vitrioolagtige en famen- 
trekkende delen van den Indigo, die geen 
blaauwe koleur geven. Dat de indigo in de 
wyn ook na dengrond wierd geftoten , wierd 
veroorzaakt , om dat de zwaarfte zure delen 
van de wyn met de zwaarfte delen van den In- 
digo malkander hadden aangegrepen, en om- 
helft ; waar doorde blauwe Indigo-delen in 
malkander geknepen zynde , zwaarder waren 
geworden , en na-den grond van het kelkje wa- 
ten gezakt. Maar zo ras alsop dit poeder wa- 
zat ter 


t 


df on or 


Maart, —— Fulys1722. Tre 
ter gegoten wierd, vermengde zichdit neder. 
geftoten poeder wederom met het water ‚, om 
dat door ‘het water de wyn zouten , ofhet zuur 
van de wyn gedileert en van de Indigo deelen 

_afgefcheiden wierden „ en op die wyze de In- 
_digo wederom in {taat gebragt wierd , om ín 

_het water te konnen fimelten-, en een blauw 

_Zinduur te vertoonen, behalven enige fyne en 
“harder ligte ftofjes , die-als eeri zeer fyn poe- 

_der door het wâter dreven; en-allengskens we- 

_derom na den grond zakten. Hier uit konnen 

de Liefhebbers: ondekken dát de wyn , in % 

__blaauwverwen met den-Indigo , aan de Indi- 

__go-verf byzet een meerder vreedheid , buyten 
alle twyfel niet onbekwaam, om de Indigo de 
wolle of linde ftoffen beter te doen aangrypen, 
en het afwerven , dat de- Indigo zeer onder 
“worpen is, ín de eerft blaauw geverwde ftof- 


fen te beletten voornamentlyk als- maar “wel 


gelet word „ dat niet al te veel wyn by de In- 
digo gegoten word, om dat:anders de Indígo 
zoude komen te fchiften „ gelyk wy gezien 
hebben in het zinduur van de Indigo daar ik 
by ene lepel #uduur twe lepels vol wyn inge- 
goten hadde. Lo} 13 
ep vil dj6 rg. 1034 1 | 
Het zal mifchien aan den lezer wel bekerit 
‚zyn wat wy door een magtigeen zwakke verf= 
ftof verftaan , déwyl wy daaglyks in de oly= 
verwen ondetvinden, dat de-ené verfftof veel 
‚ meerder uit ffykt als de“andere ; of dat wy 
‚ meteen porid'van de ene verwe dikwils zo veel 
‚ „wolle, linde-of zyde ftoffe zóude konneû ver- 
| wen 


a date 


rrz _ Natuurs en Konft-Kabinet ; 

„wen als met drie of vier ponden van een ans 
dere verwe. In dit opzigt moet de Indigo on- 
der de magtige verfltoffen geagt worden. want 
een kleine hoeveelheid Indigo is bekwaam om 
een grote menigte „water blaauw te, verwen: 
‘Toen ik het hogen tindnur met kout 
water en de befte Indigo van St. Domingo kwam 
te bereiden,hadde ik in het glazen kelkje gewor 
pen een ftukje van die befte Indigo dat maar 
25 greinen fwaar was. op dit ftukje hadde ik 
gegoten een gemeen wynkelkje met {choon re- 
‚genwater. na dat ik dit fware zixélunr dat door 
dit. water afgetrokken was verbruikt hadde tot 
de proeven; vond ik op de grond van het kelk- 
je nog zeer veel poeder van dit (tukje In- 
digo leggen, ik goot opdit poeder in een fpoel- 

‘kom gedaan zynde vier kelkjes kout-regen- 
genwater ; het welk wederom een zeer hooge 
‘blaauwe koleur uit dit poeder kwam uit tetrek- 
ken. Waar uit kwam te blyken, dat het wa- 
ter, toteen zekere graat van hoeveelheid met 
de blauwe koleur-delen van den Indigo verza= 
digt zynde; geen meer blauwe koleur-delen van. 
Indigo in zyn boezen konde bergen of dragen : 
gelyk als kwam te blyken aan de blaauwe kor 

eur delen die uit die zelfde Indigo van het wa- 
ter van de vier kelkjes en nog agtandere kelk= 
jes opgenomen wietden. 


20; 

Na dat ik nu de vier kelkjes van dit hoog- | 
gekoleurde blaauwe ziuétuur van het poeder | 
wederom hadde afgegooten , goot ik op het « 
zelve wederom vier andere kelkjes {choon re« | 
gen- | 


_ Maart, — Fulyy 1723. 113 
__wâter, het welk wederom als al het voor- 
. gaande een zeer hoog blaauwe en wel ge/atn- 
reerde koleur verkreeg ; zynde nu reets het 
water van negen wyn kelkjes , elk omtrent 
__ van twe en een half-ons water , zeer hoog 
__ blaauw gekoleurt geworden van 25 grein In- 
__digo ik goor het zinctuur vande vier laafte wyn- 
_ kelkjes wederomaf, en vondop de grond van 
__de pofteleyne fpoelkom nog veel poeder van 
_de gemelde 25 grein Indigo leggen. Ik goot 
_ wederom op dit poeder vier kelkjes kout re- 
_ genwater , het welk infgelyk een zeer hoog 
__blaauwe koleur verkreeg. Maar dewyl deze 
_koleur een tintie , dat even te onderfcheiden 
was , ligter was , als de koleur van alle de 
voorgaande kelkjes , vervolgde ik niet langer - 
water te gieten op de ftof , die van de vyfen- 
twintig grein Indigo nog op den bodem van de 
fpoelkom overig was. Ik hield my vergenoegt 
_met te ondervinden , dat 25 grein Indigo een 
zeer hoog blaauwe en wel gefatureerde koleur … 
hadden konnen geven aan ruim 33 onzen kout 
regenwater. of liever dat 25 grein Indigo een 
| zeer hoge blaauwe koleur konde geven aan meer 
| als r1ooo grein water behalve nog de koleur 
van de Indigo die verlpilt was ; en dewelke 
| ook nog overgebleven was op den grond van 
‚ de fpoelkom. Het welk nog wel zoo veel 
| kwam te bedragen, dat wy vryelyk mogen be- 
‚_ fluiten , dat een grein van de befte Indigo van 
| St. Domingo , de kragt heeft om aan soo 
\_grein water een hoog blaauwe koleur tegeven. 
‚waar uit klaarlyk blykt dat de Indigo een van 
| de magtigfte verf-{toffen is,en in verf-kragt 
VEREN II DEEL H zelfs 


114 Natuur-en Konft-Kabinet, 
zelfs niet behoeft te wyken voor de magtige 

verf-{tof die wy conchenilie noemen. 

21. 

Myn beftek laat niet toe om de aanmerkin- - 
gen, dewelke ik over de andere zoortên’ van 
Índigo gemaakt heb, en de proeven. die met 
dezelve gedaan zyn in deze verhandeling me- 
de te delen. dit voor het toekomende. Ik 
zal alleenlyk nog maar bekent maken dat 
de bereidinge van de Indigo in de land- 
fchappen van den groten Mogol , enigzints 
op een andere wyze gefchiet , als wy gezien 
hebben dat die van de voor-Eylanden van A- 
merika met het bereiden van den Indigo ge- 
went zyn om te gaan. De Indigo word in 
verfcheide plaatzen van het ryk van den groten 
Mogol gewonnen ; maar zy heeft verfcheide 
hoedanigheden na de verfcheide plaatzen daar 
de anil geteelt, en den indigo bereid word. De 
befte van alle die zoorten komt van het land 
Biana, Indova, Korfa ; welke landfchappen 
een, en zommige twee dag reizen gelegen zyn 
van Agra, de hoofd{tadt van het ryk des Mo- 
gols. Deze Indigo is de befte, en word in ’t 
algemeen Zudigo lauro genaamt. Maar in ’ 
landfchap Gufurate omtrentagt dagreizen van 
Surate, en twe mylen van de (tad Amababat , 
werd een dorp gevonden , het welk de naam 
heeft van Sarkefle , daarom werd de Indigo 
die aldaar bereid werd Jrdigo Cirkees gea 
naamt. Deze Indigo is door malkander niet 
half zo ‚duur als de Zwdigo lauro ; want de 
prys is van 1< tot 24 ftuivers het pond , gelyk 
als wy in onze eer(te verhandelinge reets ge- 
no- 


fl, did 


_ Maart, —= Julys 1722. If 
noteert hebben. Deze Indigo Cirkees is uit- 
erlyk optoog zeer blaauw „ maar in het dopr- 
breken byna van de zelfde koleur van binnen 
als van buiten, en geenzints violet, of paars, 
_ gelyk’als de befte zoort. Het blaauw van de- 
_ ze indigo fweemt meerder na de koleur van 
_ het lakmoes. Deze Indigo word gemaakt tot 
_ brokjes of tabletten , die byna een gedaante 
} hebben als ronde rype vygen , gelyk ook aan 
_dezelve den naam van vygjes gegeven werd. 
‚ De Indigo Cirkees is zeer bros in het door- 
breken, en niet zo vaft van zelfftandighe'd als 
_ de Judigo van St. Domingo, veel minder alsde 
Jndigo guatimalo , of lauro , want die is zeer 
ligt valt en hart. De andere zoort van Gufu- 
_ rattifche Indigo , die den naam van jamboezer 
heeft, werd ook in diergelyke brokjes diewat gro- 
ter zyn gemaakt , en die niet zo zuiver in ° door- 
breken als de Indigo Cirkees. Ook is de Indigo 
jamboezerveel fwaarder en ook veel flegter als de 
Garkees. Gelyk alsde prys die van 14 tot 16 ftui- 
vers genoteert word, genoegzaam komt uitte 
wyzen. Als de jamboezer door gebroken werd, 
js dezelve van:binnen vol witte ftipjes , even 
als of onder dezelve droge kalk gemengt was. 
De Circkees ende jamboezer befmettten ook 
veel meer de handen, in het handelen, als de 
Judigo lauro , guatimalo of St. Domingo. Ook 
is die befmettinge meerder donker en vuil „even 
| als een meelagtige ftof van een zeer brofze 
| Paftel, of {merige Crion. 
| 2à, 


| Te Baroche in het land van den Mogol 
‚ $yerd ook Indigo gemaakt, die zeer veel over= 
| HiAm- een. 


| 


1 16 _- Natuur= en Konft-Kabinet, 


een komft heeft met de jamboezer gelyk als. 


ook in delanden vanden koning van Golkon- 
da, die byna van dezelfde natuur en prys is 
als de Circkees. Ook werd in her dorp,Raout 
en in verfcheide kleine dorpjes gelegen „om- 
trent het groote dorp rahourt Indigo ge- 


maakt tuffchen furate en Brampor. reifie 


gers getuigen dat de inwoonders van Raout 
jaarlyks meer als voor honderduizend rou- 


pien van deze Indigo verkopen. Uit Bengala - 


komt ook Indigo, die met de fchepen na Ma- 
flipatan gevoerd word: maar deze is ook flegt 
en al zo weinig als die wy gemeld hebben by 
de Iwdigo lauro te vergelyken. 


23. 

In het land van den’ Mogol werd de In- 
digo op zommige plaatzen driemaal in een jaar 
van dezelve zayinge van den Anil gemaakt. 
Zy beginnen deze zayinge als de grootfte re- 
gentyd voor by is, en dat de gronden door- 
weekt zyn , en van een daar op volgende 
wermte zeer gekoefterten geftooft werden. Als 


nu de Anil omtrent twe voeten hoog is, ge- | 


fchied de eerfte af{nydingetot omtrent een half- 


voet boven den grond, op dat de Anil weder- 
om haaftiglyk zoude konnen uitlopen. De In- | 


digo van deze eerfte {ne is wel twaalf ten hon- 


dert beter als van de twede aflnydingeen de 


Indigo van de derde {hee is nog wel twintig 
ten hondert flegter als die van de twede. De 
Indigo van de eerfte {nee isin’t doorbreken van 
een fchoonder, levendiger en blinkender viool 
purpere koleur als van de twede , en die wee 

derom 


Mart , mmm fly, 1722. 117 
___derom nog veel levendiger en purper agtiger van 
___koleur als van de derde. k 
alit MIDAS it 350 
EER. A 24. ax 
___ Desefeidinge van de Indigo in de landen van 
en Mogol gefchiet in kuilen , die wel 
reden in hunnen omtrek en in den grond 
elt zyn , en zodanig zyn toegettelt , 
__dat zy het water , als het Zwdigo-grein door 
… de verrottendegeftinge, roeringe en kloppinge 
_ gefchoten en blaauw geworden is, daar uitkon- 
“afltappen ; als wanneer zy het Zrdigo-grein , 
__in de plaats van linde zakken, in fyne mantjes 
__ laten uitzyperen , en in de gedaante van door 
_ gefneden bollen, in de zon, en naderhand 
op hete yzere pannen laten drogen en zeer hard 
_ worden. dewyl zy gewoonlyk met dezen In- 
digo wat rouw komete handelen , geraakt veel 
itof- van Indigo als anderzints onder dezelve , 
en dewyl op de Indigo , die uit het land ge- 
voerd werd tol taat; laten de kooplieden om 
den tol te befparen, dit ftof eerft uitziften. In 
de hete landen daar de lucht zeer fcherp en fyn; 
__en deligehamen droog zyn , moeten dezifters 
zig zeer voor dit (tof behoeden. waarom zy ook 
hun aangezigt met lywaat, daar twe openin= 
gen voor haar ogen ingemaakt zyn, bedekken. 
__Dieftof is in die warme plaatzen zo ongemeen 
doordringende en fcherp:, dat het zelfs , val- 
‚_ gens de getuigenifle van den Heer Tavernier 
door de {chaal van een Ey komt door te drin= 
gen, en het ey van binnen blaauw te maken , 
als het zelve-enigen tyd in deze (tofziftinge ge- 
legen heeft. Wy-hebben geen reden om dit te 
LED H 3 N ont- 


And <1 


118 Matuur- en Konft-Kabinet, 
“ontkennen. want in zommige fteen-breken van 
Duitfland word dagelyks ondervonden , hoe - 
ongemeen het ftof dat onder het fteenbreken 
gedurig komt te ftuiven door alles kopt heen 

te dringen. j 


25. : 

Het tinêuur van de befte Indigo van St, 
Domingo met water getrokken, én daar ik 
van gefproken hebbe , hadde ik twe dagen la- 
ten (taan , elk in een byzonder glas , om te 
onderzoeken of de delen van de Indigo , die - 
alderlaaft uit de Indigo uitgetrokken waren , 
even zo vaft aan het water quamen aan te kle- 
ven , en zich inu” beftendig met het zelve 
te verenigen, als de delen van den Indigo, de- 
welke aldereerft door het water uitgetrokken 
waren. Maar ik ondervonde hier in een No- 
tabel onderfcheid. Ik hadde van het ziz@uar , 
van het aldereerfte kelkje met het welk ik ver- 
fcheide proeven, gelyk gemelt is, gedaan had- 
de , omtrent nog een lepel vol overgehouden , 
en het zelve zeer zagtelyk van het Indigo=poe- 
der , dat op den grond lag , afgegoten in een 
wyuke!kje van zeer dun en helder glas ;-en de 
eerfte vierkelkjes tizéfuur , het welke ik van 
dit poeder hadde afgetrokken, waren insgelyks 
zeer zagtelyk afgegoten in een zeer dun en 
helder lee. glas, gelyke als ook de twede vier 
kelkjes , en de darde in twe diergelyke bier- 
glazen. 

26. 

Na dat ik deze glazen in hunne order naaft 
mMalkander hadde geplaaft, bevond ik een zeer 

groot 


ot onderfcheid omtrent de Blaauwe koleur ; 
want in het eerfte kelkje , in het welk de le- 
pel vol eer{t atgetrokke zizuur was, bevond 
ik niet de mintte verzakkinge: in het eerfte 


_ de verzakkinge nog meer en vry wat zetzelop- 
den bodem van het glas ; in het derde Bier-glas 
__… was de Indigo nog veel meer weg gezakt, en 
_ hadde in het water veel {chraalder koleur na- 
_gelaten en veel zetzel op den grond gemaakt. 
waar uit kwam te blyken, dat de delen, die 
__uit de Indigo eerft door het water opgeloft wor. 
den , veel eelder ligter en zappiger fchynen te 
zyn: dat dezelve veel meer overeenkomft heb- 
ben met het water als die daar na door het wa- 
ter uit de de Indigo opgeloft werden. Op deze 
___wyze zouden wy ook uit een grote hoeveel- 
heid Indigo konnen bereiden een bloem van 
de befte delen van de Indigo. 


VEERTIENDE VERHANDELING, 
Van het GOUD enz. sn dewelke een aanvang 


gemaakt word met de befchryving der 
JUWELIERS KONS7. nd 


' | - 2e 
Wi hebben in dartien verhandelingen. van 
V_ het Goud en alle.de andere metalen en 
H 4 5 mi- 


rzo Natuur-en Konft-Kabinet, 

mineralen te gelyk befchreven. 1.de BER G- 
WERKEN ; 2 de METAAL- EN MlI- 
NERAAL- GRAVERYEN EN BERG- 


_— BOUWERYEN ; en wy zyn volgens ônze 


beloften nog fchuldig te handelen 1 de BEREL- 
DINGE DER ERTZEN , ZUIVERING 
EN SCHEIDING DER METAALEN EN 
MINERALEN; 2 de BESCHRYVINGE 
VAN DE WEZENS-STANT-VERWIS- 
ZELINGOF VEREDELING DER ME- 
TALEN. Het welk wy aan den lezer, als 
wy volgens onze order daar toe gekomen zyn, 
en wy leven , na dezen zullen mede delen. 


2. 
Dewyl het voornaamfte oogmerk in dit Na- 
tuur-en Konft-kabinet altyd is geweeft , om 
natuur en konft als verenigt te befchryven ; 
Heb ik nodig geoordeelt , by de verhandeling 
van elk natuurlyk wezen ook te gelyk te be- 
fchryven de konften en ambagten , van de- 
welke zodanig een natuurlyk ligchaam eigent- 
Iyk het ftoffelyk onderwerp bevonden word te 
zyn. Daarom hebik , na dat onder de be- 
fchryvinge der metaalen het Goud zeer om- 
ftandig afgehandelt was, daar by gevoegt die 
konften en handwerken vandewelkehet Goud 
is het ftoffelyk onderwerp ; gelyk als daar zyn 
het reets afgehandelde ambagt der Blad-goud- 
flagers : 2 het Goud-draad trekkers ambagt: 
het Goud-draad-pletters ambagt : 4 de kon 
van vergulden. Nu is-omtrent het gout nog 
overig de JUWELIERS-KONST , en het 
Goud-fmits-ambagt. Om dan nn de 
on= 


Maart, — Fays 1722ì Tat 
konften en ambagten van ‘het gout allengskens 
afte doen, zal ik tegenwoordig gaan befchry- 


ven de Juweliers-kontt, Wy mogen deze we- 
__tenfchap met regt als een groote konft aan= 
merken „voornamentlyk daar onderdezelve van. 
ons gebragt zullen worden. 1 de kennifle der 
_ &dele gefteentes : 2 de Diamant-zagers kont. 
3de Diamant-klievers konft, 4 de Diamant- 
_ Álypers-kunft : 5 de Juweel-zetters-kunft : 6 
_ Het grofzetters handwerk: 7 de Robyn-{lypers- 


_ kunít, 8 de wetenfchap der bereidinge van de 


foelien 9de Amolieer-konft: 1o het maken van 
alderhande gekoleurde tenen, {malten en amau- 
fen door kuuft: 11 Het infchilderen van alder- 
hande figuren „als van boomen ,bofchen , plans 
ten , dieren, infekten, menfchen enz, in ver- 
fcheide gefteentes , als of dezelve van binnen 


en natuurlyk in dezelve gegroeid waren. het 


welk inderdaad geen geringe Ambagten zyn , 
maar als zeer kunftige handwerken , dewelke 
by weinige bekent zyn, moeten geagt worden. 


RO 
Om de Juweliers-konft ineen goede ordre 
voor te {tellen , zal ik eerft-aan myne lezers 


mededelen een nauwkeurige befchryvinge der 


edele en andere gefteentes in ’t algemeen , 
en naderhand-een befchryvinge van elke zoort 
van ftenen in ’t byzonder. want het is ten hoog- 
ften noodzaakelyk dat een leerling van de Ju- 
weliers-kun{t, heeft een natuurlyke en proef- 
kundige kennifle van de edele gefteentens, 
en alderhande (toffen die onder dezelve …be- 
hooren. Als wy ook aanmerken de vermaard= 

Hs heid 


122 Natuur-en Konft-Kabinet 

heid van de cacle gefteentens, en.daar uit ge- 
maakt kon{t-ttukken en juwelen , en hoe die 
wetenfchap zelfs het aangename tyd verdryf is 
van de koningen en wereld-grooten komthet 
ons voor, dat byna cen ygelyk „ die of zeer 
wel opgevoedis, of een goede ommagang met 
aanzienlyke menfcheu hectt, of dieeenige lief- 
hebbery bezit voor Rariteiten en verwonderens- 
waardige nauurlyke ligchamen en kunft ge- 
wrogten , enig genoegen uit deze onze ver- 
handelingen over de juweliers-konft zal kon- 
ken gerieten Zelfs dunkt my dat de juwe- 
liers-konft , een aanzienelyk gedeelt behelft 
van de natuurlyke hiftorie en van de hiftorie 
der konften. De Chymiften en andere proef- 
kundige natuur onderzoekers, die zo veel ver- 
maak {cheppen in het nabóotzen van de edele 
gefteentes en paarlen door kuuft, zullen hier 
ook geen geringe onderregtinge konnen ver- 
keygen, dewyl wy te gelyk ook zullen be- 
fehryven de kunft om alderhande edele geko- 
leurde ftenen door konít te maken. De na- 
tuurkundigedie zo veel-moeitedoen in het na- 
vorfchen van de oorzaaken en manieren, door 
de welke de dingen gevormt en voortgebragt 
worden, zullen hier ook uitmuntende en ver- 
wonderens waardige voorwerpen uit hunne be- 
fchouwingen en fcherpzinnige befpiegelingen 
ontmoeten. 


4. 
De meefte fchryvers dewelke over de Edele 
gefteentes gehandelt hebben zyn zo onvoor- 


zigtig geweeft, in het vertellen van wonderen 


en 


| 


VA 


Maart, — July, 1722 123 
en fabelen wegens de hoedanigheden en krag- 
ten derzelver , dat zy door hunne verhande- 
lingen de agtinge van de natuurlyke hiftorie 
der edele gefteentens enigzints gekrenkt heb- 
ben. Onder de fchryvers worden echter enige 
evonden , gelyk als by voorbeeld de Griek- 


_ fche THEOFRASTUS , CONRADUS 
_ GESNERUS ANSELMUS BOETIUS 
__ DEBOOT, JOANNES DE LAAT, RO- 
_ BERTUS BOYLE, JOHANNES KUN- 
_ ‘KELIUS , die met veel meer voorzigugheid 


over de Edele gefteentens gefchreven hebben. 
Echter werd onder de fchryvers niemant ge- 
vonden, die met meer roem over de Edele ge- 
fteenten gefchreven heeft als A NSE L- 
MUS DE BOOT van Brugge , lyfarts 
van Keizer Rudolphus de twede. De {chry- 
vers die voor onzen A. Boetius de Boot over 
de Edele gefteenten gehandelt hadden , bedien- 
den zich van geen bekwame ordre „ of metho- 
de, in de fchikkinge en verdelinge vande ge- 
fteentens en der zelver zoorten. Zommigebe- 
dienden zich van de ordre vain het A.B.C. „ge- 
lyk als by voorbeeld PLINIUS, en het boek 
dat op de naam van ALBERTUS MAG- 
NUS over de Deugden der,gefteenten om- 
fwerft, en LUDOVICUS DULCIS.. An- 
dere hebben geen ordre ter wereld gehouden. , 
maar onder een gemengdt van de gefteenten ge- 
handelt; gelyk ‘als by voorbeeld FRANCIS- 
CUS RUEUS , ANDREAS BACCIUS, 
GARDANUS enz. Hoewel echter CON- 
RADUS GESNERUS nog enigzints een 
order gevolgt heeft, en de {tenen in claffes jen 

eelt 


f24 Natuur-en Konft-Kabinet ,- 

deelt heeft; daar hy handelt van de'gedaantens 
en de gelykheden der gefteentens. Maar A. 
Boetius de Boor heeft daar omtrent een geheel 
andere verdelinge gemaakt ; als by voorbeeld 
1 van de ongekoleurde doorfchynde koftelyke 
edele gefteenten als de diamant;2 de door- 
fchynende gekoleurde dierbaarlte Edele ge- 
fteenten , en onder die dewelke rood van 
koleur zyn; 3 van de paerlen , om dat deze 
gewoonlyk wel de darde van rang in prys en 
koftbaarheid zyn; 4 de edele gefteentens met een 
Blaauwe koleur ; $ van de gefteentens die groen 
van koleur zyn ; ten 6 van de gele flenen , 
en dewelk half doorfchynende zyn; 7 vande 
ondoorfchynende gefteenten ; & van de fte- 
nen die van de dieren afkomttig zyn ; 9 van 
de (tenen dewelke onedelen ftenen of grove 
faxe zyn ; en 10 van de (tenen die van de ou- 
deen ook van zommige hedendaagfche Schry- 
vers verfiert zyn geworden , en die nergens te 
vinden zyn, Hoe wel echter de fchryver zelfs 
noch niet eens behagen in deze ordre hadde „ 
daarom heeft de Boot nadat het werk alteveel 
gevordert was om verandert te werden , twe 
tafels medegedeelt, in de welke aangewezen 
word , dat de ftenen zo wel in geflagten en 
zoorten konnen verdeelt werden als de 
plantgewaflen of dieren. 


5. 

Op dat het gene aan deze. onze Natuur-en 
Konft Hiftorie der edele. gefteente mogt ko- 
men te ontbreken , de lezer by de fchryvers, 
dewelke over dezelve gefchreven hebben , en 

f te 


_ Maart, Juh 1722. 123 

' te gelyk onze verhandelingen by hunne ontdek. 
_ kinge vergelyken zoude,konnen vinden, zal ik 
__de voornaamtte fchryvers, die van de edele ge- 
__fteentens gefchreven hebben aantekenen. Ik zal 
over de waardy en het gewigt van deze fchry- 
_versniet in het byzonder oordelen, maar zulks 
overlaten aan myne lezers die hen van dezelve 
_komente bedienen. Van THEOPHRASTUS 
__ERESIUS die in het 3652. jaar na de fchep- 
__pinge der wereld, of 310 jaaren voor de ge- 
_ boorte van Kriftus geleeft heeft hebben wy een 
klein boekje over de ftenen. het welk by ver- 
fcheide andere werken van dien vermaarden 
Griek gedrukt is. EVAX een Arabifch ko- 
ning , en de welke geleeft heeft volgens de 
aantekening van Juftus na de gebogrte van 
Kriftus ín *t jaar sg. heeft een boek gefchreven 
over de edele gefteenten. Dit werkje is uitge- 
ile door Henr. Rantzovius, en gedruktzot 
eipfig 1595 in 4. of dit boek echt of van 
later datum is, zullen wy alhier niet bepalen , 
want Salmafius , Harduinus en andere grote 
oordeelkundige}ontkennen enigzints den gehe- 
len koning Evax, maar MARBOD ZEUS een 
Franfch-Digter van de elfde eeuw na Kriftus 
geboorte en die ook van de edele gefteentens 
gefchreven heeft, zegt dat Evax een boek over 
de edele gefteentens aan Keizer Tiberius heeft 
«opgedragen. PLINIUS die ten tyde van Kei- 
zer Vefpafianus , dat is na de geboorte van 
Chriftus in ’t jaar 72 geleeft heeft. Heeft uit 
‚__de fchryvers die voor hem geleeft hebben zeer 
|+ veel wetenswaardige zaken: aangeteikent van 
‚… de edele gefteentens, in het gehele 37 boek 
| ij van 


A 
} 
\ 


126 Natuur-en Konft-Kabinet , 
van zyn Natuurlyke Hiftorie. Wy hebben ook 
een Boekje dat op de naam van MACER om- 
fwerft, en in vyf boeken met latyníche verfen 
de medicinale ítoffen befchryft; de vier eerfte 
Boeken handelen van plantgewaszen dieren 
eu derzelver delen , maar het vyfde en laatfte 
Boek befchryft de edele gelteenten, Als dit 
boekje van EMILIUS MACER een ver- 
maart digter te Verone was, gelyk als die 
ene dewelke de naam van Macer voor dit 
nen geplaaft heeft fchint te willen beteke- 
nen , zoude dit boekje al van den tyd van kei- 
zer Auguftus, onder de welken milius oema= 
cer gebloeid heeft moeten zyn. Maar Gau- 
dentius Merula oordeelt dat de fchryver van 
dit boekje is geweeft enen ODOBONUS. 
Het is uit de onzuiverheid van ’t latyn, en om 
dat de fchryver Pliniusen Galenus die lang na 
Himilius Macer geleeft hebben citeert, genoeg- 
zaam openbaar dat deze befchryving van de E- 
dele gefteenten op de naam van Macer vaneen 
jonger datum is. HABDARAMAHNUS , 
van geboorte een Egyptenaar , heeft in *t Ara- 
bifch een boek gefchreven over de medicina- 
le eigenfchappen en kragten van de dieren „ 
planten en edele gefteenten. Dit boek is uit 
het Arabifch in ’t latyn overgezet uit een ma- 
vufcript van de Bibliotheecg van den Kardinaal 
Mazarin , en tot paris gedrukt by Sebaft. en 
Gabr. Cramoify 1647 in 8. 


6. 
Onder de oude Schryvers kan ook geftelt 
worden. PSELLUS die gefchreven en een 
aam- 


TE en 8 


Maart , — July, 1722. 127 
Naamwyzer vande Edele gefteenten , diemeeft 
in *t gebruik zyn, met derzelver genezende 
kragten. Dit boekis uit het Grieks uitgegeven 
1594. in 8 door CLAUDIUS A CAN- 
TAERUS ‚dewelke daar aantekeningen en 
ophelderingen bygevoegt heeft. DE LISCOP 
EPIPHANIUS heeft een Boek gefchreven 


over de twaalf ftenen die aan de kledinge van 


Aaron waren. Dit boek ís gedrukt met het 
werk van Gefnerus, over de bergftoffen ; ook 
te vinden in de werken van Epiphanius en in 
andere. MARBODZEUS een Franfch digter 


van de elfde eeuw heeft een Boek gefchreven 


over de gedaantens , gefteltheden en kragten 
van de edelegefteentens. Dit boek is gedrukt 
te keulen 1539 in 8 met aantekeningen enop- 
helderingen van Alardus Amfterdammer , 


%. 

Onder de later Schryvers die over de edele 
gefteenten gefchreven hebben kan geftelt wor- 
den ADAMUS LONIGERUS die geboren 
is tot Marpurg in Hefzen ; in ’t jaar 1528. 
want hv heeft een werk uitgegeven tot Franc- 
fort 1551 in Folio, over de natuurlyke hifto- 
tie in het welke onder andere gehandelt werd 
van de Edele gefteenten , metalen enz. De 
vermaarden Italiaan ANDREAS BACCIUS, 
beroemt wegens zyne uitmuntende Natuurlyke 


_Hiftorie en befchryvinge van alle de bekende 


wynen des aarbodens , als ook wegens zyn 
boek over de bad{toven en wateren , heeft in 
het [taliaans een verhandelinge uitgegeven we 
gens de kragten en het gebruik van de edele 


ge- 


A 


128 Natuur-en Konft-Kabinet , 
gefteentens. _WOLEGANGUS GABEL- 
CHOVERUS heeft dit boek uit het Italians 
in het latyn vertaalt , en met aantekeningen 

„en waarnemingen zeer vermeerdert, en uitgege- 

ven tr francfort. 1603 in 8. het is aldaar her- 

drukt 1643. in 8. 


8. 

ANSELMUS BOETIUS DE BOOT, 
van den welken wy gefproken hebben, mag 
wel onder de voornaamfte {chryvers over de 
edele gefteentens geftelt worden. Hy heeft zyn 
Hiftorie van de edele gefteentens en grover 
fteenen , en fteenftoffen eer{t uitgegeven tot 
Harover 1609 in 4. in dit werk word gehan- 
delt van den oorfprong, gefteltheid, kragt en 
wardy der gefteenten. Ook word befchreven 
de manier om uit de ftenente bereiden olien, 
zouten, afverwzels, ef/entie en alderhande ge- 
heime geneefimiddelen door behulp van de ftof- 
fchey-kunde. Ook vinde ik in deze fchryver 
verfcheide verfcheide wyzen van de gekoleur- 
de ftenen door konft te bereiden. Benevens 
een korte befchryvinge van verfcheide werk 
tuigen om de ftenen te flypen , te graveren , 
te polyften en te bereiden tot juwelen. Dit 
boek is naderhand nog twemaal gedrukt ; eens 
in ’t jaar 1636, en naderhand 1647. in groot 
Odtavo , met de aantekeningen en ophelderin- 


gen van ADRIANUS TOLLIUS M. D. 


9. 
CONRADUS GESNERUS , die gebo- 
ren is te Zurich in Switzerland in den jare 
> 1G, 


Maart, —— July 1722. iag 
ij 1516, en door zyn weergaloze geleerdheid en- 
onnavolgbare {chrifteneen onfterfelyken naam 
al heeft verkregen, was onzen Boetius de Boot ; 
__gelyk wy aangemerkt hebben, enigzints voor- _ 
__ gegaan in het befchryven der Edele Beente 
__ maar een bekwame leer-ordere en goede metho- 
de; want hy heeft een Boek uitgegeven over 
_ de gedaanten en gelykheden van de Bergftof- 
__ fen, Stenen, en Juweel-gefleentens, gedrukt 
te Zurich 1565 in Oétavo met Liguren. Dit 
__boek beltaat uit 14 kapittels. Het 1 kapittel 
_ handelt van de gefteenten in welke meerder 
_ aangemerkt worden deftrepen, punten en op- 
__pervlakkige gedaanten, als wel derzelver vafte 
ligchaam of form. Het 2 kapittel handelt 
van de ftenen die iets gemeen hebben metde 
Sterren, Zon, Maan, of andere Elementen. 
Het 3 kapittel handelt van de ftenen die hun- 
__ne namen hebben ontleent van de Meteora of 
__verhevelingen des luchts. Het 4. kapittel be- 
fehryft de ftenen en metalen die genaamt wor- 
den na levendige aardfche ligchamen , of der- 
zelver delen. Het $. kapittel vertoont de onder- 
aard{che ftoffen, dewelke enige konft ftukken 
natuurlyk komen na te bootfchen. Het 6ka- 
pittel handelt van verfcheide Konft-ftukken die 
ke zyn uit metalen, ftenen of edele ge- 
eenten. Het 7 kapittel befchryft de onder- 
aardfche ftoffen die de gedaante van zommige 
Plantgewafzen verbeelden. Het 8 kapittel (preekt 
van de Heefters en takken of delen van bo- 

_ men , die in fteen zyù verandert. Het 9 ka- 
Pittel handelt van verfcheide onder-aardfche 
delfftoffen , en bergftoffen, die enige overeen= 
VII Deer, | komft 


136 Natuur-en Konft-Kabinet, 

komft hebben met de Bomen en derzelver de- 
en. Het 1o kapittel handelt van het koraal. 
Het tr kapittel van zommige zee-kruiden die 
in fteen veranderen. Het 12 kapittel han- 
delt van de (tenen die gevonden worden in de 
menfchen en in de dieten ; als ook van defte- 
nen die genaamt worden na de dieren of der- 
zelver delen. Het 13 kapittel befehryft de fte- 
nen dewelke groeyen in de vogelen , of 
van dezelve hunne namen ontlenen. Het 14 
kapittel vertoont de ftenen dewelke de gedaan= 
te van zommige viflchen ‘en waterdieren ver- 
beelden. Ik heb deze zaken een weinig om- 
ftandiger voorgeftelt , op dat de lezer zoude 
konnen zien, welk een onderfcheid gevonden 
word in de ordre van Conradus Gefherus en 
die van Anfel. Boetius de Boot. 


10. 

In het bovengemelde Boek van Conradus 
Gefnherus worden nog gevonden de volgende 
verhandelingen als 1 J. KENTMANUS 
VAN DRESDENS naamwyzer van alle de 
berg-ftoffen en deif-{toffen,die gevondenworden 
voornaämentlyk in Meiffen, en in ândere länd- 
fchappen. 2 Kentmanus befchryvingevan 12 ge- 
flägten van ftenen, dewelke komen te groey- 
en in het menfchelyke ligcháam en des zelfs 
delen. 3 Verfcheide aanmerkingen en waar- 
hemingen van GEORGIUS FABRITIUS 
Wegens de metaal-ftoffen en der zelver namen 
die door Agricola niet aangemerkt zyn.4 SE- 
VERINUS GOEBELIUS van de Brand- 
Reen. 5- Valerias Cordus over het Sperma 
4 tet. 


Ee 


bd hat lie bd 


Maart, _—_ July; 1722. 13E 
ceti. 6. EPIPHANIUS over de twaalf fte- 
nen in het kleet van Aaron. 7 GHR, RUEUS 


over de edele gefteenten, en voornamentlyk van 
dewelke in de openbaringe van Johannes ge- 


fproken word. 


IL. 
ERASMUS STELLA geboortig in 
Meifzen heeft ook een klein boekje gefchre- 


ven over de edele gefteenten. Dit werkje is 


gedrukt te Strasburg 1530. in 8. Agter het zel- 
ve is bygevoegt PLINIUS over de edele ge- 
fteenten. Zynde het 37 Boek van de natuur- 
Iyke hiftorie van Plinus daar wy van gefproken 
hebben. In het begin en in ’t midden van de 
feftiende eeuw is veel onderzoek gedaan op den 
aart en de natuur der edele gefteenten , gelyk 
als gebleken is uit eenige fchryvers dewelke 
wy hebben aangehaalt en daatlyk zullen voor- 
ftellen. De luft en de begeerte die toen over 
al befpeurt wierd tot de kennifle der berg-{tof- 
fen prikkelde verfcheide mannenaan, om niet 


‚alleen op dezelve te doen een natuurkundig on- 


derzoek, maar ook om hunne bevindingenen 
waarnemingen in het ligt te geven. CAMIL- 
LUS LEONARDUS heeft in het jaar 1502 
in het ligt gegeven {yn Spiegel der tenen, ge- 
drukt te Pefaro in Quarto. Dit Boek is nader- 
hand herdrukt te Augsburg 1533 in Quarto en 
naderhand te Paris 1éor in Otavo. CHRI- 
STOPHORUS EUCELIUS gaf te Franc- 
fort in ’t Jaar 1557 in Oëtavo. een boek uit 
over de metaalkunde, in het welke gehandelt 
word van den oorfprong , van de verfchei- 

2 dent- 


132 _-Natuur- en Konft-Kabinet 
dentheid , en natuurlyke gefteltheid der me- 
talline ligchamen , tenen, en edele getteen= 
tens. In ’t jaar 1531 gaf GEORGIUS PIC- 
FORIUS zyne verklaringen over Marbo- 
deus befchryvinge der edele gefteentes in het 
ligt te Francfort in Oêtavo. Pittorius voeg- 
de by dit boek een gedigt over de mole-fteen. 
ALARDUS Amfterdammer gaf dit zelfde 
Boek uit van Marbodeus agt jaar daarna na- 
mentlyk 1539 in’t ligt te Keulen in Oétavo, 
en met nader verklaringen en aanmerkingen 
opgeheldert. In het jaar 1515 wierd geboren 
VALERIUS CORDUS , dewelke buiten 
‚alle tegenfpraak geftelt mag werden onder de 
grootfte kenders der Natuurlyke Hiftorie. 
Deze man heeft onderzogt meeft alle metaal- 
groeven en bergwerken van geheel Meifzen 3 
en ganfch Saxen-land. Agter zyn aanmerkin- 
gen over Diofcorides , dewelke uitgekomen 
zynte Zurich 1561 in Folio, word gevonden 
een uitmuntende befchryvinge van de meefte 
bergftoffen , metalen , en STENEN die ge- 
vonden worden in Duitfchland. ín het jaar 
1585 heeft JOHANNES THOMAS FREI- 
GIUS uitgegeven te Bazel zyn natuurkundige 
twift-reden in 36 Boeken in Oétavo , van de 
welke de 26 eerfte Boeken handelen van de 
metalen, ftenen ‚en edele gefteenten, 
HIERONYMUS CARDANUS die ge- 
boren is te Milaan 1sor en gefchreven heeft 
tot aan het jaar 1576 handelt in zyn boek de 
fubtilitate ook zeer veel van de gefteenten. In 
*% jaar 1599 heeft de vermaarde FERRAN- 
TUS IMPERATUS uitgegeven zyn ae 4 
yke 


VDE RPUE, C 
3 4 


Maart, ——= July, 1722. 133 
Iyke hiftorie te Napels in Folio , ín dewelke 
uitmuntende ontdekkingen gevonden worden 
van de gefteentens en fteenagtige gewaflen. 


_BERNHARDUS G. PENOT US heeft in 


‘t jaar 1594 verfcheide verhandelingen uitge- 


geven over de paerlen en derzelver ef/ezte , 
“over de olien van verfcheide edele gefteentens 
Enz. gedrukt te Francfortin O&tavo. Dit Boek 


is verfcheidemaal herdrukt. Gelyk als ook 


‚het werkje van FRANCISCUS RUEUS 


het welke eerft is uitgekomen te Paris 1547 in 
Odtavo. Ik heb van den inhout van dit boek 
geproken ; maar PASCHASIUS BAL DUI- 
NUS heeft in een Brief over het zelve enige 
aanmerkingen gemaakt ‚en in dezelve ook 
gehandelt over de hebreeuwfche namen der 
edele gefteenten, als ook over de verwonde- 
renswaardigheid dier. kleinodien , der zelver 
gebruik ‚misbruik en kragten. Deze brief werd 
agter verfcheide drukken van Rueus gevonden. 


Brig: 
Met het begin van de zeventiende eeuw be- 
gonden zich wederom verfcheide naukeurige 
onderzoekers na den aart en natuur der ftenen 
en edele gefteentes op te doen. Want 160 
af WOLFGANGUS GABELCHOVE- 
US zyn aanmerkingen en Waarnemingen 
over het Boek van Andreas Baccius van de 
edele en koftelyke gefteentens in het ligt te 
Francfort in Oâavo. Hier was ook byge- 
voegt een twiftreden over de voorttelinge van 
het goudt, en over deszelfs temperament, 
MICHAEL ZANARDUS heeft in het jaar 
1 3 1619 


134 _ Natuur- en Konft-Kabimet, 
1órgverfcheide twiftredenen in’ ligt gegeven, 
die gedrukt zyn te Venetien in groot Quarto, 
en in dewelke verfcheide wetenswaardige za- 
ken van het gefteente worden gevonden. VIN- 
GCENTIUS BURGUNDUS heeft in vier 
Foltanten uitgegeven ‘zyn Spiegel der Natuur, 
of natuurlyke Hiltorie enz. Gedrukt te Dou- 
ay in Vlaandere 1624. In het eerfte deel word 
gevonden een hiftorie van de (tenen. In het 
jaar 1631 is een boek zonder naam van den 
Schryver uitgekomen te Francfort over de na- 
tuurlyke en konftige toverkunft; in het wel- 
ke zeer veel zaken gemelt worden van de ede- 
Te gefteenten en grove (tenen. BERNHAR- 
DUS GEESIUS heeft 1636, in 't ligt gege- 
wen een befchryvinge' van de metalen , mine- 
ralen ,‚ftenen en Edele gefteenten “in Folio. 
CONRADUS HORNEIUS heeft gemaakt 
een ‘kort begrip vande STENEN , metalen en 
mineralen gedrukt te Helmftadt 1624 tu Oâta- 
vo. JOHANNES DANIEL M Y LIUS 
heeft een geneeskundig en ftoffchey-kundig 
werk uitgegeven in ’t jaar 1618 te Francfortin 
Quarto, in het welke in een traZaat byzon- 
der gehandelt word van de edele gefteenten. 
JOHANNES GUIDIUS heeft in % “jaar 
1627 in * ligt gegeveneen boek over de mine- 
ralen in Quarto gedrukt te Francfort. In dit 
“werk word een byzondere verhandelinge ge- 
vonden over de edele gefteenten; En eenzrac- 
Paat over de vercierfelen enz In het jaar 
1635 heeft BARTHOLOMZEUS HORN- 
DOERFER een boek gefchreven vver het af= 
verfzel der edele gefteenten in’ Oétavo. - 
4 ° Î 13: 


1 U bl 
0 RT AN 


_ te handelen. 


Maart, memmen July, 1722. 135 


3: 
Onder de Puik-Schryvers van alle die over 


de edele gefteenten gehandelt hebben mag met 


goet regt geftelt worden JOHANNES DE 
BOOT van Antwerpen, vermaard wegens zyne 
treffelyke befchryving van Amerika. Hy heeft 


„een Boek ‘in ’t ligt gegeven over de edele ge- 


Îteenten en grove ftenen, het welk gedrukt 
iste Leiden 1647 in O&tavo. In de bekende 
Reisbefchryvinge van Jan Baptift Tavernier 
werden in de reifen van Indien het twede boek 
van het 15 Hooftdeel tot het 25 Hooftdeel 
verfcheide befchryvingen gevonden van de dia- 
manten, paerlen, robynen , gekoleurde ftenen, 
Bezoar en andere edele gefteenten van Ooftin- 
die, benevens een befchryvingeder diamantmy- 
nen parelvificheryen enz, $ 


14. 

Zommige fchryvers Ae verhandelingen 
en aanmerkingen in het ligt gegeven over deze 
of gene byzondere zoort van ftenen, gelyk 
als by voorbeeld over de Barnfteen , over de 
Ooft of Weft-Indifche Bezoar-fteen, over de 
Piedro del porco , over de Lapis Armenus , 
over de Bloed fteen , over de harte fteen „over 
delapis ZEtites, over de ligtende fteen van Bo- 
logne, over de lapis Liyncurius , over de Gra- 
veelfteen , en verfcheide andere gefteenten. 
Maar van deze fchryvers zal ik byzonderlyk 
Ípreken op de plaats daar wy van dezelve in 
onze natuurlyke hiftorie van de ftenen komen 


I 4 KSe 


136 Natuur-en Konff-Kabinet, 


15. 
Garcias ab Horto heeft in het Portugyích een 
Boek over de uitlandfche gewatlen gefchreven. 
De vermaarde (Carolus Clufius heeft dit werk 
in het latyn vertaalt, en benevens zyn werken 
laten drukken in Folio in ’t jaar 1605. Dit 
werk van Garcias is in twe Boeken verdeelt, 
op het laatfte van het eerfte boek is een ver- 
handeling over de edele gefteenren. En dewyl 
Garcias ab Horto is geweelt lyf-arts van den 
Portugyfchen onderkoning der Indien , heeft 
hy gelegentheid gehad om te fchryven van de 
Ortentaalfche juwelen verfcheide zaken, die an- 
dere niet hebben geweten. Hy handelt wel 
meeft van den diamant, van den fimaragd, van 
den Robyn, van de fapphier , van de hyacinth , 
van de granaat , van de jafpis , van depaer- 
len enz. Op die wyze fchryft ook J. HU YGEN 
VAN LINSCHOTEN. THOMAS ERAS- 
TUS heeft 1572 te Bazel in Quarto uitgegeven 
zyn boeken tegens Parafelfus , in dezelve 
word gehandelt van de voorttelinge der fte- 
nen, enz, 


16. 

Gelyk als Conradus Gêfnerus in zyn veer- 
tiende kapittel, daar wy van gefproken heb- 
ben, van de ftenen handelt, de welke de ge- 
daante van zommige vifzen en water-dieren 
vertonen, heeft ook de vermaarde kender der 
Natuurlyke hiftorie MART'INUS LISTER 
in ’t jaar 1579 te Londen in quarto uitgege- 
ven €en Hiftorie van de Spinnekoppen en 
Slakken van Engeland, benevens een Verhan- 
deling over de tenen van dat zelfde-Eyland, 
e 


NONA SAT 
fa bel 


Maart, —— July, 1722. 137 


| k die enigzints de gedaante van flakken verto- 


nen. Zommige Schryvers hebben gefchreven 
over de vifzen, fchulp-vitzen, hoorntjes, ze- 


© gewafzen, planten, bloemen, zaden, houten, 
_ dieren de welke in (teen verandert, en in de 
__ diepe gronden gevonden zyn, maar van deze 
en nog verfcheide andere Boeken zullen wy 
op zyn plaats nader preken. CAROLUS 


NICOLAUS LANGIUS heeft gefchreven 
een Hiltorie van de ftenen met gedaantens, van 
Switzerland. Dit werk is gedrukt te Vene- 
tien 1708 in quarto; en is een zeer voortref= 
felyk werk. Onder de Nieuwe Schryvers 
kan ook geftelt worden EMANUEL KO- 
NIG. Deze heeft in zyn boek (genaamt het 
Mineralifche Koningryk, nu laaft gedrukt te 
Bazel 1703 in guarto) in de derde afdelinge 

ehandelt van de (tenen. Het 1. kapittel han- 
delt van de ftenen in het algemeen en van der 
zelver natuur of gefteltheid. Het 2. kapittel 
van de oorfprong en de voorttelinge der fte- 
nen. Het 3. kapittel van de verfcheidentheden 
der (tenen. Het 4. kapittel van de kleine e- 
dele gefteentens, van der zelver deugden, en 
van de voortbrenginge der zelver door konft. 
Het $. kapittel van de alderkoftelykfte edele 

efteentens, namentlyk de Diamant, Robyn, 
Karbonkel’ Granaat , Hyacinth , Sapphier, 
Smaragd, Chryfolyt, Topaas, Turkois, O- 
paal enz. Het 6. kapittel handelt van de ede- 
le gefteentens , die groot van volumen zyn; 
Als daar zyn de Jafpis, de Agaat, de Ame- 
thyít, de Carneol de Calcedoon, de Onich 5 
het Kryftalenz. Het 7. kapittel van de min- 


US, der 


138 Natuur-en Konft-Kabinet, 
der koftelyke ftenen, die echter klein van vo- 
lumen zyn, gelyk als de Zeil-fteen, de Bloed- 
fteen, Splyt-{teen , de Smirgel , de Lazuur- 
fteen, de Armenius of het bergblaauw, de /a- 
pis gloflopetra of Serpentstong , de Star- 
fteen, de Joden-fteen , de Dadei-fteen, de 
Morochthus of Melk-fteen, de ierfche fteen, 
de Arent-fteen, enz. Het 8. kapittel van de 
ftenen die de gedaantens van verfcheide Na- 
tuur- of Konftgewrogten hebben, en van de 
wyze op de welke zy voortgeteelt worden. 
Het 9. kapittel van de grove en harde fteenen, 
als de Saxe, de keijfteen, de vuurfteen , de 
flyplteen, het marmer. Het ro. leapittel han- 
delt van de onkoftbare grote {lenen , die zagt 
zyn, als by voorbeeld de kalk-fteen, de Gyps, 
de fteen van Bologne, de Puim-{teen ‚de T'o- 
phus, de drup-fteen, die van druipend of lo- 
pend water ftremt, de Ofteocolla , de Corzu 
fofile, of berg-yvoor, de Amiant of vlas- 
fleen, de Spiegel-fteen , het ys van Maria, 
Talk-fteen. Het rr. kapittel handelt van de 
koralen. PAULUS BOCCONE, Edel- 
man van Sicilie, heeft een klein boekje uitge- 
geven in ’t Franfch, onder den titel van Na- 
tuurlyke Opfporingen en Waarnemingen omtrent 
de Koraal, verfcheide gefteentens enz. Dit 
boekje is gedrukt te Amfterdam 1674, in duo- 
… decimo. De Heer Johannes Jacobus Scheuch- 
ferus heeft gefchreven een Natuurlyke Hifto- 
rie van Switzerland „die gedrukt is int Hoog- 
duitfch te Zurich 1716, 1717, en 1718 in 
guarto. _ In het darde deel befchryft die ver- 
maarde Schryver x. de aarden van Switzerland, 
en 


ji 


iN Maart, —= Ful)s 1722 139 
__ en zo wel vette als magere teelaarde. 2. De 
‚_ftenen, en onder de zelve verfcheide zoorten 
‚van Saxen-fteen , van de fteen uit de welke 
_ vaten, potten en huisgeraden gedraayd wor- 
_ den, van de Zandfíteen en van het zand, To» 
_ _fusfteen, Molefteen, Kalkfteen, Gyps,Wet- 
‚ fteen, Marmer, Albaft, klein grof gefteente;, 
_ als keizelfteen, Amianth of Vlastteen , Talk- 
__fteen, Moskovifch glas, doorfchynend vrou- 
wen ys of Cryftalagtige {teen , Goudfimits 
__fpathendeftenen die verfcheide gedaantes ver- 
_ beelden; Graveelfteen , Kat-oog , Agaat, Gra 
naat, Amethyft , Karbonkel, Kryttal , val- 
fche of Europifche Diarnanten , Vuurftcen of 
Swavelfteen, Berggroen, Glimmer ; een om= 
ftandige befchryvinge van (tenen, of verfteen- 
de dingen, dewelke de Heer Scheuchzer aan- 
merkt als merktekens , gewrogten en over- 
blyfzels van de Zondvloed. In het jaar 17os 
is in * Hoogduit{ch te Neurenberg wederom 
herdrukt, en vermeerdert in ’ licht gekomen 
KONST- EN WERKSCHOOL, in twee 
delen in guarto. Het vierdeboek van het eer- 
fte deel handelt van de natuurlyke edele ge- 
fteentens, van de paerlen , van de koralen; 
van de grove ftenen, van de Seilfteen. ‚In het 
twede Boek van het eerfte deel word gehan* 
__delt van de bereidingen van allerhande edele ge= 
| fteentens ‚en Amauzen te maken, vari alderhan= 
de zoort van koleur-glas , glazuringen en foe= 
lien te bereiden. Dog, altes-is.meeft van woord 
_tot woord gefchreven uit het boek van Kunke 
__lius , daar wy daatlyk nader van zullen {pre- 
ken. BENEVENUTOCELLINI „eenver- 
maard 


r40o _Natuur= en Konft-Kabinet , 

maard Juwelier in Italien, heeft in de feftien- 
de eeuw een Boek gefchreven over de {teen- 
werkers koatt het bereiden en zetten der edele 
gefteenten, over het maken der foelien, over 
het goudfmeden enz. Het welk zeer hoog ge- 
waardeert word. Maar wat moeite ik ook heb- 
be aangewend heb ik tot nog toe dit boek niet 
konnen magtig worden. 


17. 
Enige treffelyke liefhebbers van natuur en 
konft hebben op aldernande wyze getragt de 
edele gefteenten na te maken door kont. Zom- 
mige hebben over deze zaak Boeken gefchre- 
ven, of in hunne werken Verhandelingen in- 
evoegt. JOANNES BAPTISTA Bl- 
ELLI heeft in het lraliaanfch een boek ge- 
fchreven over de konften, geheimenen konft- — 
ftukken van metalen en mineralen. Dit boek 
is in het Hoogduitfch vertaalt door Petrus 
Uffenbach , en onder den tul van GUL- 
DENE KUNST gedrukt te Frankfort 1603 
ingzarto. Dit werk beftaat uit 13 hoofdftuk- 
ken. Het agfte hoofd{tuk of boek handelt van 
de edele gefteenten die door konft gemaakt 
worden: van het maken der Smaragden , Ro- 
bynen , Granaten , Hiacinthen , Sapphiren, 
Turkoifen, Topaazen, koralen, paarlen, en 
een groot getal andere koftelyke ftenen : ins- 
gelyks van het graveren der edele gefteenten, 
het maken van Spiegels, vernifzen,foelien enz. 


18. 
ANTONIUS NERUS van PFlorenfen 
heeft 


#s 
4 vl 
} 5 


Maart, = Julys 1722. 14r 
_ heeft een Boek in ’t Latyn gefchreven , het 
_ welk gedrukt is te Florenfe in guarto, en na- 
db derhand 1668 te Amfterdam in duodecimo, en 
__ paderhand te Amfterdam wederom herdrukt 
_ 1686 in 12. In dit werk word zeer naaukeu- 
_ rig befchreven de konft om glas te maken: de 
_ glasblazers konft : het toebereiden van alder- 
_hande zoort van Amauzen : alderhande edele 
_ gefteentens na te maken door konft: het ma- 
_ ken van foelien en alderhande zoorten van 
_fehilder-lakken: het bereiden van Spiegel-fpys. 
CHRISTOPHORUS MERRET, Engels- 
man, heeft zeer geleerde aanmerkingen er 
aantekeningen over dit werk van Agtonius Ne- 
rus uitgegeven, die ook agter het werk ges 
drukt zyn met een aanhangzel over de glas-o- 
vens, en werktuigen der glasblazers met Fi- 
guren uitgebeeld. 


LEME 
JOHANNES KUNKELIUS heeft in 
het jaar 1679 in ’t Hoogduitfch uitgegeven 
zyn vollkommene Glasmacher-kunft, gedrukt 
te Frankfort in guarto. Het eerfte deel be- 
helft een overzettinge van het boek van Anto- 
nius Nerus met de aanmerkingen van Chrifto- 
phorus Merret, uit het Latyn in ’t Hoog- 
_duitfch. Verrykt met ophelderingen en ver. 
klaringen van Kunkelius, in de welke het 
maken der edele pefteenten, Amaufen, Dou- 
bletten, en Spiegels, zeer veel verbetert word. 
Het twede deel handelt van de kont van glas- « 
fchilderen of inbakkeu van koleuren in glas: 
het maken van Delfs poftelein : van a 
eent. 


i4z Natuur- en Konft-Kabinet , 

fteentjes met alderhande fchone koleuren: het 
glas-blazen met de lamp: van het gieten van 
alderhande bloemen, lof en kruiden van zul- 
ver: van alderhande Gypswerken : van zeer 
fchone lak-vernifzen: vergulde en gemarmer- 
de pampieren : het maken van alderhaude 
ftrooyglanzen en goudkoleurige bronzen : ver- 
fcheide verburge konften enz. Agter dit zeer 
uitmuntende werk word gevonden een ver- 
handelinge over de natuurlyke edele gefteen- — 
tens, paerlen en juwelen. 


n 136: 

Van alle de welke tot noch toe gefchreven 
hebben over de konft van glas te maken, als 
ook over het maken van edele gefteenten door 
kontt , heeft niemant met zo veel zekerheid 
en welbeproefde en ondervonde kennifle ge= 
fchreven als deze Johannes Kunkelius. Als 
de Lezer de volgende Schryvers , als ook de 
teetsgemnelde over die zelfde ftof benevens Jo- _ 
hannes Kunkelius geliefd na te zien, zal ’s 
mans proefkundige wetenfchap baarblykelyk 
genoeg doorftralen. JOHANNES JACO- 
BUS WECKERUS van Bafel, die gebloeid 
heeft in ’t jaar 1562, heeft een werk gefchre- 
ven over de geheime konften, het welk in 17 
boeken verdeelt en te Bazel 1582 in Qdfavo 
gedrukt is. Dit boek is dikwils te Bazel her= 
drakt; áls ín de jaren 1588. 1592. 1629, 
1642 én 1662. Deze Schryver handelt in 
"het elfde boek over de geheime konften der 
ftenen eh édele gefteentens. 


GE 


(4, 


PE 


Maart, — Julys 17i2. 143 


21. 

JOHANNES BAPTISTA PORTA, 
Napolitaan, die gebloeid heeft 1560, heeft 
een werk gefchreven over de Natuurlyke To- 


_verkonft, of de wonderwerken der Natuur, 


gedrukt te Antwerpen 1561 in O@Zavo, en 
verdeelt in 4 boeken. Dit werk is naderhand, 
in 20 boeken verdeelt, verfcheide maal her- 
drukt. Als te Napels 1569 in folio. Te 
Frankfort 1591 , als ook 1597, en 1607 in 
otavo. Te Hanover 1644 in o@avo, Te 
Leiden 1644 en ook 1ószin 12. Te Am- 


_fterdam 1664 in 12. De Schryver handelt in 


het zesde boek van dit werk over het Nama- 
ken der edele gefteenten, het maken van du- 


_bletten, van Smalten of Amaufen; in het ze- 


vende boek over de wonderlyke werkinge en 
aart van den Zeilfteen. enz. 


22: 

ATHANASIUS KIRCHERUS heeft in 
zyn boek De Orderaardfche Wereld (het welk 
gefchreven is in ’ Latyn ; en te Amfterdam 
1664; en ook naderhand in ’t Nederduitfch 
vertaalt, gedrukt is in fo/zo) over het namaken 
der edele gefteentens gefchreven. Maar deze 
Schryver {chynt vandiezaken zelfs zeer weini- 
ge proef-ondervindingen gehad, ende Schryvers 
maar op goed geloof uitgefchreven [te hebben. 
Want het grootfte gedeelte van zynvoorftellin- 
gen en befchryvingen van het namaken der Ede- 
le gefteenten zyn niet goet: _ Anderzints heeft 
hy zeer naarftiglyk by malkander vergadert , 
en ook in een zeer goede ordre voorgeftelt een 
aeer brede befchryvinge ván de ftenen ‚ onder 

den 


144 _ Natuur-en Konft-Kabinet , 


den tytel van STEENAGTIGE ZELFS- 
STANDIGHEID DES AARDRYKS: ‘In 
dewelke Aircherus veel meer uit eigen bevin“ 
dingen en eigen oordeel befchreven heeft als 
over de bovengemelde tof. Hy handeit 1. 
van de veelvuldige verfcheidendtheid der fte- 
nen , 2. van de oorfprong der bergen ; 3 van 
de verfcheide koleuren der grovc en edele ge= 
fteentens ; 4 van de oorfprong der Diaman- 
ten en doorfchynende gelteentens , $ van de 
verfcheide gedaantens, formen en beeltenifzen 
der grove en fyne ftenen ; 6 van de oorfprong 
des zaps door de welke zommige zaken ver= 
fteent worden; 7 van verfcheide zaken die in 
fteen verandert zyn; van de ftenen die in de 
Dieren gevonden worden; 8 van het onder- 
aardfche hout en de fteen-kolen ; g van de 
Asbeft en van de Barnfteen; ro een tafel van 
de geftaltens en kragten der edele gefteentens; 
ir van de twaalf (tenen van den Borftlap ; 12 
van de edele gefteentens die in Tyrol gevon= 
den worden; 13 van de ftehen die in de zee- 
wateren voortgeteelt worden ; 14 van de gla- 
zen de welke Amaufen of Smalten genaamt 
worden, en de welke gebruikt worden tot a= 
molieerfel, en tot het nabootzen van de geko- 
leurde edele gefteentens ; 15 van de manier 
door de welke de gekoleurde ftenen uit de 
Amaus of het fmeltglas bereid worden; 16 
van de foelien die onder de gefteentens ge- 
plaaft worden, enz. 


dat 
Over het bereiden van de edele gefteen- 
tens 


Maart, — July, 1722. Has 

__tens door konft hebben ook gefchreven AN- 
_ TONIUS MIZALDUS, ALEXIUS 
_ PEDEMONTANUS, LEVINUS LEM- 
__NIUS van Sirkzee, SCALIGER, SCO- 
TUS, en enige andere, van de welke wy 
__na dezen nader zullen {preken. Verfcheide 
__Alchymiften, die by malkander vergadert zyn 
_ in het bekende Zheatruim Chemicum,het welk 
ij in fes dikke o@aver gedrukt is te Frankfort 
__1602,1613,1622 en 1661 , hebben verfchei- 
de wetenswaardige zaken verhandelt van de 
‘oorzaken , voorttelinge , fchikkinge, te za- 
__menftellinge, koleuren , bereidingen , deugden 
en kragten der grove en edele gefteentens , 
paarlen, koralen, fteenzappen enz. Maar de- 
wyl deze fchryvers zeer veel fabelen , onderftel- 
lingen en bygelovige vertellingen onder vele 
goede zaken gemengt hebben , moeten dezel- 
ve met veel onderfcheidinge gelezen worden. 


| ò4. 
Nadat wy nude antie Schryvers, de= 
welke over de grove en edele gefteentens en 
derzelver bereidinge door konft gefchreven heb- 
ben, aandenlezer hebben bekent gemaakt , zul- 
len wy overgaan tot de algemene befchryvinge 
van de grove en fyne gefteentens. Het 
onderfcheid zo wel van grove als fyne ftenen 
is zo menigvuldig , dat de Schryvers, die al te 
methodifch over deze (tof gehandelt hebben, daar 
door zomtyds niet weinig in verwarring ge- 
„raakt zyn. Want zo ras als zy door een al- 
gemene defizitte hebben. gaan bepalen wat zy 
verftonden door grove ftenen , en door welke 
BEN DEE. ’ K hboe- 


146 __Natuur- en Konfl-Kabinet , 

hoedanigheden de fyne ftenen van de groven 
moeften onderfcheiden worden, is hetdikwiis _ 
gebeurt , dat zommige onder de fyne (tenen 
maar als grove ftenen, zyn angemerkt en re 
boek gettelt. Zommige hebben onder de fyne 
gefteentens geftelt.de barnfteen , de gitíteen , 
de Bezoar , zommige geftremde zappen , of 
zeer fyne en harde aardagtige lichaemen „dewel- 
ke wederom van andere uit het geflagt der te- 
nen geheel uitgemonftert zyn: maar wy zullen 
ons met alle die gezogte en fchoolfche fubti- 
liteiten in het aiderminfte niet belemmeren , 
en onder het gefteerite aannemen alles , dat 
door het gebruik , en in het algemeen daar voor 
gehouden word. Buiten deze zaak isook myn 
voornemen om over de-ftenen te handelen op 
een vryen en ongebonden trant, Want dewyl 
de natuur in deze zaken zo vol verandering , 
zo menigvuldig en zo ryk is „ oordeel ik dat 
wy aan dezelve te kort zouden doen , als wy 
dezelve in een fyflematifche order wilden be- 
klemmen. Het zal ook aan een leerling veel 
minder verwarringe , of gelegentheid tot on= 
nutte twiftingen baren , dat wy in onze be- 
fchryving komen te volgen den natuurlyke or- 
der, alsdeftyve en fchrale leer- of fchool-order. 


aks 

Wy vinden een Natuurlyk of wezentlyk 
onderfcheid in de (tenen , ten opzigte van groor- 
heid en kleinheid. Want zommige ftenen ko- 
men te groejen tot de grootheid van ontzache= 
lyke bergen, rotzen als eylanden „ ja halve 
landfchappen ; daar in tegendeel andere ia! 
8 er= 


__ Maart, == Jul, 1722. âgy 
_deromzeef klein zyn, als de Diamant, en ver- 
__fcheide andere fyne en edele fteentjes ofgem- 
_ men. Het verfchil tufichen zagt en hard is 
_ook zeer zakelyk in deftenen te vinden. Want 
___de Diamant kan zonder tegenfpraak voor het 
_ _hardíte ligchaamdes;werelds gehouden worden. 
__Daar ondertuffchen in vergelykinge van die en 
__andere harde edele ftenen, de Gyps , de Talk, 

__de Puim-fteen, het Albaft , de Barn-fteen, de 
_ _Gitfteen, de Amiant enz. Zagt zyn. Het 

onderfcheid van hardigheid is zo aanmerkelyk , 

dat een zeer ervaren Diamant-Slyper en groot 

juwelier my verzekert heeft, dat de hardigheit 
van de alderhardfte gekoleurde fteen , by den 
diamant is, als een tegens tagtig , datis dat den 
diamant tagtigmaal harder is als de Robyn, of 
of Sapphier, de alderhardfte onder de gekoleurde 
edele gefteentens , dat zelfs geen Diamant is. 


| zó. 

Ten opzigte van de Doorfchynendheid en 
| ondeorfcheynendheid vinden wy ook een be- 
ftendig en natuurlyk onderfcheid in de ftenen. 
Want zeer veel ftenen zyn doorfchynende, en 
andere , gelyk als genoegzaam bekent is ‚ on- 
doorfchynende en donker ; gelyk als by voor- 
beelt onder de Edele gefteentens zyn doorfchy- 
nende de Diamant, de Robyn, de Karbonkel, 
de Hyacinth , de Sapphier , de Smaragd „de 
Beryl, de Prafius of look-groene fteen , de 
Chryfoprafius’, of look-groene ftenen met gout- 
geel. doormengt , de. Rubicellus , ( een fteen 
tuflchén de Spinellen en: Hyacynten , ) de Spi- 
mel-Robyn „de Granaat, de Chryfolyt , de 
Bi K 2 Aman- 


nn tan nnn nne nd 


148 Natuur-en Konft-Kabinet, 


Amandin , de Ballaflius , ( een minder zoort 

‘van Robyn) de Almandyu, (een {teen tuflchen 
de Granaat en Robyn) en noch verfcheide an- 
dere; En onder de edele (tenen zyn wederom 
ondoorfchynende de T'urcois, de Sardonyx , 
de Opaal, en verfcheide andere; gelyk als ook 
dit onderfcheid van doorfchynende en ondoor- 
fchynende onder de grove ftenen zo algemeen 
bekent is, dat wy het geheel onnodig oordelen 
omftandig van het zelve te fpreken. 


B. 

Het onderfcheid van lelyk of fchoon , als 
ook van overvloedig of weinig en zeldender , 
is of niet ftellig en natuurlyk, of hangt enke- 
yk maar af van deagtinge der menfchen. Maar 
niemant zal tegenfpreken , dat de ftenen we- 
zentlyk onderfcheiden zyn in gekoleurde en 
ongekoleurde ftenen. . Ten opzigte van de be. 
naminge der tenen diend de leerling ook aan- 
temerken , dat de geleerde door den naam (te- 
nen gemenelyk verftaan allerhande grove fte- 
nen en door de benaminge van edele gefteen- 
tens , alderhande dierbare, konftbare, of fyne, 
of verwonderenswaardige {tenen ; Maar on- 
der de Naam van gemmez worden afzonder- 
lyk alderhande kleine, of doorfchynende , of 
fchitterende, of zeer koftelyke juweel {teentjes 
verltaan, 


28. ' 

De ftenen moeten zo wel onder de leven- | 
dige ligchamen geftelt worden als de plantge- 
wafzen want zy komen voort uit zdad; zy 
wor- 


Bn Maart, —= July 1722: 149 
worden gevoed, vermeerdert , en: groeyen „in 
de gronden of in hunne moer leggende ,daag- 
B, jks zoo lang aan, tot zy eindelyk hunnever- 
_eifchte volmaaktheid bereikt hebben ; ook ko- 
men zy te fterven , of te bederven „ of uit 
hun zelfs , of ook wel,door verrottinge , of 
door ontbindinge , veroorzaakt door lichamen, 
_die tegens hunne gefteltheid ftrydig zyn. Alle 
deze zaken gebeuren in de ftenen zeer lang- 
zaam „en minder baarblykelyk voor het: oog’ 
__der menfchen als in de menfchen , dieren , 
plantgewaflen , eriz, „Als wy zeggen dat de 
{tenen leven , zal de lezer wel aanmerken, 
_dat wy door dat leven niet anders verftaan als 
het vegebatile , en. geenzints het dierlyke le- 
ven ; Het welk onderfcheiden is door: de ver- 
mogens van denken ‚ gewaarworden „ of voe- 
len, en zich uit zich-zelfs.te bewegen. Welk 
leven tot nogtoe niemand (die geen manne- 
tjes in de maan wilde fchilderen ) aan de (tenen 
heeft toegefchreven | 


_ 


KE „29. 
___ Dat de ftenen hunnen oorfprong hebben uit 
vloeibaare of ten minfte uit zeer zagte en we-- 
ke delen ontdekken wy uit verfcheide waar- 
neminger , en word met veel ondervindingen 
beveftigt. Want wy ontmoeten verfcheide bron- 
nen en vloeibaere, wateren, dewelke!of geheel 
in {teen veranderen ‚of van dewelke ftenen 
komen te groeyep aan de wanden van de bui- 
zen , door dewelke dezelve komen:te vloey- 
en, of aan de wanden, randen, en gronden 
over dewelke dezelve over ftromen., of be- 
Ale K 3 ne- 


nn le di 


yo _Natuurs en Konft-Kabinet „ 
nevens dewelke dezelve komente vloeyen, of 
in: dewelke verfcheide ligchamen:in. {teen ko- 
mea te veranderen; van de verwulften van zom- 
mige onderaard{che kelders , fpelonken „ uit- 
geholde, (teenrotzên, badítoven., zyperen ‚en 
druppeu vloeibare zappen”, diein (teen veran- 
deren, en:-alderhande gedaantens aannemen. 
Van zommige Hooge lteenrotzen ‚en ontza- 
chelyke fteenbergen „ lekken en druppen vloei- 
bare (toffem, die allengskens in zeer grocte fteen- 
kegels „die zeer helder en doorfchynende zyn, 
als zy geklooft worden ,-komen te verande- 
ren.’ t 30 JEN 

ai 7 rj 30% Î 


--De bovengemelde aanmerking geeft. ons 
licht om te konnen’ verftaan ‚de ongemene 
doorfchynendheid van zommigesedele gefteen- 
tens , die buiten alle twyfel , eer zy nog tot 
hunne kardigheid gekomen zyn.geweeft „ be- 
ftaan hebben uit vloeybare:en doorfchynende 
delen, gelyk als het helder en doorfchynendt ys, | 
uit helder en doorfchynend water , of gelyk 
als de heldere en doorfchynende kryftallenvan 
opgelofte metaalen , mineralen , zouten van 
potafch , of van ontelbaareandere logen „meet 
of ‚minder doorfchynende en helder zyn , na 
dat die logen: zelfs zomtyds meer of min. ge- 
zuivertiengefsltreert zyn geweeft. Maar alfchoon _ 
de doorfehynende gelteentens geboren worden 
uit zuivere en doorfchynende zappen, moeten | 
wy nieb!menen dat deze zappen enkeld: water 
zyn. Geenzints, Wy konnen zelfs de {waarfte | 
rmetaalen en mineralen zodanig in zommige 
fmelt- 


| 
Í 


_ Maart, — Jul), 1722. LSE 
fimeltvogten oplofzen , dat dezelve „in de 
boezem van deze vogten ‘hangende , niet an= 
ders fchynen te zyn als zeer heldere en door- 
fchynende wateren. Wy konnen de metalen 
en mineralen tot kryftallen maken , en deze 
kryftallen laten fmelten in fchóon regenwater, 
zonder dat het regenwater daar door deszelfs 
vloeibaarheid, of ‘doorfchynendheid in het al- 
derminfte komt te verliezen. Gelyk als blykt 
in devitriool van yzer, koper, Chryftallen van 
zulver, van kwik- zulver enz. 


Ks 

__Om ‘aan een’ onkundig lezer hier van een 
denkbeeld té geven , zullen wy met een zeer 
ligte proef ophelderen,’ en aantoren hoedanig 
het fchoon régetn-water , kän in zich beflui- 
ten een f\vaar metaal , mineralifche Chriftal- 
len en zoute ligchaamen , en echter zyn zeer 
vloeibaar, helder en klaar. . Neemt fublimaat 
van kwik-zulvér, Het welke niet anders is 
als kwik-zulver, dat met het zuur van vitriool 
zout en falpeérer is vaftgemaakt , en in 'krif- 
tallyne bloemen is opgeheven ‚ of gefublt= 
meert aan het bovenfte gedeëlte van het /xb/i= 
meerglas. Weerpt een groote menigte van de- 
ze fublimaat in fchoon regenwater, en gy zult 


‚ de fublirmnaat voor uw ogen zien verdwynen , 


enin het water zien weg fmélten. Het wa- 
ter word door deze ingewurpen fublimaat of 
opgeheve kwik wel zeer verwonderens waar= 
dig fwaar vangewigt, maár niet het aldermin: 
Île troebel, of onklaar ; in tegendeel fchynt 
het water daar door te worden veel doorfchy- 
K 4 pn nen- 


isz Natuur-en Konft-Kabinet, 
nender en helderder ; ten minften verkrygt het 
zelve een blixemende zulverkleurige glans , 
die wel waardig is om met aandagt befchout 
te worden. Als wy nu in agt nemen welk 
een {waren ligchaam het kwik-zulveris , hoe 
grof de ligchamen zyn die met deze fublimaat 
vermengd zyn,nameatlyk de zuren van ons keu- 
ken-zout, van de vitriool, en van de zalpeter ; 
blykt uit deze proef overvloedig genoeg , dat 
enkeld regenwater in deszelfs boezem kan dra- 
gen en befluiten metalen, mineralen, en fwa- 
re zouten, zonder dat daar door deszelfs door- 
fchynendheid of vloeibaarheid in het aldermin- 
fte word belet. Het welk wy,als zulks hier 
vereifcht wierd , met een ontelbaar getal an- 
dere proeven zouden konnen beveftigen. 


3Àe 


Als dan de vloeibare en doorfchyrende zap - 
pen , uit dewelke de doorfchynende ftenen 
hunnen oorfprong hebben, geen enkeld water 
zyn, maar in hunnen boezem konnen verber- 
gen alderhande fware lichamen en metallyne , 
mineralifche of zoute wezens , moeten wy ook 
niet geloven , dat de ftenen zo wel grove als 
fyne uit enkeld water komen te groeyen ; 
maar uit zappen , die met alderhande delen be- 
vrugt en befwangert zyn. De verfcheidenheid 
van de ftoffen, dewelke zich in zodanige zap- 
pen bevinden , zyn ook de oorzaak van de 
verfcheidenheid der tenen. Hier moet in zom- 
mige gevallen ook bygevoegt worden een on- 
derwerp, in het welke zommige van deze zap- 

+ pen 


rad 


B, 
fin 
rijs 


_ Maart, — July, 1722. 1yà 
en Zich komen in te wikkelen want na dat 
et onderwerp verfcheiden is , daar zodanig 
een fteen-makend-zap zich inboezemd zal ook 
buiten alle tegenfpraak de fteen , die daar uit 


te zamen geftelt word , onder{cheiden zyn. 


Het is zeer wia Here dat de koleuren 
van rood, blaauw , geel, groen , paars , en 
vorder alleandere koleuren, dewelke wyinde 
Edele gefteenten vinden, geboren worden van 
de metallyne en mineralifche dampen, of zap- 
pen , door dewelke dezelve gevoed of door- 
trokken en doorwazemd worden. De lezer 
zal hier zelfs niet begeren aan te twyfelen , 
als hy agt geeft op de twe volgende aanmer- 
kingen ; Als eerftelyk: dat in Ongarien, Bo- 
hemen ‚Saxen „en verder in verfcheide andere 
plaatzen van Duitífchland , mitsgaders in En- 
geland , Vrankryk, Italien , en buiten twyfel 
ook ín Ooft- en Weft-Indien , of over aldaar 
metaal en mineraal-aderen in de gronden ge- 
vonden worden, de edele gefteentens gemeen- 
lyk groeyen , en gevonden worden , niet al- 
leen in de metaal- en mineraal-rykegronden, 
maar zelfs op die gedeeltens van de gronden , 
alwaar de metaal en mineraal dampen het meeft 
komen door te wazemen. Op de plaats van % * 
gebergte of van de gronden, alwaar een me- 
taal- of minerael-ader onder de gronden door- 
loopt , geeft dezelve zyne voornaamfte uitwa- 
zemninge. Wy moeten een metaal- of mine. 
taal-ader aanmerken als een wezen dat een 


‚ fcheidinge in de gronden of in de ontzagchelyke 


ber- 


rs4 __Natuare en Konft-Kabinet, - 


bergen maakt. Dewyl dit wezen in de ber- 
gen , of onderaardfche gronden , door het on- 
deraardfche vuur gekookt, en tot zynerypheid 
word gebragt van de dampen en onderaard{che 
zyden en van alle wegen uit het gefteente en 
van onderen na dit wezen toe komen te fchie- 
ten „, konnen wy ook wel begrypen , dat de 
overtollige dampen hunnen meeften uittogt 
„maaken op die plaats van de gronden of bergen , 
daar zich deze metaal aderen op het kragtigfte 
komen te bevinden, en in diergelyke plaatzen 
worden de meefte Edelegefteentens gevonden. 
En dewyl deze dampen met alderhande meta- 
Iyne en mineralifche delen bevrugt zyn, is het 
zeer wel te begrypen , dat de koleuren , die 
wy inde Edele gefteentens bevinden, voortko- 
men van de metalen en mineralen. 


24. 

Detre zaak word nog nader beveftigt, als 
wy overwegen de manier , door de welke de 
Edele gefteentens worden nagemaakt, “Want 
dit gefchiet door een zeer zuiver en fchoon 
glas , dat wy van metaal-afchen, en van het 
gewoonelyke zuiverfte, en befte glas maaken,en 
door het byvoegen van enig metaal of mineraal 
zodanige fchoone koieuren geven, als wy zelfs 
begeren. Want elk metaal geeft aan het zui- 
vere glas zyn byzondere koleur. Gelyk ik op 
zyn plaats nader zal bewyzen. Maar omdateen 
leerling aan de kennifle van de mineralifche 
vitdampingen. uit de -metaal-aderen zeer veel 
„Belegen legt „, om,te begrypen den regten oor- 
fprong 


fyne geeften , dewelke van onderen van ter -_ 


EE 


br 


td 


td 


en APE 


Maart, == July 172 155 


_fprong van de fchone koleuren die in de edele 
_gefteentens gevonden worden zal ik van die 


zaak nog een weinig meerder fpreken. 


SRE roa e 25- En 
„Op die plaatzen, onder dewelke de metaal- 
aderen lopen , worden in de dek-aarde, of 
teel-aarde gevonden leem, zand, kleyen , mer- 
gels, vette .aardens „ afgebrokkelde (tenen en 
eentjes van alderhande geeftige koleuren , of 
letten die dikwils zyn vol fchoone verwen. 
Deze koleuren- worden in die verfcheide we- 
zens , infgelyks als wy van de edele gefteen} 
tens gezegt hebben , voortgebragt van de mi- 
rieralifche en metaalagtige uitwazemingen en 
dampen „die uit de metaal-aderen of mineraal- 
aderen opryzen, en door dezelve komen hene 


_ te dringen.in-hunner uitgang, in de opene en 
__Yrye lucht „of dag , zo als wy zulks noe- 


men. ge 
„op 3 „126: 


„Even onder de teel-aarde , door dewelke de 
metaal-aderen, overdekt worden „legt gewoon- 
lyk nog eenander dekzel, het welk de naam 
heeft van zeep-fteen. ‚Dit dekzellegt ook zom. 
tyds wel -bloot:„-op die plaatzen daar geen 
teel-aarde „ of keizel, of bomen , of andere 
ftoffen gevonden worden. Dit dekzel is een 
Ímerige fteenachtigheid even alsof die gehele 
berg met: {paaùfche zeep „ die een weinig vit 


… den groenen «ziet, beftreken: was, en over 


„al met kleine fcheurtjes gefcheurd was. Maar 
deze zeepfteen iszadanig open ‚ en togtgatìg, 
8 dat 


156 __Natuur- en Konft-Kabinet , 


dat de metaal-dampen zeer licht door dezelve 
komen heen te dringen. Want de zeepfteen 
verkrygt van deze dampen al zo wel , als de 
daer nog opleggende teel-aarde alderhande ko- 
leuren van root, geel, bruin „en zelfs wel fwart; 
gelyk wy dik wils zien dat de teel-aarde ‚boven 
de yzer en de tin-aderen dikwils fwart van ko- 
leur komt te worden. Door deze koleuren 
worden zomtyds wel nieuwe mynen ontdekt; 
voornamentlyk als dezelve, als byzondere ro- 
de , gele , bruyne , groene, fwarte en andere 
ftreken over ’t gebergte, of langs de gronden 
voortlopen, 


27 

Deze gekoleurde ftreken zyn zeer ongelyk 
van breedte , want de breedte van de metaal 
aderen is zeer ongelyk. Zommigezyn breed 
tien treden , S treden , vyf, en drie treden , 
een el, andere een halve el, andere een voct, 
zommige maar een halve voet, of 4, of 3; 
of 2 duim. In de bergen , door dewelke de- 
ze aderen doorkruizen, vertonen zich aan 
wederzyden van de metaal-ader fcheuren, de- 
welke zich naer het zelfde geweft het zy ooft, 
weft, zuiden of noorden ftrekken „daar de me- 
taal-ader na toeftrekt , deze voort ftrekkinge 
word geboren van de kragt van den metaal-ko- 
kenden damp , die deze fcheuren in ’tgeberg- 
te langs de metaal-ader komt te maken , en 
dewelke voortbrengt die koleuren, die gevon- 
den worden in de zeepfteen, in de teel-aarde, 
kleyen, vette berg-kleyen,liemen , fteentjes, 
en zelfs ook edele gefteentens , die dik- 
wils in deze ftreken gevonden worden. } 
28. 


/ 


Maart, 


July, 1722. 157 


28. 

Op dat een leerling nog klaarder zoude 
konnen begrypen, dat de gekoleurde edele ge- 
fteentens gevued worden door de zelfde voed- 
zels , door dewelke de metaalen geteelt wor- 
den ; ftaat aan te merken : dat de vrugtbaar- 
heid van de metaal-aderen al zoo wel afhangt 
van den overvloed van fcheuren , en vervol- 
gens dampen , als de overvloet van de edele 
gefteentens , van de metaalrykheid en metal- 
lyne doorwazeminge van den grond. Alseen 
metaal-ader geheel zonder enige T'oevallighe= 
den door een gebergte voortftrykt , is dezelve 
gewoonlyk zeer arm van erts, maar als tot 
dezelve invallen, of door dezelveheen {nyden 
andere metaal-aderen, {cheuren, kloven enz. 
verkrygt dezelve daar door een groote vrugt- 
baarheid , en erts-rykheid. want dewyl de me- 
taal-ader hun voedzel moet trekken uit het 
gehele ligchaam en gelteente des bergs „kan zy 
niet genoeg gevoed worden, als de vafte (teen 
des bergs door de natuur niet word gekloofd, 
gefcheurt , “doorgekruift , en doorboort met 
alderhande aderen , kloven en fcheuren. want 


deze fcheuren zyn de kanalen , door dewelke 


de dampen worden gedreven, om de metaal 


ader te voeden , en deze dampen , door de- 


welke de erts word gevoed , zyn ook die 
zelfde , door dewelke de edele gefteentens 
hunne fchone koleuren verkrygen. Waardoor 
aan onzen geeft zeer openbaar. word , dat de 


gekoleurde edele gefteentens een uitftekenden 
overeenkomft. hebben met de metalen, en me- 


tallyne mineralen, 29. 


158 __Natuur- enn Konft-Kabinet, 


29. 

Het is niet alleen eigen aan de edele gefteen- 
tens , hunne koleuren te: ontvangen van de 
mineralifche en metallyne dampen-en uitwa. 
zemingen „ maar ook aan de grove ftenen, 
van dewelke gehele bergen gegroeid zyn. Want 
de bergen , in dewelke metaal- of mineraal- 
aderen groeyen , zyn gewoonlyk van de ene 
of de andere koléur. In de bergen welker 
fteen van een blaauwe koleur is, worden dikwils 
metàal-aderen gevonden. Het goud, of zul- 
ver , of koper , of zomtyds wel alle drie te 
zamen verenigt , want die drie metaalen zyn 
%X, die gewonelyk ook in eene erts groeyen, 
waut zelden gout zonder koper en zulver , 
word menigmaal gevonden in bergen , welker 
fteen is fchilferagtig, blaauw van koleur, vaft 
en zeer zuiver, Zomtyds is ook wel het ge- 
fteente van de bergen , in dewelke de goud- 
aderen groeyen’, donker-blaauw , “zuiver en 
mild, Het zulver-erts groeit ook dikwils in 
blaauw gefteente , dat zeer vaft , fwaer en 
zeer helder is. ‘Zommige goud-aderen , of 
ook wel zulver-aderen en zomtyds ook wel 
tin-aderen worden gevonden ín bergen , wel- 
kers gefteente blaauw en zeer fplytachtig , en 
vol wilde granaten is. Zomtyds worden ook. 
de zulver-aderen gevonden in bergen , welker 
fteen is blaauw en zeer fplytachtig met veel 
wilde granaten , kalkagtige adertjes , en kalk 
klompen , en vol querts ; het welke een har- 
de, droge en dorre bergftof is. Zomtyds wor= 
den ook koper-aderen gevonden in Ee 
-_ WEel- 


Maart, July, 1722. 1fg 
ker fteen blaauw en fchilferagtig is, met kleine 
adertjes , en groene kloven. Ook worden 
zomtyds goud-aderen gevonden in gefteente 
dat donkerblaauw is, en in het welke gevon=- 
den worden rode , bruine, groene en witte 
aderen. Zomtyds worden zulver- aderen ge. 
vonden in bergen, welker gefteente is van een 

donkere water-blaauwe koleur. Een zeer hoog 
donkerblaauw gefteente wy{t lood aan. Een 
helder witachtig-blaauw gefteente wy{t dik wils 
goud aan. Zomtyds worden ook lood-my- 
nen gevonden in gefteente dat wit en blaauw 
is. Zomtyds word ook goud-erts gevonden 
in bergen welker gefteente groenachtig blaauw 
van koleur ís. Uit deze waarneminge blykt 
genoegzaam, dat de metallyne dampen, door 
dewelke de metalen gevoed worden, geboren 
worden uit bergen , welker gefteentens geko- 
leurd zyn. 


"30. 

Het fchynt echter dat de natuur niet gebon= 
den is aan de bepaalde koleuren van de ftenen , 
maar met dezelve fpeelt, alfchoon dezelveeen 
en dezelve metaalen. voortbrengt. Want ge- 
lyk als verfcheide zoorten van blaauw goud 
erts voortteelt, word ook gouderts gevonden 
in bergen welker gefteente bruin van koleur is. 
Zelfs worden gout-aderen voortgeteelt in ge- 
fteente van alderhandeverwen, als fwart-bruin, 
groen van. hardigheid als werfteen. Zomrtyds 
worden lood-aderen gevonden in bergen welt 
ker gefteente bruin en roodachtig van koleur is, 
Zelfs worden goud-aderen gevonden in ber- 
} gen 


£6o __Natuur- en Konft-Kabinet, 


gen welkers fteen kool-fwart is. Een fwart 
donker- bruin getteente wyttinfgelyks goud aan. 
Een fwart fchilferagtig gefteente teelt koper 
voort. Een gefteente dat fwartagtig-graauw 
is , en korftachtig , als met een vatte huid 
overtrokken , en vol fchierl of ontaarde tin- 
erts gevonden word , draagt goud-erts. Een 
wic-graauw gefteente, met blaauwe Afch-ftof, 
en groene aderen wy{t lood aan. het gebeurd 
zomtyds wel dat metaal-aderen gevonden wor- 
den in bergen , welker gefteente wit of zeer 
weinig gekoleurd is, Want een witachtig ge- 
fteente, dat zeer mild is, wyft zomtyds zul- 
ver aan , zomtyds tin , en zomtyds ook ko- 
per. Een witachtig gefteente met veel katte« 
zulver wyft zulver aan. Dit katte-zulver is 
een berg{tof , die ledig is , zeer fchoon blinkt 
en fchilferagtig op malkander groeid , gelyk 
als de talk. Zomtyds word wel yzer-erts ge- 
vonden in een wit zand achtig, en gruzelig ge- 
fteente. Ook word in dat zeltdegefteente wel 
gevonden of koper, of blende, dat een blin- 
kende fwarte , en ook zomtyds gele berg{tof 
is , of een mineraal-marcazyt die glants ge- 
naamt word. Zomtyds worden jn wit ge- 
fleente , dat fchilferachtig is ‚gevonden of zul- 
ver-aderen, of yzer-erts, of tin-aderen. Zom- 
tyds word ín een zeer helder en klaar wit ge- 
fteente kwikzulver-erts gevonden : in zom- 
mige tinbergen word goud gevonden , in een 
gruifachtige zandigheid : een ander witgefteente 
heeft voorgeteelt goud , vitriool, en Aluin. 
Een ander zuiver zandagtig gefteente wy{t zom- 
tyds aan rode gulden-erts, en zomtyds zulver- 

erts. 


zine da hi 
| Maart, —— July, 1722. 161 
erts. Ik heb over deze zaaken voor dezen 
zeer wydlopig gefchreven; * maar enige van 
dezelve alhier herhaalt , om aan te tonen hoe 
geeltig de natuur komt te fpelen , met alder- 
hande aangename koleuren, in de metaalryke 
‚ ftenen en gronden. 
e gt. 

Al zynde Dampen ‚door de welkede (tenen, 
en Edele gefteentens gekoleurd worden, juift 
geen enkeld water , konnen wy echter het 
water niet geheel uit dezelve uitfluiten ; maar 
moeten het zelve aanmerken , als een vebicu- 

_lum , door het welke de metalyne geeften , 
en mineralifche uitvloeyingen worden gedraa- 
gen. Deze Dampen konnen aangemerkt wor- 
den ‘als bet fweet der bergen , en dat dezelve 
verzelt zyn van water, blykt , om dat de 
bergen ook haar meefte water uitgeven , op 
de plaatzen daar de metaal-aderen door pafzeres „ 
even als of die grouwzame grote klcmpen 
fteen , en ontzagchelyke bergen , aldaer eene 
ontlaft plaats hadden , voor hunne uirwaze- 
mingen of hun fweet. Dit (weet, of uitge- 
wazemde water vertoont zich omtrent de me- 
taal-aderen in de gedaante van Bronnen ,Born- 
putten ; hete of warme W ater-wellen, Fon= 
teinen , Beekjes en Zyperingen van alderhan- 
de Mineralifche wateren. Maar op de plaetzen 
van de metaal adefen , daer het onderaardfcle 

VIL Deer. L vuur 


% Zie Natuur- en Konft-Kabinet Maart en 
April 1720, van pag. 319 tot pag. 340, en op , 
vekfcheide andere plaatzen. ) 


r6z __Natuur- en, Konft-Kabinet, 

vuur , door het welke de metalen worden ge- 
kookt en ryp gemaakt , kragtiger is , gaat dit 
fweet op na de lucht, in de gedaante van een 
onzichtbaren damp, en deze damp is eigentlyk 
mede een wezen, door het welke de {tenen en 
de edele ftenen wordengevoed, en alderhande 
fchone koleuren komen te ontvangen. Als de 
bergen deze damp met-boven gewoon geweid 
komen op te íloken, word dezelve in demor- 
genftond veeltyds gezien , als een zeer dik- 
ke nevel en rook „gelyk aan niemand die om- 
trent die piaatzen verkeert heeft, onbekent kan 
zyn. 

32 


Zomtyds word gefpoelt, door langzaamheid 
van tyd boven van de metaal-aderen en bergen, 
een (tof, die zich vergadert in de dalen, inde 
laagtens , in zommige groote holtens, en 
putten van de bergen , of beneden gronden „ 
of ook wel in de beeken, rivieren , en water- 
kanalen. Deze ftof word genaamt zift-ftof ; 
om dat uit dezelve het goud uitgezift word. 
In deze ziftftof worden ook gevonden alderhan- 
de edele gefteenten , maflyf-goud , goud-kor- 
len, ftof-goud , Ryke goud-erts , die fwart , 
bruin, geel, of lyf verwig van koleur is; ook 
wel lazuur-fteen , granaat-{teen , alderhande 
marcazyt ‚, zulver, kwikzulver-erts enz. In 
diergelyke zift-ftof worden te Eule in Bohe-, 
men gevonden, de wilde granaten , alderhan- 
de wilde mineralen, als Schier! , yzer-korlen, 
gout-korlen met alderhande koleuren , als 
bruin, en met {warte punten, gele, en Iyfver- 
wige plekken, enz. Ja 


Maart; July, 1722. 163 
ue 33 
‚ In zommigemetaal-ertzen worden zomtyds 
zulke ongemeen fchone koleuren gevonden k 
dat de koleuren van deberg-{teen ‚van dewelke 
wy gefproken hebben, by dezelve niet eens in 
vergelykinge komen , en zelfs zo ongemeen 
fehoon , en ook zommige zodanig helder 
_en doorfchynende zyn, dat indien de zelve niet 
_al te zagt van zelfftandigheid waren, zy zom- 
tyds voor gekoleurde Edele ftenen zouden kon- 
nen doorgaan , gelyk als onder een groot ge- 
tal anderen, by voorbeeld die zulver-erts, aan 
welken wy den naam geven van glas-erts , is 
_ zomtyds ongemeen fehoon van koleur zen 
doorfchynende , op. de wyze als het heldere 
Hoorn, het welke gebruikt word in de- lan- 
taarns, in de plaats van glas. Zommige van 
dezezulver-erts is van een uitmuntende groene 
koleur : zommige is ligt rood ‚doorfchynende 
als een Robyn ; Andere is donker rood; aan 
zommige word de naam gegeven van rood-_ 
gulden erts ; aan andere van wit-gulden-erts 
zommige is van koleur ligt bruin. 
Ld 
34e 
In zommige gefteentens en ertzen word zo- 
danig een kragt vanl koleur en verfitof ge= 
vonden dat dezelve alle andere verf-ftoffen te 
boven gaan, gelyk als blykt aan verfcheide zoor- 
ten van mineralifche afchen , aan de ultrama- 
rin verw die uit de lazuurfteen gemaakt word, 
aan het fermilioen dat niet anders is als erts van 
kwik , aan het fpaansgroen, aan de kobolt of 
12 ‘fwarte 


164 _ Natuur- en Konft-Kabinet 


fwarte arfenicum , uit dewelke het blauwzel 
ende faffer gemaakt worden, aan het konings- 
geel of het auripigment of geel arfenicum „ 
het welk een uitwerpzel van de goud-erts is. Aan 
de mifpikkel vande welke het rus-geel gemaakt 
word ; aan de verfcheide okers, affchen enz. 
waar uit zeer baerblykelyk opkomt dat de fcho- 
ne koleuren van de koftbare en fchone edele 
ftenen en gemmen geboren worden van de me- 
talline, en mineralifche dampen , waazemsen 
zappen der aardens , Metalen en Mineralen ; 
en Berg-ftoffen in en omtrent dewelke zy wor- 
den voortgeteelt. 


/ 


35: 

Zommige ertzen , uit dewelke koper ge= 
kookt word, zyn zodanig fchoon van koleur 
en doorfchynend als deedele gefteentens zelfs, 
voornamentlyk die erts of berg-ftof , dewelke 
koper-glas genaamt word. De koleuren fpe= 
len in deze ertzen dikwils met zoo veel ver- 
anderinge van Rood, Geel , Blaauw „en Groen, 
als of men defchone koleuren van den regen- 
boog kwam te zien. Zommige koper-ertzen ver- 
beelden zeer fchone gele {tenen , andere we- 
derom groene , zommige hemelsblaauwe, an- 
dere fwarte, Bruine, Rodeen een groot ge- 
tal middel tinten van alle deze hoofd-koleu- 


ren. 
36. 


Zommige lood-ertzen beflaan infgelyks uit 
deorfchynende en gekoleurde (tenen ; zom= 
mige van dezelve hebben de gedaante van al= 

baft, 


NB Ade ld ‘ 
Maart, —— July, 1722. 16f 
baft, andere zyn {wart van koleur , andere 
fchieten zeer aangename punten uit een moer 
“als wit kryflal. Deze punten zyn zo onge- 
meen gladt en blinkende als geflepe Diaman- 
ten. De tin-fteen, uit dewelke het tin gekookt 
word, vertoond zich ook met ongemeen vele 
_€n verfcheide fchone koleuren ; van dewelke 
zommige zyn rood, wit, fwart, bruin, vaal; 
ensdezelve zyn zomtyds zo ongemeen hart , 
_dat zy even als de Diamanten in het glas kon- 
__nen krafzen. Onder de tin-fteen vermengen 
zich veel andere gekoleurde ertzen en minerale 
ftoffen, als by voorbeeld , doorfchynende querts, 
of wit-biinkende Mifpickel, blinkende tal- 
kachtige , fchyfachtige bergftof , die zagt en 
van koleur ís als paerlemoer , en katte-zulver 
genaamt word. 


Eli 


De yzer-ertzen zyn ook van zo ongemeen 
vele en verfcheide koleuren , dat wy byna 
geen ander metaal van noden hadden alsalleen- 
lyk maar het yzer, om te bewyzen dat de 
grove enfyne fteenen „en edele gefleentens, en 
fchitterende Gemmen hunne fchone koleuren 
verkrygen van de metallyne en mineralifche 
dampen , uitwazemingen of zappen. Uit zom- 
mige erts-klompen van -yzer-erts komen ook 
pyramidale uitbottingen , gelyk gezien kan 
worden in Tab. XVIII Fig. 3. die gevoegt 
is agter ons Natuur en Konft-Kabinet voor de 
maanden July en Augu(ti 1720. en van dewel- 
ke ik gefproken heb in het zelfde (tukje pag. 
161. Deze uitbottingen vertonen zich insgelyks 

L3 : als 


t 


166 Natuur-en Konft-Kabinet , 


als edele gefteentens , en zyn zo glad en aan- 
genaam als geflepe diamanten , zy zyn piet 
doorfchynende maar, van verfcheide koleuren, 
namentiyk blaauw rood, geel; op dezelf= 
de wyze als het Stael dat aan de lamp geko- 
leurd is. De yzer-aarde, yzer-erts, of yzer- 
fteen is van ongemeen vele en zeer verfcheide 
koleuren ; en ook zodanig overvloedig door 
den gehelen aardkloot verfpreid , dat dezelve 
zich byna over al laat zien. Zy word gevon- 
den by en omtrent alle aderen van aiderhan- 
de metalen en mineralen. Zy vertoont zich 
ongemeen veel in de Boven-gronden en aan 
den Dag , en even onder de veld-of Bouw- 
aarde , als ook onder alle de andere ertzen ; 
onder de ertzen van gout, van zulver , van 
koper, van lood enz, Het vzer is zeer over- 
vloedig in de Rode hoorn-fteen, en in deber- 
gen van rood-gefteente. Zomtydsis de yzer- 
fteen een fchone witte Blinkende en {ware 
key-fteen , of een Blinkende Bruyne {ware key- 
fteen. Zommige yzer-{tenen zyn geel-rood , 
andere bruin-rood , gelyk als de Bloedfteen , 
andere is wit-bruin van koleur. 


38. 
De zulver marcazyt, of bifmuth is wel 


niet zeer gekoleurd, maar echter word uit de- 
zelve met tin vermengt een fchone blauwe 
afch gemaakt. Op die wyze worden door by- 
voeginge uit de metalen en ‚mineralen de 
fchoontte koleuren des werelds gemaakt ; En 
dat de Dampen van de metalen en metallyne 
mineralen bekwaam zyn om aan de Eelt ge- 

een- 


Ree 


| 


Se 


Mrs dE ach 


Maart, 


Julys 1722. 167 


flteentens , en ook aan alderhande {tenen , en 


aardens byzetten fchoone koleuren, blykt aan 
de ftreken en gekoleurde ligchamen, dewelke 
boven de metaal-aderen gevonden worden , 


_en daar wy van gefproken hebben. Gelyk als 


daar zynde Hoornfteen, en de doorfchynende. 
quertzen van alderhande fchone koleuren ,„ 
de fwaerwigtige fpath , dat een {ware berg- 
erts is, van gedaante als een keyfteen van al- 
derhande koleuren , wit-blinkend misz-pikkel, 
talkagtig katte-zulver , kley-aarde die vet is 
en van alderhande {chone koleuren ‚als graauw , 
groen , bruin , rood , geel, wit, fwart en 
veel middeltinten en gemengdekoleuren. Ver- 
fcheide zoorten van bergmergel, die of geel ‚of 
bruin, of rood, en van alderhande gemengde 
koleuren gevonden worden. De goutenko- 
per-erts-Aderen dragen dikwils op haar boven- 
fte delen een fchoone Blaauwe lazuur-koleur, 
hoewel het zuyvere koper-erts veeltyds op 
het Bovenfte van zyn Aderen een groene ko- 
leur draagt. Het yzer of het tin dragen veel. 
tyds aan de bovenfte gedeelten van hunne ade- 
ren een gele of een rode koleur. Het lood- 
erts draagd dikwils aan het bovenfte gedeelte 
van zyn Aderen een licht blaauwe koleur. 
Op deze zelfde plaatzen worden ook , gelyk 
als wy aangemerkt hebben, de meefte Edele 
gefteentens gevonden. 


9. 

Boven elk rondes metaal en ook in elke 
byzondere Mynen worden ook byzondere E- 
dele gefteentens gevonden. Want elk byzon- 

L 4 der 


168 __Natuur- en Konft-Kabinet, 


der metaal geeft zyn eigen en byzondere ko-= 
leuren. Maar dat ook boven en in een en 
dezelfde metaal aderen verfcheide zoorten van 
Edele gefteentens gevonden worden, gefchiet 
om dat de metaal-aderen zelden zuiver zyn , 
maar meeft altyd vermengt, of met andere 
metalen, of met andere mineralen. Het welk 
ook de oorzaak is , dat de ertzen van een en 
het zelve metaal , als by voorbeeld van het 
goud , of van het yzer, of van het koper , 
zo ongemeen verfcheide van koleur gevonden 
worden. Dekoleuren zyn zodanige blykbare 
gewrogten van de metalen , dat dezelve me- 
nigmaal tot bewys verftrekken van het aanzyn 
der metalen. Want als een vette kley , of 
andere aarde maar hoog van koleur is, word 
zulks altyd gehouden voor een bewys dat on- 
der dezelve legt een metaal-ader ; voornament- 
lyk als zelfs ontdekt word een zeer fchone ftreek 
van verfcheide koleuren van de boven aarde, 
dewelke wy de bouwaarde of teelaarde noe- 
men ; of als gevonden “word in de bovengron- 
den een droge aard-ftof , die of geel, of wart, 
of rood , of een andere fware koleur heeft , 
want de koleuren moeten zelfs aangemerkt 
worden , als een metaalachtigheid , of een 
roeft van enig metaal , of metallyn mine- 
raal „en de hoge koleuren vande bovengronden 
geven een onderaarfche kokinge te kennen , : 
en een uitdampinge van dezelve. 


40. 
Behalven de metalen worden ia de mynen 
zelfs ook gevonden alderhande ftoffen , die 
Te 


Ae Ald 


Maart, —— July 1722. 169 
bekwaam zyn tot fchone en zeer beftendige 
verf , en fchilder koleuren. In de zulver-myn 
van SCHEMNIT Zin Hongarien, word vol- 
gens de getuigenifle van de Hr. Brouwn in 
zyne reize door Ongarien gevonden een 
rode erts die zy aldaar noemen Cinaber van zil= 
ver. Als deze gemalen en met olie vermengd is 
geeft dezelve een fchoon rode vermilioen-ko- 
leur, byna als het eigentlyke vermilion, of de 

Ciraber van de kwik. In dezelve zulvermyn 
worden ook gevonden Amathiften, en in de 
grote kloven der bergen van Schemmnitz wor= 
den zelfs mengzels gevonden van Amathift, 
In de vermaarde en ryke koper-mynte Herrz- 
grundt word gevonden een groen zetzel, van 
een groen water , dit zetzel is eigentlyk die groe- 
ne Aarde , dewelke de fchilders gebruiken , 
en die wy berg-groen noemen. Hier worden 
ook {tenen gevonden van een zeer fchone groe- 
ne , of ook wel van een uitmuntende blauwe 
koleur. Onder deze ftenen is een zoort , op 
dewelke zy zomtyds turkoizen gevonden heb- 
ben. Waarom zy ook aan dezelve den naam 
van moer van den turkois gegeven hebben. By 
Banca twe Ongerfche mylen van Preiftad °, 
zyn veel hete Baden , by dewelke gevonden 
word een fteenkuil , die gegraven word’ in 
een kryt aarde , dewelke zeer vermakelyk , 
en aangenaam isom tezien. * De Heer Brouwn 
getuigt dat dit kryt van alderhande koleuris, be- 
halven de groene koleuren, dat deze koleuren zo 
ongemeengeeftig door malkander gemengt zyn, 

Ls veel 


* Zie gedenkwaardige Reizen door Honga- 
syen 5 deel 1 Hoofdftuk, 


170. Natuur-en Konfl-Kabinet, 


veel fraayer als gemarmert papier. Digt by 
de zulver-mynen van Schemuttz, daar ik van ge- 
fproken hebbe, is een hoge lynregte rots, waar 
van een gedeelte, van de grond tot boventoe, 
uitermaten geverwd is, met blinkend fchoon 
blaauw , zommige delen groen, en enige plek 
ken geel, het welk een fchakeerzel is dat ailes 
teboven gaat. Diergelyk een Berg die zeer íleil is, 
word ook gevonden omtrent de mynen van 
Potofzien Delporco in America. Van dezelve 
word getuigt , dat de fchakeringe van deszelfs 
fchone koleuren , zelfs de inbeeldinge in 
fchoonheid van koleuren en glanzen te boven 
gaat. 


41. 
„Te Glaflchitten een Ongerfche myl van 
Schemnitz vyn zeer veel natuurlyk heete Baden ; 
de zyden en kanten van deze Baden zyn vol- 
gens den gemelden Heer Brouwn „ door ’t 
geftadig druppen dezer hete wateren bedekt 
met een rode , witte, en groene ftof , het 
welk zeer aangenaam en bevallig voor het ge- 
zichteis, Te Eizenbanch, vier Engelfchemy- 
len van Glasfchitten , en vyf van Schenmzitz 
zyn ook hete baden. Het zetzel van dezeis 
rood en verandert in fteen. Waar uit zeer klaer 
blykt , hoe bekwaam de metallyne dampen , 
uitwazemingen en/zappen zynom ftenen voort 
te brengen, of in de groove en insgelyks inde 
fyne edele gefteentes voort te brengen zeer 
fchone en aangename koleuren. 


42. 


nd bo __ 


ld: AAT: adh 
ke 


Maart, July, 1722. 174 
42. 

Deze metaal-dampen, wazems en zappen ver- 
wekken niet alleen koleuren in de metaal-ert- 
zen , aardens , ftenen , edele gefteentens „ 
maar zelver ook in de zouten , en in andere 
zamenftremzels , die op de wyze als de edele 
gelteentens „in zeer veel metaal en mineraalryke 
gronden komen te groeyen. Een half uur 
gaans vande (tadt Eperzes in opperhongaryen , 
is een zeer voorname zout-myu , in een aard- 
achtige en geen fteenrotzigegrond. Ditzout 
is fteen zout, en alfchoon het in de myn zeer 
kout en vogtig is, word het zout echter niet 
gefmolten. Dit zout krygt van zyn verfcheide 
aarde , ook verfcheide aangename koleuren „ 
als fchoon blaauw , of geel, en is zeer door- 
fchynend , en zodanig hart byna als edel ge= 
fteente. Ik heb van diergelyke gekoleurdeen 
vafte zouten in myn verhandelinge over de 
Zalpeter, en ook elders veel breder gefchre- 
ven. Behalven in het zout, zien wy ook de 
zelfde natuurlyke verwingen van de natuur 
oefenen in de vitriool. In de gout-myn van 
Chremnits in Hongarien word , volgens de 
waarneminge van den gemelden Here Brouwn, 
gevonden witte, rode , blaauwe en groene 
vitriool. Op de zelfde wyze worden ook in 
de vermaarde koper-myn van Herragrundt ver= 
fcheide zoorten van witte, groene, blaauwe 
en rode vitriool gevonden , die zeer doorfchy- 
nende „en als gekoleurd edel gefteente zich 
vertoont. Wy vinden ongemeen veel fchone 
koleuren van wit, rood, groen, en zeer 

: fchoon 


172 __Natuur- en Konft-Kabinet, 

fchoon blaauw in de vitriolen en chalcanten. 
Zomtyds groeid de chalcant in de fpelonken , 
op de wyze als de uitbottende bladeren vande 
palm-boom; en de vitriool is bekwaam om 
alderhande koleuren als wit, groen, blaauw, 
rood , ros , geel, fwart, graauw enz. aan- 
tenemen , gelyk wy ook elders aangetekent 
hebben, 

43 


De Berg-Kryftallen verftrekken ook voor 
zeer grote bewysftukken, dat de ftenen , edele 
gefteentens , en gemmen voortgeteelt worden, 
en ook hunne íchone koleuren ontvangen van 
de metallyne dampen, uitwazemingen en zap- 
pen. Het kryftal ís een zoort van lteen-{chie- 
tinge , dewelke in hardigheid aidernaaft komt 
aan de edele gefteenten. Dat het zelveechter 
uit een vloeibaer wezen of een zap tot zeer 
groote klompen komt te groeyen , blykt uit 
de pluisjes, diertjes en ftrootjes, die van bin- 
nen in deszelfs wezen gezien worden. De 
kryftallyne ligchamen zyn natuurlyk helder , 
klaar , en doorfchynende , zonder vermen- 
ginge van koleur uit hen zelfs, maar zy ver- 
krygen echter dikwils koleuren van de meta- 
len en mineralen, omtrent dewelke zy in de 
gronden gevonden worden. Zomtyds word 
het kryftal gevonden dat het ene gedeelte een 
gele, of fiool-kleurige, of een fwarte, of an- 
dere koleur heeft aangenomen , en het an- 
dere gedeelte van het zelfde kryftal , is- geble- 
ven helder. doorfchynende en water-wit. 


44. 


Maart, — Fulys 172% 173 


44. 

Verfcheide rene: de berg-kryftallen 
en edele gefteentens en gemmen groeyen met 
zekere bepaalde gedaantens, op de wyze , ge- 
Iyk als wy zien ftremmen uit de Zgveurez van 
het falgemme of Îteen-zout, van het zee-zout, 
van dezalpeter, van de vitriool ‚van de aluin, 
van de pot afch, van de Borax, van de kan- 
dy-zuiker, degekryftallyzeerde zouren , of we- 
zens, elk tot zyn eige en bepaalde gedaan- 
te ; en dewyl deze gekryftailizeerde ftoffen 
daar in met veel edele gefteentens van bepaalde 
gedaantens overeenkomen,en dat dezelve (trem- 
men uit vloeybare vogten „of logen door de 
kryftallizatie , en zelfs al tot een matige har- 
digheit , verftrekken zy eenigzints tot een be- 
veftinge „dat deedele gefteentens,de ftenen en 
kryftallen voortkomen en gevoed worden door 
zappen en vloeibare wezens. 


> 


45. 

In zommige edele gelteenten zyn zodanige 
openbare tekenen , dat dezelve geboren wor: 
den , en hunne koleuren ontvangen van me- 
tallyne zappen en vloeibare wezens, dat de 
ene helft van een en dezelve fteen dikwils een 
geheel andere ftcen is, als de andere helft, De 
opregte en harde Diamanten konnen zel& iiet 
ontwyken „dat zy zelfs gele,blaauwe, rode en an= 
dere koleuren aantrekken uit mineralifche gron- 
den, ìn dewelke zy voortgeteelt worden. Wy 
vinden de {choonfte edele gefteen-fchietingen 
des werelds van {tenen , dewelke behoren ons 

der 


174 Natuur en Konft-Kabinet, 


der de metaal-ertzen, daar wy van gefproken 
hebben , en ook van andere die zonder me- 
taal zyn , en ten opzichte van der zelver al- 
deruitmuntenfte koleuren met de edele getteen- 
tens uit(tekend over een komen ; maar zy zyn 
niet- alleen weker als de edele gefteentens en 
gemmen , maar zelfs ook zagter als het kry- 
ftal. Want tegens malkander geflagen zynde 
geven zy geen vuur van hen uit , gelyk als 
het kryttal, ook zyn zy te week om geflepen 
en gepoly{tte worden. Tot een bewysdat deze 
fchone {tenen ook hunne koleuren ontvangen 
van mineralifche en metalyne dampen diendt , 
dat zy in het vuur gelegt zynde, wel niet {melten, 
maar hunne fchone koleuren verliezen en uit- 
wazemen. Als deze {tenen in ’t vuur gehouden 
worden kraken dezelve en derzelver vonken 
en afgefpronge {plinters vertonen een vuur, 
als aangeftoken fwavel , maar van ’t vuur geno- 
men zynde vertoonen zy een gedaante als een 
wit zout „en dekoleuren zyn vervlogen, Zom- 
mige vertonen een doorfchynende fmaragd,door 
het heerlyk groen dat zy zomtyds van koper- 
agtige uicdampingen hebben ontvangen. Zom. 
mige zyn voor een gedeelte gekoleurd ‚en voor 
een gedeelte ongekoleurd. Enige zyn voor- 
zien van verfcheide fchoone koleuren. Zom- 
mige vertonen een koleur alsde blaauwe fap- 
plier. Zommige-hebben een koleur als zee- 
groen,doormengt met een viool-koleur van den 
Amathift, vertoonende op zommige plaatzen 
een fchoone goud-koleur. Zygroeven dik wils 
tot zeer grote brokken en klompen, Onder de 
Orangery van den vor{t van Wolfenbuttel, is 

een 


re 


Maart, ——= July, rr 175 
éen ongemere grote enzeer konftig gemaakte 
grot , alwaar een groote menigte van deze 
ftenen gezien worden, welker koleuren voor 


‚geen edele gefteenten behoeven te wyken. Zy 
worden ín zodanig een overvloed omtrentde 
_metaal-aderen gevonden, dat indien zy de har- 


digheid van het kryftal kwamen te evenaren , 
de hooge prys der edele gefteentens daatlyk 


zoude moeten vervallen; Zommige zyn zo 
groot, dat van dezelve geheele Aderen ges 


vonden worden, gelyk als wy boven reets 


aangemerkt hebben, daar wy van dezelve , 


onder de naam van verfcheide metaal-ertzen 
gefproken hebben. Nogtans konnen wy de- 
zelve om derzelver fchone koleuren , door- 
fchynendheid en glans Onder de onvolmaak- 
te edelgefteen-fehietingen ftellen. 


46. 

Dat de edele gefteentens hun oorfprong van 
heldere en: doorfchynende zappen en vloei- 
bare wezens hebben is ook zeer waarfchyne- 
Iyk , als wy agt geven op de heldere door- 
fchynendheit der Diamanten , Robynen, Sap- 
phieren , en andere gemmen. * De Heer 
Boyle insgelyks van dit oordeel zynde, brengt 
hetvoorbeelt by van de delen van het zulver die 
duifter en ondoorfchynende zyn , maar zo’ 
ras als dezelve gefinolten worden in (terkwa- 


ter, of fterke gediftilleerdé Azyn , vertoont 


zich daatiyk de fo/utze niet alleen doorfchynen- 


_de,maarfchiet zelfs ook als wy willen door- 
fchynende kryftallen. Behalven dat wy uit. 


de’ 


* De gemmarum origine ac virtutibus, 


176 _ Natuur-en Konft-Kabinet , 
de puntige en bepaalde gedaanten, die zich 
in vele edel-gefteenten-{chietingen vertonen , 
ook reden hebben om te geloven „ dat dezelve 
ftremmen als de kriftallen die wy door konft 
maken van de zouten , daar wy van gefpro- 
ken hebben, worden ook veel edele gefteen- 
ten gevonden , dewelke , noch rouw en on- 
geflepen en ongepolyft zynde, verfcheide ge- 
daantens verbeelden , even als of zy gegroeid 
waren in vormen , welker inwendige cozca- 
meratie Of ruimtens-gedaante zy hebben aan- 
genomen, Gelyk als wy zien aan de zou- 
ten die wy niet tot hunne bepaalde kry{tallen „ 
maar tot grote broden of klompen doen ftrem- 
men , ook komen aan te nemen de gedaante 
van de vormen „in dewelke zy komenteftrem- 
men. De Heer Boyle getuigt dat hy verfchei- 
de edele gefteenten uit hunnen moer heeft 
genomen , zodanig als dezelve rouw in dezel= 
ve gegroeid waren: dat hy onder andere ver- 
fcheide Indiaaníche granaten uit een vreemde 
ftof , of een moer heeft uitgelicht, aan de- 
welke verfcheide Geometrifche gedaantens wa- 
ren ‚ dewelke over een kwamen met de ge- 
daante van de holligheden en celletjes , die 
in de gemelde moer gezien wierden. In En- 
geland worden verfcheide Europifche diaman- 
ten gevonden, dewelke aldaar genaamt wor- 
den Briftolfche ftenen. Deze heeft de Heer 
Boyle laten graven uit de rotzen , in dewelke 
dezelve quamen te groejen, en aan verfcheide 
van dezelve gevonden zeer nette en wel ge- 
fchikte Geometrifche gedaantens , die zeer veel 
overeenkomft hadden met de gedaatte van de 
kry- 


at 
Ke 


Kobi N 
ik Maart, —— July, 1722: 199: 
kryftallen vande falpeter.  Diergelyke In- 
landfche diamanten worden. ook zomtyds 
_ gevonden op andere plaatzen van Engeland, 
__en ook in lerland. Het zelfde word ook 
__dik wils- waargenomen aan de robynen, nament- 
_ Iyk dat dezelve komen te groeyen in de ge= 
_daante van bepaaldefiguren. Dit zelfde word 
ook waargenomen in de opregte en harde dia- 
_ manten, dewelke hebben een oppervlak- 
te, die te zamen geftelt is uit verfchei- 
_de driehoekkige vlaktens , dewelke zelfs 
_ nog niet volkomen vlak zyn, maarin hunne 
__vlaktens noch veel kleine driehoeken hebben, 
_ die voor het meefte gedeelte in een punt te 
_ zamen lopen , dat enigzints ftomp is. Dege- 
| daante der diamantens is zelfs zodanig bepaal- 
_ delyk aan hun eygen , dat zy daar door van 
de meefte edele gefteentens konnen onder{chei- 
den en gekent worden, 


47: 

De Heer Boyle varken, dat aan hem be- 
kent was een byzonder fcheivogt in het welke 
die Heer verfcheide edele gefteentens had la- 
ten fmelten, en dat naderhand door konft de- 
zelve tot fmakeloze kryttallen kwamen te 
fchieten , die doorfchynende en zeer net van 
gedaante waren. Waar door zeer kragtig be- 
_veftigt word dat de edele gefteenten voortko- 
men uit vloeibare wezensof zappen, die opde - 
wyze als de kryltallen der zouten door de 
natuur gekryftallizeert engeftremt worden. In 
de baftert diamanten van Briftol heeft dien 
_zelfden Heer ook aangemerkt dat het gedeelte 
_van die diamanten, het welke voor derzel- 
‚Ver wortel kan gebonden worden , veel min- 


| der- 


178: Natnar- en Konft-Kabinet, - 
der doorfchynendeis, jazelfs zomtyds duifter , 
en ontbloot van alle gereguleerde gedaante , 
daar nochtans het boventte gedeelte van 20- 
danig een fteen netjes van figuur is, beltaande 
uit zeven vlakke zy- wanden die als{chuins ge- 
fneden van hun boveneinde zes driehoeken uit= 
rhaakten, die in het boven einde komen te 
eindigen als een pyramide van drie hoeken. 
De oorzaak waarom het onderfte gedeelte van 
den (teen , met het welke de fteen , als met 
een wortel noch aan defzelfs moer komt aan 
te kleven , noch duifter en van geen bepaal= 
de gedaante is, zal buiten twyfel zyn , om 
dat dezelve aldaar noch befmet is met de lym- 
achtigheid van deszelfs voedzel en deszelfs 
moer , terwyl ondertuflchen deszelfs boventte 
deel niet alleen gevormt is geworden door de 
zuiverfte en vloeibaarfte en fyníte delen van 
het voedzel , eer noch het luchtige wvehicalum 
van deszelfs voedzel geheel was uitgewazemt , 
_ maar dat de fteen aldaar een genoegzame on= 
belemmerde ruimte heeft omte (tremmen , in 
zodanige een hoekige en nette gedaante , als 
met deszelfs natuur overeenkomt, gelyk als 
wy zulks gewaar worden in het fchieten van 
de door konft bereide kryftal-zouten ; de- 
welke aldervolmaakft tot hunne natuurlyke 
gedaante fchieten , op die plaatzen in de gla- 
zen, daar zy in hunne &riftallizatie de mintte 
tegenftand of belemmeringe van vuiligheid of 
troebelheit ontmoeten. Dit blykt ook zeer 
openbaar ín de kryftallyne bergftoffen , de= 
welke als uit huine wortels en moeren , in 
zeer net bepaalde geometrifche gedaantens koo- 
men té groeyen. 

48, 


Maart, == July, vjiz. 19 
GE ree Be5sof 


48. 
Dat de edele gefteenten uit vloeibare ftoffen 
en zappen geboren en geftremt worden, blykt 
___@ok aan de kleine deeltjes , uit dewelke de- 
_ zelveeyntezamen geftelt. Dat zelfs de harde di- 
__amanten hunne nat uurlyke draden en vafte loop 
van fibren en af{fcheidingen van hunnefchyfjes en 
opmalkander gegroeide laagjes en dunne {chil 
fertjes hebben, blykt uit de Diamant-Klovers 
konít. Want de Diamant-klovingeis eigentlyk 


___geen klovinge maar een {plytinge ‚diedoor een 


___mietal te fcherp gereedfchap verregt word, 
___gelyk wy het hout zien fplyten na den loop 
‚van zyne veezelen , op het in{laan van een 
___fware en ftompe wigge. Als' de diamant- 
_klovers hunne {plytinge ook niet ondernamen 
na den loop van den draad der diaman- 
ten , zoude de kloving, of niet , of -kwalyk 
gefchieden. In verfcheide andere edele gefteen= 
tens word ook diergelyken loop van grein , 
of loop ván fibren gevonden. De IndifcheGri- 
zolyt, laat zich na den loop van deszelfs greïn 
zeer licht kloven. Volgens de getuigeniflë van 
den Here Boyle konnen wy zelfs wel byzon- 
_ derlyk in de Hyacint en de Sapphier , als de 
_ zelve wel gefneden en gepolyft zyn , en op 
een verfcheide wyze tegen het licht worden 
gehouden, zeer fyne hegtingen en te zamen- 
‚ voegingen gewaar worden. In de granaten , 
__ die ín Engeland eerft uit de grond gehaald 
waren, konde den loóp en de naden en heg- 
tingen van derzelver opmalkander leggende 
blaadjes zeer klaar gezien worden. 


E& 49. 
_ „Het is zelfs zeer waarfchynelyk „-dat. de 
3 M 2 ko- 


ze 


180 __Natuurs en Konft-Kabinet 5 


koleuren der edele gefteentens van buiten aan 
_ dezelve worden aangebragt , of door minera- 
lifche en metallyne dampen, of door geko= 
leurde zappen ; om dat zelfs meeft alle ede- 
le gefteentens , behalven de Boheemfche gra- 
paat , hunne koleur komen te verliezen, als 
dezelve al te lang in het vuur gehouden wor- 
den. Een voornaam Juwelier , en zeer ver- 
maart kender en koopman hier tot Amftérdam 
in de gekoleurde Edele gefteentens heeft my 
ook verzekert , dat zelfs de lucht door zeer 
langen tyd de koleuren der edele gefteentens 
doed verminderen ; en dat hy in verfcheide 
zeer oude en vorftelyke Juwelen , waargeno- 
men heeft , dat de koleuren , door den tyd 
zeer vermindert geworden waren. Hlet is 
ook een grote waarfchynelykheid „ dat de ko- 
leuren van buiten aangebragt worden in de 
edele gefteentens , dewyl zommige edele ge- 
fteentens gevonden worden , uit dewelke de 
koleuren konnen uitgetrokken worden, door 
zekere daar toe bereide vogten. De Heer 
Boyle verhaelt dat aan hem bekent was een 
vogt,het welke,na dat hy in het zelve gelegt had - 
degranaten, een fchone koleur van die {tenen 
kwam te verkrygen. $o. 

Het fchynt ook datde Edele gefteentens hun- 
ne koleuren van buiten ontvangen , om dat 
zelfs edele gefteentens , dieals zy volkomen 
ryp , fchoon en zuiver zyn, de fchoonfte ko- 
leuren des werelds hebben , gelyk als de Ro- 
bynen , Sapphieren: enz. zomtyds „gevonden 
worden of. zeer bleek , of‚ook wel geheel on- 
gekoleurd, of befmet met vremde en oneigen 
koleuren. Ik heb kennis aan een Heer die 

ons 


Müart, — July, 1722. 18r 
ongemeen veel rouween ook gefleepen Ro- 
bynen bezit, en in dezelve en andere edele 
gelteentens een zeer grote handel doed, en 


_ ook lange jaaren gedreven heeft ; By dezen 
_ Heer heb ik een zeer groot getal Robynen 
_ gezien van alderhande koleuren. Het is zeer 
eygen aan den Robyn dat een en dezelve fteen 


veelderhande koleuren heeft, die onder het 
flypen en opmaken moeten afgenomen , en 


_van het fchone en zuivere gedeelte moeten ge- 
_ fcheiden worden. Zomtyds worden fteenen 


k gevonden, die aande ene kant zyn Robynen, 


en aan de andere kant zonder koleur , en 
andere (tenen , die aan de twe uiterfte einden 


… zyn van andere koleuren , en in het midden 


robyn. De Heer Boyle getuigt dat hy een 
ring aan zyn vinger droeg, in de welke was 
een Sardonyx, dewelke beftont uit drie opmal- 
kander leggende delen. Het bovenfte gedeelte 
was fwart , het middelfte van een kaftanje-ko- 
leúr,en het onderfte zoo blaauw als een turkois, 
Het welk geheel niette verwonderen is. Want 
als wy de edele gefteentens in byzondere ge- 
flagten gingen onderfcheiden , om de byzon- 


_ dere koleuren, zoude de. Sardonyx alleen in 
{taat zyn , om een ontelbaar getal verfcheide 


geflagten van edele gefteentens uit te leveren; 


_ want de. Natuur fpeelt wonderlyk door ver- 
_ fcheidendheid van koleuren in de Sardonyx. 


De vermaarde Benevenuto Cellini {preekt by 


de Heer Boyle van witte en ongekoleurde 
_ Robynen, Beryllen, topazen en Amethyften. 
_ Het wezentlyk onderfcheid van de Edele ge= 
_ fteentens-word by de groot{te kenders geftelt 


‘ 
ks 


in derzelver onderfcheiden hardigheid; want 
„0 M 3 ver= 


182, Natuur- en Konft-Kabinet ; » 
verfcheide {lenen worden gevonden van een en 
dezelve hardigheid,en-hoedanighedenjen dienog- 
tans zeer veel van malkanderen komen te ver- 
fchelen. ín koleuren , gelyk alsdaar zynde ro- 
bynen, en de Sapphieren ‚waarom dezelve ook 
wezentlyk een en_dezelfde zoort van Edele 
gefteentens uitmaaken , en niet als maar in 
koleur ‚dat is toevallig van malkander ko- 
men te_verfchelen. „Dat de Edele gelteenten 
in onderfeneide zoorten alleen. maar uit hoof- 
de van hunne onderfcheide hardigheid moeten 
onderfcheiden worden. , blykt ook aan den 
Diamant , dewelke. alleenlyk maar gekent „ 
en vanalle de andere edele gefteentens onder- 
fcheiden word, door deszelfs alderuitmuntentte 
hardigheid ; waar in dezelve meer als tachtig 
tegen een te boven gaat de hardigheid van de 
alderhardfte edele gefteentens , namentlyk de 
Robynen en Sappbieren, Onder de Diamanten 
worden, ook verfcheide gevonden „ dewelke 
gekoleurt zyn.,maar-de gekoleurde diamanten 
worden daarom geenzints onder andere zoor- 
ten van fteenen;geftelt, om dat. zy van de 
zelfde. hardigheid zyn „als de witte of. onge- 
koleurde diamanten „dat is van een-Diatmants 
hardigheid, Als dan de, Diamanten miet -uit- 
gemonfterd worden am hunne verfcheide ko- 
leuren.„hebben wy ook geen reden , om de 
andere {tenen in andere zoorten te onderfchei- 
den „om de verfcheidentheid. van koleuren 
anaar wel om derzelver onderfcheiden-hardig- 
heid, _Zommige (tenen die de hardigheid:des 
„Sapphiers bezitten worden, genaamt witte fap- 
phieren om dat zy ontberen het {chone blaauw 
„daar dekoftelyke Sapphier zo hoog-om gefchat 
word. 


os a 


f Maart, krens July, 1722. 183 
word. Zommige diamanten zyn van koleur 
zeer flaauw geel , andere wederom van een 

_— hoger geele koleur. Zommige Diamanten zyn 
__blaauw-achtig, en andere wederom uit den 
__groenen, ja telfs zeer fchoon groen, roos-rood, 
en ook van anderekoleuren. Alseen gekoleurde 
diamant volmaakt fchoon en wel gefatuteert 
_ en hoog van koleur is , word dezelve waar- 
_diger gefchat als degewoonelyke ongekoleurde 
Diamanten ;maar om dat het zelden gebeurd , 
‚dat de gekoleurde Diamanten {choon en zui- 
__ ver , hoog van koleur en perfeét zyn , wor- 

__ den wederom de ongekoleurde Diamanten ho- 

_ ger gefchat , als die met al te flaawe of 

__morzige en onaangename koleuren of vlekken. 


sr. 
De Edele gefteenten van. minder waarde , 
gelyk als by voorbeeld de Agaat en andere , 
__bewyzen ook genoegzaam, dat zy hunneko- 
_ deuren van buiten, het zy door dampen, of 
__gekoleurde zappen ontvangen. Wy zien ín 
den agaat zo veel wonderlyke fpelingen van 
alderhande fchone , en door malkander wer- 
__ kende koleuren, als of dezelve niet an- 
_ ders als uit alderhande gekoleurde fteenzappen 
en mineralifche afverwzels ware te zamen ge- 
_ flremt. Onder de grove ftenen zyn onder an- 
_ deren het zelfde ook by uitftekendheid in de 
marmers , van alderhande doormalkander we- 
melende fchone'koleuren. ‘Hoe veel vermo- 
gen hier omtrent ook de dampen hebben ,kon- 
nen wy daar uit ondekken , dat wy door ver- 
fcheide zappen , door verfcheide mineralifche 
en „metallyne dampen „in de ougekoleurde 
Marmers , „Albatten , -Agaten , eu andere 
ls M 4 door- 


es 


\ 
“84 __Natuur- en Konft-Kabinet , 

doorfchynende en witte (leenen, en in het 
harde kryftal , konnenvoort brengen al- 
derhande koleuren. En al-fchoon wy zulks 
ook konnen verregtendoor zappen, van plant- 
gewafzen, vankruiden, van vrugten, van za- 
den, van wortels , van bloemen , van hou- 
ten, van dieren, moeten wy echter, hier niet 
buiten fluiten de mineralifche dampen. Want ik 
zal op zyn plaatsbewyzen dat de planten, en de 
zappen en delen der dieren, hunne koleuren ver- 
krygen uithet onderaard{che koningtyk der me- 

talen en mineralen. suk 
Als wy-op de verfcheide koleuren , die in 
den agaat , of in andere edele gefteentens ge- 
vonden worden, naaukeurig acht geven, ver- 
tonen dezelve zich veeltyds als een ozgeregu- 
leerde vloeyinge „en golvinge van alderhande 
gekoleurde zappen ‚ door den fteen. Het is 
wel zeker dat deze ongelykheid van koleuren 
veroorzaakt werd door de ongelykheid vande 
verf-{toffen , met de welke die ftenen geko- 
leurd worden ; het zy dat dezelve beftaan in 
gekoleurde zappen ‚ dewelke op die wyze als 
in fteen veranderen ; het zy , dat deze verf- 
ftoffen beftaan in verfcheide dampen „ die in 
een en dezelve fteen-ftof verfcheide koleuren 
verwekken. De rede waarom zommige fte- 
‚men aan het eene gedeelte gekoleurd zyn , en 
aan het andere gedeelte dikwils geheel zonder 
koleur,oordeeld de HeerBoyle te konnen zyn uit 
gebrek van koleur-{tof , namentlyk dat de ko- 
leur-ftofzich mengende met de ftof van denfteen, 
terwyldezelve noch week was,niet genoeg was 
de om zichte verfpreiden door al ftof vanden 
gehelen fteen ; of dat het eene gedeelte zaan 
| en 


__Maart, Fuly, 1722. 18f 
_den fteen reets te hart verfteent is geworden „ 
en daar door de koleur-ftof belet is geweeft, 
ieper te dringen door deszelfs gehele zelf(tan- 


digheid. 


53: 

In zommige ftenen worden gevonden weer 
barftige (totfen, die in dezelve zyn ingegroeid, 
en als tuffchen de fyne en zeer zuivere fteen-’ 
zappen zyn als tuffchen in gefchoten : aan de- 

ze konnen wy geen beter naam geven als kam- 
__men en doornen, die vergeleken konnen wor- 
den by de kammen van fchrale of harde vuur- 
fteen, of keifteen , die zomtyds in een ryke- 
metaal-ader komt in vallen, en dezelve onder- 
drukt, of dwingt een anderen weg om te lo- 
pen. De doornen konnen wy vergelyken by 
de knoeften en kwaften der bomen. -Deze 
kammen en doornen zyn dikwils zodanig ont- 
aart van de natuur van den (teen, dat zy uiteen 
gehele byzondere tof fchynen tebeftaan. Het 
welke zeer klaar ontdekt word in den Agaat / 
als wy indezelve door konft met zappen enige 
koleuren en tekeningen trachten te maken „ge= 
Iyk als ik geleerd hebbe van den vermaarden 
Here Walraven, dewelke boven zyne uitmun= 
_ tende kenuifte van de Edele gefteentens , dé 


… konft om van binnen ín de zelfftandigheid van 


_ de Edele gefteentens, door ingedronge zappen, 
_ ín te tekenen alderhandefiguren , als of dezetve 
_ natuurlykin dezelve ingegroeid waren, tot zulk 
_ een hogen trap heeft uitgevonden, dat wy met 
_ de uiterfte verwonderinge verfcheidemaal de 
__konftftukken „daar ik op zyn plaats ook nader 
_ van zal {preken , van dien Heer hebben be= 
_ fchouwd, en ondervonden dat de koleuren 

M s der 


186 Natuur-en Konft-Kabinet, 


der zappen niet wilden verenigen en beftendig 
blyven in de tLenen die met doornen en kammea 
gekwelt waren. Het welk aan den Agaat 
ook by uitftekendheid gemeen is. 


54 

De Jezuwyt Ath. Kircherus, vommige{chry- 
vers van de Mifcell. Curzof. Germanor. en an- 
dere befchryven verfcheide tenen , in de wel- 
ke ingegroeid zouden zyn, gelyk als in een jaf- 
pis (leen, het beeld van de Heilige maagd met 
het kindeke Jezus, als ook van een {teen die 
in den berg Gottes-wald in Switzerland in het 
jaar 1659 gevonden zoude zyn en in welkers 
midden zich insgelyks vertoonde een Maria- 
beeld met het kindeke Jezus; in andere (tenen 
een Mruifjefix ; in andere ffenen de letteren 
INR I, en diergelyke Heilige en verwonde- 
rens-waardige uitbeeldingen , dewelke deze 
Heren dM ekeen aanzien, Ik wit de won- 
der-werken Gods in geen delen krenken , of 
derzelver aanzien door zottefpeculatie onteren 
of verminderen , maar het zoude echter wel 
konnen zyn, dat de bovengemelde uitbeeldin- 
en niet door de natuur , maar door konftinde 
A met doordringende zappen voortgebragt 
waren ; ten min{ten is het de waarheid, en die het 
niet geloofd zullen wy het laten zien, dat de 
gemelde Heer Walraven diergelyke wonder- 
werken door kenft kan doen. Want ik heb 
zelfs by die Heer verfcheide malen gezien, in 
verfcheide koleuren van binnen indedoorfchy- 
nende felfltandigheid van de ftenen , afbeeldia- 
gen van Beren, Apen , Leeuwenen alderhande 
Dieren, in boffen en ftruellen. Als ook het 
pertrait van den koning Georgevan Engeland; 
} d et 


4 


___ Maart, — July 1722. BZ 


hetportrait van den tegen woordigen koning vans 
Pruizen , en andere zaken meer, Het geen 
my ook noch te kragtiger heeft bewoogen te 


E oordelen , dat de {chone koleuren der Edele 
gefteentes geboren worden uit zappen , dam- 
_pen, wazems en alderhande vloeibare wezens, 


8 SS 
_ Dit gevoelen word ook kragtig beveftigt 
door de vertoninge van de koleuren van zom 


_ mige gefteentens zelfs, want behalven dat veel 


koleurengolfachtig en als zappen van verfoheide 


_koleuren door malkander wemelende gezien 


worden, verminderen ook zommige koleuren 
den tint van bupne koleur:, in hunnen voort- 
gang op de wyze als een wazem of rook „die 
hoe hoger naboven hoe dunder word. De Heer 
Boyle verhaalt dat hy onder andere kleinodien ig 
Jralien gezien heeft een ftuk kryftal,betwelk om= 
trent twe vuiften groot was, en welkers pyr 
vamidaal gedeelte doorfchynend groen was” 
Dat dit groen aan het bovenfte toppunt 20 


__ _fehoon was alsde koleur van een Smaragd 


maar dat de koleur, hoe langer dezelve van 
dit toppunt afliep „ook tegelyk verminderden 
in den bazisof het onderfte gedeelte van. het 


Kd kryftal zodanig te niet hiep „datalddar-hetkry{- 
tal geheel ongekoleurd en wit doorfchynende 


was. _ Jofephus Acofta getuigt ook by -den 


_ Heer Boyle dat de fmaragdenin ftenengroeyen, 


die even gelyk zyn als het kryftal : dat dit 


 derytal fchynt te zyn de moer van de 
__fmaragd : dat zy in dezelve meer en meer 


dikker groter en:ook ‘zuiverder worden : dat 
zommige Smaragden , diehy op siempen Ien 


188 Natuur-en Konfl-Kabinet, 


hadde, nog maar groen waren aan het eene ge= 
deelte en aan het andere gedeelte wit: dat 
zommige noch geheel wit waren „en wederom 
andere geheel {choon en volmaakt groen. 


56. 

Dat onder de Edele gefteentens noch zom= 
mige gevonden worden, in dewelke van bin- 
ben in derzelver zelfltandigheid nog zelfs vloeis 
bare zappen en ook andere zaken gevonden 
worden, kan níet alleen voor een bewys ver- 
ftrekken , dat de ftenen van zappen of weke 
of vloeibare wezens groejen , en gekoleurd 
worden , maar dit bewys is zo kragtig , dat 
door het zelveal onzetwyfelinge genoegzaam 
benomen word. De Heer Bqyle verhaald dat 
een Aanzienlyke dame van zyn kennis, onder 
andererariteiten van een reis hadde medegebragt 
een ftuk kryftal, in welkers midden in gefloten 
was een drup water , die door de beweginge 
zeer onderfcheidentlyk gezien konde worden. 
Het zelfde word ook getuigt van een gryzolyt. 
Zomtyds worden ftenen gevonden, in dewel- 
ke heldere, doorfchynende {teentjes zyn inge- 
groeid. De Heer Boyle heeft een fteen gezien, 
die zo hart was als een vuurfteen , en die noch- 
tans van binnen een holligheid hadde, in dewel= 
ke waren ingegroeid zeer fchone en doorfchy- 
nende kryftal punten. Als of dezelve geftremt 
waren van helderedoorfchynende en witte wa- 
terdruppelen. De Heer Boyle hadde zelfs ook 
een Bleke Amethyft, in dewelke gezien wier- 
den verfcheide ftreekjes als bruine haartjes, die 
op verfcheide wyzen hunneitreken volbragten, 
en van dewelke zommige een roode koleur te 
rug kwamen te kaatzen, als zy by de kaars ge- 
zien wierden. De 


_ Maart, — — July, 1722. 139 
BER L 37 St 
___ De harde diamanten beveftigen niet alleen 
__door hunne verfcheide koleuren cat de vloei- 
__bare,en weke ftoffen tot in hun binnenftezelf- 
_ftandigheid toegang komen te krygen,maar door 
de vremde ftoffen , die zelfs dikwils in deze 
harde ftenen gevonden worden, blykt overvloe. 
dig, dat de diamanten zo wel als de andere (te- 
‚men, voortgebragt en gevoed worden door zap- 
‚pen, vloebare wezens en dampen. in zeer veel 
Diamanten worden gevonden vlekken „ of 
_ wolken, door de welke die Diamanten dik- 
wils ook naar hun volwmex veel fwaarder van 
__gewigt zyn als andere Diamanten, die ruuw 
zyn. Door de Naaukeurige Reizigers, die zelts 
_by de Diamant- mynen in Ooft- Indien verkeerd 
hebben, is ook waargenomen, dat de Diaman- 
if ten in twederhande foort van gronden gevon- 
den werden, als inaardeen in {teen ; maar dat 
_de Diamanten die in de fteen, of omtrent de- 
zelve gevonden worden, gewoonlyk veel 
_fchoonder en zuiverder zyn, alsde Diamanten 
_die in de aarde gevonden worden, om dat die 
… gewoonelyk eenigzints deelachtig zyn aan de 
\_koleur, alsanderzinsvande Aarde, in dewelke 
_dezelve komentegroeyen, in zo verre, dat als 
__deaarde zuiveren een weinigje zandachtig is, de 
_ Diamanten, diein dezelve gevonden worden, 
‚ gemeenlyk dan ook zuiver zyn; als de aarde vet, 
of {wart,of root, of van de eene of de andere ko- 
_ Teuris, dat dan dik wils des zelfs afverwzel door- 
gedrongen bevonden word, in de Diamanten, 
 dieinde zelve gevonden worden. Als het ge= 
beurt dat de gronden laag, modderig of moeraf= 
zigzyn, wordende Diamanten ook dik wils be- 
Rich von- 


bs 


«90 Natuur-en Konft-Kabinet; 

vondente neigen na den fwarten, als de grons 
den {wart, of na den roden alsde gronden rood 
zyn. Gelyk als een zeker Frans Schryver zonder 
naam by de Heer Boyleverhaalt, dat naaft ce- 
nige jaaren in de Diamant-myn van Golkonda 
op een zekere plaats de Diamanten alle on- 
rein, en of fwart, of geel gevonden wierden, en 
dat zelfs zulks de oorzaak was, dat aldaar opdie 
plaats het Diamant zoeken verboden was. 


58. ‚ 

Dat deEdele gefteentens verfcheide aandoenin- 
“gen vande metallynedampen genieten, en ook 
zeer veel overeenkomft hebben met de metalen , 
blykt ook zeer klaar uit derzelver verfcheide 
fwaarte. De Heer Boyle heeft door de waterwe- 
ginge ontdekt,dat eenige Wett-IndifcheGranaten 
vier maal {waarder van gewigt waren, als zui- 
ver en Ooft-Indifch Berg-Kryftal vanhet zelfde 
volumen. Wy konnen alleen door het wegen op 
onze handen de onderfcheiden fwaarte van de 
Edele {tenen zomtyds genoegzaam gewaar wor- 
den; en daar uit ontdekken , dat de eene veel 
meerder Metallyne hoedanigheden bezit als de 
andere. De Metaal- en Mineraal-ftoffen, door 
dewelke de Edele gefteentens hunne koleuren 
ontfangen, zyn hier genoegzame bewyzen van. 
Om dat zeer dikwils die Edele gefteentens de- 
welke alderfwaardft gekoleurd zyn, ook dik= 
wils fwaarder van gewigt bevonden worden, als: 
de ongekoleurde ftenen. 


el 
‚ Het fchyndtook dat de doorfchynendheid van 
de Edele gefteentens en derzelver duifterheid zeer 
veel afhangen van de Metallyne verfftoffen of” 
zappen , door dewelkede ftenen gekoleurd ried 
n en 


____ Matt, Je, 1722. 10X 

_den. Ik heb dik wils ondervondenonder het bee 
_reiden van de fmalt of het Atmolieer- glas, dat 
een Amaus die niet doorfchynende moelt zyn, 
_doorfehynend wierd, als dezelve al te lang in 
het veur gehouden werd, om dat het vuur de 
_rhetaal- verw ‚of van koper ‚of van yzer, of van 
_zilver,of van Antimonie,of van azripigmentam, 
‚met dewelke wy meeft gewoon zyn de Edele 
_ gelteentens en de Amagazen te kleuren , weg- 
ftookt. Wy konnen zelfs deze verwen zo geheel 
weg ftoken, datde Amauzen niet anders als we= 
derom een ongekoleurd en doorfchynend glas 
werden. Gelyk wy ook zelfs dekoleuren uit de 
meelte fyne gekoleurde {tenen konnen weg fto- 
ken. Waar uit wy ook eenigzins konnen beflui= 
ten , dat de ondoorf{chynende Edele gelteentens, 
_ alsde Turkois ‚de Onyx ,deSardonyx „de Rode 
__Agaat,de Lazuur-fteen, meer vervult zyn met 
__Metallyne verf-ftof, als de doorfchynende Edele 
_ gefteentens. Want de overvloet van deze Metal= 
_ Iyneverf-ftof, belet de doorftraling van de lucht- 
_ftralen in de ondoorfchynendeftenen , gelyk als 
_dieverf-{tof de lucht-ftralen verbuigt, in de ge- 
‚ koleurdedoorfchynendeftenen. 


60. 

__In de Jafpis, en in de Agaat zien wydik wils 

__dedriederhandegefteitheden van zuiver ongeko= 
_denrd doorfchynende „gekolenrd ondoorfehynende, 

en gekoleurd doorfchynende , even als of ín zom- 

mige delen van het fteenzap „ daar den Agaat 
_uit-ftremt, geheel geen koleur {tof was geko- 
| men,en wederom in zommige delen alte veel 

koleur-ftof was ingedrongen, en in zommigede- 
Ten juift maar zoo veel verf-{tof, als bekwaam 

was 


Pla Al 


zoz. Natuur-en Konfl-Kabinet, » 
was om de ftralen van het ligt te verbuigen. De- 
ze ongelykheid van doorfchynendheid en on- 
doorfchynendheid in een en dezelve {teen word 
zelfs waargenomen in de Diamanten ; dewyl 
in dezelve dik wils vlakken gevonden worden, 
die geheel ondoorfchynende zyn. Gelyk als 
ook diergelyke donkere vlekken gevonden wor- 
den in de opalen , robynen . granaten , enz. en 
ook zomtyds doorfchynende plaatzen in (tenen, 
die volgens hunne gewoonelyke gefteltheid 
ondooríchynende zyn „als by voorbeeld de Sar= 
donyx enz. 


Ór. 2 

De glasachtige hardigheid belet, dat wy niet 
zo wel uitde edele gefteentens als uit andere fte- 
nen en fteenachtige metaal-ertzen konnen uit- 
trekken „de metalen. Echter heeft de Heer Boy- 
le uit zeer fwaarwegende granaten , door middel 
van een fcheyvogt een yzer-achtige (tof weten 
af te fcheiden. Als ook de onkoften niet te 
zwaar, de moeite niet te groot’, en de nut- 
heid niet te gering was, is het buiten enigen 
twyfel wel bedenkelyk , dat wy uit verfchei- 
de edele gefteentens ook zouden uittrekken 
verfcheide metaal-ftoffen. Maar wy zullen hier 
mede fluiten onze eerfte verhandeling over de 
Natuurlyke Hiftorieder ftenen. Want wy oor- 
delen dat wy nu genoegzaam hebben getoondt, 
dat de ftenen zo wel grovealsfyne vcortgebragt 
en ook geverwd worden door zagte lichamen, 
vloeibare zappen , en mineralifche dampen. In 
onzetwedeverhandelinge zullen wy befchryven 
de verfcheide manieren van groeyen, en de ver- 
fcheide natuurlyke gedaantens der flenen. 

Bl N DE. 


BN NONDOAAA dede WW) 
ORONDAGD OOOMON VOONOMONDAON) 


4 


7 EET 
OOAD 


Maart Juli. 1 


Gaza. 


IE 


NA 


AN 


nn A 


Add LA DEI 

HNE 

ECT 
MEENT 


ER Mm 


OE fe 
berte Lt 
EAA 
MITEL in 


KABINET 


DER 
NATUURLYKE 


HISTORIE N, 
_ WETENSCHAPPEN, 
 KONSTEN 
EN 
HANDWERKEN, 


Voor de Maanden 
AUGUSTUS DECEMBER 1722, 


Verciert en opgeheldert met Kopere Plaaten. 


Te AMSTERDAM, 
By BALTHAZAR LAKEMAN, 


Boekverkooper achter de Nieuwe Kerk, 
over de Molfteeg. 1722. 


Pag. 3 


NA TUU R- 


EN 


KONST-KABINET, 


Voor de Maanden 
AUGUSTUS —_— DECEMBER 


tjd. 


TWINTIGSTE VERHANDELING. 
Van de ALGEMENE Natuurlyke Hifto- 


vie-fchryvers, en in dezelve het vervolg 
wan het kort begryp en de opbelderinge 
der Natuurlyke Hiflorie, en de proefkun= 
dige Wysbegeerte van RO BERTUS 
BOTYLE, waarin gehandelt word van 

de LUCHT. 
RED K heb in myn laatfte Verhandelin- 
SS ge over de lucht, in de welke wy 
ademhalen en leven, tot myn 
Sf rigtfnoer gehouden den tweden 
ë Brief , de welke de Heer Boyle 
A2 over 


A Natuur- en Konft-Kabinet, 

Over de Lucht aan zynen Neef gefchreven 
heeft op den 24. Maart 1667.* Maar om de 
bepaaldheid van myn beftek konde ik op dien 
tyd niet geheel afhandelen alles ‚dat merk waar- 
dig in dien Brief gevonden werd. Daarom 
zal ik tegenwoordig dien brief wederom ver- 
volgen. Ik zal ook wederom, als in de voor- 
gaande Verhandelingen , de vryheid nemen, 
van myne aanmerkingen, bedenkingen en op- 
helderingen over de proef-ondervindingen van 
den Heere Boyle overal tuflchen in tevoegen, 
en buiten en behalven de proeven van de Heer 
Boyle ook zo veel andere proeven mededelen, 
als enigzints dienft konnen doen tot volma- 


kinge van cen NAT UURLYREISTO- 


RIE VAN DE LUCHT. 


y 


ei 


De Heer Boyle was over de voor heen ir 
het werk gettelde proeven, wegens de ver- 


fpreidinge van de klank ín een luchtledige d 


plaats, noch niet al te wel voldaan. Om die 
reden liet die Naauwkeurige Natuur-onder- 
zoeker een byzonder werktuig toeltellen, om 
door deszelfs behulp te onderzoeken de ver- 
fpreidinge van de klank, in een luchtledige 
plaats. Behalven ook noch een twede onder- 
zoek over de verfpreiding van de klank ín een 
lucht ledige plaats door behulp van een horo- 
logie met een wekker. Dit werktuig is uit- 
gebeeld in tabula XLI. Fig. 1. Het beftond 
ineen fchel A, eneen {tuk yzer B, en was 
Z0- 
* Zie Natuur- en Konft-Kabinct Maart — 
July 1722, pag. 4 Chz. 


tl 


Auguflus … December 1722: Ff 
_ xodanig toegeftelt, dat als de Haan C gedraayd 
wierd, het (tuk yzer B even als een hamer aan 
de fchel kwam te flaan, en geluidt te verwek- 
ken. Na dat nu de lugt gepompt was uit den 
. recipient D, wierd de fchel geflagen ; maar, 
het geluid was zo ongemeen weinig, dat de 
byftanders in twyfel waren of zy enig geluid 
hadden gehoord of niet. Maar de Heer Boy- 
le met de uiterfte naauwkeurigheid toeluifte- 


. rende hoorde befwaarlyk zomtyds enig zeer 


flaauw geluid, dat zich door den recipzent tot 
aan zyn gehoor kwam te verfpreiden. Dit 
„geluid hadde een ongewoone fcherpheid , de 
welke naauwelyks gehoord wierd, en op een 
wyze gefchiede, als of het zeer verre van daan 
kwam. Maar zo ras als wederom enige lucht 
in den recipient gelaten was, wierd zeer licht 
gehoord dat het yzer B geluid verwekte, als 
het kwam teflaan op de fchel A. Dit geluid 
wierd ook vermeerdert, na mate dat meerder 
lacht ín den recipient wierd ingelaten. Door 
deze proef wierd ontdekt, dat de lucht nood- 
„zakelyk is, tot het overvoeren van het geluid 
aan ons gehoor , en dat in een lucht ledige 
__plaats de klank zeer weinig overgebragt word. 
Want het weinigje geluid dat te voren van de 
fchel gehoord wierd, zoude konnen overge- 
bragt geweeft zyn, door middel van het wei- 
nigje lucht dat altyd noch in de recipienten, 
uit de welke de lucht uitgepompt is, komt o- 
ver te blyven. 


, ( 3: 
De Heer Boyle onderzogt de verfpreidinge 
ä ij A 3 van 


6 Natuur- en Konft-Kabinet, 


van de klank in een lucht-ledigen recipiezt, 
nog ook met een horologie daar een morgen- 
wekker aan was. En op dat die Heer verze- 
kert zoude zyn, dat geen lucht kwam in te 
dringen door het draaijen van den haan C, nam 
de Heer Boyle een andere recipsezt , die bo- 
ven geheel lucht-dicht gefloten en toegeblazen 
was, om dat tot deze proef geen haan ver- 
eifcht wierd. Na dat nu het horologie aan 
een ftevig koper-draad in den recipiezt gehan- 
gen en alles wel lucht-digt gefloten en be- 
zorgt was, wierd de lucht uit den recipient 
zo volkomen als zulks mogelyk is uitgepompt. 
Als nu den tyd verftreken was, dat de wekker 
geluid moefte geven, dat op een ander horo- 
logie te gelyk ook gezien konde worden, en 
dat de Heer Boyle benevens de omftanders zeer 
naauw toeluifterden, wierd geen het alder- 
„minfte geluid gehoord; in zoo verre , dat ge- 
vreeft wierd, of het horologie wel mogt op- 
gehouden hebben te gaan. Maar dewyl door 
ymant aangemerkt wierd, dat het horologie 
in deszelfs beweginge zeer wel kwam te vol- 
harden, wierd die proef nog eenmaal hervat. 
Op welke tyd ook niemand eenig geluid ver- 
nam, als alieen een omftander , die juift het 
oor tegens den recipient gelegt hadde, regt o- 
ver de haak aan de welke her horologiekwam 
te hangen; deze verzekerde dat hy konde ho- 
ren een ongemeen fwak geluid, op een wyze 
als of het zelve van zeer verre van daan kwam. 
Na dat een weinigje lucht in den recipiezt in- 
gelaten was, konden alle de omftanders dit 
fwakke geluid horen, als zy het oor aan den 

ree 


Augufius mam December, 1722: Ff 
recipient hielden. Na mate dat ook van tyd 
tot tyd meerder lucht ín den recipient ingelaten 
wierd, nam het geluid allengsken toe op de 


zelfde wyze als in de voorgaande proef met de 
fchel. 


in 

Het is uit de gemelde proeven van den Hee- 
re Boyle baarblykelyk , dat de klanken , of 
‚het geluid worden overgevoerd door middel 
van de lucht. Want als wy al ftelden dat een 
veel fynder vloeibaar wezen, als de lucht die 
Wy inademen, de eigentlyke voerman van die 
bewegingen , de welke wy geluid noemen, 
was, zouden wy echter genoodzaakt zyn om 
te moeren toeflemmen , dat zodanig een fyn 
wezen in ons gehoor geen klank zoude kon- 
nen verwekken , zonder behulp , onderfteu= 
ninge, en mede-werkinge van de Dampkring- 
achtige lucht, in de welke wy verkeren, a- 
dem halen en leven. Als dan'de lucht zo vol- 
komen noodzakelyk bevonden word voor het 
geluid, ís het een onwederfprekelyke waarheid, 
dat onze fpraak afhangt van de lucht, gelyk als 
ook alle de klanken van onze keel „alle onze ge- 
zangen, de fpraak en klanken der Dieren, het 
aangename of fcherpe geluid van alderhande 
mufycale inftramenten, vande welke zommi- 
ge door het blazen van de lucht worden voort 
gebragt, en andere door trillingen en bewegin= 
gen met de welke zy met hunne gefpanne {na= 
ren, of gefpanne vellen, tegens de lucht, die 
haar omringt komen te flaan. Uit deze over- 
weginge zouden wy in--bedenkinge- konnen 
A 4 ne- 


& __sNatuur='en Konft-Kabinet,; 

nemen, of niet wel de hoedanigheid van de 
klanken, of van het geluid , zomtyds zeer 
onderfcheiden zyn naer den verfcheiden ftaat 
in de welke de lucht zich bevind. Want wy 
weten dat de lucht ongemeen veel verance- 
ringen onderworpen is, door een ontelbaar 
getal van alderhande zoort van wezens, de- 
welke zich gedurig in de zelve inwikkelen, uit 
de diepe gronden der aarde, en uit de Zon, 
Maan, dwaalftarren, en vafte ftarren „of door 
de zelve heen pafzeren , en de zelve daag= 
lyks verdikken, of verdunnen, of vogtig „of 
droog , of warm, of koel, of helder, of 
troebel ,„ of fcherp , of zagt, of vet , of 
fchraal , mager en dor maken. Ook is de 
lucht zeer veel veranderingen onderworpen 
uit hoofde van de verfcheide zagte, of hevige, 
of onegale bewegingen, die in de zelve door 
alderhande winden, donders, tempeeften , ge- 
maakt worden; of ook wel uit hoofde van al 
te veel flilte , verfmagtinge , en verftikkinge 
van de lucht, k 


f. 

Zoo veel als myn geringe ondervindinge 
kan toereiken, heb ik waargenomen, dat een 
en de zelfde beweginge, die een en de zelfde 
klank voortbrengen moet, zulks echter niet — 
altyd komt te doen in zommige ongetemperd- — 
heden van de lucht. Als gy naauwkeurig op — 
alles acht geeft, zult gy ondervinden, dat de 
klank. des nachts veel verder kan gehoort wor= — 
den als by den dag. Ik weet wel dat demen- — 
fchen dit onderfcheid, gewoonlyk toefchryven 


aan 


A 


| 


AN 


Auguftus December, 1721. 5 
aan de groote bewegingen , en het geraas dat 
by dag in de fteden gebeurd , maar die reden 
heeft buiten op zeer eenzaam land geen plaats; 
want alfchoon aldaar even zo veel ruft is des 
daags als des nachts, zult gy echter de klank 
des nachts veel verder horen als des daags. Dat 
de (taat van de lucht veel verandering geeft 
aan de klank, is een waarheid die niemant zal 
tegenfpreken. Want de klank is geheel an- 


___ders by een ftille lucht, als dat de zelve door 


winden bewogen word. Ook zal de klank 
veel verfchelen na het onderfcheid der winden, 
By zommige winden is de klank veel zoeter, 
en ftrelender , en by andere wederom veel 
ftroever en onaangenamer. De klank is ook 
geheel anders in een ftrelende lucht die boven 
het water ftaat, als in een lucht die boven het 
land ftaat. Het licht van de Zon en van de 
Maan maken veranderingen aan de klank , om 
dat door het licht in de lucht een inwendige 
doeninge gemaakt word, die de klank enig- 
zints kan benadelen. Daarom is de klank by 
flaauw ftarligt beter , als zelfs by een lichte . 
Maan, ik fwyge van over dag. De klank is 


veranderinge onderworpen op elken tyd van 


den Nagt; in de voor-nagt is de klank geheel 
anders als in de na-nagt, en tegens de mor- 
gen{tond. Ook is de klank des morgens ge- 
heel anders als des middags, en die wederom 
anders als des nademiddags , en die verfcheelt 
wederom van de avond-klank. Dit onder= 
fcheid van de klanken worden wy zelfs ge- 
waar, als wy des avonds laat, na het houden 
van gaftmaalen , by malkander zyn , aan het 

A ver= 


to __ Natuur-en Konft-Kabinet; 
verfcheiden geluid van onze tem. Om deze 
reden geve ik aan alle liethebbers van de mu- 
zyk in bedenkinge, of zy niet wel zouden 
konnen geloven, dat de natuurlyke Hiftorie, 
de welke ik over de lucht fchryve, aan veel- 
derhande liefhebbers , en‚ook aan die van de 
Muzyk zomtyds enige dienft zoude konnen 
_ doen, als zy de zaken, die van de lucht ge- 
leerdt worden, tot haar gebruik kwamen te 
maken, of op hunne liefhebberyen kwamen 
toe te paffen. Want gelyk als den dienft van 
de lucht algemeen voor ons aller leven is, ge= 
loof ík ook dat de kennifle van de lucht voor 
ous nut is teu opzigte van alle onze kunften, 
handwerken en oefeningen. 


Omtrent het aan {tuk barften van die fpring- 
glaasjes de welke wy den naam van Glas- 
droppels geven , was onder de liefhebbers een 
verichil ontftaan. Zommige oordeelde dat de 
zelve aan gruis kwamen te barften door het 
fchielyk invliegen van de buiten-lucht, als 
hunne uiterfte eindjes gebroken wierden, en 
dat daar door de buiten-lucht toegang kreeg ín 
der zelver holligheid. Andere waren van ge- 
voelen dat dit aan gruis barften op een andere 
wyze veroorzaakt wierd. Om nu te onder- 
zoeken of deze aan ftuk barftinge veroorzaakt 
wierd van de buiten-lucht , ftelde de Heer Boy- 
le met deze fpring-glaasjes een proef in het 
werk in een lucht-ledige recipient, Want als 
ineen lucht-ledige plaats zodanige glas-drop- 
pels aan (tuk kwamen te berften, zo ras als 

de 


ei 


Augufbus — December 1722: CÌ 
„de zelve aan haar dunfte entjes gebroken wier= 
den, gelyk als wy zulks in de open lucht zien 
gebeuren, oordeelde de Heer Boyle dat deze 
aan ftuk barftinge op geenderhande wyze kon- 
de toegefchreven worden aan den fchielyken 
invloedt van de buiten-lucht. 


J. 

Alhoewel de {pringgiaasjes zeer bekent zyn, 
zoude het echter konnen gebeuren, dat zom- 
mige lezers daar omtrent noch onkundig wa- 
ren. Daarom zal ik de zelve alhier befchry- 
ven voor die liefhebbers ; het welk noch te 
meer dienftig zal zyn , om dat veelen ‚die wel 
kennifze hebben aan deze fpring-glaasjes, noch 
onkundig zouden konnen zyn aan der zeïver 
toeftellinge, als ook wegens de oorzaak van 
dit geeftige verfchynzel der Natuur , in het 


_ welke een hart en beftendig ftukje glas, op 


het afbreeken van deszelfs uiterfte puntje, 
_ daatlyk komt te barften tot zeer fyn gruis. De- 
ze Glas-droppels worden gemaakt, als wy een 
drop gefmolten glas in het water laten drup- 
pen; het welk wy zo wel konnen verregten 
aan de glas-blazers konft-lamp, als in de ge- 
woonlykeglas-blazeryen. Als het glas gefimol- 
ten is, vertoont het zelve een ongemeene taai- 
heid als een zeer taaije lym. Maar zo ras als 
„dit gefmolten glas in het water komt te drup- 
pen, verkrygt het daatiyk zyne hardigheid de 
welke aan het koude glas gevonden word, 
zelfs in een ogenblik , alfchoon het in het wa» 
ter noch in * begin zo heet is, dat wy onze 
vingers aan het zelve zouden konnen eea 

ä Is 


zz _ Natuur-en RKonft-Kabinet, 


8. 

Als wy een glazen pyp aan de vlam van de 
konft-lamp houden, zo lange tot de zelve aan 
zyn einde komt te fimelten, en dan de zelve 
omgekeert boven het water houden , laat de 
zelve een drup gefmolten glas in het water 
vallen, en dewyl het gefmolten glas zo onge- 
meen lymig is valt die drop neder in de leng- 
te, op de manier als een drop zeer taaije bal- 
fem met een lange ftaart, als een fyne draad. 
Om dat nu het glas zo fchielyk hart word in 
het water „behoud ook diedrop niet alleen zyn 
langwerpige gedaante, maar zelfs ook zynen 
zeer dunnen draad, met den welken de zelve 
van het overige glas afgevallen was. Wanut 
de fchielyke hartwordinge belet, dat de gla- 
ze drop met deszelfs ftaart in het water tot 
malkander kan vloeijen,gelyk als wy anders- 
zints zien aan een drop van een taaije balzem, 
of gefmolten lym, maar de zelve verkrygt de 
gedaante die uitgebeeld is in tab. XLI. Fig. 2. 
zynde A B de gedaante van den drop, en BG 
van deszelfs zeer dunnen draad, by den wel- 
ken de zelve in ’t nedervallen afgebroken is. 
Deze draad is zomtyds als in D, en zomtyds 
gekronkeld als in BE. Zomtyds is de opper- 
vlakte van den drop glad als in F,en zomtyds 
rompelig als in G. Het dikke gedeelte van 
dezen glas-drop AB is zeer vaft en beftendig , 
en laat zich niet licht aan ftuk breken, maar 
kan zomtyds een matigen hamerflag uitftaan. 
Het fchynt dat het glas door het water een 
meer als gemene hardigheid komt te verkry- 

gen. 


Auguftus —— December, 1722. 13 
gen. Want de vermaarde Heer Wolfius* ge- 
tuigt, dat hy de zelve geflepen , en bevonden 
heeft dat zy harder zyn als gewoonlyk glas. 


: 9. } 

Niet tegenftaande deze glas- droppen zo on= 
gemeen hart zyn, fpringen de zelve tot zeer 
fyn gruis, zo ras als wy maar een klein ftukje 
komen af te breken van des zelfs (taart by CC. 
Onder dit {pringen gefchiet al een matige 
kragt, want dit gruis fpat aan alie zyden weg. 
Dat onder het fpringen vry wat kragt ge- 
Íchiet worden wy gewaar, als wy zo een 
glas-traantje met het hoott AB in onze hand 
leggen, en onze hand fterk toedrukken, en 
met onze voorfte vinger en duim, of met de 
andere hand, een ftukje van de {taart by C af- 


> breken. Want wy voelen als een flag gefchie= 


den van binnen tegen onze hand ; maar dewyl 
het glas tot zeer fyn gruis komt te fpringen, 
gefchiet dit altyd zonder enige kwetzing, en 
“zonder het alderminfte gevaar , gelyk als ge- 
noeg bekent is. Want de jonge lieden , en 
zelfs de kinderen, geven aan malkanderen de= 
ze fpringglaasjes uit kluchtigheid, om de on= 
kundige te verrafzen. De glaasjes fpringen 
tot een flof, het welk zo fyn is als zulver= 
zant „en onder het aan {tuk flaan zelfs tuflchen 
onze vingers komt in te dringen als een fyn 
meel. Het welk wy tegenwoordig niet zo- 
danig naeuwkeurig aantekenen om de zeld- 
zaamheid van de zaak, want de zelve is ge. 
noeg- 
* Zie Chriftian Wolffen Allerhand Nutzliche 
Yerfgche Dritter theil, 3 Capitel, 


14 _ Natuur-en Konfl-Kabinet; 
noegzaam bekent , maar om dat de oorzaak 
van dit verfchynzel niet zo licht zonder toe- 
pafzinge en goede overweginge te achterhalen 
is. < 
10, \ 

De Heer Wolfius verhaalt dat hy, om de 
kragt, die in dit aan ftuk fpringen gebeurd, 
eens nader te onderzoeken, liet roeftellen een 
glazen Cylinder, die niet al te dik van glas, 
en een voet hoog, en omtrent een half voet 
wyd was. In dit glas wierd bynatot boven 
aan den rand water gegoten. De gemelde 
Heer hield daar na het fpringglaasje met het 
hooft en den {taart in zo verre geheel in dit 
water, dat maar een klein eindje van C bo- 
ven uit het water kwam uit te fteken. Ook 
hield die Heer het fpringglaasje een weinig na- 
der aan die zyde van het glas aan de welke 
hy ftonde als aan de andere zyde die tegens 
hem over was. Zo ras als nu een ftukje van 
den ftaart by C afgebroken wierd fprong deze 
glas-drup niet alleen in het water zo wel als 
inde lucht aan gruis, maar floeg ook zelfs 
een gat in het glas. De Heer Wolfius her- 
vatte deze proef verfcheide reizen met dezelfde 
uitkomft en bevond dat het {pringglas gedurig 
een rond gat in het glas hadde geflagen. 


Ir. 
Naderhand heeft de Heer Wolfius onder 


zocht op wat manier de glas-droppen eigent- 


Iyk komen te fpringen, en in de uitkomft be= 
vonden dat zulks gefchiedt in die zelfde ge= 
daante als reets by anderen, die voor EST 

Heer 


Ed 


\ Dt 

_Anguflus December 1722. 1f 
Heer zulks onderzogt hadden, is waargenos 
men geworden. Om dit onderzoek in het 
werk te ftellen wierd het {pring-glaasje beften= 
diglyk bekleed met wafch, in dier voegen dat 
een klein eindje van de {taart by C zonder 
wafch of onbekleed wierd gelaten. Na dat 
nu een klein ftukje van de {taart by C wierd 
afgebroken, kwam het fpring-glaasje van bin= 
nen in het wafch wel aan {tuk te fpringen, 
maar was door het wafch gedwongen zyne 
gedaante te behouden, in de welke het zelve 
gebroken was geworden. Na dat nu het 
wafch aan de ene zyde wierd weg gefneden, 
vond de Heer Wolfius dedelen van het fpring- 
glaasje by malkander leggen met kring-ronde 
breuken, en ftukken die zich zeer wel in {tof 
en gruis lieten vryven door de vingers „zonder 
dat daar door de handen bezeert wierden. 


12. 


Dat de zelfltandigheid van de glas-droppen 
een voosheid heeft verkregen, door het fchie- 
Iyk uitwendig hart worden in het water , is 
genoegzaam te zien aan de glas-drop zelfs, 
want dezelve ís bezet met blaartjes of lucht- 
blaasjes door het gedeelte van  tot B. Die nu 
oordeelden , dat de buiten-lucht de oorzaak 
van dit aan ftuk barften was, begrepen , 
dat deze blaartjes of blaasjes van de glas- 
drup luchtledige plaatsjes waren, uit de wel- 
ke de lucht door-het vuur was uitgedreven. 
Dat zo ras als de buiten-lucht door het 
openen van de {taart by C gelegentheit kwam 
te 


16 _ Natuur-en Konft-Kabinet; 

te krygen om te dringen in de glas-drup, de 
zelve door die fchielyke invloed aan fluk 
kwam te barften, want zy oordeelden dat alle 
deze blaasjes gemeenfchap met malkander 
hadden, en dat derzelver verwulfjes zeer teder 
zynde zeer licht uit malkander , en tot ftof, 
of fyn gruis, gelicht en gevreven konden 
worden, door den fchielyken invloed van de 
buiten-lucht. Maar niet tegenftaande het vol- 
komentlyk de waarheid is, dat door het vuur 
de lucht ten uiterften verdunt en ook uit alles 
uitgedreven kan worden, heeftechter de onder- 
vindinge geleerd dat de buiten-lucht geenzints 
de oorzaak is door de welke de fpring-glaasjes 
aan ftuk komen te bartten. Door welke on- 
dervindinge wy ook te gelyk leren, dat wy 
alles wat waarfchynelyk is ook nooit hoger 
behoren te boek te ftellen als waarfchynelyk, 
om dat wy zo menigmaal bedrogen worden, 
als wy onze zeer waarfchynelyke gifzingen als 
loutere waarheden aanmerken, en onze har- 
zenfchilderyen aan een ygelyk trachten op te 
dringen als volkome zekerheden. 


Nek 15 
De Heer Boyle hadde in een lucht-ledige 
recipient een werktuig zodanig weten toe te 
ftellen, dat een glas-drup, die in de zelfde 
geplaat{t was, aan deszelfs einde C konde ge- 
broken worden , zo haaft als de lucht uit den 
recipient was uitgepompt, en bevond tot ver- 
fcheide reizen, en zonder aan de uitwerking 
te konnen twyfelen , dat de glas-droppen zo 
wel aan (tuk, en tot gruis komen te barften 
in 


\ 


„ks 
ie 4 


hb 


bs 


IE AR tor rd 
ak ; 

Aurnflus — December 1722. i7 
in een lucht-ledige plaats , als in de open lucht; 
en dat vervolgens deze aan ftuk barflinge niet 
kwam te gebeuren door den fchielyken in- 
vloed van de buiten-lucht, gelyk als te voren 
byna elk een geoordeelt hadde ; daar wy ons 
ook niet over behoren te verwonderen, om de 
groote waarfchynelykheid die in die meninge 
zich op deed, voor en aleer de Heer Boyle het 
tegendeel door deze proef-ondervindinge ge- 


_ toont hadde. Tot beveftiging van de waar- 


heid van deze proef , heeft de Heer Wolfius 
de zelfde ook met de uiterite oplettentheid in, 
het werk geftelt, en gedurig ondervonden, 


_ dat de glas-droppen in een lucht-ledige rec:- 
_ Piet Lo wel tot gruis komen te fpringen als in 


de open lucht. 


es id. 
De wate oorzäak van het aan {tuk fpringen 


van de glas droppen beftaat in de gefteltheid , 


de welke de zelve door het fchierlyk en uit- 
wendig kout worden in het water verkrygen. 


__Als de harde lichamen in het vuur gloeijend 


gemaakt, en fchielyk in het water geworpen 


worden, verkrygen de zelve wel een hardheid, 
maar Ook te gelyk een brosheid, gelyk als wy 
tien aan het (taal, het welke gloeijend zynde, 
in het water fchielyk word uitgebluft. Als 
Wy de harde keiltenen gloeijend maken en in 
het water uitbluffchen , worden de zelve zo 
bros, dat zy tot (tof konnen gebragt worden. 


_ Om de brosheid in het glas voor te komen, 


laten de ‘glasblazers hunne romers , kelkjes, 
én ander glas’, op een hete plaats, die daartoe 


18 __Natuur- en Konft-Kabinet, 
aan de glas-oven gemaakt word , allengskernis. 
verkoelen, op dat de glas-delen, die door het 
vuur ineen beweginge gebragt zyn, zich al- 
lengskens wederom in malkander zouden wel- 
len, en het vuur allengskens uit het glas Zou= 
de gaan. Want als het vuur te fchielyk uit 
het glas gaat, door een al te fchielyké verkoe= 
linge, behouden de glas-deeltjes hünne door: 
het vuùr van malkander verfpreide fizuatie, en, 
fchikkinge, waar door zy malkander in min-, 
der punten raken , als wanneer Zy door een, 
langzame verkoelinge in malkander komen te 
wellen. Hier uit word de hartheid en bros- 
heid van het glas voortgebrágt. Als de glas- 
blazers hun geblazen romers, of kelkjes, of 
ander glas , zonder het zelve den te, 
verkoelen, daatlyk in de koude lacht plaat- 
zen, zal het zelve aan ftuk fpringen. De bui- 
tenfte deeltjes van het glas „ dat al te {chieiyk 
kout geworden is, ftremmen eerder als de bin= 
nenfte deeltjes; waar door een fpanninge ge- 
boren word. Want de door het vuur bewo- 
gen inwendige glas-deeltjes worden ín bunne 
beweging wederhouden, door de fchielyk ge-. 
ftremde deeltjes de welke de oppervlakte van 
het glas komen uit te maken; waar door zy, 
uit hoofde van de fchielyke verkoeling in die 
zelfde neiging, van. Zich uit te. zetten ftaan bly- 
vende tegen dedeeltjes van de oppervlakte van . 
het glas, als gefpannen blyven (laan, en zyn 
daarom ook gereed, om op de eerfte over- 
maat van aandoeninge van malkander te fprin- 
gen. _ Daarom fpringen de glas-dreppen tot 
{lof , zo ras als der zelver ftaart gebroken 
word. 


nk 41e ef Tr + 
Augufius — December 1722. 19 
_ Word. Want om dat hunne deeltjes alle te- 
ens malkander in een en de zelve neiging ge- 
pannen {taan , verbreekt ook der zelver gehe- 
Je aan een íchakelinge, zo ras als maar enige 
van de zelve, door het breken van de (taart, 
__ buiten die wederzydfche {panninge, en op 
« __malkander fteuninge gebragt worden. Wy 
… zouden deze zaak noch, wel met andere voor- 
beelden van her aan ftuk fpringen van verfchei- 
‚de harde en brofze ligchamen konnen bevefti- 
gen, maar ik oordeel dat de Liezers zelfs ge= 
__noegzaam in (taat zullen Zyn, om op dezen 
_grond de zelve verder en dieper te konnen uit= 
pluizen. 
EN Is: 
Maar om wederom te {preken van de proef- 
__Ondervindingen „ de welke door de Heer boy- 
le in den Brief, den welken wy tegenwoordig 
__tot onzen rigtfnoer houden, worden voorge- 
_ telt, ftaat aan te merken: dat de Heer Boyle 
noch verfcheide proeven heeft in het werk ge- 
ftelt; zommige om licht te verwekken in een 
lucht-ledige recipient , andere om een kring 
van alderhande fchone koleuren, als die van 
_den regenboog, voort te brengen, of te doen 
Íchynen in een lucht-ledig glas ; zommige om 
door de tegens malkander vryvinge van twe 
«harde ligchamen hete voort te brengen , in 
__&en lucht-ledige plaats; een andere proef met 
het blufzen van levendige kalk in een lucht- 
ledige recivient; andere proeven om te bep3- 
len de verfcheide kragten van de Elaftsciteië 
_ Wan de lucht. Maar ik oordeele dat het on- 
Eer Ba- nos 


zo … « Nataur- en Konft-Kabinet; 

nodig zal zyn, deze proeven alle te befchry= 
ven , om dat de zelve voor het meette ge- 
deelte over een komen met de zaken ‚de wel 
ke wy reets verhandelt hebben, of van zaken 
Ípreken van de welke wy'na dezen zullen 
handelen: 


16. 

Omtrent het oplichten van zeer veel ge- 
wigt door de elafFiciteit van een weinigje 
lucht die in een blaas befloten was, zal ik 
echter een proef van den Heet Boyle , die 
om deszelfs vernuftige toeftellinge niet on: 
aangenaam is, befchryven.. De Heer Onder 
zoeker nam een koper vat, met een zeer heg- 
ten bodem, gelyk als uitgedrukt ftaat in Fig. 
3 met A. In dit vat wierd ingedrukt de 
blaas LD, die klein en zeer flap opgeblazen, 
of aangevuld was met lacht. Op deze blaas 
wierd gepaft de ronde houte ftyl GC.’ Boven 
op de houte flyl wierd geplaattt 60 ponden 
gewigt, getekent mer DDDD. Dit wierd 
geïtelt in de recipient E. Zo ras als de 
lucht uit de recipient was uitgepompt, begon 
de blaas B zich uit te zetten , en dewyl de 
wanden van het kopere vat A beletten, dat 
de blaas zich niet ter zyden konde uitzetten , 
maar genoodzaakt was na boven te ryzen, 
wierden door deszelfs uitzettinge opgetilt de 
houte ftyl C, met deszelfs gewigt DDDD. 
waar door voor het oog getoont wierd , hoe 
een weinigje lucht , door deszelfs elagicstert 
de kragt heeft van Go pond gewigt op te par- 
zen. f 

Daar 


Ld 
Ld 


ID 


Auguflus —= December 1722. AF 


17. 


“_® Daar de Heer Boyle, in het laat{te gedeelte 
_ van deze Verhandelinge, komt te fpreken van 


het verwekken van licht in een lucht-ledige 
recipient, word. niet anders voorgeftelt als het 


‚ gene reets wegens die zaak in de eerfte Ver- 


handelinge over de lucht in het werk is geftelt 


… geweeft, namentlyk om licht te verwekken in 
een lucht-ledige recipient , door het tegens 
malkander knarzen van harde kandy-zuiker. 
__Maar de Heer Boyle heeft by toeval verfchei- 


de malen in een lucht-ledige recipient een on- 
__ gewoon licht gezien, zonder dat die Heer de 


__@orzaak van dit ongewone licht ooit heeft kon- 
__pen ontdekken, als wy voor dezen reets ver- 


haalt hebben. Maar ik heb reden om te ge- 
loven, dat dit licht het zelfde is geweeft, het 


welke naderhand ondekt is in de lichtende Ba- 
_ rometers, en in de luchtledige glaze-bollen, 
aan de welke wy tegenwoordig den naam van 


lucht-ledige nacht-lichters geven; en dewyl 
myn zeer aangename vriend, de Heer D. G. 
Fahrenheit onlangs aan my de vriend{chap 
heeft gedaan, van over die zaak een brief te 


_ fchryven, zullen wy alhier de zelve aan den 
Lezer mede delen. 


| 18. 

BRIEF van den Heere D. G. Fahrenheit aan 
Willem van Ranouw over de lichtende Ba- 
vometers , en over de kentekemen van een 

goeden Barometer. 


B 3 / Mya 


5 


22 Natuur-en Konft-Kabinet; it 


Myn Heer! À 

Ik heb in mynen Brief van den 18. February 
1723 beloofd, om in een nader Miffiwe aan u 
mede te delen myne ondervindingen en waar- 
nemingen, de welke my voorgekomen en 
van my gedaan waren, omtrent de Barome- - 
ters, die wy Barometra fulminantia of lacen- 
tia (blixemende of LICHTENDE BARO- 
METERS) noemen, terwyl ik bezig was 
met de zelve te maken : mitsgaders de tekenen 
van een goeden Barometer. Daarom geve ik, 
tot voldoeninge van myne belofte, my de ere, 
u met dezen tegenwoordigen op te wagten. 

Het is aan u, en andere, die in deze zaken 
kundíg zyn, genoegzaam openbaar , dat ze-. 
dert de uitvindinge van de Barometers, de 
Heer Picard de eerfte is geweelt , die aan 
een Barometer , de welke door hem ge- 
maâkt was, heeft waargenomen, dat, ter- 
wyl de zelve op en neer bewogen wierde, 
zich by ’ zakken van de kwik , op deszelfs 
oppervlakte in het donker een helder licht 
kwamte vertonen, in die plaats van de Ba- 
rometers-buis , daar de zelve ledig was van 
de grove lucht des Dampkrings. 

Deze licht-fchitteringe is naderhand roch 
wel in enige zeer weinige Barometers waar- 
genomen ‚ maar de manier , om meer dier- 
gelyke lichtende Barometers op eenen vaten 
voet te maken , is noch zeer lang onbekent 
gebleven. Doch in het jaar 1700 wierd aan 
het gemeen openbaarlyk , door den groten 
Wiskonftenaar de Heer Johan Bernoulli, — 

toen 


RADEN EEN 
«__ Auguflits — Deiemler 1722. 23 
‚tóen Hoogleeraar in de Wiskunde te Gro- 
ninge, bekent gemaakt , door een gefchrift 
aan de Koninglyke Societeit der Weten- 
{chappen te Paris , de manier , om op een 
vaften voet altyd LICHTENDE BARO- 
METERS te konnen maken. 
‚Na dat deze licht-{chitteringe nu dus ver- 
re ondekt was geworden in de Barometers, 
die volgens gewoonte met kwikzulver ge- 
_ vult zyn, is het gebeurd , dat ín de jaren 
1705 en 1706 door den voortreffelyken Me- 
“_chansens Haucksbec, onder verfcheide andere 
nieuwelyks uitgevonden proef-ondervindin- 
gen,ook is bekent gemaakt aan de Koning- 
Iyke Societeit der Wetenfchappen te Lon- 
den, op wat wyze de lichtinge , die in enige 
Barometers met kwik wiefd waargenomen, 
„ ook in groote en lucht-ledige glaze bollen , 
zelfs zonder dat in de zelve enig kwikzilver 
gedaan wierd, te wege gebragt konde wor- 
den ; en dewyl deze proef by de ftukken kwam 
te blyken, is de zelve ook aangetekent in de 
Transactions Anglicaus , van gemelde Koning- 
Iyke Societeit ; en ook tot nech toe aan de 
zelve den naam gegeven van de Hauksbecfthe 
_proef-ondervindinge. ’ 
__… Als op alle omftandigheden , de welke 
de Heer Bernoulli voorgeftelt heeft, genoeg- 
zaam acht gegeven word, konnen wy echter 
maar op zekere tyden zo veel lichtende. Baro- 
meters maken, als. op die tyden doenlyk is. 
Ik zegge op zekere tyden ; dewyl dit een om, 
ftandigheid is, die my door ondervindinge en 
‚ Onverwagt bejegent 5 Want alle de Bâro- 
me- 


24 + Natuur- en; Konft-Kabinet 
meters, de welke ik kwam toe te ftellen op 
die tyden, in de welke de lucht met veel vog- 
tigheden , dampen , {ware nevels, miften, of … 
regens bezet was, bleven my hartnekkig wei= 
geren enige licht fchitteringen uit te geven , of 
lichtende te worden , niet tegen{taande ik met 
de alderuiterfte naauwkeurigheid en oplettent- 
heid het voorfchrift van den Heere Hooglee- 
raar Bernoulli (tiptelyk na kwam. Dat deze 
om(tandigbeid door den Heer Bernoulli niet is 
waatgenomen, zal, miffchien voortkomen uit 
het enkelde geval, namentlyk , dat de lichten= 
de Barometers, de welke die Heer gemaakt 
heeft, juitt altyd zyn t‚ egeftelt geworden op 
die tyden ‚als de lucht helder en droog was. 
Om dat het aan my genoegzaam nooit kwam 
te mislukken ,om de Barometers te doen lich- 
ten,de welke door my in een heldere en dro= 
ge gefteltheid van lucht toegeftelt waren. 
Vermits de LICHTENDE BAROME- 
TERS, naar het voorfchrift van den Heere 
Bernoulli, aan het boven einde met Cement 
digt gemaakt worden,en dat het Cement lich- 
telyk komt te barften,, of door den tyd zoda- 
nig te verouderen, dat zomtyds tufichen het 
zelve wel wat te veel van de buiten-lucht in 
de Barometers-pyp komt in te fluipen, hebbe 
ik ook nodig gevordeelt, dit gebrek op de vol- 
gende wyze te verhelpen. Dat is de Buis, 
van de welke ik een lichtende Barometer wil= 
de maken, haalde ik puntsgewysaf , by de 
konft-lamp , en na dat ik dan deze pyp of 
buis, op de wyze vau den Heere Bernoulli; 
met kwikzulver opgevult hadde, hebbe ik dit 
uit- 


akar, AN 


Augufius — December 1722. Ef 
uitgerekte puntje van de pyp aan de kaars toe= 
fmolten, tot-op de kwik,en op die wyze kon= 
_ de ik, als maar de lucht op dien tyd helder en 
droog was, zo veel lichtende Barometers ver- 
krygen als ik begeerde, 

Na datik nu op deze wyze het gebrek door 


‚ het Cement veroorzaakt verholpen hadde, o- 


penbaarde zich daatlyk wederom een ander 
inconvenient. Te weten, dat deze fcherp-af- 
getrokke puntjes van de Barometers-pyp, nict 
het alderminfte ftootje in het nederleggen of 
omkeren der Barometerpyp, van de kwik, of 
van buiten konden uitftaan „of de puntjes kwa- 
men te breken, uit hoofde van hunne fpits- 
heid, en al te groote tederheid Gelyk ik zelfs 
op die wyze verfcheide Barometers heb gebrc= 
ken, en ook wel verzekert ben, dat aan de 
aldervoorzichtigfte liefhebbers zoude overko- 
men, als wanneer zy ‚door het fcherp aftrek- 
ken van de Barometers , deszelfs boven-eind 
komen te fluiten, of hermetifche (zo als wy 

dat noemen) te verzegelen. 
Om dan eindelyk dit onvermydelyk onge- 
mak voor te komen, heb ik goed gevonden, 
de glaze buizen van de Barometer boven te 
fluiten met een half ronde of verwulfs wvze 
gedaante, gelyk als gewoonlyk de Bärometers- 
buizen worden gefloten van alle Barometers, 
de welke zonder inzicht van iicht-fchitteringe 
te konnen geven gemaakt worden. Na dat ik 
nu op die wyze de Barometers buis gefloten 
hadde, heb ik de zelve met kwik gevult, op 
die zelfde manier ‚van de welke ík my bedien, 
om gelyk hoogftaande Barometers te verkry- 
Dt gen. 


pó6 Natuur-en Konft-Kabinet, …— 
gen. Echter met.dit onderfcheid , dat ik de 
buizen van die Barometers, de welke ik wil- 
de doen lichten, met kwik kwam op te vul- 
len by'een heldere , zuivere en droge lucht, 
en ook in der zelver luchtledige plaats , die 
boven de kwik-kolom in de Barometers-bui- 
zen gevonden word, overliet een klein lucht- 
belletje, dewyl dit dienftig ‘bevonden word 
tot het aanwakkeren van de licht-{chittering ; 
terwyl ik de andere buizen van myne gewoon- 
Iyke Barometers , in de welke de kwik-ko- 
lom altyd op een en de zelfde hoogte komt te 
ftaan, altyd zodanig met kwik kome op te 
vullen , dat daar door met alle mogelyke vlyt 
verhoed word, dat geen lucht in die lucht-le- 
dige plaats gevonden word. 

Alfchoon het dienftig is, dat in de lichtende 
Barometers zodanig een lucht-beltetje ingeflo- 
ten word, kan ik echter, tot noch toe, niet 
bepalen, hoe groot of klein dit lucht-belletje 
wel zoude mogen zyn. Want ik hebbe on- 
dervonden dat een lucht-belletje „ het welk 
niet groter is als de knop van een fpelde, ge- 
noeg is, om een Barometer te doen lichten, 
en dat zelfs in Barometers, welkers buis al 
van een redelyke wydre is. Als het ook voor- 
valt, dat een weinig meerder Incht, als zoda- 
nig een klein lucht belletje, in deze anderzints 
lucht-ledige plaats is komen in te fluipen, heeft 
zulks echter de licht-fchitteringe niet belet ; 
maar wel veroorzaakt , dat de kwik-kolom 
lager kwam te flaan, als in de Barometers 
buizen, in de welke geen lucht gevonden 
wierd, of in de welke geen andere lucht, als 

tot 


Ki dl AG 


Auguflus — December, 1722. 27 
tot de hoeveelheid van een lucht-belletje als 
een fpelde-hooft in gelaten was. Ik heb zelfs 
Barometers gehad, die in het donker fterk ge- 
licht hebben, alfchoon in de zelve zo veel 
lucht was in geflopen, dat de kwik-kolom 
daar door 3 of 4 linien lager kwam te (laan. _ 

Om deze licht-fchitteringe.der lichtende Ba- 
rometers nader te onderzoeken , heb ik dik- 
wils het lucht-belletje gebragt tot dicht aan het 
onderfte einde van de Barometers buis, dat al- 
‚_tyd open is, en onder in het bakje met kwik 
ftaat. Om dit uit te voeren word de Barome- 
ters buis, als in Fig. 4. met A word aange- 
wezen, het onderfte boven gekeert, met het 
gefloten einde B onder, en het open einde CG 
naboven. Als wanneer met de hand D zag- 
jes geftoten word aan de pyp A, waar door 
_ het lucht-belletje EEEE allengskens komt te 
klimmen na boven. Zo ras als nu dit lucht- 
belletje uit het gedeelte van de buis BF na 
het ander einde verdreven was, en de buis we- 
derom in deszelfs bakje G geplaaft, en der- 
hatven deszelfs ruimte BF meeft lucht-ledig, 
geworden was, heb ik ondervonden, dat de 
licht-fchitteringe of geheel als weg geveegt, 
of ten minflen ongemeen veel verfwakt en 
dof was. Maar zo dra als ik het lucht-belle- 
je EEEE wederom naar om hoog deed ryzen 
in de lucht-ledige ruimte BF, door de Baro- 
meters-buis wat dikwils op en neer te bewe- 
gen, verfcheen de licht-fchittering wederom 
zo helder en levendig als vän te vooren. 

Zomtyds heb ik het lucht-belletje heel uit 
de pyp A gebragt, en by regenachtig weer een 

ans 


»S _ Natuur-en Ronft-Kabinet, - 
ander lucht-belletje uit de regenachtige bui- 
ten-lucht laten inflaipen en na boven doen 
klimmen in de lucht-ledige ruimte BF , en ik 
heb daatlyk ondervonden, dat de licht-fchitte- 
ringe geheel als weg geveegt was ; en ook 
niet wederom kwam, als na dat ik de Baro- 
meter by een droge lucht eerft geheel van de 
kwik hadde ontledigt, van nieuws opgevult„ 
en met een droog lucht-belletje voorzien had- 
de. Waar uit openbaar is, dat de waterachti- _ 
ge delen , die zich by regenachtig of vogtig 
weer by dit lucht- belletje komen te vervoegen 
en in te wikkelen, zeer nadelig aan de licht- 
fchitteringe zyn. 

Het is by u en alle kundige liefhebbers zeer 
wel bekent, dat wy gewoon zyn in de lich- 
tende Barometer de licht-fchitteringe in het 
donker. te verwekken door den Barometers- 
buis op en neder te bewegen. Maar het is 
ook bekent geworden, dat om de licht-fchit- 
teringe te verwekken, het niet eens nodig is, 
dat wy de Barometers-huis bewegen, dewyl 
wy de licht-fchitteringe in de zelve konnen 
doen verfchynen, als wy maar met onze dro- 
ge hand, of vingers , de lucht-ledige plaats 
BF wat fterk komen te vryven, bynaop de 
zelfde wyze, als zulks gefchiet met de lucht- 
ledige bol van Hauksbec, of met enige lange 
Cylinder-glaasjes, de welke ter lengte van 
omtrent 3 of 4 duim, daar toe van my ge- 
maakt worden, en aan de welke ik den naam 
heb gegeven van Phofphori AEtheres , om dat 
de zelve op de zelve wyze voor nacht-lich- 
tertjes konnen verftrekken, als de lucht-ledige 

gla« 


Huguflus — December 1722. 29 
glaze bol van Hauksbec, of als de lichtendé 


_Barometers. 


Het is aanmerkens waardig dat de water= 


_« achtigheid, die uitwendig is, als wy de licht- 


fchitteringe door vryvinge trachten te verwek- 
ken, het lichten al zo wel fchadelyk is, als 
de waterachtigheid die zich heeft komen te ver- 
mengen met het lucht-belletje van de lichten 
de Barometers, gelyk als wy boven aangemerkt 
hebben. Want als wy de lichtende Baromes 
ters, of de bollen van Hauksbec, of myne 
Phofphori AEtherei, komen te vryven, terwyl 
onze handen maar het alderminfte of nat zyn 
van water, of dar de zelve maar befweet zyn, 
zullen de zelve geenzints komen te lichten , 
gelyk zulks ook al is waargenomen van den 

eere Hauksbec. Behalven -door ‘het, watef 
en het fweet, word de lichtinge ook belêt door 
de fyne en zuure geeften , als ook door de 
loogen van verfcheide zoort van zouten. 


__Maar het ís Nozatel dat de lichtinge maar eni- 


er maten befchadigt word , door de fyne ge= 
deftilleerde olien , en genoegzaam niet belet 
word van de vafte olien, en vetten; gelyk als 
by voorbeelt vân de traan, van de boom:- 
faap- of lyn-oly, van het ofze, fchape- of 


‚ verkens-fmeer, van het vet der vogelen enz. 


ne A Te 76 


‚Uit een vermoeden of gy, myn Heer! de- 
zen Brief wel in uw Natuur- en Konft-Ka- 
binet mogt komen in te. fchikken , gelyk als-ik 


ondervonden hebbe omtrent myn Mifzyve van 


den 18 February 1723, welke zaak ik aan nw 
zinnelykheid en verkiezinge geheel over laat, 
hebbe ik tot behulp voor onervarene lezers, 
w hs Enl- 


= 


30 _Natuur=en Konft-Kabinet; 
enige aftekeningen by dezen brief bygevoegt: 


Kk à 
. 


Als by voorbeelt, Fig. 5 is een lichtende Bol , 


van Hauksbec, zo als.ik de zelve voor u en > 


andere Heren kome toe te {tellen , van de 
welke A de pyp is, door de welke ik de zel- 
veop myne wyze, aan u wel bekent, van de 
grove Damp-krings lucht kome te ontledigen. 
Fig. 6 verbeelt zodanig een lucht-bol die in het 
duifter gevreven word door de handen A en B, 
om voort te brengen de licht-fchitteringen 
CCCC. Eer wy noch van de licht-verwek= 
kinge affcheiden , zal ik noch fpreken van een 
verfchynzel, van het welke myn Heer zelfs, 
over omtrent $ jaren , oog-getuige geweeft is, 
of het zelve miflchien de opmerkinge der na- 
tuurkundigen waardig mochte zyn: Als wan= 
neer ik den bol, gelyk als die van Fig. 5 of 6, 
vry wat fterk in het donker met de droge hand 
gevreven, en de hand wederom van de zelve 
afgenomen hadde, in zo verte dat de licht- 
fchittering was opgehouden, zich buiten ver= 
wagtinge een licht-fchicteringe, gelyk als uit- 
gebeeld is in Fig s< met B, zonder vryving en 
als uit zich zelfs in den bol kwam te verto- 
nen, juift op het tyd-punt dat ik wederom 
myn hand gereed ftelde om de vryving te zul- 
len gaan hervatten. 

Het boven gemelde verfchynzel bragt my 
eniger maten in verwonderinge , om dat ik 
het zelve te voren noyt was gewaar geworden, 
en aan de andere kant was ik in twyfeling, of 
ik miffchien buiten myn eigen gewaar wordin- 
ge , niet wel met de ene of de andere vin- 
ger aan den, bol geraakt mocht hebben , toen 

ik 


PS 


mjn engen: 


ESE 
ej 


* __ _Auguffus December 1722. Ft 
ik myn hand in beweginge hadde gebragt om 
‚den bol wederom aan te raken, en de vryvin= 
„ getehervaten. Om hier van verzekert te 
„ zyn, hebbe ik deze ab/ervatte verfcheide maal 
__ hervat, te weten met den glazen bol eerft 
_ fterk te vryven en te doen lichten, en na het 
‚ „ephouden van de vryvinge en lichtinge de 
_ hand, gelyk als verbeeld word in Fig. s met 
__G, na de bol toe te flaan, zonder echter de 
_ zelve te raken, op dat de lucht, die tuffchen 
Ed bol en myne hand was, als tegens de bol 
__ mogt worden gekaatft ; en ik wierd elke reis 
__de gemelde licht-{chitteringe B gewaar ; mits 
_ dat ik maar piet al te lang uitftelde „na de vry- 
_ vinge de lucht tegens den bol aan te flaan, 
— met de eigen{te hand C, met de welke de zel« 
__ ve was gevreven geworden, ‚ Vorders nam, ik 
_ waar, dat wanneer de lucht. door.de hand G 
EE twee maal kort op malkander tegens den bol 
aan geflagen wierde, de licht-{chitteringe. zich 
__ ook twee maal achtervolgens openbaarde, 
zynde de laafte fchitteringe niet zo fterk- als 
‘de eerfte. 
___Ik was lang in twyfel, wat de oorzaak van 
dit verfchynzel zyn mogte ;of het zelve voort- 
kwam van de bewogene lucht, die, terwyl 
Zy tegens de bol aan ftoot, een vryving op de 
__ zelve maakt, en aldus de dunne en fyne lichts 
_materie, die inwendig, in de bol is, in bewe- 
ging brengt , byna op die zelfde wyze , als 
wanneer de boi met de, hand gevreven word; 
dan of het door de beweging van een fyne ftof, 
_ die zich in de lucht zelfs, tu{lchen de bol en 
de hand bevind, voortgebragt , en aldus mn 
e 


32 _… Natuur-en Konff-Kabinet, 
de binnenfte licht-ttofte, die in de bol is, mes 
de gedeelt wierde. 8 

Om dan van deze zaak nader onderregt te 
worden heb ik de volgende proef in het werk 
geltelt. Ik ftelde een lucht-ledig Cylinder- 
glaasje of Phofphorus LEtherens, velyk als uit- 
gebeeld wordin Fig. 7 met AB, aan wiens 
beide” cinden twe mafzyve glas ftengeltjes C, 
en D waaren aangezer, in een wyder Cylin- 
der-glas uitgebeeld in Fig. 8 met AB, en het 
welke ik van te voren aan deszelfs een einde 
by B aan de konft-lamp fpits afgehaald hadde, 
zo dat het de holle punt C verkregen hadde. 
Na dat ik nu de einden C en C van deze bei- 
de Cylinders aan ‘malkander gefimolten en ver- 
knogt hadde, wierd de bovenfte Cylinder aan 
het ander einde by A ook puntsgewys afge- 
baalt, en de beïde punten DD als de voorige 
CC aan malkander gefmolten ; waar door de 
beide in malkander gefloten Cylinders de ge- 
daante verkregen ats in Fig. 8 uitgebeeld 
word; zynde de kleinfte, of ingeflote Cylin- 
der lucht-ledig, gelyk als gemelt is. Deé tuf- 
fchenwydte van beide deze Cylinders was om- 
trent een zesde van een duim, en was vervult 
met gemene lucht. 

Na dat ik alles tot dus verre vervaardigt 
hadde, vreef ik deze overtrokken Phofphorus 
LEthereus met droge vingers ; en een poosje 
daar mede aangehouden hebbende, verfcheen 
de licht-fchittering in den lucht-ledigen Cylin- 
der, op de zelve levendige wyze, als of deze 
ingeflote Cylinder onimiddelyk van de hand, 
zelfs gevreven was geworden. Uit a ad 

OmE 


Anghflus . Detember 1722. 33 
komt (dunkt my) nu klaar genoeg te blyken, * 
dat deze lichtinge veroorzaakt wierd door eene 
in beweginge gebragte zeer dunne en fyneftof, 

maar geenzints door de lucht. Want die was 
_befloten en afgefcheiden van de buitenfte 
lucht, en koft dierhalven op geenderley wyze 
ive de gemaakte vryvinge bewogen worden 


_&Waar uit wy geruftelyk mogen befluiten, dat 
__ het verfchynzel, daar wy van gefproken heb- 
_ ben,te weten van de lucht-fchitteringe die wy 
in den lucht-ledigen bol gewaar wierden, noch 
__pa de vryvinge, en alleen door een kletzinge 
_ van de hand na den glazen bol, zonder echter: 
den zelven in het alderminfte te raken , niet 
word veroorzaakt van de lucht, die tuffchen 
__dien bol en de hand zynde, van de hand naar 
_ den bol word toegekaat{t ; maar door de be- 
__weginge van een fynder {tof , als de lucht, en 
_ die zich in de lucht bevind, en gemeenfchap 
__ kan maken, zelfs door de zelfftandigheid vam 
__ het glas, met de licht-ftof die in de lucht-ledi- 
… ge bol is, en aldaar de licht-{chittering ver- 
toont. 

Het zal, buiten twyfel, myn Heer noch 
wel indachtig zyn, dat ik, omtrent op dien 
_ gelfden tyd, een Barometer hadde toegeftelt, 
aan welkers onderfte einde ik, in de plaats van 
_ een houten bakje voor de kwik , aangeblazen 
_ hadde een glazen bol, die mer een ‚gedeelte 
van de glazen pyp omgebogen zynde regt om 
_ hoog kwam te ftaen, gelyk als uitgebeeld 
_ word in Fig. 9, van gedaante als voor dezen 
__ zommige lucht-thermometers plegen gemaakt 


te worden. Deze Barometer aldus van my 
VIL Deer. C ge 


34 __ Natuur-en Konft-Kabinet, — 
gemaakt zynde op dien tyd, met inzicht om 
aan enige liefhebbers met de proef aan te to- 
nen , dat de kwik in de Barometer door de 
fwaarte des dampkrings word om hoog ge- 
houden, zo hadde ik getragt om den bol A 
geheel lucht-ledig te maken , doch zulks was 
maar voor een gedeelte gefchied , om dat de 
tyd , wegens de aanftaande byeenkomft der 
liefhebbers , te kort viel, om den bol geheel 
lucht-ledig te maken. De lucht die noch in 
den bol A was over gebleven , bedroeg noch 
omtrent een derde van die gene, de welke 
voor de evacuatie den bol kwam te vervullen. 
Gelyk zulks klaarlyk kwam te blyken uit de 
hoogte van de kwik-kolom, die door de zel= 
ve tot negen duim opgeperft of opgehouden 
wierd in de Barometers buis by B. 

Vermits het echter noch langer duurde als 
ik wel (taat gemaakt hadde eer het gezelfchap 
vergadert was, bevong my de onderzoek-luft, 
om ondertuffchen op een donkere plaats te 
gaan, en aldaar eens te onderzoeken of deze 
bol A , die gelyk als gemelt is met lucht aan- 
gevult was , die driemaal dunder was als de 
buiten-lucht, ook zoude konnen lichten,wan- 
neer de zelve met een droge hand gevreven 
wierd. Na dat ík dan deze bol wat lang en 
fterk gevreven hadde , openbaarde zich de licht- 
fchitteringe, maar echter enigzints anders van 
glans, als in de lichtende bollen, of Barome- 
ters, in de welke maar een zeer gering lucht- 
belletje overgelaten word. Dog dat myns be- 
dunkens in deze ondervindinge aanmerkens 
waardig was, is dat ik onder het vryven a 

lich= 


Br ARNE 


Auguflus — December 1722. 35 
dichten van den bol, te gelyk ook licht ge- 
waar wierd in de lucht-ledige plaats van den 
glazen buis tuflchen B en C. By welke plaats 
ik den pyp met de hand kwam vaft te houden, 
terwyl ik met myn andere hand den bol A 
kwam te vryven. Maar terwyl ik zonder 
voordagt onder het vryven van den bol myn 


hand, waar mede ik de pyp BC kwam vaft 
te houden , allengskens- hadde laten zakken, 


tot onder de kwik-kolom tuflchen Ben D, 
zo verdween de lichtinge in de lucht ledige 
plaats van den pyp getekent met BC; niet te- 


__genftaande de licht-fchitteringe in den bol A 
_ onder het vryven zeer wel aanhield, en de zel- 
ve verfcheen wederom zo dra als ik de buis, 


op deszelfs lucht-ledige plaats , met de hand 
kwam vaft te houden. Deze verdwyning er 
verfchyninge van de licht-fchittering in de 


… lucht-ledige plaats BC gebeurde zo dikwils 
_ als ik de hand onder het vryven van den bol 


A boven of onder de kwik-kolom kwam te 


houden, of te verwifzelen ; gelyk als ik ook 
_ deze proef-ondervinding noch verfcheide ma- 


len in ’t byzyn van ’t gezelfchap met het vori- 


Ä ge fucces herhaalde. Of deze ondervindinge 


_niet zoude konnen dienen, om daar door uit 


Enk * 


te leggen, of op te helderen de manier van den 
voortgang van het licht, zal ik aan de over- 
denkinge van andere overlaten. 

Na dat ik nu enige waarnemingen van de 
Lichtende Barometers „en van den Phofphorss 
Lthereus aan uwe Overweginge hebbe voor- 


» geftelt, en overgegeven, zal ik tot voldoenin= 


ge van myne beloften , noch een weinig fpre- 
C 2 ken 


36 _- Matuur- en Konft-Kabinet 

ken van de tekenen, door de welke een goede 
Barometer kan gekent, en van een flegten 
Barometer onderfcheiden worden. Om de 
vrugt en de nutheid van deze tekenen wel te 
begrypen, zal het de moeite wel waardig zyn, 
dat wy ons wederom eens erinneren die zaken, 
de welke ik in mynen Brief van den 18 Fe- 
bruary 1723 hebbe afgehandelt, en op de wel- 
ke acht gegeven moet worden in het maken 
van Barometers; als 1.dat in de Darometers 
geen lucht moet gelaten worden ; 2. dat de * 
pypen inwendig geenzints fmerig, vogtig, of 
met enigen {met moeten bezet , of befmeurt 
zyn; 3- dat de kwik ten uiterfte zuiver moet 
zyn; 4» dat geen de minfte-onzuiverheid by ’t 
vullen van de. Barometer in de zelve moet in- 
flaipen; s. dat-de pypen niet te naauw moe- 
ten zyn; 6 dat het bakje onder den Barometer 
van een behoorlyke wydte moet zyn, en ein- 
delyk 7. dat de veranderlyke hoogte van de 
kwik-kolom met een bekende duim- of voet- 
maat moet afgemeten worden. 

Het teken waar door wy konnen ontdekken 
of nach enige lucht in den Barometer is over- 
gebleven, beftaat in een lucht-bel, die zich 
komt te vertonen , zo ras als de Barometer 
zagtelyk overgebogen, en neder gelegt word. 
Want de kwik zal niet voort dringen tot aan 
het uiterfte einde van de Parometers-pyp, die 
uitgebeelt- word in Fig. 1o met A; maar zal 
daar in verhindert worden door een lucht-bel, 
diezich zal vertonen by B. Maar by aldien 
de Barometer zonder lucht is, zal de Barome= 
ters buis, als de zelve word neder gelegt of 


Er 


Auguftus December, 1722. 37 
_ genoegzaam word over gebogen „ geheel met 
kwik vervult, en de lucht-bel B niet gezien 
„worden. / 
Ik heb in myn zo even aangehaalde Miffive 
aangemerkt, dat , als enige vreemde deeltjes 
zich bevinden in de Barometers-buis (het zy 
_ dat de zelve voor de vullinge , of onder de 
__vullinge, daar in geraakt zyn) de kwik in 
‚zodanige Barometers veel lager komt te ftaan, 
als in andere Barometers , die de vereifchte 
_ » zuiverheid hebben ; Als mede dat zodanige be- 
__fimeurde Barometers niet allenig bewogen wor- 
___den van de veranderlyke fwaarte des Damp- 
… krings, maar ook noch daar boven van den 
__verfcheiden graad van warmte, waar mede de 
___buiten-lucht verfcheidentlyk aangedaan word. 
__Doch behälven dit nadeel , het welk door de 
ij gemelde vreemde deeltjes aan de Barometers 
veroorzaakt word, zyn de zelve noch op een 
andere wyze fchadelyk; want de zelve amal/- 
_gameren en vermengen zich door den tyd met 


de kwik zelfs, en hegten zich in de gedaante 
___van een vuil vlies aan de pyp, op die plaats al- 
waar de verandering van de kwik-kolom ge- 
__fchied, en zyn aldus de oorzaak , dat dekwik 
tegens de zywanden van het glas eniger maten 
als aan kleeft „en daar door zeer traag en loom 
van de veranderlyke fwaarte des Dampkrings 
bewogen word. p 

Als die vlies zich daatlyk na het maker van 
de Barometer voor % oog kwam te vertonert, 
zoude het zelve ook daatlyk konnen dienen 
voor een teken, dat diergelyk een Baroineter 
de vereifchte zuiverheid niet hadde.  Maar'dit 

u 3 vlies 


38 _ Natuur-en Konft-Kabinet, — 
vlies komt eerft enigen tyd, na dat de Baro- 
meteP al gemaakt is, tot die grofheid en zicht- 
baarheid aan te groeijen; en dat noch maar in 
Barometers, die niet zo zeer met fchadelyke 
vogtigheid, als wel met een taaije fmerigheid, 
of onzuivere kwik gekwelt zyn ; en dewyl dit 
vlies echter deszelfs nadeel al komt uit te wer- 
ken, eer het zelve op de verander-plaats zicht- 
baar is geworden, hebben wy een ander teken 
van noden, om te ontdekken, of een Daro- 
meter befmeurt en vogtig, of in der daad vol- 
komen zuiver en droog van binnen is. Dit 
teken word openbaar gemaakt door een zeker 
middel, door welkers behulp wy konnen we- 
ten en ontdekken, of een Barometer inwen- 
dig met enige fchadelyke delen befmet is of 
niet. Dat is,wy houden een brandende kaars 
aan den Barometer , op die plaats alwaar de 
kwik-kolom zich eindigt. By aldien nu de 
pyp van binnen enigzints vogtig of befmeurt is, 
worden de fchadelyke deeltjes door de byge- 
bragte warmte los gemaakt, of uitgezet, en 
de kwik begint daar op daatlyk merkelyk te 
zakken: maar de kwik zal pal blyven (taan, 
by aldien de Barometer van binnen volkomen 
zuiver is: ten ware dat de pyp al te lang 
door de brand van de. kaars verhit wierde, 
want dan zoude eindelyk een gedeelte van de 
kwik zelfs in een wazem of damp opgeloft 
worden, in welk-geval de kwik-kolom zelfs 
in een goede en zuivere Barometer zoude moe- 
ten neder zakken „en daar door den onderzoe- 
ker misleiden. Maar deze uitwazeminge van 
de kwik ontdekt zich zelfs aanftonts „door een 
\ me- 


ne 
IN 


nd an a 


Zuguftus = Detémber 1722. 39 
menigte van kleine kwik-bolletjes, de welke 
aan de over zyde- van de buis, die van de kaars 
afgekeert is , geftremt worden, door de ver- 


‚ koelinge, de welke het hout aan den glazen 


buis aan die zyde komt mede te delen. 

Deze manier, om de zuiverheid en deugd 
van een Barometer te beproeven, kan voorna- 
mentlyk des zomers in het werk geftelt wor- 
den, wanneer de kamers in een egaal tempe- 
rament van warmte met de buiten-lucht zyn; 


__ma&r des winters kan die beproevinge nog op 


de volgende wyze gefchieden. Als het des 
winters fterk vrieft, word de Barometer over 
gebragt in een kamer alwaar wat fterk geftookt 
word, en in de welke de zelve omtrent een 
vierde van een uur vertoeft heeft, dewyl deze 
tyd vereifcht word tot de mededelinge van het 
temperament des luchts van de kamer aan den 
Barometer. By aldien nu de kwik-kolom la- 
ger komt te zakken, als de zelve even te vo- 
ren in de koude heeft geftaan, is zulks een 
zeker teken, dat zodanig een Barometer van 
binnen met enige vremde en onreine deeltjes 
befmet is, en dat wy op deszelfs dagelykfche 
aanwyzinge van de veranderlyke fwaarte des 
Dampkrings geen ftaat konnen maaken. 

Ik hadde in myn brief van den 18. Februa- 
Fy 1723 aangetekent , dat myn Heer de la Hi- 
re de eerfte is geweeft,-de welke het verfchil 
omtrent de kwik-kolom ín de Barometers 
heeft waar genomen , maar na het recollige- 
ren van myn gedagten, hebbe ik bevonden, 
dat die lof niet aan myn Heer de la Hire maar: 
aan myn.Heer Amontons toekomt. Ik heb- 

en C 4 be” 


49 Natuur-en Konft-Kabinet, 

be deze myne misflag te liever by deze gele- 
gentheid willen verbeteren , om dat ik altyd 
zeer aangedaan ben met eerbiedigheid voor 
grote mannen. … | 


Als enige naauwe pypjes, die aan beide ein- 
den open zyn, met haar ene einde in de op- 
pervlakte van een vogt worden gehouden „zal 
het vogt in de zeïve opklimmen, en dat in elk 
pypje juift zo veel hoger, als het zelve naau- 
wer of kleinder van, Diameter is. Hettegen- 
deel gefchiet metde kwik, want in plaats van 
hoger te klimmen , zo ontmoet de zelve een 
tegenftrevinge van de zy-wanden van het glas, 
in pypjes die al te naauw zyn; het welk zo 
wel waar genomen word in de vrye lucht , 

‘als onder de lucht-ledige klok. Deze afwy- 
kinge of repulfie is de oorzaak, dat de kwik 
in Barometers „die te naauw van pyp zyn,ook 
niet zo hoog (taat, alswel in Barometers wel- 
kers buizen wyder zyn, alfchoon in beide een 
evengelyke omzichtigheid in het vullen is 
waar genomen, en dat zy volkomen zuiver 
zyn. Dewyl dit gebrek niet kan verholpen 
worden, als met de kwik over te doen in py- 
pen van een bekwame wydte, en dat ook een 
al te grote wydte van pypen overtollig zoude 
zyn, hebbe ik uit enige proeven, de welke ik, 
ten opzichte van de Aftraltie en Repulfie, die- 
de naauwe pypen op verfcheide vloeibare flof= 
fen hebben, in ’t werk heb geftelt, geleert, 
dat wy in het maken van Barometers konnen 
volftaan met pypen die een achtfte duim , of 
anderhalve linie in. haar Drameter hebben , ver- 
mits de repulfse in diergelyke pypen van geen 
belang is. Ik 


IE EEn en ran 


kl Pa 


Auguflus, December, 1722. 44 
‚Ik zoude deeze proeven „-waar door ik de 
gemelde bepalinge van wydte gevonden heb- 
be, alhier wel betchryven , maar dezelve zyn 
te wydlopig voor myn tegenwoordig beftek , 
en hebben ook hun opzicht op verfcheide an- 
dere zaken vandewelke wy tegenwoordig niet 
komen te handelen ; om dat dezelve geen ge- 
meenfchap met de Barometer hebben. Her 
zal tegenwoordig genoeg zyn, dat de lief heb- 
bers hier uit een teken konnen opmaken , 
om teondekken de oorzaak , waarom de k wik „ 
zelfs in pypen die van binnen volkomen zui- 
ver zonder lucht en droog zyn, te laag ftaar, 
zo ras als zy maar acht komen te geven opde 
vereifchte wydte der glazen Buizen van de Ba- 
rometers. 

Wart eigentlyk de wydre van de houte Bak- 
jes ‚dewelke aande Barometers gevoegd wor- 
den , zo wel om de zakkende kwik te ont- 
vangen , als om dezelve draagbaer te doen 
zyn, aangaat ; (taat aante merken , dat de wyd- 


fte bakjes de befte zyn. Dog vermits de deugd 


die een Barometer hier door verkrygt alleenig, 
hier maar in beftaat , dat de zakkende kwik- 
kolom in’ bakje gen merkelyke hoogte mag 
komen te maken, en dat in al te wyde bak- 
jes te veel kwik gehouden zoude worden, „ 
en op die wyze maar onnodige koften zou- 
den worden gemaakt, heb ik goed gevonden 
te bepalen zodanig een grote van bakjes , 
met dewelke wy konnen volftaan ; nament- 
Iyk met Bakjes, welker wydte is van 1óof 17 
linien Franfche maat, te voegen by Ba- 


someters buizen die 1 !linie van Digmer, 
Cs zef. 


4z __Natuur- en Konft-Kabinet, 


ter zyn. op dat de Diameter van de pyp tot 
die van het bakje is als 1 tot 11, Want de 
kwik zal in diergelyke bakjes maar omtrent 


5, linie geklommen zyn, als de kwik-kolom in 
de buis 2 ; duim gezakt is, gelyk zulks uitde 
vergelykinge van de hoeken beider Diameters 
zeer licht kan gevonden of gecalculeert wor- 


den. waar uit dan ook lichtelyk gevonden 
word, dat, als de Diameter van de pyp blyft 


op1; linie maar die van het bakje half zo 


grootof op 8; linie gereduceert word, dan 
ook de kwik omtrent1 liniein’t bakje moet 


. 1 vee . 
klimmen, en maar „ linie zoude klimmen ,wan- 


neerde Diameter van ’t bakje 33 linien wyd is. 
Om te ontdekken of de bakjes inwendig 
wydt genoeg zyn , zoude niet wel konnen 
gefchieden, zonder debak jes te openen. Waar 
door wy genoodzaakt zyn om het op de eer- 
lykheid van den konftenaar te laten aankoomen 
of de bakjes inwendig wel zo wyd zyn , als 
zy zich van buiten komen te vertonen. Hoe- 
wel ik tot myn leetwezen zomtyds het tegen- 
deel in gekogte Barometers ondervonden heb- 
be. Want om daar van uit het klimmen en 
daten van de kwik-kolom te oordelen , zou- 
de het nodig zyn , dat wy eerft nog een an- 
der Barometer moeten hebben, van den wel- 
ken wy volkomen verzekert waren „om by 
den zelven onzen Barometer , aan den 
welken wy twyfelden te vergelyken; en dan 
zouden wy noch den tyd moeten afwagten „ 
in dewelke de Barometers veel veranderingen * 
aas Í f de. 


KEE VONK 


Auguflus — December 172r. 45 
gemaakt hadden. Waar by dan noch voor 
onder {telt moet worden , dat alles, dat an- 
ders in het maken van een goede Barometer 
moet in acht genomen worden , volkoment- 
Iyk, behalven het bakje, was achtervolgt aan 
den Barometer van dewelke wy eigentiy« , 
ten opzichte van het bakje kwamen te twytelen. 

Als het bakje te naauw en ook te gelyk niet 
hoog genoeg is, en-dat de pyp wat lang 
is en verre boven de kwik-kolom komt uitte 
fteken, gelyk als de Larometers pemeen- 
Iyk gemaakt worden, om daar door zo 
als die lief hebbers zulks in ’t gemeen noemen 
een groot vacuum te hebben , is zodanig een 
Barometer onderhevig , dat dezelve zeer licht 
ontftelt word, en Incht komt te vatten , wan- 
neer dezelve verplaaft of vervoerd word. Het 
welk niet te vrezen is als het tegendeel gedaan 
word. Want ten opzichte van de overtollige 
lengte van de Barometers-pyp ftaatte noteren, 
dat die groote lengte voor het vacuum geen 
meerder deugd aan den Barometer geeft. Dit 
is de reden waarom ik tot de lengte van het 
vacuum van myne Barometers niet meer als 
2 duimsof. 1 duim verkiefe,boven diehoogtede- 
welke de kwik-kolom bereikt in de grootfte 

_ fwaarte van den dampkring. ‘ 

Wat de verdelinge of de maat aangaat, met 
dewelkehet ryzen en dalen van de kwik-kolom 
dient afgemeten te worden , van deze heb ik 
duidelyk genoeg, gehandelt in mynen brief van 
den 18 February 1723. ook vinde ik níet goet 
om noch van enige kleinigheden te fpreken 
dewyl dezelve van weinig beläng zyn. Waarom 

ik 


44. Natuur-en Konft-Kabinet, — 


ik met uw permiflie zal af breken en blyven 
enz. 
D.G. FABRENHEIT, 


Amfterdam den 12 July 1723. 


19. 

Ik zoude over het licht, dat zich op het be- 
wegen of vryven openbaert in de lichtende Ba-_ 
rometers, in de lucht-ledige glaze bollen van 
Hauksbec, en in de lucht-ledige Cylindertjes 
of.nacht-lichtertjes, en ook in verfcheide an- 
dere gevallen komt te vertonen, noch zeer 
veel aan mynen Lezer te zeggen hebben , maar 
ik zal zulks {paren tot myne Verhandelingen, 
de welke na dezen zullen mede-gedeelt wor- 
den in een NATUURLYKE HISTORIE 
VAN HET VUUR, eu my wederom gaan 
keren tot myn voorgeftelde rigtfnoer den 
meergemelden brief van den Heere Boyle. 


20. 
De laatfte proef , van de welke de Heer 
Boyle in dezen brief komt te fpreken, is we- 
derom aangelegt tegens de Pleniften van zynen 
tyd. Om dat twe even gelyke en wel gepo- 
Iyfte marmer-itenen , op mialkander gelegt 
zynde, ín zo verre dat der zelver oppér-vlak- 
ten malkander zodanig over al raken, dat al- 
Ile lucht tuflchen beide weg is , Zodanig aan 
malkander geparft worden van de omringende 
lucht, dat de zelve niet als met een uitftekent 
geweld wederom te fcheiden zyn, oordeelden 
de 


renardi 


Angufius — — December 1722. 45 
de Pieniften dat dit een klaar bewys was, dat 
alles volkomentlyk met ligchamen of matery 
vervult was. Maar de Heer Boyle bewees 
het tegendeel met hun eigen proef. Hier toe 
hadde die Heer doen maken twe Marmer- 
fteentjes, de welke plat en rond waren op de 
manier als de fchyven van een tiktak-bord. De 
Diameter van deze Marmer-fteentjes was 
21 linien van een duim , of 1 3 duim. 
Aan de bovenfte was een krammetje, gelykte … 
zien isin Fig. 11 met A. De lucht was tuf- 
fchen de twe Marmer-fteentjes- AB met een 
weinig oly geheel weg gevreven , waar door 
_de zelve zodanig valt op malkander kwamen 
| te fluiten en geparft wierden van de buiten- 
lucht, dat aan de zelve konde gehangen wor- 
den meer als So ponden gewigt, zonder dat 
_zy van malkander gefcheiden wierden. 
4 


21. 

Deze twe op malkander geperfte Marmer- 
teentjes wierden geplaatft in de recipient C op 
het vierkante blokje D. Aan het krammetje 
__A van het bovenfte Marmor-fteentje was ge- 
„ bonden het toutje.E. Dit toutje liep door de 
2 haakjes FG. Aan het ander einde van dit 
toutje was valt gemaakt het gewigtje H , het 
welk enige oncen fwaar was. Na dat nu 
enigen tyd lang de lucht uit de recipient. 
wierd uitgehaalt door de lucht-pomp 1,kwam 
het wigtje-H neder te zakken, en het Mar- 
mer fteentje A (cheide zich af van het. Mar- 
mer-fteentje B, om dat de zelve nu niet lan- 
ger tegens malkander geperlt wierden van de 

lucht. 


46 __ Natuur-en Konft-Kabinet, 

lucht. Want die was uit de recipient weg ge- 
pompt. Waar uit zeer klaar bleek, dat de 
lucht deze twe ftenen zo vaft op malkander 
perft. Want dewyl door een zeker behendig 
middel dit touwtje zodanig konde gewonden 
worden, dat het bovenfte fteentje A weder- 
om in des zelfs voorige ftant-plaets konde ge- 
fchikt worden op het onderfte teentje Ër 
kwamen wederom deze twe {teentjes zo vaft 
als te voren op malkander te klemmen , zo 
ras als de lucht in den recipient ingelaten was 
geworden. 


22. 

Na dat nu de hoogwaardige Robertus 
Boyle deze brief, of twede Verhandeling over 
de Lucht, met deze proef gefloten hadde, 
heeft die Heer naderhand deze ftof vervolgt in 
een Derde Verhandelinge ‚de welke wel voor: 
namentlyk beftaat in een befchryvinge van 
twe zoorten van proef-ondervindingen. De 
eerfte zoort zyn proef-ondervindingen de wel 
ke gedaan zyn in een te zamen geperfte 
lucht, en de twede zoort in proef-ondervin- 
dingen de welke zyn aangeftelt niet in een na- 
tuurlyke maar door konft voortgebragte lucht; 
by de welke ook noch verfcheide andere proe- 
ven gevoegt zyn, en wel voornamentlyk ver- 
fcheide proeven van den vermaarden Heer Pa- 
pin , die, na dat hy verfcheide proeven met 
den hoog-aanzienelyken en wyd beroemden 
Hollander , den Heere Chriftiaan Huigens, 
omtrent het befchermen en bewaren der vrug- 
ten tegens de verrottinge , als ook omtrent 
an- 


pl 


Auguflus — December 1722: ay 
andere zaken in het werk geftelt hadde, ís o= 
vergelteken naar Engeland ; alwaar de Heer 


Papin daatlyk in de gunft en vriendfchap van 


onzen voortreffelyken Boyle is gekomen, uit 
aanmerkinge van zyne uitmuntende bek waam- 
heden in het uitdenken van zeer geeftige werk- 
tuigen, en in het aanftellen van aangename en 
nuttige natuur- en werktuig-kundige proc- 
ven. Onder de uitgevonden werktuigen van 
den Heere Papin kwamen, volgens de getui- 
geniffe van den Heere Boyle, uit te munten 
een dubbelvoudige lucht-pomp , een lucht- 


roer, en verfcheide andere izgewieufe werk- 


tuigen. Het welk ik alhier wel byzonder 
heb willen aantekenen om ’s mans wel ver- 
dienden lof te verkondigen ; volgende daar 
in den grooten Boyle, wiens regt{chapen in= 
borft en braaf naturel my altyd zo zeer heeft 
konnen behagen, dat ik al van het begin van 
myne oefeninge in het proefkundig onderzoek 
der natuurlyke dingen dien weergalozen man 
in alle myne betragtingen voor mynen voor- 
naamften Lieermeefter en wegwyzer hebbe 
verkoren. 


23 

Wy hebben in de VREE Verhandeling 
van deze NATUURLYKE HISTORIE 
VAN DE LUCHT door verfcheide proef 
ondervindingen geleerd , dat de Lucht zoda- 
nig een naauwe vereniging en gemeenfchap 
heeft met de natuurlyke ligchamen , dat by= 
na in alderhande zaken altyd min of meer 
lucht gevonden word. Op welk een wyze de 
lucht 


49 Natuur-en Konft-Kabinét, 

Tacht zich nu in die dingen, het zy in water, 
oly, of in andere vloeibare of vatte wezens, 
komt in te wikkelen , ís tegenwoordig ons 
onderzoek niet ; maar ik zal in ’t voorby 
gaan een overweginge, die ik genomen hebbe 
omtrent de lucht, de welke door konft ver- 
wekt word, aanraken. 


24. 

Door de lucht, die door konft voortge- 
bragt word, verftaan wy een lucht die in een 
Jucht-ledige reciptezt word voortgeteelt , met 
behulp van verfcheide bewegingen of werkda- 
den van de natuur, uit verfcheide ligchamen, 
die in zodanig een lucht-ledigen recipient ge- 
plaatft zyn. Deze werkdaden van de Natuur 
zyn of de verrotting, of de geftinge, of de 
opbruizinge , of de aan ftuk vryvinge, of de 
warmte der Zon enz. die in zodanige ligcha- 
men, de welke in een lucht-ledige recipient 
geplaarft zyn , van tyd tot tyd komen te ge- 
beuren en waar genomen worden. Als wy 
by voorbeeld een gedeelte rofynen, die tot pap 
geftampt en met water gemengt zyn, in een 
recipient \eggen, en naderhand uit zodanig een 
recipient de lucht uit pompen, zullen wy eni- 
gen tyd daar na gewaar worden , dat dit meng- 
gel aan * geften geraakt, en dat uit deze gef- 
tinge een aanmerkelyvke hoeveelheid lucht 
word voortgebragt in den lucht-ledigen recz- 
piest. Nu is de overweginge, of deze lucht 
voor af was in de ftoffen , de welke in den 
Jucht-ledigen recipieut aan ’t geften geraakt 
zyn, dan of deze lucht in ’ geheel of ten de- 
len 


pnt Aomceald 


Augufius — December, 1722. 49 
jen op nieuw als geboren word? Om in z0= 
danig een geval de nette hoeveelheid van luche 
te konnen ontdekken ,„ word in het begin 
ook een lucht-verklikkertje geplaatft in den 


… recipient , door het welke de nette hoeveel. 


heid des voortgebragten luchts word aange- 
wezen, gelyk als wy onlangs zodanig een 
lucht-verklikkertje* voorgeftelt hebben. Maar 
dewyl tot het bepalen van de lucht die door 


_ kont voortgebragt word de alderuiterfte 


naauwkeurigheid vereifcht word , heeft de 


_ Heer Boyle noch een ander zeer geeftig 
werktuig of. lucht-verklikkertje , uitgevon- 


vi a 


den; gelyk wy in de volgende befchryvinge 
zullen aantonen. é 


25. 
In Fig. 12 word met de letteren ABG 


_DE aangetoont den gehelen lucht-wyzer. De- 


ze lucht-wyzer beftaat uit drie glaze pypen, 


de welke zeer wel in malkander paflen,zeer 


wel in malkander fluiten , en volkomen 
lucht-digt gemaakt zyn ; maar echter op die 
wyze, dat zy alle in malkander doorgaan, of 
de doortogt der vloeibaarheden, die in haar 
zyn , aan malkander toe laten. De eerfte 
van deze drie pypen word uitgebeeld met A 
B en is opengelaten aan zyn einde À. De- 
ze tubus is veel naauwet als de onderfte tubus 
BCD, en wederom wyder als de tubus ED, 


__ De tubus BCD is in het midden by C ingebo- 


VII. Deer. D gen, 


% Zie Natuur- en Konft-Kabinet Máaft — 
July 1722, pag. 35- Artikel 24,25. tab. 2XxxIX, 


| Fig. 9. 


so Natuur= en Konft-Kabinet, 

gen, op een wyze als of de zelve beftond uit 
twe bakjes, die door de goot C gemeenfchap 
met malkander hadden. De tubus ED word 
aan zyn einde E hermetifch gezegelt , of met 
zyn eigen oenen glas lucht-digt ge- 
maakt, na dat-BC Deerft met kwik gevult is 
geworden. Alsdit werktuig, op de gemelde 
wyze toebereid, in een recipient word ge- 
plaat{t, en dat naderhand de lucht uit zoda- 
nig een recipient word uitgepompt , zal het 
gefchieden, dat de lucht, die befloten is in 
den tubus ED, ‘door zyn elafisc:teit de kwik 
in DCB zal drukken en dwingen om op te 
ryzen ín den tubus BA. Ook zal de lucht in — 
zo verre in vloeyen in het gedeelte DC van 
den onderften tubus, als de zelve kwik heeft 
_opgeperftin BA. Als tuffchen de drie py- 
pen van deze lucht-wyzer een goede proportie 
gehouden is geworden zo wel van lengte als 
van wydte, zal de kwik ín een lucht-ledige 
recipient op geperft (taan juift tot A; om dat 
de verwyderde lucht in EDC geen meer kwik 
kan onderfteunen, als tot aan de hoogte van 
A; het welk ook nodig is, want anders zou- 
de de kwik by A overlopen uit de lucht-wy- 
zer. 


26. 

Op dat deze lucht-wyzer zeer naaukeurig 
zoude konnen aanwyzen de hoeveelheid van 
lucht, die ín een reciprent „die eerft lucht-ledig 
was, ís aangewonnen uit de ftoffen van de 
welke deze lucht door konft word voortge- 
bragt, moeten des zelfs tubus AB ED met 

veel 


Angufrús — December 1722. fr 

‚ veel kleine kraaltjes onderfcheiden worden , 
die dân een fyn zyden draadje geregen flang- 
gewyze van buiten om de pypen moeten om- 
gewonden worden, gelyk als uitgebeeld word 
met 1 2 34. naderhand moet deze lucht-wyzer 
_geplaaft worden op de vlakke plaat M van 
de luchtpomp O , ook moet nog op deze zelf- 
de vlakke plaat geftelt worden een Barometer 
„HI, met een bakje 1 daar kwik in is, eneen 
_Barometers buis H. Dan moet over dit alles 
gehel worden de recipient F GE die zonder 
bodem is,en wel lucht-digt fluit op de pláat 
_LM van de luchtpomp, om datde tubus van 
‚de Barometer zo veel langer is, als den reci- 
\ prent, moet dezelve doorgaan door den mond 
van den glazen recipient by F. waar na deze 
_openinge Ff toegefloten of luchtdigt geluteert 
moet worden. op dat door de reten tufichen 
den pyp H. en den rand F niet de alderminfte 
_ buiten-lucht zoude konnen influipen in den re- 
_éipient , of uit den recipient 'Loude konnen uit- 
_dyperende lucht, die door konft gemaakt was. 


Ei 470 
___ Als op deze wyze alles is klaar gemaakt , 
__word door de lucht-pomp O een weinigje lucht 
uit de recipient EF G uitgepompt. Zo rasals 
nu een weinigje van de lucht uit den recipient 
is vitgepompt , moet noodwendig de kwik , 
die in de Barometers-buis ftondt omtrent P 
zakken by Q, om dat de kwik die in het on- 
dergeftelde k wik-bakje gehouwen word, niet 
20 veel geperft word van de elaftsa:teit vande 
lucht die in de recuprent-hefloten is, alfo nu 
, Da doot 


eN 0 


$z _ Natuur-en Konft-Kabinet, 
door deze uitpompinge van een weinig lucht 
uit den recipient , de overige lucht, die inde- 
zelve befloten is, zo veel verwydert en ver- 
fwakt is geworden , dat de kwik in den tubus 
H is gezakt op 29 Engelfche duimen. Nu 
moet ook gelet worden by welk tekentje de 
kwik ftaat in den tubus AB vande lucht- 
wyzer. Want hier uit konnen wy verzekert 
zyn „ dat zo ras als de kwik op dat merkte- 
kenje blyft flaan, de lucht die in den reciptezt 
door kontt voortgebragtis geworden „die kragt 
heeft om 29 duim kwik , en ook niet meerte 
onderfteunen, Op deze plaats moet nu aan den 
tubus AB een papiertje geplakt worden, daar 
her getal 29 opgetekent ftaat als nu wederom 
een weinig lucht uit de recipient word uitge- 
pompt, dat de kwik nog eenduim lager, dat 
is op 28 duimen Engelfche maat gezakt is , 
moer wederom gelet worden op welk merk- 
teikentje de kwik ftaat in de tubus AB van 
den lucht-wyzer, en op deze plaats moet we- 
derom een merkje van papier of iets dierge- 
Iyks gezet worden. Dit moet elke reis ver- 
volgt worden , dat is elken duim breed die 
de kwik in de DBarometers-buis gezakt is , 
“moet met een merkje op de buis AB ook 
aangeteikent worden die plaats , alwaar de 
kwik elkereis op dien tydin de buis AB komt 
te ftaan. Op die wyze zal naderhand, zon- 
der dat wy de Barometer nodig hebben, kon- 
nen gezien worden op depyp A B van de lucht- 
wyzer elken duim breed, die de kwik zoude 
moeten zakken in deBarometer,met zodanig een 
Jacht. Op die wyze zal de pyp AB van zo- 
danig 


Augiftus December 1722. F3 
danig een lucht-wyzer exactelyk konnen aan- 
tonen de trappen van de verdunde lucht. 


28. 
Als het ook gebeurd dat zo veel lucht komt 
aan te wafzen in den recipient , dat de zelven 
meer als na gewoonte en verre boven den ftaat 
van de 29 duim ingedrongen en gecondenfeert 
is geworden, kan zulks daatlyk ontdekt wor= 
‚den aan den tubus DE van de lucht-wyzer. 
_ Want de lucht die boven komt in te dringen 
in de opening by A van den tubus A B pertft, 
de kwik inzo verre, dat de lucht in DE niet 
alleen word zamen geperft , maar dat zelfs 
‚een gedeelte kwik word. opgeperft in D E, 
ten minften zo lang tot dat de coz/iffentie van 
de lucht, die befloten isin DE volkomen e= 
gaal is met de confiffentie van de lucht die in 
den recipient befloten, en dikker en meer in- 
gedrongen geworden was. Want hoe meer 
de lucht in den recipient boven deszelfs na- 
_tuurlyke {laat ingeperft is , hoe de kwik ook 
hoger zâl opgeperft worden in DE. Als dan 
de lucht die befloten is in DE, door de opge- 
rezen kwik nader ingeperft is, en dat dezelve 
by voorbeeld maar haif zo veel plaats kwam 
te beflaan , als wanneer deze lucht de kwik 
kan onderfteunen tot een kalom van 29 duim, 
is zulks een teken, dat dezelve nu zodanig in 
een gedrongen zynde, het vermogen heeft; 
om de kwik te konnen onderfteunen tot de 
hoogte van $8 duim; dat ook vervolgens de 
lucht „die in de recipient tot zodanig een hoe- 
veelheid is aangegroeid en in malkander ge: 
40 D dron« 


sa _— Natuur- en Konft-Kabinet, 
drongen , van die zelfde elaftiniteit of terug- 
dryvende kragt is geworden. Het welk altyd 
in meerder of minder in drukking of verwy-. 
deringe wederzyds het zelfde moet zyn, en 
ook altyd wel kan gecalculeerd werden de 
hoeveelheid van kragt des luchts, in een re- 
cipient uit de gtootheid van de ruimte dewel- 
ke de lucht komt te beflaan , die in den tubus 
ED befloten, en van de kwik meer of min _ 
opgeperft word, als maar is geobferveert een 
nette proportie in de beide pypen A Ben DE, 
en in de tubus DcD een genoegzame hoe- 
veelheid kwik is gedaan. 


29. 

Wy hebben dezen toeftel voor af befchre- 
ven, om dat wy zullen gaan voorftellen ver- 
fcheide manieren , dewelke door den Heer 
Boyle zyn in’t werk geftelt, om uit verfchei- 
de lichamen lucht voortebrengen door konft„ 
en dan door middel van zodanig een lucht- 
wyzer daagelyks te konnen weten , en als te 
konnen peilen de nette hoeveelheid van lucht 
die van dag totdagis aangegroeid. Deze lucht- 
peilinge is te meerder dienftig „ om dat deze 
lacht zeer ongelyk ras of langzaam voortge- 
bragt word. Want zommige lichamenin de 
lucht-ledigen recipient gelegt zynde, geven 
zomtyds in de eerfte dagen of geheel geen „ 
of zeer weinig lucht uit, en brengen , ín de 
volgende dagen dikwils zeer fchielyk en on- 
gelooflyk veel lucht voort ; gelyk als by voor= 
beelt de ligchamen ‚ dewelke hunne lucht uit 
geven door middel van de geftingen. Want 
ë voor 


Anguflus —, December 1722. zp 
voor het tydpunt van de beginnende giftinge X 
geven diergelyke ligchaamen zeer weinig 
lucht ; maar daatlyk na het tyd-punt van de 
_” aangevangen geltinge ongemeen veel. Het welk 
‘alles door middel van zodanig een lucht-wy- 
zer kan geweten worden ; dewyl dezelve aan- 
_ wyft, niet alleen de lucht die in elk etmaal , 
maar zelfs die van uur tot uur, of van minuit 
‚tot minuit aangewonneu word. In het jaar 
_ 1674 was te parys. uitgekomen een klein boek- 
__ je ín het welke verfcheide nieuwe proeven, 
_ die omtrent de lucht gedaan waren , befchre- 
_ ven wierden. Uit de proeven dewelke al- 
_ ‚daar gefchreven wierden kwam te blyken, dat 
alleenlyk uit het brood geen lucht in den re- 
cipient voorgebragt wierd. Maar de Heer 
Boyle fchepte behagen om eens nader te on- 
derzoeken , of door middel van water de lucht 
___niet zoude konnen voortgebragt worden uit 
4 ‚het brood. Hier toe nam de Heer onderzoe 
__ker' een matige hoeveelheid kruim van brood, 
“die zeer wel met water doorweekt en een wei- 
__ nigje doormengt was. Deze ftof wierd in een 
__lucht-ledigen recipient , in dewelke ook te 
gelyk geplaaft was een lucht-verklikkertje op 
den tr July 1676ingefloten. In den tyd van 6 
uren hadde het brood nog geen de minfte lucht 
voortgebragt. Maar vervolgens kwam te bly- 
ken dateen genoegzame hoeveelheid van lucht 
uit het brood voortgebragt was in den recj- 
‚prent, zelfs in zo verre , dat op den 26 dito 
de flop van de recipient wierd weg gedreven 
door de kragt van de voortgebragte lucht. De 
reuk van deze lucht was zuur, Uit deze 


le D4 „proef 


aad 


s6 _Natuur- en Konf?-Kabinet 

proef kwam genoegzaam te blyken , dat het 
water een bek waame ontbind-ftof is, om de 
Yacht uit het brood op te lofzen. 


30. 


Op den zelfden elfden July, (telden de Heer 
onderzoeken noch een andere proef aan , om 
teonderzoeken, of ín een luchtledige plaats geen 
lucht konde voortgebragt worden met een 
brand-glas,door het welk het. brood in een lucht- 
ledige recipient verbrand wierd. Op deze wyze 
wierd ongemeen veel lucht uit het brood voort- 
gebragt, en dat zelfs op die byzondere wyze , 
dat deze lucht elke reis als by form van blixe- 
men kwam uitbarften. Uit deze proef wierd® 
ontdekt , dat het zeer waarfchynelyk ís, dat 
wel zeer veel lucht in het brood legt opgeflo- 
ten, maar dat de lucht zich zodanig met het 
brood komtte verenigen , dat dezelve niet zeer 
licht zynebanden en boeyens komt teontwor- 
ftelen : maar als het echter gebeurd dat hy door 
enige hevige oorzaak komt los te breken , 
te gelyk ook in {taat is , om grote uit- 
werkingen te verregten , gelyk als gebleken 
is aan het uitborften van de {top van den re- 
cipient daar wy van gefproken hebben , en 
aan het blixemen, het welke zich in dezeproef 
kwam te vertonen by het uitberften van de 
lacht uit het brandende brood. 


31. ) 
Op den 22 September 1676 wierden in een 
recipient ‚ die 22 onzen groot of ruim was 


gee 


Anguflus — December 1722. sy 
gedaan acht onzen gekneusde rozynen, met 
zeven onfen water. waarna de lucht uit de re- 
cipient wierd uitgepomt. Des anderen daags, 
namentlyk den 23 dito was de kwik van de 
lucht-wyzer- al twe duim breed gewafzen „ 
dat is , de lucht , die uit de rozynen in dien 
tyd was opgeiolt, was reets zo veel, dat de- 
zelve in een Barometer een kwik-kolom 
van twe duimen onder(teunt zouden hebben. 
Op den 30 dlto is de kwik gekomen tot 
de hoogte van 13 duim. Den s Oétober is 
de kwik aangenomen tot 25 duim Niaar van 


„den $ tot den 18 O&tober is de kwik niet met 
die zelfde rasheid aangewaszen. Wantop den 


18 dito was de lucht noch maar even boven 
deszelfs natuurlyke ftaat aangewafzen en in= 
gedrongen, het welk wy konnen nemen op 
ruim dartig Engelfche duimen. Echter 
hadden deze rozynen veel meer lucht voort- 
gebragt, als rozynen dewelk de Heer Boyle 


zonder water in een lucht ledigen recipient 
hader onderzogt, 


pi 
Op den 12 July 1676 wierden ro onfen 
gekneusde en doorgezygde rozynen in een 
lucht-ledige recipient gedaan , en by dezelve 
zo veel water gegoten als nodig was om de- 
zelve tedoen gelten. Binnen den tyd van twe 
dagen dat is op den 14 July bragten deze ro- 
zynen voort zo veel lucht dat dezelve tien dui- 
men kwik konde onderfteunen. Zelfs was 
de lucht op den 14 des avonds al za zeer in 
den recipient CO dat dezelve kon- 
de 


58 _ Natuur-en Konft-Kabinet, 


de onderfteunen 15 duim breed kwikzulver. 
En op den 1$ dito hadde de kwikal bereikt 
deszelfs gewoonlyke hoogte, dat is dat dero- 
zynen zo veel lucht hadden uitgegeven , dat 
dezelve konde opperzen een kwik-kolom van 
29 duim, volgens de aanwyzinge van den lucht- 
wyzer. Den 16 july des morgens hadde de 
lucht het dekzel van den reciptezt al afgetigt, 
en kwam gedurig uit den recipiezt uitbartten. 
De Heer onderzoeker floot dezelfde ftof we- 
derom in een luchtledige recipient, en op den 
18 July hadden deze Rozynen wederom zo 
veel lucht voortgebragt, dat niet alleen dien 
recipient met dezelve vervult was , maar dat 
zelfs de lucht, gelyk als in den eerften recf- 
pient, vit dezelve kwam uit te barften. Op 
den 19 July wierden dezelfde Rozynen we- 
derom iu een lucht-ledigen recipient gedaan. 
Op den 21 july was dezen recipient insgelyks 
wederom zodanig met lucht opgevult gewor- 
den, dat de lucht, gelyk als te voren uit den 
recipient kwam uitbartten. De zelfde Rozy- 
nen wierden wederom in een lucht-ledige re- 
cipient gedaan en op den 22 July was binnen 
de tydt van een errvaal al 29 veel lucht uit de 
rozynen voortgebragt, dat daar door de gehe- 
le recipient vervult was. Op den 23 Julydes 
morgens kwam wederomde lucht uit den re- 
cipient uitberften. Deze Rozynen hadden nu 
vier recipienten vol lucht voortgebragt , be- 
halven noch de lucht dewelke door de gedu- 
rige uitbarftinge niet gecalculeert konde wer- 
den. Als nu deze lucht te voren als ingeflo- 
ten, en metde Rozynen verenigt is gemeen 

en 


terde ni hen dass, 


Augufus —— December 1722. $9Q 
de lezer zeer wel begrypen dat uit deze proef 
klaarlyk getoont word, dat zodanig een lucht 
ongemeen veel in malkanderen moet geparft 
zyn geweeft in de rozynen. » 


33 

Door dezen proef word ook beveltigt dat 

het water ongemeen bekwaam is, omde lucht 

los te maken en uitte halen uit de rozynen ; 

te meer, om dat uit een andere proef was ge- 
bleken , dat de rozynen in een tucht-ledigen 
recipient, 'Londer met water vermengt te Zn, 
__zeer weinig lucht kwamen voort te brengen. 
___O@ok blykt uit deze ondervindinge dat het wa- 
À ter niet daatlyk even haaftig de lucht uitde 
Rozynen komt los te maken, maar det de 
lacht naproportie van den tyde veel fchielyker 
word losgemaakt en in groter overvloed word 
voortgebragt , na dat het water binnen den 
tyd van vyf of fes dagen dieper in dezelfftan- 
digheid van derozynen is komen inte dringen. 


4. 

De Heer derde dede in twe verfchei- 
de lucht-ledige recipienten enige rype peren, 
en ook in een andere lucht-ledige recipient 
enige rype pruimen , en binnen den tyd van 
drie dagen waren deze drie recipiemten vol- 
komentlyk vervult geworden met lucht, die 
uit deze vrugten was voortgebragt. Een van 
de twe recipienten, in dewelke de peren wa- 
ren, was geplaaft geweeft in de ftralen van de 
zon,en in deze recipient was binnen veel kor- 
ter tyd „ za veel meerder lucht ann rd, 

at 


6o _Natuur- en Konf?-Kabinet, 


dat daar door binnen 24 uren het dekzel van 
den recipient wierd af gelicht, en noch veel 
tuchr buiten den recipzent kwam uit te vloeijen. 
Waar door komt te blyken, dat de hette van 
de Zon veel hulp kan toebrengen tot het voort- 
brengen van de lucht uit rype vrugten. 


« $. 

Als wy dit voortbreh van de lucht, door 
middel van water , uit brood , uit deeg, uit 
rozvnen, uit rype vrugten , en uit verfcheide 
andere wezens , eens nader komen te overwe- 
gen, en overbrengen tot de kokinge van onze 
{pyzen in de maag, zal het niet moeijelyk zyn 
om te begrypen, waar alle die opfwellingen, 
oprufpingen en uitblaziugen van winden uit 
voortkomen , de welke wy kort na dat wy 
gegeten hebben gewaar worden. “Want de- 
wyl in onze maag een gedurige aanvloeijinge 
van genoegzame vogtigheid is, en dat de fpy- 
zen met zo ongemeen veel lucht verenigt, en 
als inwendig befwangert zvn, is: het in der 
daad zeer waarfchynelyk , dat door die vog- 
tigheid veel lucht uit de fpyzen in onze maag 
word opgeloft of los gemaakt. Te meer, om 
dat het fchei-vogt van. onze maag zelfs zeer 
geeflig en vol fyne en vlugge delen bevonden 
word te zyn. Alwaar noch by komtde VLAM 
DES LEVENS, die, als een natuurlyk vuur, 
door deszelfs{/warmte onze {pyshelpt koken , en 
bekwaam isomde lucht uit de zelve te fpoedi- 
ger op telofzen, gelyk als wy boven gezien 
hebben omtrent de lucht, de welke uit de rype 
peren, door de warmte van de Zon, ook eer- 

der 


Pee en od AN 


Augufius — December 1722. Óx 
der voortgebragt wierd, als uit de andere pe- 
ren en pruimen, die een even gelyken tyd bui- 
ten de warmte van de Zon geplaatít waren 
geweeft. 

6 


Als wy nu op dee Ortbiihe vande lucht 
uit onze {pyzen en dranken noch verder on- 
zen aandagt komen te veftigen , zal het niet 
onwaarfchynelyk voorkomen dat zelfs deze 
ontbonde en los gemaakte lucht veel komt te 
helpen, tot het ontbinden en verbryzelen van 
onze fpyzen en dranken in de maag , in de 
darmen, in de Chyl-vaten, in het bloed; ja 
dat zelfs deze lucht veel dienft doet in de ver- 
dere af kleinzinge en kokinge van die zappen, 
de welke uit de Chyl daaglyks worden afge- 
legt En aangevoed in de andere ingewanden en 


„ kookkeukens, tot de welke de Chyl word o- 


vergevoerd met het bloed door de flag-aderen: 
gelyk als by voorbeelt in de lever tot het aan- 


_ voeden en koken van de gal: ín de klieren tot 


het aanvoeden en koken van verfcheide zoort 
van klierzappen, die in ons ligchaam gevon- 
den worden: in de vet celletjes tot het aan= 
voeden van het ver enz. _ Wit deze aanmer- 


_ kinge komt ook zeer klaar aan ons verftand 


voor, dat dewyl de lucht van zo veel gebruik 
en dienft is van binnen in ons ligchaam, wy 


met de uiterfte naauwkeurigheid behoren acht 


te geven op de luchten in de welke wy leven, 
en welke gefteltheden en hoedanigheden van 
de lucht wy behoren te vermyden , of trach- 
ten te genieten, zo veel als zulks in ons ver= 


Tot 


mogen is. 


62 _ Natuur-en Konft-Kabinttz 


Ü 7. 

Tot een bewys Bk lucht zonder watet 
hiet zo ras word ontbonden en losgemaakt uit 
de vrugten , als met water, hadde de Heer 
Boyle , zonder byvoeginge van water, in een 
luchtledige recipient van twintig onfen, ge- 
daan twe onfen gekneusde druiven op den 16 
Oétober 1677. op den 17 Ottober was nog 
maar een halfduims hoogte van de kwik lucht 
aangewonnen. Op den 18 O&tober was de 
kwik wederom een half duim gerezen. Op 
den 20 O&tober was de kwik op 2 duim. Op 
den 22 dito was de kwik op 4 duim. Op den 
27 dito was de kwik omtrent op 6 duin. Op 
den 2 January 1578 hadde de kwik nog geen- 
zints de hoogte van 1o duimen bereikt ; het 
welk niet te vergelyken was by de hoeveelheit 
van lucht, dewelke voortgebragt was gewor- 
den uit vrugten, dewelke met byvoeginge van 
water in een luchtledigen recipient tot de ge- 
ftinge gebragt waren geweeft. 


14. 

Op den 26 O@&ober 1677 hadde de Heer on- 
derzoeker drie onfen gekneusde druiven, ge= 
mengt met een half ons Brandewyn , en het 
mengzel gedaan in een luchtledige recipient 
van 30 onfen. Op den 17 Oétober was de 
kwik al een weinigje gerezen van de aange- 
wonne lucht. Maar op den tweden January 
1678 was de gehele recipient al vol lugt gewor- 
den, dat isde kwik op 29 duim, waar uit klaar- 
Iyk kwam te blyken , dat de brandewyn het 
é aans 


s 7 N 5 wf 
Augufius —= December 1722. 63 
aanwafzen van de lucht komt te helpen in een 
luchtledige plaats , het welk noch te aanmer- 
kelyker is , om dat naderhand kwam teblyken 
door een andere proef, dat de brandewyn het 
aanwafzen van de lucht kwam te beletten in- 
een recipient die met buiten-lucht gevult was. 


daf 39. 
Op den 19 July 1678 haddede Heer Boyle in 
_ een luchtledigen recipient gedaan moft van uit- 
geperfte druiven „die weltien maanden bewaard 
_ was geweeft. Op den 21 July was de kwik inde 
lucht-wyzer noch niet gerezen , en bygevolg 
_nog geen de mintte lucht aangenomen. Maar 
_ op den 23 July was de hoogte van den kwik 
__3 duim. Op den 24 dito $ duim, maar opden 
… 25 July des morgens wasde kwik fchielyk ge- 
rezen tot 104 duimen op dien zelfden dag des 
Avonds alreets tot 137 duim. Buiten twyfel 
_ omdat op dien dag de geltinge van de mott 
_ eerft regt zynen aanvang fal hebben gemaakt, 
__Want op den 26 July was de moft byna ge- 
_ heel uit den rrecipient uitgeborften. En op 
_den 27 July ook het meefte overfchot van de 
__mott, het welke-noch van daags te vooren in 
_derecipieut was gebleven. Uit deze proef kwam 
klaarlyk te blyken, dat de moft door den tyd 
eerder in kragt van te,geften door het lang be- 

waren hadde aangenomen als verloren. 


40. 
Op den 30 January 1678 hadde de Heer 
Onderzoeker eenige Appelen, die daags te vo- 
ren gekookt waren, in twe verfcheide recipi= 
ens 


64 Natuur= en Konfl-Kabinet 5 


enten gedaan. In de ene recipient was een darde 
part zuiker by de gekookte appelen gevoegt: 
in de andere recipient was geen zuiker by de 
appelen gevoegt. Behalven deze twe tvegeltel- 
de recipienten nam de Heer Boyle noch drie 
andere recipienten , in dewelke raauwe appe- 
len wierden iugefloten. In de ene recipient 
was by de rauwe appelen gevoegt eene darde 
part zuiker, In de twede geen zuiker. Inde 
darde intgelyks geen zuiker , maar deze rauwe 
appelen waren in een recipient gedaan dewelke 
wel (esmaal groter was, als de recipsent in de 
welke de andrre rauwe appelen zonder zuiker 
ingefloten waren. Het oogmerk was om te 
onderzveken, of de groote ruimte van den re- 
cipient , of de te zamenmenginge van de zui- 
ker, of deraauwheid van de appelen konden 
dienen in het voortbrengen van meerder of van 
minder lucht. Op den ro February hadden de 
rauwe appelen die met zuiker gemengt waren 
een weinigje lucht voortgebragt, en op den 11 
dito zo veel lucht, dat de kwik tot 3oduimen 
gerezen was; terwyl ondertuflchen de gekook- 
te appelen , die met zuiker gemengt waren , 
niet meer als twe duim lucht hadden voortge- 
bragt op den zelfden 14 February. Op den 18 
February was de kwik ín den recipient, inde 
welke de rauwe appelen die met zuiker ge- 
mengt waren befloten waren , gerezen op $6 
duim en op dien zelfden tyd was de kwik in 
de reciptent, in dewelke de gekookte appelen 
met zuiker waren , noch maar gerezen tot de 
‘hoogte van 3 duim. In den recipient , in de 
welke de gekookte appelen zonder zuiker wa= 
ren ; 


LAAT MEPA 
don 


Augufins S= Detember 1932. 63 
ten, was de kwik niet gerezen: In de grote 
ki ag in de welke de rauwe appelen zondet 
zuiker waren , was de kwik op den « Maart 


“gerezen tot 25 duim, maar in den kleinen re= 


cipient met rauwe appelen zonder zuiker was 
de kwik toen noch maar gerezen tot de hoog- 
te van negen duim. Op den 8 Maart was in 
de grote recipient de hoogte van de kwik 29 


duimen in den kleine recipient met rauwe ap- 


pelen zonder zuiker was de hoogte van de 
kwik 22 ten in de gekookte appelen met 
zuiker bleef de hoogte van de kwik opg 
duim. Op den 17 Maart fwol de rauwe 
appelítof uit den groten recipient ‚en de 
kwik flond in de kleinen recipient metrau* 
we Appelen zonder zuiker op 67 duim , 


‚en in den recipient met gekookte appelen en 


ij 
À 


f 


®zuiker ftont de kwik op de hoogte van 1 duim 


met welk alles zeer klaar kwam te blyken dattot 
het voortbrengen van de lucht uit de appelen 
zeer veel kwamen toe te brengen; 1 dezuiker, 
2 de raauwheid der vrugten , en 3 de grote 
ruimte van den recipient. 


41, 

Als wy achtgeven op de geftingen van ver- 
fcheide zaken , die wy in de open lucht zien 
gefchieden, worden wy gewaar dat de geften- 
de zaken zeer veel komen te ryzen, veel lucht 


“ bellen voortbrengen , en ook zeer veel lucht 


ee 


doen uitfpatten , gelyk als zulks blykt aan het 
beflag van meel met water ; aan geftend bier, 
aan werkende wyn,aan uitgeperft zap vanaal- 
befzen, kerzen, appelen, peren, honing was 

VIL, Deet, E te 


66 _Natuur- en Konft-Kabinet. 
ter, zuur deeg, zuiker- water en ontelbaare 
andere zaken. Als nude lucht, dewelke uit 
de lichamen door de geftinge in een lucht- 
ledige plaats word voortgebragt , te voren in 
die zaken, die in een luchtledige plaats de- 
zelve komen voort te brengen al geweeft is , 
zouden wy met enige waarfchynelykheid 
het zelfde konnen oordeelen van delucht , 
de welke wy zien voortkomen van de zaken , 
die wy in de open-lucht daaglyks zo zeer zien 
opfwellenen ryzen door de geftinge; wy zou- 
den in dit opzicht konnen geloven, dat de ge= 
ftingen dier ligchamen voor een groet gedeel 
te kwam te beftaan in den uittocht van de 
lucht , dewelke te voren in de zelve befloten 
en als ingekerkert was geweeft, Als wy 
aanmerken , dat het wezen , het welke wy 
- lucht noemen zo ontelbaar veel in malkander 
kan geparft worden , dat een en dezelfde lucht, 
in ‘tene geval meer als twintigduiziend-maat 
kieinder plaats komt tebeflaan ingepartt zynde, 
‚als in ’t andergeval, daar de zelve uitgezet of 
uitgebreid is , valt het inderdaad niet fwaarte 
begrypen , dat een groot volumen uitgezette 
lucht kan befloten geweelt zyn in een peer of 
appel, in dewelke dezelve gekerkert, naauw 
vereenigt en als ingeper{t is. Waar uit zeer 
openbaar is , dat vele wezens ongemeen veel 
gemeenfchap met de lucht moeten hebben, de- 
wyl dezelve door geftinge, of door hette; of 
door verrottinge zo ongemeen veel lucht ka- 
men uitte werpen en als voort te brengen, Al- 
fchoon ymand al kwam te ftellen dat deze 
lucht niet als lucht in die wezens opgefloten 
Was 


TEA ida e : 
Auguflus mmm December 1722, 6j 
__‘was geweeft, maar dat een gedeelte dier we- 
zens in lucht door een zoort van form ver= 
wifzelinge kwam te veranderen, zoude zulks 
doch maar op een en dezelfde zaak uitkomen. 
en geenzints wegnemen ons befluit , dat de 
wezens zeer veel gemeenfchap hebben met de 
lucht. Dewyl deze zaak voor de liefhebbers 
„van de Natwarlyke Hiftorie van de lucht teen 
„kerlyk niet onaangenaam kan zyn, zullen wy 
__nog verder onderzoek op de DOOR KONST' 
VERWEKTE LUCHT aanftellen in het 
toekomende Natuur- en. Kontít-Kabinet , om 
dat myn beftek niet toelaat, om tegenwoor- 
dig langer van die zaken te fpreken. 


Er TT 
ni ie : 


VYFTIENDE VERHANDELING. 


Wan bet GOUD enz. in de welke ver= 
/ volgt word de FUWELIERS-KONST 
en de NATUURLYKE HISTORIE 
DER STENEN. 


bir Te 
Na dat wy over den oorfprong der ftenen 
en der zelver fchonekoleuren * gehandelt heb= 
__ben, geleid ons de natuurlyke ordre om te on- 
__derzoeken ike VERSCHEIDE MANIE- 
REN, OP/ DE WELKE DE STENEN 
KOMEN TE GROEYEN ;en 2 DE VER- 
she) E 2 R SCHEI- 


%# Zie Natuur- en Konft-Kabinet Maatt- July 
3722 van pag. 116 tot pag. 192. 


en nde et nd 


GB - Natuur-en Konft-Kabinet, 
SCHEIDE BEPAALDE GEDAAN- 

“TENS, DEWELKE DE STENEN , als 
zytot hunnerypheid zyn KOMEN TE VER- 
TONEN. Dart de ftenen in de gronden groey- 
en , en op verfcheide manieren , gelyk als de 
plantgewafzen , hunne grootwordinge en vol- 
komen rypheid verkrygen heb ik aangetoont ín 
deelfde verhandelinge van *’t Goud enz. alwaar 
omftandig gefproken word van de vegetatie der 
metalen en mineralen en der zelver verfcheide 
xitbottingen, maar de voedinge, groeyenge en 
plantsgewyze fteen-fchietinge en uitbottinge der 
ftenen gefchied op zo veelderhande verfcheide 
manieren , dat ik nodig hebbe geoordeelt , de- 
zelve naaukeurig te befchryven. Dewyl zulks 
zal konnen dienen om aan een bekwaam op- 
lettend leerling van de JUWELIERS- 
KONST te geven een diepe kennifze van 
de Stenen. | 


3. 
Als aan een juwelier bekent zyn de ver- 
fcheide wyzen van de welke zich de Natuur 
komt te bedienen, ín het vormen en te zamen 
ftellen der (tenen, zal hy daar uit zeer groot 
licht verkrygen om in elke byzondere edele 
fteen te ontdekken den loop van deszelfs fi- 
bren. Hy zal konnen achterhalen in welk een 
order de onuitfprekelyke dunne blaatjes , uit 
de welke een (teen dikwils beftaat „ op mal- 
kander leggen, enop welke een wyze het dik= 
wils onzichtbaar fyne grein, uit het welk de 
zelf- 
* Zie Natuur- en Konft-Kabinet July en Aue 
gufty 1720 van pag. 156, tot pag. 193, 


ede © 


Augufius—— December 1722. 69 


velfftandigheid van deze blaadjes , en vervol- 
gens de gehele fteen is te zamen geftelt, ook 
zelfs gefchikt is om deze blaadjes te formeren, 
Hy zal leren kennen van welk gedeelte van 
het blaadje dit greïn den aanvang fchynt te ne- 
men van zynen loop, en naar welk gedeelte 
van het blaadje de loop van dit grein zich natoe 
ftrekt, en in welke tuflchen-{cheidingen, na- 
den, en bindzels, den loop van dit grein ZO- 
danig komt te eindigen, dat aldaar ook zelfs 
‘ komen te eindigen de blaadjes, of dunne fchil- 
letjes, die uit dit grein beftaan , en de welke 
met malkander het gehele ligchaam van den 
{leen komen”uit te maken. Hy zal door de- 
ze kennifze onderwezen worden op welke 
_ plaats van den fteen hy den zelven aldergeluk- 
kigft, en ook op zyn fchoonft en voordeligft 
zal konnen klieven : hy zal veel licht krygen 
om te weten op welk een wyze hy zyne za- 
ken zal moeten aanleggen in een fteen zoda- 
nig te flypen, en te polyften, dat hy op het 
alderkragtigfte zyn vuur en leven komt te ver- 


tonen: hy zal boven vele andere weten uit te 
vinden, op welk een wyze een fteen op zyn 
__aldervoordeeligft zal moeten gezaagt, en van 


zyn rouwe, onreine of ook wel gebrekkelyke 


__delen afgefcheiden worden. Hy zal de gebre- 


ken der ftenen van vremde ligchamen , onrei- 
ne floffen , doornen, kammen, wolken, 
vlekken, fchadelyke loop van der zelver was- 
dom, gevaar in der zelver bewerkingen „ en 
ontelbaare andere zaken by uitftekendheid le- 
ren ontdekken. 


DE De 


zo _ Natuur-en Konft-Kabinet 9 


3: 

De ftenen hebben zo wel hunnen loop van ves 
gelen en draden , als ook tuffchen komende 
kwaften, ombuigingen van fidren en naden, 
als herhout. De DIAMANT, die om zyn 
onvergelykelyke hardigheid vermaart is boven 
alle de ligchamen die in de weerelt zyn, ver- 
toont dikwils deze loop van fibren, terwyl zy 
nog rouw en ongeflepen zyn , zo openbaar, 
dat wy zulks dikwiis met het blote oog kon- 
nen gewaar worden ; en alfchoon deszelfs 
grein zo ongemeen fyn , en des zelfs zelf{tan= 
digheid zo ongemeen zeafzyf is „dat dezen loop 
van des zelfs wasdom van onkundige niet kan 
gezien worden, is zulks echter aan zeer wei- 
nige Diamant-klievers zodanig bekent, dat zy 
daatlyk weten te ontdekken, op welke plaats 
de kerf met de punt van een andere Diamant 
moet gemaakt worden , om een Diamant te 
klieven, gelyk als een hout-fpouwer aan den 
loop der hout-vezelen, en uit de kennifze van 
de tuffchen-fchietende kwaften, weet te ont- 
dekken, op welke plaats van het hout hy zyn 
wiggen moet in flaan, om het hout op het 
voordeeligfte tedoen fplyten, tuflchen de tuf- 
fehen-{cheidinge van deszelfs draden. Maar 
om dat den loop van den wasdom van een 
Diamant veel moeijelyker te ontdekken is, 
zal de ene konftenaar in het klieven der Dia- 
Manten zeer verre boven den anderen komen 
uit te munten. Het welk ook de oorzaak is, 
dat onder een goed getal Diamant-klievers dik- 
wijs zeer zelden iemant gevonden word, ee 

eze 


| sed Jd 


Auguflus, December, 1722. 7X 
deze konft op de aldervolmaakfte wyze weet 
te oefenen. Zonder andere perfonelyk in 
hunnen roem te benadelen , heb ik veel reden 
omtegeloven, dat de vermaarde Diamant-klie- 
ver Sr. plaat een van de groottte werk- 
meeftters en kenders der Diamanten is, die 
in de wereld gevonden kan worden. En 
om te tonen dar ik deze getuigeniffe op enen 
goeden grond kom te geven zal ik.op zyn 
plaats de proeven, dewelke ik van ’s mans be- 
kwaamheid, en uitftekende kennifze genomen 


‘heb , aan mynen lezer mededelen. 


4. 
_ Als wydegrote Blokken van marmerfteen, 


_molefteen, hartfteen, of andere {ware en gro- 


Dn 


NT En 


te (lenen zien leggen, zodanig als dezelve uit 


_ de bergen zyn gehakt, zoude het zomtyds aan 


onoplettende toefchynen , als of in deze ftenen 
geen natuurlyke naden en loop van wasdom, 
golvingen, en voortgang van grein was , maar 
dat alles maar in de bergen beftond uit grote 
klompen , zonder enige order , of fchikkin- 
ge van wasdom, voortloop van grein en Fibren 
of bepaaldheid van keper. Maar de oplettende 


__konftenaars , en uitmuntende kenders van de 


ftenen, zyn van het tegendeel zeer wel over- 
tuigt. Alhoewel ik echter wel wil bekennen, 
dat ik zeer weinig konftenaars kom te ont- 
moeten, die vande uiterfte en vereifchte Naau- 
keurigheid en noodzakelyke onderzoek-luft zyn. 
Elk fchynt byna te oordelen dat hy niet meer 
behoeft te leren , als het voorfchrift van zyn 
meefter. Maar een Man, dewelke in zyn 

E 4 kouft 


ga ___Natnur- en Konft-Kabine?, 

konft tracht uitte munten , moet uit verfcheide 
andere Kontten ;„Hand- werken JAmbagten, en 
ook uit verfcheide wetenfchappen onderzoeken 
en leren , alle die zaken , dewelke zyn eigen 
konft konnen ophelderen en te hulp komen. 
Het is ook de plicht van elk konftenaar, dat 
hy wikt, en weegt, en redenkavelt, endege- 
brekkelykheden’ van zyn konft en konft-{tuk- 
ken tracht te verbeteren en het zy omtrent de 
konft, of omtrent de konft-ftukken , of om- 


trent de gereed{chappen of omtrent de behande- _ | 


lingen gedurig bezig is, om nieuwe zaken uit 
te vinden, 


$. 


Wy konnen de zelfsftandigheid der ftenen 
gevoegelyk onderfcheiden t in HARDE 
SEEEN-GEWASZEN:zin BROSZE 
SNEEN-GEWASZEN, en 3 in MIDDEL- 
MATIG HARDE STEEN-GEWAS. 
ZEN , dieals een middel-geflagt tuffchen de har- 
de en broze fteen-gewafzen zyn. Onder de harde 
fteen-gewafzen behoren alle die tenen, aan de 
welke wy den naam geven van Gemmen,of har- 
de Edele gefteentens ; dewelke wederom zeer 
verfcheide zyn. Demidmelmatig harde fteenge- 
wafzen zynook vanveel onderfcheide zoorten, 
van de welke zommige in glans „doorfchynend- 
heid, en koleurzeer veel over een komft met de 
gemmen of edele gefteentens vertonen, maar de- 
wyldezelve nietzo harden polyftbaar zyn, maar 
in tegendeel komen afteflyten , worde zy geen- 
zints onder de Edele gefteentens geacht. Maar 
om datdezelveveel harder ayn alsdeftenen, die 

van 


it erde 


A AT TME 


ey ud 


Angnfius — December, 1722. 73 


van naturen tot een zeer brofze zelfltandigheid 


„komente groeyen ‚konnen wy hen gevoegelyk 


middelmatig harde fleven noemen, Debrofze 
flenen tyn ook in ongemeen veel zoorten on- 
derfcheiden , gelyk als wy zien aan de gyps- 
fteen, aande wyn-fteen, can verfcheide zoute. 
fteenfchietingen, galaêtites, tofus, Amiant-fteen, 
mergel-{leen , talk-fleen, de (tenen der dieren, 
en verfcheide andere {tenen die of zeer bros 


__of ongemeen zagt van zelfftandigheid zyn. 


6. 

‚ Ik oordeel dat deze verdelinge zeer bekwaam 
is, om voor een leerling van de JUWE- 
LIERS-KONST op te helderen een van de 
wezenftlyke onderfcheiden , die in het gefteen- 


‚te waargenomen kan worden. Want dit on- 
_derfcheid is en blyft inde zaak altyd hetzelfde, 


om dat het zelve door de natuur zelfs gemaakt 
is. De natuur is ook zeer byzonder in des- 
zelfs werk-daaden, waar door zy elke van de- 
ze drie hoofd zoorten van ftenen komt voort 


‚te brengen. Want niemant (dunkt my ) zal 


trachten te ontkennen, dat de voorttelinge en 
groeyinge der harde ftenen of gemmen in zeer 
veel omf{tandigheden komt te verfchelen van de 
voortelinge en groeyinge der middelmatige har- 
de ftenen „en dezetwe wederom ín veel om- 
‘ftandigheden van de voorttelinge en groeyinge 
der brofze en zeer zagte fteengewafzen. 


‚À 
De uitmuntende Juwelier Benvenuto Cellini 
verdeelt by F Imperatus , de harde tenen die 
E s wy 


Ja Natuur-en Konfl-Kabinet, 


wy gemmen, of edele gefteentens noemen, al- 
leenlyk maar in vier zoorten. Als r de DiA- 
MANT 2 de ROBYN 3de SMARAGD en 
4de SAPPHIER. Hy oordeelt dat alle de 
andere edele gefteentens „onder deze vier zoor- 
ten behoren , en dat de overige niet onder de 
gemmen of harde edele gefteentens geftelt moe- 
ten worden. Mifchien zal my (vervolgt hy) 
zemanttegenwerpen „waarom ik maar vier Zoor- 
ten van kdele gefteentens of gemimen kome voor 
ze flellen, daar veel meer zoorten van veel an- 
dere Edele gefteentens genaamt werden, gelyk 
als by voorbeeld de Chryfopaal en de Chryfolyt, 
de Hyacinth, de Spinel en Beryl, de Rubinel, 
de Prafius, de Amethyft, de Granaat, de Pa- 
rel, aan den welken ik antwoord dat de parel 
eigentlyk maar een beentje van visis. Uitde 
overige zo genaamde edele gefteentens neem ik 
de Balafctus wel mede voor een gem of Edele 
fleen , maar flel dezelve onder de Robynen. 
Want hy is van dezelfde-hardsgbeid als de Ko- 
byn , maar verfcheelt in de prys. Ak neem ook 
de Topaas in ’t getal der gemmen , maar ik flel 
den zelven onder de Sappbhier , want hy is vaa 
de zelfde bardigheid als de Sappbier , hoe zeer 
hy ook in koleur van den Sapphier mag komen 
te verfchelen, de overige gemelde flenen erken- 
ze ik geenzints voor gemmenof Edele gefdeenten. 
Waar uit blykt dar deze grote meefter geen an- 
der wezentlyk onderfcheid in de edele gefteen- 
tens of gemmen erkent heeft , als de onder- 
fcheide graden van hardigheid , en dat alle de 
edele gefteentens , die niet zyn van de hardig- 
heid of der diamanten , of der Robynen oe 

er 


Arigufius — December 1722. 75 
der Smaragden of der Sapphieren ‚by hem voor 
geen edele gelteentens of gemmen gehoude 
wierden. De leerling diend dit echter met on- 
derfcheid te verftaan. Want alfchoon Bez- 
wenuto Gellini de overige Edele gefteentens 
uit het geflagt der eigentlyke gemmen komt uit 
te moníteren , zal hy echter niet ontkent hebben , 
dat dezelve behooren onder de juweel-ftenen of 
harde ftenen in zo verre als dezelve zyn 1 zeer 
waardig van prys 3 2 fchoon van glans; 3 aange- 
naam van koleur; 4 bekwaam om geflepen en 
gepelyftte worden, en s hart en duurzaamge- 
noeg omals juweel gebr uikt en gedragen te kon- 
nen worden. Het oogmerk is alleen maar om 
de gemmen van dezelve te onderfcheiden om 
de meerder hardigheid, die inde gemmen ge- 
vonden word. Op deze wyzekonnen wyde- 
zeoverige Edele gefteentens ftellen tuffchen 
de gemmen en de middelmatig harde flenen, 

die niet hart genoeg zyn, om geflepen en ge- 
polyft zynde, te konnen duren , en deszelfs 
fyn geflepe kanten en hoeken te behouden. 


Als wy de zaak op die wyzebegrypen,‚konnen 
wy onzeverdelinge waar mede wy alledeftenen 
onderfcheyden, r in harde ftenen , 2 midde)- 
matig harde ftenen 3 brofze en zachte {tenen 
gevoegelyk behouden. Het isde opmerkinge 

der Natuur- onderzoekers buiten twyfel wel 
waardig , dat zeer veel fleez-witbottingen of 
fteen-gewafzen komen te groeyen tot hun- 
ne byzondere en als bepaalde geomzerrifche 
gedaante. Zommige ftenen groeyen tot ge- 
daante van een teerling of cnbifche figuur; 


KA 


„6 _Natuur- en Konf?-Kabinet, 
gelyk uitgebeeld word in tab. XLII fig. r. 
gelyk alseen zekere zoort van markazyt, en 
de Duitfchetopaaf, in dewelke verfcheide fteen- 
bottingen , dewelke te zamen verenigt zyn , 
en vande welke elk een teerling vertoont, ge- 
zien worden. De Hoek van zodanig een teer- 
ling, is ingeveltigt in zyn moer , gelyk als 
een wortel in de Aarde. Andere ftenen groey- 
en tot de gedaante van een lichaam , het 
welke te zamen geftelt {word uit opper- 
vlaktens van vyf zyden, gelyk als uitge= 
beeld word fig. 2, op de wyze als de 
uitbottinge van het tin , en ook van een 
zekere andere marcazyt. Andere zyn van een 
Cylinder gedaante zie fig. 3. zommige groeyen 
tot de figuur van een pyramide zie fig. 4. zZom- 
mige {tenen groeyen in de gedaante vaneen 
fchors met wortels als de witte tinfteen , en 
vormen aan de ene zyde alleenlyk maar (teen 
uitbottingen. Zie Natuur- en Konft- Kabinet 
MMey en Funy 1720 tab, XVII. fig. 14. zom- 
mige.ftenen groeyen als een merg tufichen twe 
korften gelyk als zommige zoorten van vuur- 
fteen. Andere groeyen gelyk als hagel in de 
zelfltandigheid van hunne moer , gelyk de fma=, 
ragd in de talk-bladen, en de granaten in een 
byzondere aarde. De Diamanten groeyen al- 
tyd in onegale gedaantens , dewelke ook al- 
tyd uit drie hoekige oppervlaktens beftaan , ge- 
lyk te zien is in fig.s. Het kryftal is een fteen 
gewas dat onder de harde ftenen behoort, het 
groeid met zeskantige kolommen, die veel- 
tyds in zeer grote klompen aan malkander ge- 
{chooten, en als geersftallizeert zyn; en ver- 
toont 


pe 
We, 


Auguftus —= December 1722. 77 
toont op die wyze alderhande gedaantens , of 
figuren , gelyk als by voorbeeld een ftuk het 
welk wy uitgebeeld hebben in ‘t Natuur- en 
Konft-Kabinet July en Augufti 1720 tabula 
XVIII. fig. 3. vertoontenigzintseen Zee-Fgel 
van het welk elk uitfpruitzel een feskantige uit- 
botting vertoont. Een anderftuk kryftal in dezelf 
_ de tab. XVIII met fig. 4. uitgebeeld „heeft uit- 
___bottingen die in lengte en dikte, byna als een 
mans vinger, én met een zeshoekige gedaante 
voorzien zyn, die aan het einde fpits toeloopt. 
Andere kryftallen groeyen op de wyze en ge- 
daante als een olyfmet zes zyden , en aan beide 
einden met een punt toelopende ; gelyk uit- 
gebeeld word in tabula XLI fig, ó hier agter 
by gevoegd. Zommige kryftallyne uitbottingen 
beginnen met zeer kleine bolletjes, zetten ein- 


__delyk uit tot zeskantige puntjes, gelyk te zien 


js in ’t Natuur-en Kont-Kabinet July en Au- 
gufti 1720 Tab, XVII fig. 5. behalven 
deze kryftallen worden ook noch verfcheide 
andere gedaantens van kryftallen gevonden. 
Onder dezelve iseen zoortdat de gedaante van 
een pot vertoont. 


9. 

Wy vinden zeer veel verfcheide zoorten van 
kryftallyne vegetatienen fluores van alderhan- 
de figuur, zelfs zommige die de gedaante ver- 
tonen van metale plaatjes, die met malkander 
zyn als tezamen gegroeid , gelyk dik wils gezien 
word in de uitbottingen des yzers. ‘Zomtyds 
groeyen de Cry{tallen in klootsgewyze gedaan- 
te, en dewyl deze veel harder zyn als die in 

f een 


78 _ _Natuur- en Konft-Kabinet, 
een zeskantige of hoekige gedaante groeyenwors 
den dezelve wel Baftert-Diamanten genaamt. 
Andere kryftallen groeyen van binnen inronde 
ftenen , welke {tenen om die reden kryftallyne 
baarmoeders genaamt worden. Wy hebben zo- 
danig een fteen uitgebeeld in ’t boven aange- 
haalde kabinet in dezelfde tabul. XVIII Fig. 
13. Ín de holligheid van dezen (teen worden 
voortgeteelt veel feskantige kry{tallen , dewel- 
ke haar wortel of oorfprong hebben aan de bin- 
nen wanden van de holligheid van den fteen, 
ftrekkende met hunne punten na’t middel punt 
van den fteen. De fchors van die fteen is van 
een zand-korlige zelfftandigheid. De grootfte 
kryftallen die in dezelve gevonden worden zyn 
omtrent als een Hazelnoot, en zeer fterk flik _ 
kerende. Het kryftal word mede onder de 
harde ftenen geftelt; maar het is echter zagter 
als de hardeftenen, en wederom harder als 
de middelmatige harde ftenen , welker kanten 
ombeftendig zyn. Als het kryftal, gekoleurt 
is wort aan het zelve niet de naam van kry(tal 
maar van Baftert beryl, of bafter topaaz of 
baftert fapphier „of baftert {maragd gegeven ; in 
zo verre als defzelfs koleur met die ftenen 
overeenkomt. Zodanig gekoleurd Cryftal 
word zeer veel gevonden in Bohemen „ onga- 
rien, Saxen en in verfcheide andere landfchap- 
pen ; maar zy verfchelen van de ware gem- 
men in hardigheit, en zyn gemeenlyk niet veel 
harder als het ongekoleurd of befte kryftal, 
Verfcheide witte doorfchynede fteengewafzen 
worden voor kryftallen gehouden , alfchoon 
zy geen kryftal zyn uit gebrek van hardigheid. 
Zodanig zyn de meeft kryftal fchietingen , die 
UIt 


OE, TINNNODREN zi W . 

_… — Auguflus — December 1722. 79° 
uit de tinfteen, lood erts, yzer erts, en ande- 

_ re ertzen uitbotten , of onder verfcheide xzar- 
cazytaas groeyen. Maar dewyl wy tegen woor= 
dig van de verfcheide manieren van uitfpruitin- 
ge ‚ groeyinge , en van de verfcheide gedaan- 
tens der ftenen handelen , zullen wy als wy 
van het kry{tal zelfs handelen , deszelfs onat- 
fcheidelyke merktekens nader befchryven, 


| 20: 

___Het befte kry{tal groeid in Ooftindien, hoe- 
_ wel op zommige plaatzen in Ooftindie ook 
veel kryftal gevonden-word, dat niet van het 
befte aloy is.* Georgius Everhardus Rumphius 
getuigt, dat in Amboina en de omleggende Ey- 
landen een zoort van flegt kry{tal , op dezelf 
de manier aan ruuwe klippen groeid als 
het befte. Onder deze worden zomtyds enige 
ftukken gevonden die na het regte kry{tal ge- 
Iyken , maar dezelve zyn zeer klein. Maar 
de flegte is zeer vol fcheuren, fchurft,ruuw, 
vuil van koleur en oneffen. Zommige zyn 
aan de ene zyde enkelde, donkere keittenen, 
vuil wit of geelachtig, en aan de andere helfd 
__doorfchynende als kryftal , zy hebben allezes 
___zyden,eneindigen boven in een punt, hetwelke 
van de meelte afgebroken is. De groot{te zyn 


een Vinger dik en lang , zy groeyen als een 
vrugt uit ruuwe en grove berg-ftenen , altyd 
__veele by malkander niet regt opwaarts maar 
__fehuins, en verwert door malkander , hebben- 
de gemeenlyk een of twe grotere, en daar 

___ rondom kleinder en kleinder. Zy hebben pak 
ik- 

___% Zie Amboinfche Rariteit-kamer 3 boek 

zi hooftdeel, 


po DE NTR GERT EN 


80 _ _Natuur- en Konft-Rabinet s 
dikwils op de vlakte van den fteen een krys- 
talachtige korft , als hun voet. Hun natuur= 
Iyke plaats zyn de grote grauwe klippen , in 
dewelke de kuiltjes taan zelfs aan de klippen 
die onderhet water ftaan. De grootfte wor- 
den gevonden op hoge bergen , aan zodanige 
klippen die overhangen en ontrent dewelkeee- 
nige Revieren ont{pringen. De kuiltjes die in 
dezerivieren zyn worden dikwils overal bezet 
gevonden met kleine kryftalletjes , die zom= 
tyds maar een lit van een vinger lang en zes- 
kantig en puntig zyn. Dog de zyden zyn, 
volgens de getuigenifle van Anmphius, uiet al= 
le van een en dezelfde breedte , maar dikwils 
zeer onregelmatig. Zomtyds is een gehele zy- 
de zodanig: toegegroeid, datde fteen daardoor 
vyf kantig, in de plaats van zeskantig is, In 
de rivieren worden deze ftukjes kry{tal hier en 
daar verftrooit gevonden, Zomtyds worden 
dezelve ook wel gevonden op de velden , die 
omtrent zodanige rivieren gelegen zvn; voor- 
namentlyk als in de grond van die velden 
word gegraven. De Heer Rumphius getuigt 
dat deze kryftal ftukjes op die velden eigent- 
Iyk niet komen te groeyen , maar door het 
afbruizende water van de klippen worden af- 
_gefpoelt , en na beneden gefleept. De rivier 
Waytomno voert zeer veele van deze kryftal- 
fteentjes met zich, in zo verre dat aande ftei- 
le oevers van deze rivier , een of twe voeten 
onder de grond gehele lagen gevonden worden 
van rofzen en graauwe klip-ftenen „daar de kry= 
ftalletjes in een grote menigte opgegroeit ge- 
vonden worden , inzonderheid in de kuiltjes 
van 


FAES 8 K NN 
Lugies — December 1722 8% 
_ van die ftenen , en zelfs ook in de gebroken 
ftenen die van binnen hol zyn. 


it. a 

„Het iseen zeer groot bewys , dat de kria 
ftallen door een helder, doorfchynend en vloei- 
_ baar wezen worden voortgebragt , om dat de- 
zelve aldertierigft op hunnen moer-fteen ko- 
men te groeyen in het water en zelfs op de 
gronden vande rivieren , gelyk zulks ook be- 
__veftigt word door den Naauwkeurigen Rum- 
phius. Op bet land van oud Hative (zegt die 
Schryver ) zyn zommige rivieren „ in dewelke 
6 of 8 voeten diep onder water grote klippen 
gezien worden , op dewelke fchone , grote en 
zuivere kryftallen komen te groeyen. Op Ne- 
gerylima , een Dorp op de Hstoefche kuft lege 
een zee-ffrand , vol grote grauwe flenen. De- 
ze flenen leggen zo wel op het droge als in het 
zee-water , en deszelfs kuilen zyn vol kryftal- 
letjes, die klein maar zuiver zyn, Die zelf- 
de Heer getuigt ook dat op Bijma een berg is, 
_die Zolocco genaamt word : dat op dezelvege- 
__ vonden word een kuil met vers waater in de 
Welke de kryftallen, niet diep onder water, 
aan de klippen groeyen. 


dis 12. 
_ Dekryftalten groeyen uit een moersfteen van 
_verfcheide koleur. Want alfchoon de kryftal- 
len zomtyds alleen en op hen zelfs leggende 
in zommige aarde gevonden worden , moet 
daar uit niet befloten worden, dat het kryftal 
los en zonder voet in de aarde komt te groey- 
VII. Deer. F en 


8 _Natuure ven „Konft- Kabinet. 

en ; maar dat deze lofze ftukken van hunnen 
moer-{teen afgefpoelt zynde met de aarde door 
het vloeyen der wateren en den regen zyn me- 
degevoerd geworden. Dit word beveftigt door 
verfcheide waarnemingen , gelyk als onder 
anderen door den gemelden fchryver getuigt 
ward, dat inde gout-mynen van Swmatra ge- 
vonden worden ichone grote kryftallen „ díe 
ruim een vinger dik , en een lit van een vin- 
ger lang , zuiver effen van kanten , en met 
een volkomen punt zyn als of dezelve gefle- 
pen waren. Dog de zyden zyn onregelma- 
tig. Zommige leggen los in den grond, en 
zommige zitten valt aan ftukken van graauwe 
en witte (tenen, van dewelke die gene, dewel- 
ke los leggen, buiten alle twyfel afgebroken 
zyn. Op Amboira worden wel grote (tuk- 
ken kry(tal enige voeten diep in den grond ge- 
vonden, maar uit alle tekenen komtte bly- 
ken, dat de aarde in dewelke zy gevonden wor- 
den van elders met deze kry{tallen aangefpoeit 
is, om dat ander dezelve alderhande zaken ge- 
vonden worden die niet in die aarde gegroeit 
zyn. 


13e 

In Axzborza word noch een ander zoort van 
kryftal gevonden in grote (tukken op bergen. 
Dir kryftal is van geen bepaalde kryftals ge= 
daaute. De (tukken zyn als een Ey en grorer, 
niet zeskantig , maar zeer onregelmatig, veel 
hoekig , en als afgebroke ftukken van andere 
die groter, zyn. Het is matiglyk doorfchynen= 
de en klaar. Op Nufatello wordenook dierge= 


ly- 


drain Nn 
DELTA A RAND KI eg Lt, 
ug us December 1/22 83 
jke (rukken kryftal gevonden die echter klein- 
der ‘maar zeer klaar enna den gelen trekkende 
bevonden worden. Aan deze ftukjes worden 
zommige hoeken gevonden „die zodanig fcherp 
en hart. zyn „ dat. zy, enigzints glas konnen 
€ fnyden, Änderzints zyn dezelve ook zeer on= 
_ regelmatig van gedaante, als afgebroke (tukken: 
__By de Markazyt op Naffalauw worden ook 
zeshoekige kryftalletjes gevonden , die zo hart 
zyn dat dezelve glas konnen Snyden. 


| 4 I4. 
___ De Aantekenaar eed Amboinfche Rari- 
S_teit-kamer van den Heer Rumphius heeftenige 
__kryftal-fiukjes in het koper doen verbeelden 4 
welker gedaante wel waardig is om gezien 
te worden; en dewyl wy overde verfcheide ma= 
nier „ op. dewelke de ftenen. komen te groey- 
en en de bepaalde, gedaantens diede zelve ko- 
enaan te nemen handelen; hebbeik goedge- 
vonden dezelve hier/achter in tab X LI te ver= 
beelden. Fig. 7. verbeeld de gedaante van ge- 
meen kryftal Fig. 8 verbeeld een zeer geeftig, 
_ rotsje, begroeid met kryftallen van alderhan- 
‚de groote die wonderlyk. door malkanderen 
gegroeid zyn. Fig g is-een ander rotsje boven! 
__ op het welke een zeskantig ftuk kryftal., als 
uit zyn eene punt gegroêid is. De zyden zyn 
van een ongelyke breedte „ want de dry.zy= 
zyn breder, en de, drie andere zyden wat 
malder „ lopende boven met platte kanten 4 
__na zyn {pits toe op een „wyze als of het zelve 
__geflepen was. Fig.-ro. verbeeld een pyramide 
van, kryftal die zeskantig na boven loopt , en 
5 F2 aan 


84 _Natuur- en Konft-Kabinet, 

aan allezyden omzet is met een grote mefiig- 
te zeskantige en puntige kleine kryftalletjes, 
die met hanne puntjes na den top van de py- 
ramyde (trekken. Waar uit blykt hoe won- 
derlyk de natuur zomtyds fchynt te ípelen , 
omtrent de gedaantens der fteengewafzen. 
Waar van ook geen geringe getuigen is een ftuk 
helder kryftal , uitgebeeld in Fig. 11. in het 
welke inwendig gezien word de gedaante van 
een landfchap , met bergen en dalen , diehen 
vertonen als of zy met mos begroeid waren. 
Fig 12 is een rotsje van bruine fteen, op het 
welke gegroeid zyn verfcheide kry{tallen in de 
gedaante van om ver gevallen pyramiden, die 
zeer wit en vol greïntjes en knobbeljes zyn 
als robbevel. 


Is 

Als het kryftal regt zuiver en onbefmeurt 
is; gelykt het zeer wel na ys. Deszelfs helderheid 
en doorfchynendheid is dan zo: ongemeen , 
dat zommige gedroomt hebben , dat het kry= 
ftal inderdaad water is , het welk door een 
ongemene en langdurige koude , in onfmelt- 
baar ys zoude verandert zyn, Maar de onder- 
vindinge leert zo openbaar het tegendeel van 
deze gifzinge, dat dezelve geen de minfte aan- 
dagt verdient. De byzondere zeszydige ge- 
daante ( Figura Hexagona ) die aan het kry- 
ftal eygen is toont genoegzaamzaam dat zelve 
uit een byzonder ‘vloeibaar wezen, of kry{tal- 
figuur komt te groeyen. Gelyk als wy dege- 
maakte kryftallen van byzondere zouten uit 
hunne pekels elk tot hunne eige gedaantens zien 
kryftallizeren. Want alfchoon wy zommige 


kry- 


21e Ot AS ED 
ada Wal Werl Bald 
Vn 


_Anguflus mm December 1722 95 
kryftallen vinden die een vyfzydige gedaante 
(Eigura Pentagona) vertonen „of die verwerd en 
omgeregeltof ook wel rond van gedaante zyn, 
_moet zulks toege{chreven worden aande ligcha= 
_… men, die zodanige kry(talen omringen, en als - 
vormen bepalen gelyk wy in het Ary/Zallszeren. 
der zouten uit hunne pekels zien dat de gedaan- 
te van hunnekry{tallen dikwils bedurven wor- 
eden , door de binnen wanden of den bo- 
dem van het glas, of vat in dewelke zy geplaaft 
zyn, om tot kryftallen te fchieten. Ook wor- 
__ den degedaanten van de kry{talfchietingen dik- 
wils bedurven en verbaftert ; door vremdeftof- 
fen en vuiligheden , die zomtyds in die pekels 
gevonden worden, Op die wyze kan ook de 
gedaante van ware kryftal bedurven en be= 
lemmert worden, 

16. 

Als wy een fware loog of zeer gefatureerde 
pekel of verzadigt mezffruum enz. tellen om 
te kryftallizeren, zyn wy dikwils verplicht om 
daar toe te verkiezen koele kelders , of toch- 
ten van vengsfters , of andere zaken , dewel- 
____ke bekwaam zyn omde kryftal-fchietinge niet, 

__alleen te bevorderen , maar zelfs om de kry- 
__ ftallen hun eige en natuurlyke figuren tedoen 


___ aannemen. Als by zodanige logen,pekels, of ver- 


_ zadigdeoplos-vogten „zomtyds al te veel warm- 
_tekomt, of enige andere onverwagte toevallen 
_komen te gebeuren word zodanig een konftige 

yftal fchietinge, onregelmatig en zomtyds ge- 
____heel verbrod. Hier uit konnen ‚wy zeer wel 
iik begrypen., dat ook op dezelve wyze ‚de ge- 
daantens van de Natuurlyke kryftallen.„van 
ji zal zom-. 


86 __Natuur- en„Konft-Kabinet, 
zommig ‘berg-kryftal zeer veel konnen vert 
fchelen’, van de gedaanten van ander berg- 
kryftal , dat op andere plaatzen is gegroeid , 
die meer of minder bekwaam zyn omt in des- 
zelfs groeyinge de kryftaïlen te doen vetkry- 
gen , de zeszydige gedaante, die aan hen an- 
derzints naruuriyk ís. Gelyk als deze aan. 
meerkingen nu plaats hebben omtrent het berg- 
kryftal , konnen wy dezelve ook toe pafzen 
op alle de andere ftenen , die tot een bapaal- 
de gedaante koren te groeyen , en omtrent de- 
welke de Natuur echter dikwils wonderlyk 
komtte fpelen, met vremde en gan hen oneigen 
gedaanténs aan dezelve te doen voortkomen. 
As Els A 
Àls het gebeurd, dat zommige noch ruuwe 
edele ‘of‘andere ftenen- gevonden worden, die 
nier hebben die gedaante tot de welke zy ar- 
derzints komen te groêyen, en als door huune 
eygen natuur bepaalt zyn, moeten wy daatlyk 
niet oordeelen dat zodanig zoort van gefteente 
van geen bepaalde figuur is, al wierden zelfs 
ongemeen veel andere, die onregelmatig van 
geddante ‘waren , onder -dezelve gevonden. 
Want niëttegenftaande' het berg-kryftal in def= 
zelfs ingenamatie en fteen-bottinge gewoonlyk 
bepaalt word tot een’ feskantige geometrifhe 
gedaante, vinden wy echter onder het zelve 
elen veel andere’ gedaantens ; gelyk áls 
onder andere blykt, aan de baftert diamantjes, 
die “iff de Alpifche gebergten en elders gevon- 
dea worden. * Deidhrarden uitgebeelt in Tab, 


> vide Clariff. Johan. Jac: Gcheuchzeri iter 
Alpinud®!tertiam,)s (10 7 AAS A57 GADE 
[MOS Ë Á 


Midde 


PET zr 


uguflus =— December; 1722. SF 
f eel Fig: 13. zommige vandeze zuivere kry- 

alletjes zyn geheel zonder zy-wanden , ge- 
lyk als A, of met weinig zy-wanden, gelyk 
als B, of wel rondom met zy-wanden maar 
die zeer fmal zyn gelyk als C. Andere zyn we- 
derom zeer lang en pyramydaal van zy-wanden, 
gelyk als ED. Andere zyn op malkander ge= 
grocid in een regte lyn gelyk als EE. An- 
dere zyn aan malkander gewafzen gelyk als 
FFF, Andere zyn gegroeid in de gedaante 
als uitgebeeld word met G. Andere in vers 
___fcheide andere gedaantens gelyk als HHH- 
E HEEL N val 


7 


" 
1e 18. ; ts 
_ Zelfs worden op zommige harde en {ware 
vuuríleenen gevonden uitbottingen van nette 
en bepaalde gedaantens. De uitmuntende * Heer 
J. J. Scheuchzerus en ook verfcheide andere 
Schryvers betuigen , dat op de hoge toppen 
van de Alpifche gebergtens gevonden worden 
uurftenen , die door de ftromende vlietjes 
worden gefpoelt , en mede gevoert. Dezels 
ve zyn zeer fwaar en van eem ronde gedaan 
te, uitwendig van een yzerroeftige koleur , 
als deze worden doorgeflagen vertonen zy 
___ van binnen blinckende ftralen, en (trepen die 
___ na het middelpunt van den {teen ftrekken „ 
___en als zilver of gout komentefchitteren, even 
als of inwendig in’ middelpunt van den (teen 
een. {tar was , die zyn flralen-aan alle zyderp 

sit kwam 


B 4 
y 


s___* Vid: Cirati Au@toris iter primum: Tab, zo 
han Chek | 


P, 


83 Natuur-en Konft-Kabinet, 
kwamuit te {chieten. Diergelyke ftenen wor- 
den ook gevonden op andere plaatzen, zelfs 
in de Indien, en ook in Engeland daar de- 
zelve, Roeft-ballen genaamt worden volgens 
de getuigenifze van Litter in zyn verhandelinge 
van de medicinale bronnen van Engeland, en 
van Eduardus Luidius iz Lithograph. Britt, 
by Scheuchzerus. Deoppervlakte van deze íte- 
nen is fcherp en ongelyk. Want uit derzel- 
ver oppervlakte komen zeer geeftig uit te bot- 
ten kleine pyramiden , van dewelke zommige 
hein zyn „en andere noch in ’t geheel. 
eze pyramyden zyn vierhoekig en van gedaan- 
te als zommige geflepe Diamanten, gelyk als 
uitgebeeld word in Fig. 14 , hoe wel echter 
deze vierkantige uitfteekzels niet glad en blin- 
kende maar uitwendig yzer-roeftig zyn. 


19. 

Het is niet alleen aanmerkelyk , dat de na- 
tuur een groot getal (tenen met Geometrifche 
gedaantens voortbrengt ‚ maar zelfs word in 
de (tenen nog ook die aangename fpeling van 
de Natuur ondervonden , dat zeer veele ge- 
vonden worden , door geheel Duitfchland , 
Switzerland, ín de Alpifche en andere ge- 
bergtens, in Ongârien, in Saxen, Bohemen, 
Engeland , Italien en in zeer veel andere ge- 
weften des werelds , dewelke natuurlyk ko- 
men na te bootzen , de gedaantens en beel- 
den van alderhande zoorten van fchepzels , 
of Natuurlyke lichamen, of ligchaams-delen, 
van dieren plantgewafzen en zelfs van ver{chei- 
de konft-gevrogten ; gelyk als den lezer a 


|A 


BRACRNTEN DE 


; “Auguftus —_ December 1722. 89 


der andere zal konnen vinden in het mufeunz 
Diluvianum van den meergemelden Heer 


„Scheuchzerus ; in de Natur-gefchichten van 


fehweitzerland van dien zelven Heer : Lang. 
Hiltor. Pap. Fig, Martinus liter. Conrad. 
Gefnerus , Foh. Jacob Bajerus in des zelts 
Oryctographia Norica. Het welk een zeer fraay 
boek ís; Jac Moccius ; Breinius en verfchei- 
de andere Schryvers. Verfcheide Schryvers 
zyn van gedagten dat deze gefigureerde of Beeld- 
ftenen overblyfzels zyn van de zuut-vloed. 
Maar ik heb in myne verhandeiinge over de 
zuntvloed deze meninge genoegzaam weder 


legdt, en deszelfs ougegrondheid aangetoont, 


20 

Als wy de gedaanten van’t gebergteen wel 
voornamentlyk van zommige of uititekende , 
of voor over hangende, of geboge en ver- 
wulfde, of fchuinfe of regt en pilaars, of py- 
ramidaals-gewys gegroeyderotzen, met aandagt 
befchouwen , vinden wy genoegzame reden 
om te geloven „ dat zelfs deze ontzagchelyke 
en grote ligchamen in hunne groeyinge van 


__ de Natuur min of meer als tot zekeregedaan- 


tens bepaalt worden, Als wy de gedaantens 
der bergen, rotzen enz. van elke byzondere Sa- 
xe of rouwe Blok-ftenen met naukeurigheid 
gingen onderzoeken, ik twyfel niet of wy zou- 
den door den tyd enige gelykforrnigheden en 
overeenkomften van gedaante gewaar worden 
omtrent de fcheidinge doornaden , of aderen 
of grote lagen enz. in elk zoort van Saxe. 
Door Saxe word in ’t algemeen verftaan alle 


Es grof 


ge __ Natuur-en Konft-Kabinet, 
grofen' zeer groot gefteent, van het welke ko- 
men te groeyen gehele bergen zomtyds halve 
Eylanden, en zelfs gehele landfchappen. Om 
dat uit deze ftenen onder anderen gehouwen 
worden alderhande van die grote Blokken , 
van dewelke wy tot onze gebouwen zagen 
vloer-(tenen, metzel-ftenen, platen, ftukken 
tot gevels, pylaten en andere bouw- mater 
alen geven de hoogduitzers aan de Saxe de 
naam van gwaderflein , en de Engelfche den 
naam van guarri flone ‚om dat de blokken , 
in vierkante gedaante uit het gebergte gehakt 
worden. In die betrekhinge zouden wy aan 
dezelve wel den naam van blok-{teen kon- 
nen geven ‚maar zullen ons tiever van de naam 
Saxe, als maar van de latyn{che naam verbo- 
gen zynde, bedienen. 


21. A 

Dat de Saxe zo wel als het fynder gefteen- 

te groeid met een zekeren vaften voortgang , 
en loop van grein is een waarheid , dewelke 
wy in de meefte. Saxe wel konnen ontdek- 
ken methet blote oog. “Dat ook de Saxe zeer 
onderfcheiden , of van’ keper , of van grein , 
of van korlen ef van fibren, of Van op mal- 
kander leggende fehilvers , en Blaadjes , of 
van golvingen is , zal niemant tegenfpreken , 
aan den welken bekent is een grote menigte 
van verfcheide zoorten van Sexe. Wantdoor 
het onderfcheid van keper, van grein, van kor- 
relen van draden , en vezelen, van fchilfers , 
van Blaadjes , van golvinge , van dichtheit , 
van brosheit , van vaftheit, van hardigheit, van 
ne zag- 


Me 1 VLAPEDREDN A, 


Auguflus: mmm December 1722. a 
giet ‚ van lichtheit , van fwaarte, van, 
oleur , worden de Saxe van malkander ia 
vale zoorten onderfcheiden. Gelyk, 
als in de fyne gelteentens zo wel in de gem- 
men als in andere harde (tenen zomtyds zich 
komen in te wikkelen, alderhande vuile (tof 
fen, vlekken , ‘opreinigheden,, vremde grein 
nen, ftreken, ftriemen, kammen, doornen, pe 
E kwaften „enz, worden ook inGelyks alle, de- 
_ ze tOevallen in degrove (tenen gevonden. G 
Iyk als de fyne en edele gefleentens A 
worden tot alderhande pragt, vercieringe , en, 
verfcheide andere gebruiken, worden degrove 
ftenen ook daaglyks gebruikt tot den, diep{t „ 
nutheid , en gemak der menfchen „zo tot 
het bouwen van hunne huizen, raten, bak- 
ken , putten, fortificatien, „wallen, trappen, 
vloeren, tafels; enz. alsook t tot een gn getal 
werktuigen, als flypftenen, mole; {ten en vryfs 
ftenen lek-itenen om de vogten, te Eaernd Pe 
en door te lekken: Van zommige, Saxe 
word zelfs alder hande vaat werk. gemaakt. 
als potten,, pannen , fchotels,. vyzels,„zouts 
vaten , bekers, inkt- -kokers, cofty. „kopjes. en 
fthoteltjes , en verfcheide ander, huis- geraden, 
en galanterien. Andere Saxe word w ederom 
__tot verfcheide andere zaken, gebruikt, na, dat 
defzelfs gegroeide eenige gheid verfch cideni iss 


Uit de bovengemelde aanmerkingen kan de 
Bé nu genoegzaam zien ge w‚y.uit de San 
xe of grove berg-fteen, al. zo. wel als uit de 
andere Îtenen komen te ontdekken, dat de za- 
tuur Bediheids manieren gebraikg, N inhet woort 

breng 


ox _ Natuur- en Konft-Kabinet, 


brengen der fleengewafzen , en dat zeer veel 
Pflenen tot gedaantens komen te groeyen, tot de- 
welke zy elk volgens hunnen aart bepaald zjn; 
en dewyl ik in deze tegenwoordige verhande- 
linge van de Natuurlyke Hiftorse der Stenen 
maar voorgenomen hebbe dit alleenig uit te ha- 
len, en aan myne Lezers te doen zien , zal 
ik enige Saxes by brengen die verfcheide van 
zelfftandigheit en om die reden ook verfcheide 
van gebruik zyn. De uitmuntende Joh. Jacob 
Scheuchzerus getuigt, *dat in het kanton Zu- 
rich by het dorp Herrliberg aan het lacvan Zu- 
sich een Steen-breek of berg-werk gevonden 
word , uit het welke veel ftenen gehakt wor- 
den , dewelke tot het bouwen gebruikt wor- 
den : Dat dezelve is een zeer zagte en werk- 
bare zant-fteen van een byzonderen aart , om 
dat dezelve zeer dienftig is te gebruiken op 
plaatzen daar fterk word gevuurt, dewyl deze 
iteen het vuur tamelyk wel kan verdragen , 
en niet aan ftuk kom: te fpringen, om dat die 
fteen zo tochtgatig is , dat de zelve de vuur- 
deeltjes zeer licht laat doorgaan. Deze fteen 
word op noch twe andere plaatzen onder ’t 
gebied van Zurich gevonden. In het Kanton 
Bern in het Engftlenda! , word rode {chilfer= 
fteen , of ley-fteen gevonden, waar uit open- 
baar is, dat de Natuur zo wel komt te fpelen 
in de grove flenen met de koleuren, als met 
der zelver zelf{tandigheid , gelyk in de ley-fteen 
van verfcheide koleur te zien is, Maar dit 
blykt noch meer aan een ander gefteente , dat 
van 
“ Zie Natuur-gefchichten des Schwirzerlands 
< Theil, 


ME AE tE 


ARE A 


ADE PON NC 


Augufius — December 1722. 93 
van den lager berg gehaalt word, want dit 
gefteente is graauw van koleur, maar over al 
doorgroeit met gekriftallizeerde kwerts , die 


geel van koleuris, en den fteen als met door- 


gaande naden en ftrepen aan malkander fchynt 
te hegten , waar door de zonderlinge wyze 


van met naden te groeyen in dezen fteen be- 


veltigt word. Diergelyke Naden en ftrepen 
worden in verfcheide Suxes gevonden , gelyk 
als ook volgens de geruigenifle van dien zelven 
oog getuige in het kanton Uri, in het Livi- 
ner-dal gevonden worden wit groene (tenen 
met kool-{warte ftreken, van een tof gelyk 
als zomtyds wel gevonden word in het kry= 
ftal. In deze {tenen groeyen ook grove 
en ruuwe twaalf kantige granaten, de Heer 
Langius geeft by den Heer Scheuchzerus aan 
dezen fteen verfcheide namen , maar de be- 
kwaamfte is die van blinkende linie fteen. 


23e 

Alhoewel de Saxe bekent grof van greïn 
fehynt te zyn , gebruikt echter de Natuur tot 
deszelfs te zamenftellinge , zomtyds zeer lich- 
te en fyne delen . gelyk als wy ondekken aan 
den reuk , die ín verfcheide ftenen gevonden 
word. In een. valley de welke ftrekt van Al- 
torf nahetdorp Steeg, worden volgens de ge- 
tuigenifze van de Heren Langius en Scheuch- 
zerus , witte (tenen gevonden, die een reuk 
uitgeven van violen. Deze reuk word alder- 
openbaart ontdekt als den fteen een weinig in 
het- water word gelegt en aân de Andere zyde 
die met groenachtige plekken geteikent ís ge- 
VG. 


" n op … ve F4 a ij iN 
94 __ Natuur-en Konfl-Kabinet, | 
vreven wortd. De Heer Wepferus getuigt * 
ook by de Heer Schuchzerus dat in het {war- 
te woud by het kloofter van St. Blafius veele 
van diergelyke {tenen gevonden worden , dat 
deze ftenen op hunne oppervlakte een fermili- 
oen rode ftof uitfchieten „als zy in de ftralen 
van de de zon gelegt worden; dat deze rode 
ftof afgefchrapt wordende, niet alleen een vi- 
ool-reùk komt uit te geven , maar zelfs ook 
dezen reuk overzetten aan het linden , als de” 
ftenen met het zelve gevreven worden. Van 
deze viool-ftenen getuigen ook Wormius, A- 
gricola en Andere. Maar de vaauwkeurige 
Anfelmus Boetius de Boot oordeelt, dat deze , 
viool-reuk niet van den {teen maar van een 
flym of mos dat aan den fteen groeid voort- 
komt. Ikhebbegehad (zegt Hy) zo wel witte als 
graanwe flenen , die een viool-venk uitgaven , 
maar ik heb ondervonden dat die reuk niet van 
den fteen zelfs voortkwam, maar van een ze- 
ker flymige flof , die van een geel groene koleur 
Was, eu als een vlies of mos aan de ene kant 
van den fleen vaftgegroeid was, Want aande 
andere zyde van den fleer daar tere ge- 
groeid was , wierd de vioolreuk ook niet ge- 
vonden. Als deze groene flof' met water be- 
Jprengt wierd , gaf dezelve een reuk uit, als 
de imas-wortel die de gehele kamer veroulde. 
Als deze mos vanden fleen afgenomen word 
ruikt dezelve niet meer na violen. Dit neemt 
echter niet weg dat verfcheide Saxes gevonden 
worden , die een reùk uitgeven. Om hier van 
overe 


® Vid. Wepferus de Cicuta. 


ro nn GE 


Augufas —— Decomler 1722. 9 
overtuigtte zyn behoeven wy maar in zommige 
fteen-groeven te gaan, en wy zullen de reuk 
wel halt gewaarworden. De Boot verhaalt 
zelfs dat de Marienberger Saxe zomtyds na muf- 
cus ruikt, als dezelve met een hamer geflagen 
word. Zommige Saxe van ’t thuringfche ge- 
bied ruikt als de thymiaan of Serpsilum. Dat 
te Hildesheim (teen gevonden word die als ge- 
brande koorn ruikt als zy geflagen word; zom= 
mige (tenen {linken na aard-pik enz, 


ks 24. 
Ik heb in Duitfchland verfcheide bergen van 
ley-fteen gezien , maar de fchilfers of bladen 


van dezelve zeer ongelyk gevonden , in bros- 
‚heit en Brokkelachuig , in zommige bergen 
zien wy de ley-fteen als met lagen door de. 


bergen en tuffchen deandere Saxe heen lopen, 
en zommige bergen fehynen geheelelyk nit 


_ Jey-fteen te beftaan. In het kanton Glarus 
word volgens de get uigenifze van Kentmannus, 
_ Scheuchzerus en andere een uitmuntende fteen- 
„ beek gevonden van fchilferfteen , of ley-fteert, 


die byna (wart van koleur is. De gehelen berg 


… die de Bladeren berg genaamt word beftaat uit - 
zodanig vatte ley-{teen-die met lagen op rialkan- 


legt. Van deze ley {teen worden gemraaktde 
bladen van grote fchryf en rekentafelfs , die 


_ hier-daaglyks te koop gebragt, en door alle 


landen vervoert worden. De leyen of bladen 
van dezen (teen leggen zo evenredig dat zom- 
mige ftuklken van tien en meer voeten lang ge- 


zien worden, die gants egaal en nergens ge-, 
_bogen of gekromtzyn.  Zomtyds lopen-doer 
| zh, de 


96 _ Natuur- en Konft-Kabinet, 


de bladen van dezen fteen aderen van een witte 
kwerts, of kwarts die omtrent 1 £ linie van 
en duim breed zyn, Deze Aderen verhinde- 
ren zeer veel de fteengravers , om. dat dezelve 
brokkelig zyn, en de täfels bederven. De 
Bladen of ieyen van dezen fteen zyn omtrent 
$ duim dik, en laten zich ligtelyk van een werk- 
tuig dat tuffchen deze bladen ingedreven word 
van malkander fcheide. Het is zeer aanmer- 
kelyk dat elk blad wederom uit twe andere 
bladen of lagen beftaat , van de welke het 
bovenfte blad hart is, en zich zeer wel laat po- 
Iytten en glad maken, maar het onderfte blad 
is zagter , en zo week dat het zelve zich niet 
laat polvften , waar om het zelve ook van het 
eerfte blad word afgefcheiden. Wy zouden hier 
uit konnen befluiten dat de onderfte laag noch 
niet tot defzelfs rypheit gekomen was, terwyl 
de bovenfte laag reets tot de rypheit en vol- 
komenheid van defzelfs fteenfchietinge geko- 
men is. Dat deze fteen uit een vloybare ftof 
komt te groeyen word ook geoordeelt om dat 
in dezelve zomtyds gevonden worden {tenen , 
die de gedaante hebben van vifchen , of van 
kreiden , die de Heer Scheuchzerus oordeelt 
te zyn overblyfzels van de zond-vloed , die 
‚ verfteent zyn geworden , van het fteenzap , 
van het welke deze ley-ftenen gegroeid zou- 
den zyn. Deze leyen worden cok zeer veel 
gebruikt tot het bedekken van de dakenen wan- 
den der gebouwen. 


25. 
Of de ftenen , dewelke viffchen , bladeren 
' van 


_duguflus ws Ditember 1732 DY 
van Bomen, kruiden , vrugten, zee-horens ; 
enz. vertonen „gewrögten , of overblyfzels van 
de zunt-vloed zyn, zullen wy alhier niet onder- 
zoeken. Behalven de verfteende beeltenifzen , 
Vinden wy ftenen welker aderen en koleuren 
de raarfte uitbeeldingen des werelds vertonen: 
De Heer Scheuchzerus verhaalt dat digt by de 
ftadt Schaffhaufen een koftelyke fteen-breek 
is van witte fteen, op dewelke fomtyds kleine 
boomtjes gefchildertftaan. Alsde ftenen met 
verfcheide koleuren door de Natuur gefchildert 
zyn ‚beftaan zy zomtyds uit verfcheide fteen- 
zelfftandigheden , van de welke zommigedoor 
vuur in kalk, en andere in een glafachtigheit 


__Overgaan: Zommige worden ook verinytert, of 


í 
IN 


Tt Er 


Á 
j 
Í 


n 


if 
4 


… «aderen, of fpikkels , golvingen enz. Waar 
G 


van de lucht uitgegeten , en geraken daar door 


wel enige koleuren kwyt. Dit heeft zelfs plaats 


in zommige edete en duurbare gefteentens, Maar 
de lezer diend wel te verftaan het groot onder- 
fcheit tuflchen de gemmen, en die edele gefteen- 
‘tens,dewelke geen gemmen zyn. Want onder de 
Taafte worden zelfs ftenen verftaan , die in veel 
waarde maar echter zeer zagtzyn. Als wy ook 
zeggen , dat de koleuren van zomtnige edele ge- 
fteentens door den tyd verfchieten,moet hier niet 


_âltyd verftaan worden den tyd van eniger men- 


„fchen levens , maar dikwils enige euwen, ge- 
Aykals blykt aan zommige gegraveerde edele fte 

nen der aaloude volkeren, enz. 26. 

De verfcheidendheid der koleuren is zodanig 
val gemeen zelfs inde grove berg-ftenen en Sa- 
“xe, dat wy naauwelyks enig gefteente zullen 
svinden, in het welk niet komen door telopen 
„of enige gekoleurde plekken , of naden , of 
v…VIL Deer. 


door 


98 Natuure en Konft-Kabinet,_ 
door genoegzaam komt &e blyken.„ dat de See 
xes, za wel als de kryftallen , gemmen „en 
alderhande edele gefteente groeyen , gevoed 
en gekoleurd worden door vloeibaare licha- 
men of mineralifche dampen Tuffchen Gaf- 
para en Roncaglia vyn zelfs in de grove Saxes 
zulke fchone en aangenaame koleuren voor het 
gezicht, dat de (teen-werken , dewelke in de 
gebouwen van de zelve gemaakt worden, met 
hunne koleuren zelfs de fchoonfte verwen uit- 
tarten. By Bedoglio in het Cafpaner gebergte , 
en tuffchen de beide berg-wateren Mazeno en 
ovate worden enige fteeugroeven gevonden, 
met een fchone Blaauwe koleur als ultra ma- 
rin, Deze (teen is zo hart en beftendig., dat 
van dezelve gemaakt worden kruis kozynen 
voor de vengfters, en kozynen voor de deu- 
ren zo wel in huizen, paleyfen , als kerken. 
Die de fchoonfte van koleur is word gevon- 
den onder * gebied van Bedoghio digte by het 
huis del Saflo. Wy gebruiken diergelyke 
blaauweftenen in deze landen tot Serken,trap- 
pen , ftoep ftenen , vloer-ftenen , tomben enz. 
Buiten deze worden in het land der Grifonsen 
zeer veel andere landen verfcheide Saxes met 
aangename koleuren gevonden. In het Bither- 
dal word gevonden fchone rode fteen, diezo 
hard is dat zy vyzels en ftampers van dezelve 
konnen maaken. Tuffchen Cafpanoen Rox- 
eaglia is een berg in dewelke een fteen groef is 
van gefprenkelde fteen die zeer aangenaam is 
om te zien. Zy maken vanldezelve alderhande 
kozyns, tot deuren , vengfters het welk zeer 
fchoon voor ’t gezigtis. De Galanda-berg , 
door de welke de Pundten en het SA, 
p 


_Auguflus December, 1722» 99 
land ‘gefcheiden worden , geeft een fteen uit 
dewelke een koleur heeft als rood fermilioen. 
By Cafaccia in ’t Bergeller-dal , is een rouw 
gefteente het welk geel van koleur is, en zom- 
tyds in zich befluit (tukken van Blinkende talk= 
fteen. Op Chaumont een berg by Neufchatel 
is een wit gefteente dat zeer geeftig gemarmert 
en met alderhande ftreken en Cirkels geteikent 
ís. “In deze teen worden zomtyds gevonden 
_alderhande zoort van horentjes en kruikjes „ 
_ dewelke de Heer Scheuchzerus overblyfzels 
vân de zunt-vloed oordeelt tezyn. In Ne- 
uenburg en in daar omtrent gelege plaatzen 
„worden de huizen geboud van een fteen die 
geel van koleur is, en uit ronde zant-korleu 
beftaat , onder dewelke kleine ftukjes blinken- 
de ftof vermengt zynr Wy zouden geen ein- 
de krygen als wy alle de berg-ftenen of Saxes 
met onderfcheide koleuren wilden befchryven. 
__Het is genoeg dat uit deze aangehaalde waar- 
nemingen komt te blyken , dat de Natuur vee- 
_ le en verfcheide wyzen gebruikt in het groeyen 
_ of te zamenftellen van de ftenen. Want dat 
„de aanwas vande zelfftandigheid van een fteen 
die uit zantkorlen en uit blinleende ftukken be- 
ftaat , geheel anders gefchied , als de aanwas 
_ en de voedingen van een fteen die uit zeer 
fyn grein , of uit een zeer digte en leverachti- 
__ge zelfftandigheid , of uit een poreufe of tocht 
_gatige gefteltheid of uit alderhande golven be- 
__ftaat , of door naden en ftrepen aanmalkan- 
_der gehegt word iseen zekere waarheid. Want 

_ alle deze en meer andere byzondere hoedanighe- 
__dender ftenen geven ef an te kennen,dat 


B 2 zy 


zoe _ Natuurea en Konft-Kabinet, 
zy op byzondere wyzen komen te groeyer. 
Zommige fteen-zappen zyn zo ongemeen be- 
vrugt van fteen-ftof , dat zy door een enkelde 
ftremminge , zo ras als zy im de open lucht 
komen binnen korten tyd in harde ftenen ver- 
anderen. Gelyk als wy van deze zaak voor 
dezen in ’t Natuur-en Konft-Kabinet een aan- 
merkelyk voorbeeld hebben bygebragt van een 
bron in Amerika , wiens water in de open 
lucht komt te veranderen in een doorfchynende 
en zeer harde (teen , van dewelke zy aldaar 
beelden en alderhande Czeraden maken , al- 
leenlyk met het fteen-water in vormen te la- 
ten (lremmen. Tot zodanig een fteenwordin- 
ge fchynt alleenlyk maar nodig te zyn , of 
dat de dunne en vloeibare water-delen, of an- 
dere bewegelyke delen uit het fteen zap in de 
openlucht komen uit te wazemen, of dat uit de 
lucht in zodanige wateren-en zeer vloeibare 
fteen-zappen enige fyne en te gelyk ftevige dee- 
len komen in tedringen „en de fteen-{tof zoda- 
nig aan malkander te hegten , dat dezelve zy- 
ne vloeibaarheid verlieft, en in een hard én dig- 
ter in malkander verenigt ligchaam overgaat. 


a 

De manier door ke verfcheide zaken 
in fteen veranderen , of verlteent worden is 
verfcheide. Fallopius zegt, de flof door de- 
welke verfcheide zaken, als planten , bladen , 
houten in fleen verandert worden is een fleen- 
zap , hetwelk geftremt zynde in dezelfde fleen 
overgaat welkers zap het te voren was, Dit 


flean-zap is twederley , of zuiver of onzuiver. 
Het 


Auguftus December 1722. iot 
Het zuiverfteen zap is klaar en helder en veran. 
dert in zuivere fléen als het komt te flremmen. 
Zommige fleenzappige wateren Zyn niet zoda= 
nig zuiver ‚maar vol frof, en afvylzel, of af- 
fthaafzel van fleen, als uit zodanige wateren 
flenen groeyen , zyn die flenen van de zelfde 
natunr , als de flenen van dewelke deze af- 
fchaafzels gekomen en 

28. 


Als onder de ftremmende fteen-zappen ge- 
vonden worden andere ligchamen, als blade- 
ren van bomen, vrugten , houten, horens , 
fchulpen , delen van dieren zz/eten enz. kan 
het niet anders zyn , of dezelve worden in de 
fteen-ftremminge ook te gelyk bekloncken in 
den fteen. Als zodanige fteen-zappen zeer 
door-dringendeen pezetrant zyn, gelyk als by 
voorbeeld het zap van de vuurfteen , kan het 
ook lichtelyk gebeuren, dat zy komen te drin- 
gen in de raimtens en togtgaatjes van de lig- 
chamen , dewelke in hen omfwerven , waar 
door die ligchaamen dan ook te gelyk: verfteent 


worden. Als ook onder een ftremmend fteen- 


zap gevonden worden fteen-zappen die van een 


andere natuur zyn , konnen wy zeer lichtbe- 


grypen dat uit zodanig te zamen gemengde fteen- 
zappen {voortkomen ftenen van verfcheide ko- 


leuren, golvingen en zelfftandigheden. 


! 29. 
_ Buiten en behalven de fteen-ftremminge uit 


___vloeybaar fteen-zap, konnen wy ook noch we- 


derom een andere wyze van fteen-wordinge 
begrypen. By voorbeeld als enige vette, lymi- 
| G 3 ge 


sor _Natuur- en Konfl-Kabinet 


xnineralachtige, of zagt-aardachtige ftof, in de 
bergen gevonden word, of in dezelve komt 
te groeyen „en dat te gelyk uit die bergen wor- 
den geitookt metaalachtige, vitrioolachtige , 
fwavelachtige „ zalpeterachtige , of andere fy- 
ne uitvloeizels , die zeer doordringende en r#- 
gide van delen zyn , en dewelke door de on- 
deraard{che warmte gedurig opgevoert werd; 
werden de pypjes van zodanig een zachte aar- 
de vervult, en dezelve op die wyze door 
den tyd tot een zeer vate , harde en-dicht- * 
fteen gemaakt, Als nu zodanig een zagte 
aarde , met andere aardens van verfcheide 
zelfltandigheid , en onderfcheide hoedanig- 
heden gemengt is , konnen wy zeer wel 
verftaan , dat de fteen in dewelke zy komt 
te veranderen ook of van verfcheide koleuren, 
of golvingen , of zelfftandigheden moet zyn ; 
of als zodanige aarde met dunne lagen op mal- 
kander legt , kan het wel gebeuren, dat de- 
zelve, in (teen verandert zynde, deszelfs laags- 
of bladers- gewyze gedaante behout , en dat 
tuffchen de ruimtens van deze lagen, zich an- 
dere ligchamen van de gemelde dampen kome 
in te wikkelen en te (tremmen in de ftoffelyk- 
heid en gedaante van kwertzen, of andere we- 
zens, die zich dan komen te vertonen als na- 
den, door dewelke de lagen van de ftenen aan 
malkander fchynen gehegt te zyn. Behalven 
deze zyn noch een groot getal andere manie- 
ren, van dewelke de natuur zich komt te be- 
dienen in het voortbrengen der ftenen. 


30. 


Auguftus m— December 1722. 103 


30, 

Behalven dat wy in zommige ftenen vinden 
een ongemeene digtheid en fynheid van grein 
gelyk als ook een beftendigheid, vaftheid en 
fterkte, zyn zommige van zodanig een So/idí= 
teit , als of, dezelve beftonden uit gegoten 


_ of gefmeet metaal. Gelyk als by voorbeeld 


het gefteente dat metrecht den naam van Pot- 
te-lteen toekomt, om dat uit dezelve gedraayd 
worden potten, fchotels „en alderhande keuken 
gereed{chappen. De potten, ketelsenz. die uit 
die (tenen gedraaid worden , zyn zo dun en 


‚ net, als of dezelve gefmeet waren. Ook zyn 


dezelve bekwaam om alderhande ípyzen in te 
koken , en te bereiden op het vuur. Deze fte- 
nen worden op verfcheide plaatzen gevonden 
als in de pundten , in het Loggarnefche , en 
aldaar in ’t verzafcher dal. In monte di la- 
vazzi, en opandere plaatzen volgens de waar- 
neminge van den Here Scheuchzerus en an- 
dere. Uit de Soliditeit van dezen fteen blykt 
BEES dat dezelve voortkomt van een 
of ‚die ongemeen leemig en taay is, 


31: 

Als de (tenen wat grof van korlen zyn, word 
aan dezelveden naam gegeven van zand-fteen, 
tot onderfcheid van alle andere ftenen, Als 


Wy de zand-{teen by de potte-fteen of andere 


taye en leverachtige ftenen vergelyken word 


— tuflchen dezelve een groot onderfcheid gevon- 


den , om dat de zand-fteen gewoonlyk zeer 
brofch en licht omte bewerken is. Als wy 
G 4 het 


zo4 Natuur-en Konft-Kabinet , 
het zandt zeer naukeurig met het vergroot glas 
bezien gelykt elke zant korrel zeer wel na een 
bal van doorfchynende kei-fteen. De zant- 
fteen is teer onderfcheiden. Want deenezant- 
fteen is veel fynder van zant korrel als de an- 
dere. De zant-{teen word ook onderfcheiden 
door deszelfs verfcheide koleuren, als ook door 
deszelfs meerder of minder brosheit. Zom- 
inige zant-{teen is zodanig open en tochtga- 
tig, dat wy door dezelve onzen adem kon- 
nen door blazen. Ook verfcheelt de fant- 
fteen veel van malkander in meerder of minder 
ftoffelykheid. Want de ene zant-fteen is veel 
fwaarder van gewigt als de andere. De zant- 
fteen is ook zeer ongelyk in hardigheid of 
zagtheit. Zommige zant-fteen laat zich zeer 
licht aan ftukken flaan door een zagte hamer- 
flag , in anderen is wederom het zand veel 
beftendiger aan malkander gehegt. Als de zant=- 
korrels elk op hen zelve los leggen noemen 
wy dezelve zant. In het algemeen konnen wy 
van de zant-{teen befluiten, dat dezelve beftaat 
uit twederley zelfftandigheden, als uit een kei. 
fteenachtig of glafachtige zelfitandigheid, dien 
wy zant-korrels noemen , en uit een weinig 
lymiger zelfs(tandigheid ‚door dewelke de zant- 
korrels aan malkander gehegt worden. Als 
de natuur deze twe zelfsftandigheden in een 
wezens-band komtete verbinden , word daar uit 
dezant-fteen voortgebragt. Het zant fchynt wel 
overeenkomft te hebben met het zout , want 
uit vaft-zout en zant maken wy glas. Ook 
vinden wy verfcheide zant-fteen die ziltig van 
fmaak is. Als wy dan begrypen dat de na- 
tuur 


ARES SPNA 
} 


__Auguftus December 1722. xO5 
tuur een zeer helder , doorfchynend en keifte- 
nig fleen-zap gebruikt, tot het Aryftallszeren 
van de keiftenige zant-korlen , en een ziltig 
en lymig zap om deze kriftallen aan malkander 

_te verbinden, konnen wy begrypen de manier 
dewelke de natuur gebruikt in het voortbren- 
gen van het fteengewas , dat wy zant-iteen 
noemen, Dat het bindvogt van de zanr-{teen 
een ziltige {tof ís , blykt uit de ziltige (maa- 


‚ken, ook daar uit , datde zant-{teen niet al 


te veel tegens de natte lucht kan, maar door 
den tyd in dezelve brofzer ja zelfs verbroken 
word, Dat de zant-fteen groeit uit een enig- 
zints lemige en ziltige (tof, en uit een door- 


4 fehynend key-fteenachtig fteen-zap ; zal ik 


na dezen klaarder aanwyzen , als ik van elke 
zoort van (teen in het byzonder kome te han- 
delen. Als wanneer ik ook zal befchryven 
de verfcheïde zoorten van zant, als rood-zant, 
geel-zant , {wart-zant . bruin-zant, blinkend- 
zant , fyn-zant , grof-zant enz, 

É, 

Wy geven aan een Bees zoort van Saxe 
de naam van Zopbus. De Hoogduitfchers 
noemen den zelven toff-fteen of ook Tug- 
fteen. Door dezen naam worden ook bete- 
kent alle fteenachtige zetzels , die zich in de 
wateren afleggen. Daarom word de Zophus 
gevonden in de Badftoven en kanalen , door 
dewelke de mineraalachtige wateren komen te 
vloeyen ; om welke reden zy ook zomtyds 
bad-fteen genaamt word. Zommige Bronnen 
en bad-wateren zyn zodanig met deze {tof ver- 

vult , dat zy’ er daar hunne wateren 


5 vloey- 


roó6 Natuur en Konft-Kabinst, 


vloeyen Zophus afleggen. Als de Zopbus eerft 
uit de grond genomen word , is de zelve 
matiglyk week , en laat zich lichtelyk fnyden 
of kappen ; maar als dezelve zo lang in de 
lucht gelegen heeft , dat dezelfs waterachtig- 
fte delen uitgewazemt zyn , word de Zophus 
hart. Het is aan den Zophus zeer eigen in zich 
te houden fchelpen , kruiken, bladeren van Bo- 
men „die ftenig en zodanig net uitgedruktzyn, 
dat de aderen en Fibren der bladeren noch ge- 
noegzaam onderfcheiden konnen worden. De 
Zopbus is dikwils week, grof, korlig enon- 
bekwaam om tot het bouwen te gebruiken als 
onder dezelve gevonden worden veel zand- 
achtige en grove aardachtige deeltjes , die niet 
wel gemengt zyn. De Zophas groeid ook wel 
inde bergen. In het kanton Zurich word zeer 
veel Zophws gevonden. Na de getuigeniffe 
van den Here Scheuchzerus word by het dorp 
Stallikon een gehelen berg den Stieren-berg 
genaamt van Zopbus {teen gevonden, in de- 
welke alderhande Bladeren en andere zaken 
gevondémsworden die verfteent of met fteen 
begroeid zyn. In Schwamendingen in het 
zelfde kanton Zurich word een fwarte Zo- 
phus fteen gevonden die na tteen oly ruikt, 
by Rorbas in het het zelfde gebied van Zurich 
word een water gevonden , door het welke 
de molens bewogen worden. Dit water legt 
een Tofus-{teen af die zeer hart en blinken- 
de is. Deze Tofus-fteen groeid aldaar in al- 
derhande geeftige gedaantens. De Bucher beek 
die van den lager berg af vliet, bedekt alles 
met een fteenachtige ftreek. In poa in ’ 

om- 


SHEN 
leak 
ch 


al, 


Auguftus December x722. 1o7 
Domlefcher-dal worden de houte water ka- 
nalen overtrokken met een tufltenige tof die 
zich zodanig vormt , dat zy naderhand zelfs 
te ortenftein tot waterleidingen gebruikt wor- 
den. By Soglio in * bergeller-dal zet zich een 
Zophus die geel-rood van koleur is , en de 
gewafzen zo geeltig overtrekt als of het koraal 
was. Het is geen wonder dat de Zophus van 
alderhande gedaante gevonden word , want 
dezelve fchikt zich na de gedaante van alles 
daar zy aan komt te zetten. De plaatzen daar 
de T'ofus-fteen gevonden word zyn ontelbaar. 


33° 

_De Zophus is in ’t gemeen licht van gewigt 
en zomtyds zo wel te bewerken, dat van de= 
zelve alderhande werktuigen konnen gemaakt 
worden. Voornamentlyk de witte Zophus, die 
in veele landíchappen van Italien gevonden 
word. In het gebied van Mannesfeld worden 
van de tofus-fteen opgemaakt gehele muren en 
fortificatien. Te Stolberg by ’t Hercyníche 


___woud worden forzuizen van den tofus-fteen 


gemaakt. In Campanie word ook zeer veel 
tofus-fteen gevonden die fwart en ook ande- 
dere die rood is. Op zommige plaatzen word 
kalk van de tofus-fteen gebrand. Wy behoe- 
ven niet te twyfelen dat de meefte fchulppen, 
kruiken en horentjes van de horens en fchulp- 
pen der viffen diezo overvloedig in de zeen ge. 
vonden worden tofus-fteen zyn. Want deze 
hoornen fchulp-viffen worden alderovervloe= 
digft en aldergroots gevonden , omtrent zo- 
danige zee-boorden , daar veel fteenrotzen ee 

€ 


= 


108 Natuur-en Konft-Kabinet, — 


ftenige gronden zyn. Want dat de fchalen , 
fecberen, fchulppen, kruiken en horens der vif- 
fchen als ook de koralen en andere fteenige 
zee-gewaflchen komen te groeyen van de fteen- 
ftoffen die door het zeewater opgelofcht zyn 
geworden , van de mergels en fteenachtige 
zelfsftandigheden der fteen-rotzen en fteen- 
gronden , zal niemant twyfelen die acht geeft, 
dat tuffchen de rotzen en klippen van Noor- 
wegen ‚ zo ongemeen veel kreeften gevonden 
worden : dat in de fteenzappige rivieren zo veel 
rivier kreefjes daaglyks aangroeyen : dat inde 
rode zee by teng Arabien zulke grote kink- 
horens gevonden worden : dat de ftranden van 
de Indiaanfche Eilanden die fteenrotzich zyn 
krielen van alderhande hoorn-viffen, Schelp= 
viflen ,Schild-padden enz, 


34 

De Pyrites of annen is een fteengewas, 
het welk myns bedunken regt tegens de T'ofus 
overftaat in * geval van de verfteninge der 
vremde ligchamen. Want het fteenzap van 
het welke de vuurfteen groeid , is zo onge- 
meen doordringend en fcherp, dathet allean- 
dere ligchamen , door de welke het komt te 
dringen , zo wel inwendig als uitwendig in 
harde vuurfteen verandert ; daar in tegendeel 
de T'ofus altyd maar uiterlyk korftgewyze aan 
of op de ligchamen komt te groeyen. Het 
is wel waar dat zommige ligchamen als bla- 
den van bomen, zeer teder hout, vrugten enz. 
wel geheel in T'ofus overgaan en veranderen, 
maar zulks gefchied maar om dat Wer 
en 


an ae 


Züguflns mamma December 1722. TOG 
delen te week zyn, en verteert en weg ge- 
fchoven wordende de deeltjes van de Zepbus 
zich in derzelver plax:s hebben gevoegt. Het 
fteenzap van het welke de Pyrites of vuur- 


fteen word voortgebragt is zo ongemeen door- 


dringend. en fteenftrermend , dat door het 
zelve gehele ftammen „en grote takken van 
bomen, zee egeltjes, kreeften , beenderen van 
dieren , vrugten , noten, zaden, en veel an. 
dere zaken verandert worden, in vafteen harde 
vuurftenen. Als de ligchamen , dewelke door 
het zap van de tofùus-{teen in {teen verandert 


“ zyn, aanftuk worden geflagen of geopent, 


zal het zomtyds wel gebeuren dat dezelve van 
binnen hol zyn. om dat deïinwendigheid en zelf- 
ftandigheid van het wezen „ dat in tofus-{teen 
verandert is , van te voren: beftonde of in een 
vogt , of marg , of vleefachtigheid , dewel- 
ke , vergaan zynde „deze holligheit komt na 
te laten. Maar als de ligchamen die door het 
fteen-zap van de vuur-fteen in {teen verandert 
zyn , worden doorgeflagen , zyn dezelve van 
binnen zo wel vervult, en in vuurfteen ver- 
andert als van buiten. . Dewyl het fteen-zap 
van de vuur-fteen, om deszelfs {cherpheid en 
doordringentheid , deze holligheden vervult 
en aldaar in vuurfteen verandert. 


35: 
„De vuurfteen is eigentlyk een fteengewas het 
welk zeer metallyn, en in dat opzicht ook van 


‚ zeer veel andere fteengewaflen onderfcheiden 


is, Als de vuurfteen geflagen word geeft de 
zelve niet alleen uit vuurvonken „maar ook 
zelfs 


16 … Natuur- en Konft-Kabinet, 
zelfs een: reuk van fwavel, De’ vuurfteen 
groeid in alderhande gedaantens , en byna in 
alle de metaal-groeven, en op meeft alle plaat- 
zen daar fteen gevonden word. Wy konnen 
de vuurfteen tot een zeer bekwaam voorbeeld 
bybrengen om te bewyzen de veelvuldige en 
verfcheide manieren „ van dewelke de Natuur 
zich komt te bedienen in het voortbrengen der 
fteen-gewafzen „ en om te bewyzen „ dat de 
meefte ftenen komen te groeyen tot bepaalde 
gedaantens. Het is ook een zeer grote byzon- 
derheid in dit geflagt van de fteengewaffen , 
dat het zelve zo ongemeen vol vuur is „ dat 
de zelve door hetfterk vryven veel eerder heet 
word als de andere {tenen , en deszelfs hette 
ook vry lang behout… Wy konnen de vuur- 
fteen door het fterk-vryven zodanig heet ma-= 
hen, dat wy onzehanden aan dezelve konnen 
branden. De fnelheid van de vuurfteen in het 
verwekken van vuurvonken is by elk een be- 
kend , om dat dezelve over al gebruikt word 
op de {naphanen „ en tot het aanfteken van 
tonder. Zommige vuarfteen is metaalryk , 
want wy vinden vuurfteen in dewelke veel 
koper en ook zelfs wel zilver en goud ge- 
vonden word. Maar in de meefte vuurfteen 
word gevonden of zeer veel {wavel , of vi- 
triool, In Italien zyn ongemeen veel fwa- 
vel mynen die van vuurfteen geworden zyn , 
en dat de fwavel niet anders ís als door de 
Natuur gecalcineerde vitriool, hebik voor de- 
zen al verfcheide maal aangetoont. Als wy 
dan in het fteenzap van de vuurfteen komen 
aan te merken , de doordringende en fyne de- 
len 


Ee NES VE BANE 


Auguftus — December vpz2: za 
fen van de fwavel , en de te zamenvringende 
en fcherpe delen van de vitriool, konnen wy 
zeer licht begrypen de reden, waarom het 
fteen-zap van de vuurfteen zo ongemeen door= 
dringend en fteenftremmend ondervonden 
werd, 


pn kl 36. 

‚Dat de vuurfteen op verfcheide manieren en 
tot verfcheide aanmerkelyke gedaantes komtte 
groeyen, is een waarheid die van geen kundig 
Liefhebber der Natuurlyke Hiftorie ontkent 
zal werden. Zommige vuurfteen groeid in 
de gedaante van tafels , die aan beide kanten 
een fchors hebben. Deze fchorzen zyn wit 
en laten zich licht in kalk branden , maat 
het merg , dat tnffchen de beide {chorzen is , 
word veel harder en doorfchynende bevonden, 


en laat zich door ‘het vuur fimelten gelyk alle - 


de keyftenen van de welke. wy glas maken. 
Zommige vuurftenen groeyen in de gedaante 
van ronde bollen ; van dewelke zommige in = 


_„wendig in het middelpunt een merg hebben , 


het welk van dezelve zelfftandigheid is als de 
„witte fchors. …Tuffen, dit mergren de fchors 
Âs-dan de doorfchynende-zelfftändigheid , die - 
ich ook inhet vuurlaat {melt en „terwyl hetbin= 
nenfte merg en de fchors in kalk overgaan. 
„De lezer ‘kan een regt denk-beeld: van deze 
ftenen vormen, als hy dezelve vergelykt by 


seen appel , en de fchors als de fchel het bin- 


„nenfte merg als-het klokhuis , en de doorfchy- 


_ shende keyftof als het vleis van den appel in 


szynen geelt befchouwd. Als wy komen te 
x {preken 


€12 _Natuur= en Konft-Kabinet ; 
fpreken van de manier van groeyen der kegels. 
ftenen , die voortgebragt worden van de ne 
derhangende druppels , die van de ftenen ko= 
men af te druipen , op de manier als de yf- 
kegels, dewelke van het afdruppend water 
komen te bevriezen, zal de lezer klaarlyk ge= 
waar worden, dat deze witte {chorfen van de 
vuurfteen moeten aangemerk werden als de 
_ wortels, door dewelke de doorfchynendezelf- 
ftandigheid des vuurfteens gevoed werd ; en 
in de ronde vuurfteen in de welke in het mid- 
den een wit merg , en buiten om een dierge- 
Iyke witte fchors gevonden word ‚moet dit 
merg jen de uitwendige fchors aangemerkt 
worden , als twe wortels , door de welke 
de kryftallyneen doorfchynende zelfftandigheid 
dier ronde vuurfteen gevoed word. Demaniet 
door de welke zodanige vuurfteen uit zyn bine 
nente middelpunt , namentlyk het inwendig 
kalkachtig merg , als uit een wortel kan ge= 
voed en zelfs groter gemaakt worden ; zal de 
Jezer konnen verftaan op die plaatzen ; daar 
ik zal aanwyzen hoe verfcheide ronde ftenen, 
komen te groeyen nit het middelpunt als uit 
een zaat , zonder dat zy uitwendig enige moer, 
hebben, of enige wortel , ofbafs van noden zyn. 
-„Zommige vuurftenen zyn ook welfrond;gelyk. 
als de bovengemelde, maar echter zonder in- 
wendig merg van binnen. Deze worden al- 
leenlyk maar door hunnen vitwendigen fchorts 
gevoed. Van de vuurfteen de welke van buiten 
yzerroeftig en met kryftallyne punten als ge- 
flepen Diamanten en van binnen als goude 
ftarren of zilvere ftralen groeyen, hebik reets 
gefproken. 37 


en be A 


Angus} == Dédmbèr, 122. à Ed 
MEIS CHP DON AEN O EE NEEN ztL- Ver? 
ef OE 100 % tif ® ‚Esch Ë Ì 
_ De Pyrites of Swavel-key of vuurfteen is 
“zo wel van alderhande koleur als gedaante. De 
Heer Scheuchzerus heeft in zyn Kabinet van 
Naturalia een goet getal van de zelve by een 
vergadert , die wel voornamentlyk in Swit- 
zerland , en in de Alpifche gebergtens komen 
te groeyen ; als onder anderen een goutkleuri= 
vuurfteen , de welke groeid in de Aderen 
van marmer dat afchgraauw van koleur en 
met fwarte aderen voorzien is uit de Heer- 
fchappy van Hohen-Say in de Alpes. Een 
tafels gewyze zulver koleurige keyfteen , uit 
Neder‘ weningen. Verfcheide ftukken vuur- 
fteen die kluitachtig zyn infgelyks van Neder- 
weningen. Vuurfteen de welkevitriool voort- 
brengt uit Rapfnach aan de zee van Zurich. 


Deze flenen ( vegt de Heer Scheuchzerus ) 


_ fweten vanzich zelfs vitriool nit in de gedaante 


van bairen , als zy in een vogtige lacht gelegt 


worden , en worden zelfs door de tyd zodanig 


wan de lacht opgeloft,„dat zy tot poeder vallen. 
Van diergelykevuurfteen fpreekt ook Agricola 
op verfcheide plaatzen , dewelke my nu niet 
infchieten. Wy mogen deze vuurfteen vryelyk 
aanmerken voor een vitriool-erts. Want Wag- 
nerus verhaalt by de Heer Scheuchzerus dat uit 
deze fteen kan gehaalt worden een vitriool die 
in kragten en deugd voor die van Hongarien 
geenzinrs behoeft-te wyken. Zelfs heeft de 
Heer Scheuchzerus uit deze keyfteen na dat 
dezelve tien jaren gelegen hadde, en in de zon 


_gecalcineert was , gehaalt 43 onfen groen-blaú- * 
VIJL. Deer. _H we 


sr4 — Natuurs en Konft-Kabinct, 
we vitriool uit maar 28$ onfen fteen. De vuur-, 
fteen groeid in verfcheide ander gefteente. De * 
Heer Scheuchzerus heeft ook in zyn uitmun- 
tend kabinet Cubifche of teerlings gewyze vuur- 
fteen , die in fwart marmer gegroeid is te Hirs- _ 
landen. Als ook yzerachtige keifteen die rond’ 
van gedaante en rondom met vierkante uitfte- 
kende pyramyden gegroeid is. Ook plat ge- 
groeide vuurfteen , die de gedaante heeft als 
dunne bladeren en in een zandachtige Saxe 
groeid by Steinerweg : vitriool fchietende vuur- 
fteen die van binnen ftrekig en meteen yzer 
roeftige korft gegroeid is in een zandachtige 
Saxe by Steinerweg. Uit den Ligerberg wor- 
den ook yzerdragende vuurftenen gehaalt van 
alderhande figuren „alseen menfchen hart, een 
maag enz. uit de rivier Aigle in't Kanton Bern 
worden gehaalt achtkantige fwavel ftenen. Uit 
de Alpes een vuur-fteen die de gedaante van 
’s menfchen harzenen verbeeld : uit het Grín- 
delwoud in ’t kanton Bern fwavelkey die aan 
graauwe Saxe van buiten aangegroeid is. 
Twaalf kantige vuurftenen uit den berg For- 
claz in Bern. Teerlings- of Cubifche gedaan- 
tige vuurfteen van een goud gele koleur en 
gegroeid in een {warte en {chilferig Saxe infge- 
lyks in ’ kanton Bern- Ook vuurfteen die 
gegroeid is in afchgrauwe Saxe met witte 
kwerts. Vuurftenen die gegroeid zyn in fwart 
achtige Saxe die met kwerts doorfprengt is. Vi- 
triool dragende vuurfteen in een ruuwe Saxe, 
die met oker befprengt is , en nog verfcheide 
andere gedaantens alle groeyende in’t Kanton 
Bern. 

38. 


[ad 


a vak 


| “Auguflús == Dever zoa. Eis 


Ent 
8. 


ki \ ti 3 E 
Uit deze aanmerkinge blykt openbaarlyk ; 


Alt 


fieen legt ingewikkelt 4 een afchagtige Saxe; 
ke 5 


zr dat de vuurfteen tot verfcheide geometrifche 
en bepaalde gedaantens komt te groeyen : a 
dat de. Pyrites of vuurfteen draagt fwavel , 
vitriool , yzer, koper, enz. 3 Dat de vuur- 
tteen in alderhande zoort van grove ftenen of 
Saxes komt tegroeyen :4 Dat de vuurfteen ook 
van buiten aan verfcheide Saxes aanvliegt of 
uitwendig komt als aan te waflen: 4 Dat de 
vuurfteen alderhande koleur komt aan te ne- 
men :6 Dat alle zoort van vuurfteen juift niet 
komt te groeyen tot een bepaalde gedaante ; 
gelyk ook in * Kanton Uri vuurfteen gevon- 
den word van een veelhoekkige gedaante ; 
gelyk als ook in het zelve Kanton waterkey- 


en die veel hoekig van gedaante en zulver- 


glanzig van koleur zyn ; in ’ Kanton Schweitz 
veel zydige en klootsgedaantige vuurfteen 5 
In’t zelfde Kanton vuurfteen van een platron- 
de gedaante met een yzerroeftige fchors , die 
gevonden word in den langen reinbeek , in 
welke beek ook gevonden worden vuurkeyen 
die een Cylinderfche figuur hebben. In het 
zelfde Kanton Schweitz word ook omtrent 
vyf uren van Lachen vuurkey gevonden die 
goutkoleurig en veelhoekig van gedaante is. 
Deze is aangegroeid aan een bladerige Saxe. 
‘Klootgedaantige en goudkoleurige vuurfteen 
word ook gevonden in Weggit-dal in ’t zelfde 
Kanton ; ook teerlings gedaantige vuurfteen, 
die yzer draagt in tzelfde Dal. Deze vuur- 


vok 


z16 _ Natuur-en Konft-Rabinet 
ook inde Schweitzer Alpes andere teerlings 
edaantige vuurfteen ; insgelyks kleine vuur- 
teentjes die yzerachtig en klootgedaantig zyn. 
In ’t Kanton Appenzell vuurfteen die van een 
teerlings gedaante is,ook van een twaalfhoek- 
kige gedaante. In’tlandíchap Pundten wer- 
den gehele Saxes gevonden van vitriool dragen= 
de vuurfteen op een zeer hogen berg. Uit deze 


gronden vloeid ook een vitrioolachtig water. _ 


In het zelfde landfchap ook twaalfzydige vuur- 
fteen van den berg Daira in Bergell. In Pund- 
ten niet verre van Filifùr word ook gevonden 
koperdragende vuurfteen. Als ook klootge= 
daantige vuurfteen van binnen meteen gulden 
koleur, en inwendige ftralen die van het mid- 
delpunt des fteens gaan en een yzer roeftige 
fchors hebben. Uit de bronnen van den ach- 
ter Rhyn word gehaald een talkachtige Saxe, 
die met teerlings gedaantige vuurfteenen be- 
vrugt is. Uit zommige ertsgroeven in de 
Pundten worden ook gehaalt vuurftenen die 


als met een faffraanachtige koleur doorvloeid- 


zyn. Uit de rivier Domlefchg worden gehaalt 
vuurfteenen die zeer net de gedaante van een 
dobbelfteen of teerling vertonen. Zy groey- 
en in fwart marmer. Op den Galandaberg 
word ook vuurfteen gevonden met twaalf zy- 
den. In de Walliffer Alpes word ook een 
gulden twaalfzydigen vuurfteen gevonden ; 
en op de hoogfte Alpes vuurfteen , die de ge- 
daante van dobbelftenen vertonen. In ’t graaf- 
fchap Neuff{chatel word byna overal gevonden 
vuurfteen die vitriool draagd. Deze is graauw 
van koleur en legt meeft in blauwachtige 

se mer- 


Ae: ZAK 


_ Auguflus — December 1722. 117 
mergel. In de Heerfchappy van Engelberg 


_ word zulverkleurige vuurfteen gevonden in 


een zeer harde Saxe , die met rode en gele y- 


_zer-oker befwangert is. Als ook vuurfteen 
_ uit de welke uitfpruit of uitfweet vitriool en 


ook mify. Dat een bloem van de vitriool is, 
het welk ik nader zal aanwyzen alsik komete 
handelen van de MELANTERIA, SORY, 
CHALCITIS en de MISY. het welke alle 


_verfcheide uitfpruitzels of producten zyn van 


de vitrioolagtige ertíen en zamentrekkende 


_ vitriool-zappen. De bovengemelde zoor- 


ten-van vuurfteen en fwavel-key , benevens 
noch verfcheide andere worden alle gevon=- 
den in het uitmuntende Kabinet van den Heer 
Scheuchzerus. 


39. 

Om dat wy in ’tgemeen den naam van vuur- 
fteen gegeven aan die keyftenen en andere har- 
de ftenen dewelke met {taal geflagen zynde 
vuurvonken komen uit te werpen , hebben ve- 
sle aan de overalbekenden molenfteen den naam 
van vuurfteen gegeven. Om dat de zelvege- 
flagen zynde zeer veel vuurvonken uitwerpt. 
Dewyl ook in de molefteen voornamentlyk 


in die van Ítalien zeer veel fwavel gevonden 


word, kan dezelve met recht onder de vuur- 
fteen geftelt worden. De molefteen is een 


__van de verwonderens waardigfte fteen-gewaflen 


van alle die in degehele natuur gevonden wor- 
den.Ik ben zeer verwondert,dat de fchryvers van 
deftenen zo weinig aandagt op de molenfteen 
gegeven hebben. De molefteen is ongemeen 
fwaar van gewigt , en nochtans zodanig tocht- 


ks H 3 gatig, 


118 Natuur- en Konft-Kabinet. 


gatig, dat wy met onzen adem door defzelfs 
dunne ftukken enigzints doorblazen konnen. 
De molefteen is bros, en laat zich aanftuk- 
flaan. De ene molefteen is veel {ponfachtiger 
als de andere , gelyk als die van Sclavonie. 
Wy geven aan dezen fteen of grove Saxeden 
naam vaa molefteen om dat dezelve gebruikt 
word tot het malen van het koren , daar de- 
zelve om deszelfs rafpachtige hardigheid zeer 
bekwaam toegevonden word, De meefte mo- 
lefteen is wit als deszelfs uitwendige gele op- 
pervlakte met een mesafgefchrapt werd, Hoe- 
wel echter de molefteen van Campanie fwart- 
achtig van koleur en veel minder {ponfachtíig 
van zelfftandigheid is als die van Sclavonie. 
De ftukken molefteen groeyen allengskens 
aan malkander als dezelve tegens malkander 
gelegt worden in *t zee-water daar de golven 
tegens de fteen-klippen en zee-boorden aan- 
flaan. In zommige landen word de mole- 
fteen die te zagt en te week is in het zee-Wwater 
gelegt , waar door dezelve digter en harder 
werd. Om dat in zommige landfchappen de 
moleftenen gemaakt worden van zodanige Sa- 
xe als daar gevonden word, en tot het malen 
van het koren bekwaam is ; zyn verfcheide 
Schyvers over de {tenen daar door enigzints 
in verwarringe geraakt , als of de molefteen 
juift geen bepaalde zoort van fteen was. Het 
is wel waar dat alderhande zeer harde Saxe die 
uit kleine key-deeltjes met de welkefynezant= 
korlen doormengt zyn beftaat , enigzints be= 
kwaam zyn om gebruikt te worden tot mole- 
Reen , maar de molefteen daar wy van {preken, 
bg | en 


__Anguftus —— December 1722. «19 
en de welke tegenwoordig byna over al in ’ 
gebruik is , en genoegzaam door de geheele 
wereldt gezonden word, is een fteengewas 

‚van een byzondere of bepaalde zoort ‚en van 
de welke voortgebragt. word de lichte en op 
het water dryvende puim-fteen ‚die uit de Bran- 
dende bergen zomtyds zeer overvloedig word 
uitgebraakt. 

40. 

Agricola * getuigt dat de molefteen gevon- 
den word in Saxen , by Minde en in Meys- 
zen by *t kafteel Libethal; als ook niet verre 
van daar by ’t kafteel Loma. Deze molefte- 
nen worden door de-rivier de wezer afgevoerd. 
Maar-Agricola bekent zelfs dat behalven deze 
ook molefteen van een andere natuur gevon- 

_ den word in de brandende Bergen ; gelyk als 
_ inde berg Etna, Vefùüvius enz. Agricola oor- 
deelt dat de molefteen voortgebragt word uit 
ftof van ontbonde tenen , welke ftof Strabo 
een leem noemt en met de welke zich een ma- 
tige hoeveelheid van brandende ftof inwendig 
verenigt heeft. Door deze leem daar Agricola 
en ftrabo van fpreeken moeten wy niet anders 
_ verftaan als een mengzel van zeer fyne fteen- 
{tof zantkorlen en zout. Deze fyne fteenítof 
word door de zout-punten en den groten flag 
der Zeegolven en door uitwekinge en lofina- 
kinge van het Zee-water zelfs van de fteen- 
klippen , fteen-gronden, en grote fteenrotzen , 
die aan de boorden van de Zee groeyen als 
afgeknaagt „af geknabbelt , opgeloft , en als 
een Slibbige leem door de zeewateren vervoert, 


N Pte. FRED „H 4 
® Zie de Natura Fofilium Lib. VII, 


«20 Natuur-en Konft-Kabinet „ 


en gebragt door ontelbare onderaard{che rioo= 
len , grote water kanalen’, en onderaardfche 
zee-kolken in de onderaardfche plaatzen der 
brandende bergen. Alwaar van deze {tof voort- 
geteelt word de mole {teen ,‚ om wederom te 
vervullen de onderaardfche uitgebrande {pelon- 
ken , ontzagchelyke grote kelders, verwulf- 
ten en holen der brandende bergen , die door 
de fchrikkelyke en onuitdrukkelyk grote bran- 
den , de welke zomtyds gebeuren uitgebrand 
en ledig geworden zyn. Agricola zegt dat de 
brandende bergen deze molefteen uitbraken als 
zy aan ’t woeden zyn; en dat wel met zoda- 
nigeen geweld, dat de uitgeworpeen gefmolte 
molefteen met gehele rivieren komt uit te vloey- 
en „ maar dat de zelve kout geworden zynde 
wederom tot {teen ftremt die naderhand gehakt 
uitgewerkt en als andere Saxe gebruikt word, 
Maar dit moet verftaan worden van die ftuk- 
ken molefteen , de welke in t geheel en on- 
gefmolten uitgeworpen worden , want als de 
molefteen gefmolte of uitgebrand is , gaat de 
zelve kout geworden zynde over in lichte 
puim-fteen , en is niet langer molefteen, 


41. 

Wy konnen de regte molefteen ook vande 
andere Saxes onderfcheiden, dat de zelve niet 
overgaat in kalk of in glas, maarin puimfteen, 
die uitgebrand is. Want alfchoon zommige 
de dryvende puimtfteen aanzien als een glafach= 
tig produêl van de molefteen , het welk door 
de uiter{te kragt des vuurs van dezelve gemaakt 
was, gelyk als het glas van de keyftenen ‚zand, 

Ì NN Oe ‚ : Din MMC 


Ra 


oe 


BAER EE 2 
_Auguftus — — December 1722 Yaa 
metallyne mineralen enz. door dehevigfte graad 
der hette gemaakt word , heeft echter de puim- 
fteen geen de minfte over een kon(t met enig 
glas. De puimfteen beftaat uit de harde, wre- 
de, en onverbrandelyke delen van het zeezout, 
en van de fteenftof aarden en zantkorlen de 
welke te voren waren in het flibberig leem van 
het welke ik gefproken hebbe,en van het wel- 
ke de molefteen word voortgeteelt. Dat de 
puimfteen uit zodanig een zout beftaat getuigt 
des zelfs zeer zoute {maak: Dat in de puim- 


… fteen een te zamentrekkende aarde is , -wor- 


den wy uit deszelfs ongemene wrangheid in de 
mond gewaâr. Want als wy maar enige rei- 
zen aan de puimfteen komen te lekken metde 


‘tong „zal onze keel twe of drie uren lang droog 


blyven. De {teen-ftof van de puim-fteen blykt 
uit deszelfs ongemene hardigheid, en beften- 
digheid tegens de lucht. De puimfteen is vol 
grote en kleine zichtbare ronde gaatjes , die 
zodanig als ronde pypjes door den gehelen fteen 
door gaan, zodanig dat wy door den fteen met 


onzeÂdem konnendoorblazen. Dezetochtgaat- 


jes zyn de nagelate ledige plaatzen in de welke 
te vooren was de bitumineuze en fwavelige 
brandftof „eer de fteen noch was uitgebrand. 


Deze Brandftof is enigzints aan te merken als 


een inwoonder van die tochtgaatjes en pypjes, 
op dien tyd als de puimfteen noch levendige 
molefteen is. Deze pypjes en tochtgaatjes wor- 
den ook zelfs gevonden in de molefteen , en al 
fchoon de zelve aldaar vervult zyn met fwavel 
fyne zout-punten en betumineufe brandftof , 
hebben zy noch zoo veel ledigheid , dat wy 

Hs enig- 


122 _ Natuur-en Konff-Kabinet, 
enigzints door de zelve konnen zuigen, alsde 
frukjes van de molefteen zeer dun zyn, 


db 

De lezer zal de manier van groeyen en de 
natuur van de Molefteen veel klaarder begry- 
en ‚als wy eens kortelyk affchetzen den berg 
tna , in de welke gelyk in de Andere bran- 
dende bergen de molefteen groeid, De Berg 
Etna is zeer hoog en ongemeen groot in zyn 
omtrek ; want des zelfsbenedenfte delen ftrek- 
ken zich aan alle zyden wyd en breed, en tot 
in het midden van Sicilie. Zyfie onderaardfche 
haardtfteden, rioolen, kolken, verwuiftens, 
en grouwzame fpelonken verfpreiden zich niet 
alleen onder de gronden door alie de delen van 
Sicilie , maar zelfs onder de gronden van de 
omgelege zee, en onder de Liparefche Eylan- 
den , als ook tot in het vafte land van Cala- 
brien , en het voornaamfte gedeelte van het 
koningryk Napels. De Berg Etna brand in- 
wendig altyd min of meer , en geeft daaglyks 
daar van bewys door roken, fmeulen en zelfs 
wel eens doorflikeringen en vlammen , maar 
deze brand is van geen belang , en belet niet 
dat deze grote Berg overal op deszelfs grote 
beddingen en zachtelyk docerende vlaktens 
voorzien is met vrugtbaare wyngaarden , koren- 
Akkers en beneden met grazige en vette wey- 
landen , en op zeer veel plaatzen in de hoog- 
tens is gekroont met {chone Boffchen van pyn- 
bomen „ Beukebomen , dennebomen , maft- 
bomen en alderhande terpentyn achtige en hars- 
achtige gewaflen. Op de hoogfte kruin van 
e- 


Í 


K,:- 


# 


wieren gedood, de hoflteden de daken der 


Auguflus — December 1722. 123 
dezen hogen berg word een zeer grote omtrek 
gevonden, die zeer zaverachtig en over al be- 


dekt is met een zaverachtige en ruile afch, die 


op verfcheide plaatzen rookt , en zelfs ook von- 
ken uicwerpt , en de welke van koleur is als 
verbrande twavel , doormengt met verbrande 
fteenftof, en over al beftrooit is met puimfteen, 
In het midden van dezen groten kruin is een 
zeer grote kom, die over de vierduizend tre- 
den breedt is,en allengskens na beneden (chynt 
te vernaauwen , en te zinken tot een oninbeel- 
delyke diepte, Het gehele grote ligchaam van 


_den berg is tochtgatig. Dit is de oorzaak dat 


de opgeheve bitumenachtige dampen over al 
door de zelven komen heen te dringen , en. 
des zelfs boven gronden zodanig vrugtbaar en 
vet maken , dat zy byna alle ander vrugtbaare 
gronden daar in te boven gaan. 


e f 3: 

“Zomtyds komen de grote branden in 
de Etna voor te vallen, dat door de zelve ko- 
men uitvloeyen gehele rivieren van brandende 
fwavel, en brandende molefteen , die zich 
dikwils uitftrekken zeer verre , terwyl aan al- 
le kanten worden uitgeworpen {ware {tenen , 
puim {tenen , geheele heuvels en bergen van 
vonkende afch. De afch en puimfteen heeft 
zich op zommige tyden enige roo Ítaliaanfche 
mylen verre verfpreid, de Naburige boulanden, 
wyngaarden , akkers , velden , weyden, tui- 
nen geheel bedekt ‚en begraven, de dieren , 
het vee en zelfs de vifzen in de opgevulde ri= 


hui. 


n24 _ Natuur-en Konft-Kabinet, 
huizen, de boere plaatzen en woningen in de 
fteden en dorpen doen inftorten, met verftikkin- 
geen vernielinge van gehele huisgezinnen „Deze 
__grouwzame branden worden dik wils door eni- 
ge voortekenen voor uit gezien. Want voor 
den brandt worden in de onderaardfíche kelders 
en verwulften gehoorteen {chrikkelyk geloey 
van winden. Het gefwalp van zee golven. 
Want de zee heeft altydt grote holen gemaakt 
opde plaatzen daar brandende bergen zyn. Ook 
worden de brandende bergen altyd gevonden 
of op de Eylanden , of op land engtens , die 
aan weerskanten zee hebben. Getuigen hier 
van zyn alle de brandende plaatzen van [talien, 
de bergen Etna, de Veluvius , Solfatara , de 
Berg Ghymerain Liycien, de Hecla op yfland, de 
Brandende plaatzenop de ZEolifche Eylanden, 
de Eylanden Znaria, en Prochita by Napels, 
een van de Cycladifche Eylandenin de Archi- 
pel , een brandende berg op een van de Mo- 
luk{che Eylanden , twaalf verfcheide bran- 
dende bergen by de land engten van Amerika, 
de brandende berg by de ftadt gut in Peru , 
de brandende plaatzen by de ftadt Lioxa , de 
Afphaltifche zee , en verfcheide andere Bran- 
dende, rokende en fmeulende plaatzendie aan 
de zeeboorden gevonden worden , of onder 
deaarde gemeenfchap met de zee- wateren heb- 
ben. Waar uit blykt dat het aanfwalpen de- 
zer wateren, die door de onderaardfche gron- 
den gevoerd worden nodig is om gedurig aan 
te brengen brandftoffe, in de plaats van de ftof 
die door den brand verteert is. Deze wate- 
ren zyn vet en bitumenachtig, en geroerd, en 
zeer 


EVER 
EOD 


Auguflus mams December 1722. vap 
zeer voorzien met zoute flibbige en leemigeen 
zantkorlige delen , die bekwaam zyn om de 
mole{teen voort te telen en de branddftoffen 


te voeden. 


44. 

De grote Branden der Brandende bergen ge- 
fchieden als op hunnetyden, dik wils maar een 
maal in de hondert , of twe hondert, of 
drie hondert jaren. « De oorzaak is dat weder- 
om veel tyd vereifcht word, tot het aangroey- 
en van zo veel Brandftof. De outfte gedenk- 
fchrifren melden deze grote branden van den 
berg Etna. Als wy dan eens ftelden dat in den 
tyd van s1 eeuwen de Berg Etna ten minften 
elke drie hondert jaren zodanig {waar gebrand 
heeft. Zoude in dien tyd den Etna ze- 
ven tien maal uitgebrand geweeft zyn. Als 
wy op de veelheid van afch en van puimfteen 
en alles acht geven, zullen wy bevinden dat 
de hoeveelheid van de brandftof in elke uit= 
brandinge ongemeen veel is, Want deze on- 
deraard{che branden {trekken zich dikwils on= 
der de gronden zodanig wyd en breedt uit, 
dat in verfcheide waar genomen is, dat zom- 


__mige branden op verfcheide plaatzen , die eni- 


ge hondert mylen van malkander afleggen, 


op een en de zelfde tyd gemeenfchap met mal- 


kander gehad hebben. Als wy nu eens begre- 
pen dat alle de brand{tof van elke uitbran- 
dinge een ligchaam uitmaakte het welke vyf 
en twintig myl in zyn diameter was , zoude 


„op een ende zeifde plaats in den tyd van sr 


eeuwen zodanig een groten brok al zeventien 
Äv! maal 


226 Natuur-en Konft-Kabinet; 


maal verteert geweeft zyn. Het is gants niet 
waarfchynelyk dat dit kan gefchieden zonder 
dat zodanige brandttof gedurig van elders we 
derom word aangevoerd en voortgeteelt. 


45. 

Als de Brandftof uit de brandende bergen 
word uit gebrand,moeten noodwendig over bly= 
ven de wanden en verwultten , uit de welke deze 
brandftof is uitgebrand. Deze wanden moe- 
ten beftaan uit aerdachtige beftendige en zeer 
valtedelen , die den brand hebben konnen we- 
derftaan , en den vloed des vuurs niet behoefs 
den na te volgen ; want anders zouden de uits 

ebrande bergen noodzakelyk moeten inftorten 
gelyk de onderaardfche fteengroeven , als de 
fteen uit de zelve wierd uitgegaven , zonder 
dat tot onderfteuninge der boven gronden 
pilaren wierden overgelaten. Als wy nu begry- 
pen, dat deze kelders van den berg Etna in sz 
Eeuwen zeventien maal ledig gebrand zyn, en 
echter in elken Groten Brand een ongeloofly- 
ke menigte van puimfteen heeft uitgebraakt , 
moet in den tyd van $1 eeuwen een ongemeen 
grote klomp molefteen in de Etna gegroeid 
zyn. Want de Puimfteen is het caput mortu- 
zjn van de molefteen. Maar dewyl die de- 
len van de molefteen daar dit caput mortuam 
uit beftaat onverbrandelyk zyn, moeten ook 
in dien tyd ongemeen veel brandftoffen aange- 
voerd en voortgeteelt zyn geworden , met de 
welke de molefteen vervult is. Deze ftoffen 
zyn het zeezout het bitumen en de fwavel, die 
overal door geheel Sicilien gevonden worden. 
gelyk 


hehe | 
__Augnflüs — December 1922. f27 


gelyk als getuigen de vette {merige en ftinken- 
_de,zoute, zure, witte , fwarte, en bloedrode 
wateren , van de welke gehele vloeden , mei= 
ren , poelen , bronnen „ beekjes enz. in Sicis 
lien gevonden, en na welker aardpikkige geu=- 
ren enigzints {maken de wynen,vrugten , en 
alderhande voedzels die op dit vrugtbaar Ey» 
landt komen te groeyen. 


46. 

Als dan de molefteen voortgeteelt word van 
het zout, het bitumen de zantkorlen en de 
‚ leem, die gedûrig door de onderaardíche zee= 
wateren worden aangevoert; konnen wy zeer 
wel begrypen de reden waarom de ftukken mo 
lefteen aan malkander groeyen „ als de zelve 
gelegt worden aan de zee-boordenin de golven, 
de welke aldaar gedurig komen te kletzen te- 
gens de fteenklippen „ en tegens de rotzen van 
zodanige zee-boorden die uit (teen en fteenach: 
tige gebergtens beftaan. Hier door word ook 
opgeheldert de oorzaak , door de welke de 
mole{teen zo val zout is,dat wy het zelve 
doorde fmaak konnen ontdekken , en waâr= © 
om ook infgelyks de puimfteen zo ongemeen 
__zout van fmaak is : Als wy ook onze aan- 
_dagt laten gaan op den groten overvloed van 
“het bitumen , of aardpik dat in Sicilie en ’t 
koningryk van Napels gevonden word, kon» 
men wy zeer wel bevroeden waarom de mo= 
lefteen die in de brandende bergen gevonden 
word „ fwartachtig van koleur , en bitumen= 
achtig van geur, en zo bekwaam voor den 
__ onderaardfchen brandris. Hoe wel wy echter 

« niet 


128 … Natuurs en Konft-Kabinèt; 
niet moeten beprypen, dat de mole fteen brand 
als de gitfteen , of de fteenkool, of de barn= _ 
fteen ; maar door het gewelt van het vuur van 
den Etna aangetaft zynde, zyn opgefwolge 
fwavelachtige , bitumenachtige, en zoute de- 
len laat oploffen en uit fchieten als by een zoort 
van ontploffinge , om dat zommige van zy- 
ne delen het geweld des vuurs niet langer kon- 
nen tegenftaan. 


47: 

Op de plaatzen daar de meefte onderaardfche 
branden gefchieden , en daar de“meefte brand- 
ftoffen onder de aarde gevonden worden , zyn 
ook de meefte verhevelingen in de lucht. Waar 
uit wy mogen befluiten, dat de Brandftoffen , 


die in Italien „ Sicilien en andere Brandende - | 


plaatzen, na de lucht door het onderaardfche 
vuur worden opgedreven , gedurig wederom 
nedervallen op de zelfde gronden , zo met de 
regens als anderzints. Waar door de onder- 
aardfche brand {tof gedurig als op nieuw we- 
derom word aangevoed. Wy vinden ook dat 
alle brandende plaatzen van die byzondere ftant- 
plaats zyn ‚dat de zee altyd gemeenfchap heeft 
met des zelfs onderaardfche gronden , waar 
door de brandftoffen op nieuw ook gedurig 
wederom worden aangevoert, en voortgeteelt 
door de vette en flibbige zee-wateren , gelyk 
als wy reets gemelt hebben. De zee-wateren 
ontvangen deze vette brandftoffen met de re- 
gens uit de lucht en uit de rivieren, diede olien, 
vetten en harzen oplofzen uit de gronden, en 
zelfs uit de gewafzen, voornamentlyk als zy 

enig- 


ENE 5 En! Br 4 ES 
_ Zuguflus — Detember 1722. Y2ó 
enigzints ziftig of mineralifch zyn. Ook zyn 
_ dezee-wateren altyd bevrugt met fcherp zout, 
_ het welk in dezelve gefmolten is van de on- 
deraardfche zout-mynen of Aderen. die ín gro- 
ten overvloed gevonden worden over al 
it dè onmertelyk uitgettrekte gronden van 
den ontzagchelyken Oceaan. Door deze zou- 
ten worden afgeknaagt de vette delen, geflrem- 
de mineralifche zappen , het Bitumen , de 
Swavels , Naphtaas , de Git-fteen, de Steen- 
kool , de vurige en vette (teen-zappen ; wel- 
… ‘ker aderen en ftoffen in een groten overvloed 
evonden worden in de gronden van de zeen. 
„Dat de zee-wateren met zodanig brandftoffen 
en vetten vervuld zyn blykt openbaarlyk aan 
het vuren van de zee-golven bynacht onder 
het zeilen , aan het overvloedig vet en den 
traan der vifzen , aan de bitumens en naph- 
< taas, die door de zee-wateren worden opge- 
— swurpen , gelyk als blykt aan den Amber, 

aan het jodenpik in de dode zee, aan de Barn- 
fteen in Pruifchen, aan de Peteroly of Naph- 


ta die altyd met zeewater gepaart na boven 
word opgewelt , enz. 


8. 
_ De zee- wateren wilden door de winden en 
_opparzende vloeden voortgedreven tot in de 
uitgebrande fpelonken , holen en onderaard- 
fehe truimtens van den Etna, Vefuvius , He- 
cla of andere brandende bergen. Een ftof wil 
gewoonlyk gretiglyk huisveften in die plaat- 
fen en ligchamen , met dewelke zy eene zeer 


“natuurlyke over eeti komft heeft ; Daarom ont- 
VII. Deer. Ï van- 


130 Natuur-en Konft-Kabinet, 
vangen de droge en uitgebrande holen ftees 
nen en dorltige wanden van de brandende 
bergen wederom zeer gretiglyk de vette 
en finerige ftoffen, diedoor het opgeparfte zee- 
water gedurig wederom worden aangevoerd. 
Waar uit ik befluitedat het zeer waarfchynelyk 
is, datde verteerde Brandftoffen van den Berg 
Etna , een groot gedeelte van Italien, en de 
naat gelege brandende en rokende Eylanden, 
gedurig wederom aangevoed worden , door 
de lucht, door de regenwateren, en door de 
verte fmerige en minerali{che zee-wateren, en 
op deze wyze onderhouden word een altyd 
durenden brand. 


9. 

De warmte van het dead vuurdoed 
de lichte en fynfte delen van het vette , dik- 
ke en (merige zee-water , met het welke de 
gronden van Sicilien en Italien overvloedig- 
lyk bevrugt en doorweekt worden , gedurig 
wegwazemen na boven in de lucht , om dat 
deze natte wazems door een zagte vuur-vloed, 
zeer ligtelyk opgedragen en gedreven worden 
door de fponfyachtige en tochtgatige geftelt= 
heid der aarde, terwyl ondertuffchen, de (waar- 
fte delen, de grove en fmerige vetten , de 
zouten en mineralifche zappen die van het” 
zeewater opgeloft en in des zelfs boezem ver- 
gadert waren worden ingewikkeld, en als 
vaftgehegt in de uitgebrande en aardachtige en 
ftenige ftoffen , die zeer dorftig zyn , en in 

de uitgebrande onderaardfche ruimtens , die on- 
der de brandende bergen overvloedig genoeg ge- 
vol- 


( î 


\ 


Angus — December, 1722. 121 
vonden worden. Waar door de zo menig- 
maal verteerde Brandftoffen gedurig wederom 


_ worden voortgeteelt. Deze fteen-{tof is die 


keyfteen die wy de molefteen noemen , en. 
uit de welke de berg Etna voor het meefte ge- 
deelte beftaat. P. Cornelius Severus zegt * 
dat wy hehalven de fwavel en het bitumen , 
die onder in den Etna vloeyen ook agt moeten 


geven op het fleenachtig gedeelte van denberg 


zelfs , door welkers vette zap den brand. on- 
derhouden en gevoed word. Dat gevonden 
worden keyftenen (verfta de molefteen en an- 
dere vuuriteen ) de welke als de berg in zyn 


_ „vreeflykfte woede is, als gefmolten worden, en 


den berg aan alle kanten als een vreeflyke 
wvuurvloed overftromen. Deze molefteen of 
vuurfteen befchryft hy op de volgende wyze 
noch nader. Deze keyfteern bewaart het vuar 
zeer hartnekkig. Als gy dezelve met de han- 
den aantafl „word gy des zelfs harde ruwheid ges 
waar ; Zy Zoud naauwlyks geloven, dat dezelve 


vuur in zich zoude konnen befluiten , of aar 


andere geburige ligchamen mededelen. Maar 
zo ras als gy dezen fleen met yzer flaat , zult 
gy gewaar worden dat dezelve geenzints var 
vuur ontbloot is: want de vonken fpringen on= 


der het flaan uit den zelven. Deze fleen. is 
bekwaam om dikwils de gloeyendheid aan te 


nemen , Zy laat niet eerder na den brand en 
hette te voeden, als wanneer alle deszelfs bran- 
dende zelffhandigheid is uitgemergelt , en zy 
zelfs in puimfteen verandert is. 

x A 


& Vide P. Corn, Severi Etna. 


ol 


132 _ Natuur-en Konfl-Kabinet; 


N $o. 8 E 
Ik heb-geoordeelt uit hoofde van de groote 
vermaardheid der altyd brandende bergen, dat 
het aan den lezer niet onaangenaam zoude zyn, 
dat wy de manier van groeyen der molefteen 
wat omflandiger kwamen te/befchryven „om 
dat deze fteen een van de voornaamfíte brand- 
ftoften is der brandende bergen ; en niet tegen- 
ftaande de molefteen eigentlyk een zoort van 
vuurfteen is, verfcheelt dezelve nochtans in 
veel hoedanigheeden metde gewoonlyke vuur- 
ileen. Want de zelve is veel grof korliger als 
alle de andere vuurfteen. Het welk ook de 
rede is waarom dezelve bekwamer ís om het 
koren te malen, en door deszelfs rouwheid , 
en rafpachtige wreetheit, en ftroef heit heviger 
te wryvenen te verbryzelen. Ten anderen ver= 
fcheelt ook de molefteen van de andere vuur- 
fteen om dat de zelve veel tochtgatiger is. 
De molefteen is zeer fpongiachtig en te gelyk 
ook hart, fwaar , valt en dick ; om dat des 
zelfs tocht gaatjes zeer naauw zyn. Maar 
enigzints regtlyniger van loop fchynen als de 
tochtgaten der andere ftenen. Ten derde ver- 
fcheelt de moiefteen van de andere vuurtteen, 
dat deszelfs brandftof niet volmaaktelyk met 
des zelfs gehele wezen inwendig verenigt 
fchynt te zyn. Maar als in des zelfs tocht- 
gaatjes , inwendige keldertjes en hockjes als 
opgefloten legt. Het vuur is met de {teen- 
achtige zelfftandigheid van de andere vuurftee- 
nen meer innerlyk verenigt , als met de fteen- 
achtige zelfftandigheit vande molefteen, Want 
pal 


ma 


anode oh eN 


Auguftus —— Detember, 1722. 133 
al worden de andere vuurftenen gebrand of 
gefmolten , behouden zy echter kout gewor- 
den zynde noch wederom hun kragt en inwen- 


dig vuur, op de wyzeals de metalen. Maar 


/ 


de molefteen geenzints. Want deze laat zyn 
vuurftof uitbranden , en des zelfs fteenachtige 
zelfsftandigheid , de welke overblyft , na dat 
de zelve, is uitgebrand word bevonden te zyn 
kragteloos , zonder enig inwendig vuur of 
brandftof , gelyk als blykt aan deszelfs over- 
blyfzel de puimfteen. Deze puimfteen is over 
al vol ledige gaatjes, door de welke de brand- 
ftof met de welke de levendige molefteen be- 
vrugt is, onder het branden fchynt uitgegaan 
te zyn. Waar uit blykt dat de molefteen een 
ftof is van twederhande zelfltandigheid, als r 
een onverbrandelyke tteen-ftof; en 2 een bran- 
of die in dezelve als gehuisveft is. Ook is 
deze brand{tof zeer veel in vergelykinge van 
de fteen{tof , want de puimfteen is zor licht 
dat dezelve op het water komt te dryven , en 
de levendige molefteen is uitftekend fwaar van 
gewigt. Als dan een berg als de Etna op veel 
plaatzen is uitgebrand , door een zeer fchrik- 
kelyken en langdurigen braad , en dat onbe. 
grypelyk veel brand-ftof uit de zelve is na 
de lucht gefmeten , en verteert, zyn die on- 
deraardfche uitgebrande plaatzen als de puim- - 
fteen , en als de zelve wederom zyn aangegroeid; 
wederom verandert in levendige molefteen, 
gelyk als ik voordezen zeer omftandiglyk aan- 
getoont heb in myn weeklyks difzoars over 
de. graflerende ziektens enz. van pag. 209 tot 
pag. 240. alwaar den lezer niet alleen zal vin- 
a AN RR orors den 


134 _Natuur- en Konft-Kabinet , 

den de manier, op de welkede molefteen word 
voortgeteelt ‚ maar ook vele aanmerkelyke 
uitwerkingen van ’t onderaardfch vuur. 


Ie 

Na dat wy de verfcheide gedaantens en ver- 
fcheide manieren van groeyen in de vuurfteen 
befchouwd hebben , zullen wy overgaan totde 
kalkfteen. Gelyk als de vuurfteen , en an- 
dere keyfteen , als ook het zand , dat niet 
anders is als kleine keyíteentjes , door het 
uiterfte geweld van °t vuur tot glas komt te 
fmelten gaat in tegendeel de kalkiteen over tot 
kalk, het welk eenwezentlyk onderfcheid tuf- 
fchen deze twe zoorten van ftenen maakt. On- 
der deze zoort van fteen behoren alle Saxes 
die tot kalk konnen gebrant worden. Dit ge- 
tal is zeer groot. Overal word by na teen, of 
fteen-ftoffen, of zee-fchulpen, en diergelyke 
zaken gevonden , die zich met behulp van het 
vuur tot kalk laten branden. De kalk-fteen 
is zeer verfcheide van koleur. Zommige is 
by uitftekendheid wit gelyk als te Lichtenber- 
ge te Wolfenburtel. Andere ís witachtig 
graauw. Zommige is zeer afchgraauw van 
koleur gelyk als volgens de getuigeniffe van 
Agricola * by Waldeburg. Andere is bruin 
gelyk als in de kalkfteén groef by het dorp 
Averfwaald. In verfcheide bergen van Saxe 
word zeer fpierwitte kalkfteen gevonden. Zom- 
mige is ten dele wit en ten dele graauw. 
Andere wederom is geelachtig en andere uit 
den 


& Vid, de Narura Folfilium lib. VIL, 


ET € dl NOS 


‚ Angufzus December 1722. 135 
den roden , of ook wel Blaauw van koleur. 
In Bohemen word zelfs kalk gebrand uit (teen 
__die byna {wart van koleur is. Zommige (teen 
is te gelyk zantkorlig en kalkachtig. Als van 
deze kalk word gebrand is tot de zelve geen 
zant van noden. Alfchoon van zeer veel íte- 
__nen wel kalk kan gebrant worden, zyn de na- 
tuurlyke Hiftori-kundige echter gewoon met 
de naam van kalkfteen te betekenen die zoor- 
ten van Saxe, dewelke daertoe om deffels vet- 
heit ‚ egaalheid, en andere hoedanigheden 
„alderbekwaamft bevonden word. 


52 

In de kalk-fteen is ook een groot onder fcheit 
ten opzichte van hardigheid of zachtheid. Aan 
de vloed Sala, die zich in de Elfftroom ont- 
laft, werd zeer wel kalk-{teen gevonden van 
verfcheide koleur, als ook van verfcheide ge- 
_ daente, en niettegenftaende de kalk-fteen ge- 
woonlyk dicht is; word ook zomtyds kalk- 
fteen , gelyk als omtrentde vloed Sala en ook 
op andere plaetzen gevonden die dun en pyp- 
achtig is. Zommige kalk-fteen beftaet in kei- 
fteentjes , door de welke witte aderen lopen. In 
Switzerland word kalk gebrand van een zeer 
harde en blauwe fteen. Ik heb op verfcheide 
plaatzen kalk zien branden van een witte en 
graauwachtige {teen , die als’ gemarmert was 
by Bensburg. Van dier gelykefteen getuigt ook 
de Heer Scheuchzerus dat in Switzerland kalk 
gebrand word ; en dat door de zelve golvin- 
gen van kryítaal pep komen te lopen, 


53 


136 _ Natuur-en Konft-Kabinet, 


Ee 

In de fteen die pa is om tot bekwa- 
me kalk gebrand te worden moet noodzake- 
Iyk een verheit zyn. Maar de lezer zal hier 
wel onderfcheiden wat wy door de vertheiten 
de fchraalheid van de (tenen verftaan , en wel 
begrypen, dat wy op het oog hebben geen oly 
of brandent vet , maar een kleverachtigheid en 
fmeerachtigheid, waar door deszelfs kalk met 
water beflagen en gedroogt zynde aan mal- 
kander kleeft en een by na fteenachtige har- 
digheid komt-te verkrygen. De ene kalk-fteen 


is veel vetter als de andere. Hoezuiverderen 4 


egaalder de kalk-{teen ishoe des zelve ook be- 
ter is tot het gebruik ; want als de kalkfteen 
gegroeid is uit gemengde ftoffen die zeer on- 
gelyk van zelfftandigheid zyn „of onder dewel- 
ke veel grof korlige zantftof of een flxor cry= 
flallinus, daar ik een fteenftremminge van baf- 
tert kryftal door verfta „of eenandere harde „of 
okeragtige , of aardagtige , of vremde ftof, is 
ook de kalk die daar van gebrand word ge- 
mengt met diergelyke onegale en onbekwame 
delen. Uit de vetfte kalk-fteen word ook ge- 
brand de taayíte en kleverigfte kalk. De kalk 
van dorre en magere of fchrale kalk-fteen. ís 
rul en bros. De kalk van zeer digteen vafte 
kalk-fteen is ook veel fwaarder en Iyviger , 
als die uit dunne , lichte of pypachtige kalk=- 
_fteen gebrand word. De T'ofusis ook zeer be= 
kwaam tot de kalk brandinge, Want te Meif= 
fen word zeer goede kalk uit de tofflteen ge- 
brand , en dewyl in deze fteen ook te gelyk 

zant 


“zuur temperend zout. 
wils aan de muren als een ruige mos uitfprui- 
ten , in de gedaante van zeer fyne en -draad- 


vr nek er OEE 


Augiifus — — December 1712: 137 
zant-korrel gevonden word , behoeft die kalk 


met geen zant , of ten miníten met zeer wei- 
nig gemengt te worden. 


54. & 

Wy ondekken uit de kalk, datde kalk-fteen 
in zich behelft een ftof , dewelke zich door 
‘het vuur laat ba ern fcherp en 

y zien dit zout dik- 


achtige kryftallen. Zommige hebben dit kalk- 
zout aangezien voor een zalpeter , maar tuf- 


fchen het kalkzout en de zalpeter is vry wat 


onderfcheid ; gelyk ik zal aantonen als wy 
van de kalkfteenen de verfcheide zoorten van 
kalken in het byzonder komnen te handelen. Uit 
de verfcheidentheid van de kalk-fteen , en het 
groot onderfcheit , het welk gevonden word 
in de kalk , ontdekken wy dat de natuur de 


kalk-fteen op verfcheide wyzen voortbrengt. 


De Natuur fchynt minder graat van hette in 
het voortbrengen van de kalkfteen, als in zom- 


__mige andere wezens, dewelke meer na de me- 


tallyne kant komen over te hellen , te gebrui= 
ken. Dit blykt , om dat de kalk-fteen door 


den-tyd en’ geweld van ’t vuur in kalk of 


ftof verbroken word. Wy vinden ook zeer 
veel kalk-fteen dewelketot zeer aangename of 
ook wel bepaalde gedaantens komt te groeyen. 
Gelyk als blykt aan de T'ofus , aan de fchul- 
pen en kruiken , die in de wateren en ookin 
de bergen gevonden worden en uit kalkfteen be- 
ftaan, Wy vinden een hak fteen-dewelke groëit 

5 als 


135 _Naruwr= en Konfl-Kabinet 

als een ftam, die zich klooft met fchorzen als 
oefter fchulpen met dewelke zy rondombezet is. 
Gelyk als wy voor dezen uitgebeelt hebben, 
uitFerrandus Lmperatus in het Natuur en Konft- 
Kabinet July en Augufty 1720 Tabula XVIII. 
Fig. 10. 


55 

Als wy zommige verre aardens of lemen be- 
fchouwen , konnen wy dezelve naauwelyks 
anders , als door de koleur van de kalk on- 
derfcheiden. Want wy vinden verfcheidele- 
men en aardens , die in het gebruik zo bek waam 
zyn als de kalk. Als dan de kalk niet anders 
is als een aarde, die door het vuur van de 
kalk-fteen gebrand of gecalcineerd is , konnen 
wy daar uit afleiden , dat de kalkfteen van de 
natuur word voortgebragt, vaneen lemig aard- 
achtig wezen „dat door een bekwaame vogtig- 
heid als bekneed zynde tot een fteenachtige 
hardigheid komt op te drogen ; gelyk als wy 
ondervinden , dat de kalk met water wel be- 
flagen en doorkneed zynde, ook naderhand 
weder in een fteen achtig wezen opgedroogd 
word. De Aardens die veel overeenkomft 
hebben met de kalk zyn verfcheide ; want zom- 
mige komen meer overeen met de kalk , en 
andere wederom meer met de gyps. Het welk 
een wezen is dat zeer na aan de kalk komt, 


56. 

De voornaamfte werkinge waar door het 
vuur de kalkfteen in kalk komt te veranderen , 
is het wegnemen van de natuurlyke vogtigheid 

van 


Rl 


_ Anguflus — — December 1722: 139 
van de kalkfteen. Want zo ras als het vuur 
de fteenzappigheid van de kalkfteen komt te 
verdryven , vallen deszelfs delen van malkan=- 
der tot kalk. Maar als wy door het by- 
voegen, wel beflaan, en wel doorkneden van 
vogtigheid, dezelve wederom doen aan mal= 
kander kleven, droogd dezelve wederom op , 
tot de hardigheid van kalkfteen , die aan zom- 
mige droge muren, dikwils by uitftekendheit 
hart en valt word ; voornaamentlyk als de 
kalk van zeer harde en vafte fteen gebrand is 
geweelt. Wy vinden twe onderfcheide ge= 
fteltheden in alle de ftenen, die zich door het 
uiterfte gewelt van ’t vuur láten ontbinden , 
de ene is de kalkwordinge , en de andere de 
fmeltinge. De (tenendie inhet vuur {meltenen - 
vloeyen , beftaan uit een zelfftandigheid die 
meer in malkander is geflagen door de natuur. 
maar de kälkfteen laat zyn bind-vogt door het 
vuur uitftoken,en gaat over in een as, diewy 

kalk noemen. Wy zouden ook aan de gyps- 
fteen wel konnen geven den naam van kalk- 
fteen , maar om dat de kalk-fteen niet als door 
langen tyd , en door veel geweld van vuur in 
kalk overgaat, verfcheelt dezelve van de gyps- 
fteen. Dewyl de gyps-fteen binnen den tyd 
van weinig uuren en met gering vaur in gyps 
overgaat. 


$7- 

De Gyps-fteen is minder voorzien met bind- 
zap als de kalkfteen. Daarom is de gyps ook 
fwakker en brofzer als de kalk. De kalk komt 
door langheit wan tyd zeer veel water ín 
' te 


140 Natuur-en Konft-Kabinet, 

te drinken, en hoe meerder dezelve inwendig 
ontbonden en met water doordrongen word, 
hoe dezelve beter en bek wamer word. Maar 
de gyps moet zeer fchielyk vogtig gemaakt wor- 
den , als dezelve gebruikt werd. De gyps zal 
dan'veel beter aankleven, aìs dat dezelve lang 
van te vooren beflagen was geworden. Maar 
in tegendeel word de kalk hoe langer hoe be- 
ter , na dat dezelve met water beflagen en wel 
doorkneed en doorwerkt is. Als de kalk zo 
fchielyk als degyps beflagen en daar op daat- 
lyk gebruikt word , is dezelve veel onbekwa- 
mer. Maar als de gyps niet daatlyk gebruikt 
word , verlieft dezelve zyn deugd en kragt , 
uit gebrek van lemigheid en van natuurlyk bind- 
vogt. Als de gyps ook komt op te drogen , 
gelyk als de kalk, verkrygdt dezelve niet de 
vaftigheid tot dewelke de kalk komt op tedro- 
gen; maar word als een teer lichaam, of als 
een gettremde en ftevige aarde. Gelyk als wy 
aan ’t gypswerk gewaarworden , of liever als 
een vnyf bare en zagte (teen , even gelyk alsde 
gypsfteen zelfs is. Als de gyps-fteen gebrand 
is , verlieft dezelve niet veel in gewigt , maar 
_de kalkfteen verlieft ten minften een derde ge- 
deelte van deszelfs fwaarte. Waar uit blykt 
dat de bindftof die door het vuur uit de kalk- 
fteen word uitgeftookt , meer als een darde 
part van den (teen uitmaakt. Het welk ook 
de reden is dat de kalk onder het beflaan zo 
ongemeen veel water komt in te drinken. 


58. 
De Gyps-fteen is een (teen{chietinge vaneen 
Ì zeer 


Le 
fi 


ss ard 


NE ar. 

Auguflus—— December 1722. rar 
weer zapte en tedere zelfftandigheid. ‘Maar de- 
_wyl de natuur verfcheide wyzen komt te ge- 
bruiken tot deszelfs te zamenttellinge, en ook 
zeer geeltige gedaantens van dezelve gevon- 
den worden , kan ik niet nalaten om dezel- 
ve aan den lezer in deze verhandelinge voor 
te tellen, tot een uitmuntendt bewys, datde 
natuur vele en verfcheide wyzen gebruikt, in 


het voortbrengen van de {lenen , en vele van 
dezelve doet groeyen tot zekere bepaalde ge- 


daantens, Zommige gypsíteen groeit tot de 
gedaante van; Boom-loof , gelyk als wy voor 
dezen hebben uitgebeelt in het Natuur- en 
Konft-Kabinet Julyen Angufiy 1720. Tab. 
KVIIL Fig. 7. het fchynt dat door een over- 
vloedige aanftrominge van ‚voedzel of fteen- 
zap , zodanige gypsfteen komt uit te {patten 
tot diergelyke taksgewyze gedaante, Wy vin- 
den ook een gypsfteen , dewelke draad-gyps 
genaamt word ; omdat dezelve komt te groey- 
en in een hoedanigheid van te zamen geftelde 


__wezelen of draden. Deze gypsfteen laat zich 


aan beide zyden Egaal fpouwen, even als of 
dezelve te zamengeftelt was uit egale draden. 
Deze gypsfteen is doorfchynende en blinken- 
de, even als den Spiegel-gyps.. Als ook van 
een zeer zagtezelf{tandigheit, en zodanig bros, 
dat zy zich door ’t vuur ook dadelyk tot witte 


„gypskalk laat branden. Wy hebben voor dezen 


des zelfs gedaante uit Ferandus Imperatus in de 
Bovengemelde Tab. Fig, 6 uitgebeelt. 


Mins! 59: 
Uit deze voorbeelden blykt openbaarlyk , 


i & U, dat 


taz _ Natuur-en Konfl-Kabinet; 
dat de brofze en zagte fteengewaffen zo wel 
loten , knoppen, takken dunne bladen, dra- 
den vezelen enz. komen uit te fchieten als de 
harde fteengewaflen,en de metaal-ertzen. Zom- 
migen gypsf{teen groeid tot de gedaante van py- 
pen, diezoo helder en doorfchynde zyn als het 
alderzuiverite water, en echter zodanig zagt 
en bros zyn, dat zy daatlyk door het vuur niet 
alleen al hun glans verliezen, maar in een — 
fpierwitte gyps=kalk overgaan. Deplatteftuk- 
ken gyps, die gypsfpiegels genoemt worden, en 
by elk een genoegzaam bekent zyn, groejen 
ep malkander als de talk met zeer dunne fchil- 
fers, die als ‘zeer dunne bladen op malkander 

egroeid leggen. Gelyk als uitgebeeld wert in 
Ei. XLXII. Fig. 15 hier agter bygevoegt: 
Zomtyds vertonen zich de draden of vezelen 
van de gyps als haar, of vlas, op de wyzeals 
de Amiant. Zommige gypsfteen groeit met 
kleine fchubben , die de gedaante hebben van 
viffchubben. Andere wederom in andere ge- 
daantens. De meefte zyn doorfchynende , hoe 
wel de ene echter veel klaarder en helderder 
is als de andere. 

60. 

Alhoewel de gypsfteen zeer veel van de 
kalkfteen verfcheelt in hardigheid en vaftheid, 
fchynt echter de gypsfteen veel natuurlykeover 
een komtft te hebben met kalk-fteen ; want 
zy groeyen dik wils als in malkander Agricola 
* getuigt dat in de bergen van Meiffen die aan 
de rivier Sala gelegen zyn, verfcheide Aderen 
van gypsfteen gevonden worden , dewelke 

zelfs 

%* De Natura Fofilium lib. V. 


FN aen ld ren) A nde ej 
ros 


Zuguflus December 1722. 143 


‚zelfs door de kalkfteen komen heen te lopen. 


De gyps groeid op zeer veel plaatzen en in vere 
fcheide landíchappen. Gelyk als in Gallicie, 
in Saxen , by Hildesheim, by den berg Mau- 
ricius. In ’t Hercynfche woud by Stolberg , 
als ook tuflchen de fteedjes Aldedorf en Efchwe- 


‘ge. In Thuringe of Opperfaxe , niet verre 


van het plaatsje Northuzen worden zeer veel 
gypsbergen gevonden, volgens de aantekenin- 
ge van Agricola. Als ook by het plaatsje Le- 
na in het T'huringfche worden ín de bergen 
zeer veel platte en uitgebreide gyps-aderen ge- 
vonden. In-het Eyland Cyprus worden ook 


geer veel gyps-aderen gevonden van dewelke 


zommige hoog aan den dag en maar even on- 
der de teel-aarde gevonden werden. Ook wor- 
den zeer veel gyps-aderen gevonden in Italien, 
in Theffalie, in Darbarie, in Phoenicie , in 
Syrie en in zeer veel andere landfchappen. 


Ór. 

De koleur van de meefte Gypsfteen is wit. 
Agricola verzekert dat de witte en die zeer na 
wit elpenbeen gelykt gevonden word te Nort- 
huze , en ook te Hildesheim. Maar in Iralie 


word op zommige plaatzen de zelve ook zeer 


wit gevonden, Ik heb in het door reizen van 
het mindens-, het Hanovers , het wolfenbut- 
tels het Gels, het Bronfwyks enz. gezien dat 
meeft alle huizen, en de voorname gebouwen, 
kerken enz. overvloediglyk met zy-wanden 
zolderingen „ en alderhande beeldwerken van 
gyps worden opgetooit.. Het welk een be= 


„wys fchynt dat in Nederzaxfche de gyps alzo 


Ower 


«44 Natuur-en Konft-Kabinet; 
overvloedig gevonden word als in Opperzaxerts …— 
Zomtyds ís de koleur van de gypsfteen verfchei- 
de. Zelfs word in het Hilderheims gyps genoeg 
gevonden die wit is met graauwe (treken en plek- 
ken. Te Meitlen aan de rivier Sala, daar wy 
van gefproken hebben , word in de bergen , 
in dewelke zeer veel gyps komt te groeyen , 
graauwe Gyps {teen met fwarte plekken ge- 
vonden. Te Northufe word zeer graau- 
we Gypsfteen gevonden. In Meyfzen word 
zelfs gypsfteen gevonden die van een rofze en 
een groene koleur is. De Heer Joh. Jac. 
Scheuchzerus heeft in zyne Natuurlyke Hifto- 
rie van Switzerland verfcheide zoorten van gyp- 
zen aangetekent , dic van byzondere koleuren 
zyn. Hy getuigt dat uit een {teen groef by 
Schinznach in ’t Kanton Bern gyps- fteen gevon- 
den word , die incarnaat of licht-rood van 
koleur is,’ En uit den Berg Gyfzliflwe omtrent 
het flot Biberftein in ’t zelfde kanton wel drie 
derhande zoorte van gypsfteen gegraven word 
als 1 licht fwarte gypfteen , die weinig in % 
gebruik is: 2 een zagte en witte gypsfteen die 
aldaar zeer veel gebruikt word, en 3 een zeer 
harde en witte gypsfteen die eigentlyk albaft is. 
Kentman fpreekt ook van een doorfchynende 
gypsfteen diede koleur van honing heeft. In 
de gypsfteen word ook een groot onderfcheid 
befpeurd ren opzigte van de glans. Zommi- | 
ge gypsfteen fchilttert en olinkt uiterlyk zo hel- # 
der als de fterren. Deze word meeft inde ge- 
daante vaa kluiten gevonden. Andere Gyps- 
fteen blinkt op de manier als marmer , gelyk 
alde witte gyps van Hilderhim met. graauwe 

„90 gol- 


Bd ven CARL 
_ Anguflus — Decembér 1732 taj 
gölven,en als derofze gyps te Meifzen. Zom: 
mige Gypsfteen is zeer helder, doorfchynende 
gelyk als de gyps van Gallicien. Al hoe wel 
de gyps{teen gewoonlyk de hardigheid bezit van 
een zeer zapte fteen , word echter zomtyds 
gyps gevonden die zagt is, en de gedaante van 
zuiker vertoont. Gelyk als volgens de ge- 
tuigenifle van G. Agricola gevonden word in 
het Hildesheims , die meer een zoort van een 
Aarde als van een fteen komt te vertonen. 
Want de zelve is zodanig zagt dat zy zich 
zeer licht door de vinger, tot {tof vryven laat. 
In tegendeel word wederom in ’t Herzyníche 
woud en te T'huringe gyps-{teen gevonden ,die 
zodanig hart is, dat de Inwoonders dezelve 
eert branden , en noch naderhant fyn malen. 
Deze gyps is zo tay en lyvig dat dezelve met 
waer beflagen zynde op die plaatze ntot kalk 
gebruikt werd. 


ó2. 

De wyl de Gyps-fteen in ’t, algemeen zeer 
bros en veel zachter is als de kalkfteen, mo- 
gen wy befluiten dat de (tof uit dewelke de 
gypsfteen door de Natuur word voortgebragt, 
min vet en lemig is, als de ftof uit de welke 
de Natuur de kalkfteen doet voorkomen. Het 
is ook zeker dat de Natuur geen grote trap 
van warmte gebruikt om de gypsfteen te bak- 
ken , gelyk als wy ook getoont hebben van 
de kalkfteen. Want de gypfteen valt door een 
korten brand daatlyk van malkander , en laat 
zich zeer-fchielyk verkalken: De leemftof vit 
de welkedegypsíteen voortgebragt word moet 

VII. Deer. K of 


s46 _ Natuurs en Konft-Kabinet , 

of veel zagter , fynder , egaalder en tederder 
van delen zyn als de leemftof uit dewelke kalk 
fleeu komt te groeyen, gelyk als blykt aan 
de glans endoorfchynendheit, en gladheit van 
de gypsfteen, ende meerdere duifterheid, grof 
heid , en ruwheid van de kalkfteen, De on- 
deraard{che wermte bakt door een zagte en ftre- 
lende omhelzinge , de kalkfteen en de gyps- 
{teen tot twe verfcheide ftenen , om dat hun= 
ne ftof of fteenzappig-leem verfcheiden is op. 
dezelfde wyze als in detigchelsovens verfcheide 
zoort van teen gemaakt word, na de verfchei- 
dentheit van de kley, uit dewelke dezelve be- 
flaat. 


63. 

Aan zommige ride word den naam. 
van Albaft gegeven. Deze is byna overal be- 
kent , om dat van dezelve gemaakt worden, 
bekertjes , vaat-werk , beeldjes enz. die over- 
al verkogt worden, Van deze word ook zeer 
ras de gyps-kalk gebrand. Dit Albaft word 
zeer veel gevonden in Meilen, in Borgun- 
dien , in *t groot hertogdom van Toskanen , 
en in verfcheide bergen van Switzerland. Als 
de. witte gyps{teen die hardigheid bezit, dataan 
dezelve de naam van Albaft gegeven word 
kan zy omde fynheit van deszelfs zelfftandig- 
heit zo glad: gepolyít worden als een fpiegel. 
Het Albaft word ook, noch zeer verfcheide 
van Natuur voorgebragt. In Italie word Al- 
baft gevonden. dat zeer doorfchynend ís en een 
purper koleur heeft. Ook is in Italie in zeer 
veel achtinge een Albaft , dat gefpikkelt en op 

ver- 


Anguflus — December 1722. T47 
verfcheide wyzen geplekt is. Zommige plek- 
jes zyn als luizen van koteur en gedaante. 
_ Andere wederom langwerpig als zeer kleine 
_ visjes. Andere als noten met fwarte fchil. 
len en doorfchynende van korn: De koleur 
van de brbderlkie is als gele oker met wit 
en fwart doormengt. Zommige plekken zyn 
wit met fwatrte randen. Het welk gepolyít 
zynde zeer aangenaam is voor ’t gezigt. Nog 
„word in'Italie Albaft gevonden dat wit is, en 
met aderen door lopen word , als de draden 
„en vezelen , of vlam men van het hout , die 
fwartagtig zyn. De plekken ftrekken zich veel 
na een vierkante gedaante. Ook word nog 
gevonden een albaft dat wit is met gele en 
rondachtige plekken, volgens de waarneming 
van F. Imperatas. De Ouden ftelden het Al- 
baft onder het marmer , maar om dat zommige 
zoorten van Albaft gevonden worden , die al vry 
hart zyn konnen die zoorten geacht worden 
als fteen, de welke is tuífchen het marmer en 
de harde gyps. Terwyl het zacht Albaft als 
een zoort van harde gyps moet aangemerkt 
worden. Het Thebaans Albaft is met gout- 
gele ftippen als doorlopen,. Het Albaft aan 
het welke de Duitfchers den naam van Serpen- 
tyn-fteen geven is groenachtig en fchoon ge- 
plekt van koleur, en zelfs ook bekwaam tot 
koppen , fchorelen , lepels enz. Het word 
zeer veel gevonden te Meiflen. Te Ments 
word Albaft gevonden dat van koleur is als 
jaspis , en bekwaam voor graf-ftenen, tom- 
bes, en opfchriften. Uit deze onze aante- 
keninge van de Gypsfteerr, blykt nu ook zeer 

K 2 ‚ over= 


«48 _Natuur- en Konft-Kabinet, 
overvloedig , DAT DE STENEN NIET 
ALLEENLYK OP VERSCHEIDE MA- 
NIEREN KOMEN TE GROEYEN , maar 
dat ook VERSCHEIDE STENEN als zy 
tot hunne rypheid zyn, VERSCHEIDE BE- 
PAALDE GEDAANTENS KOMEN 
AAN TE NEMEN. 


64. 

_ Dat de Natuur isen manieren gebruikt 
inhet voortbrengen der (tenen, word ook zeer 
beveltigt door het marmer. Het welk een 
fteen is, die zeer na aan die witte en fyne 
gyps-fteen komt te grenzen, die wy Albaft 
noemen. Want tuffchen het Albaft en het 
marmer is geen ander onderfcheid, als dehard= 
heit en fynheit van der zelvemzaterse. Daarom 
gebied de natuurlyke order dat wy eens gaan 
befchouwen de verfcheide manieren, op de 
welke de Natuur het marmer komt voortte 
brengen. Het marmer is zeer verfcheide van 
grein of korrel; want in zommig marmer is 
de korrel zo groot, dat het zelve met regt 
voor een zoort van zantfteen kan gehouden 
worden. Maar de korrel is op zich zelfs aan- 
gemerkt ook zo blinckent, en door fchynend, 
als of elk een klein kriftal greintje was. Het 
marmer laat zich wonderlyk wel polyften , 
om de hardigheit van des zelfs grein. Zom- 
mig marmer heeft een wit grein, en ander 
wederom een grein dat rood van koleur is. 
De marmers zyn ongemeen vol aderen en gol- 
vingen van verfcheide koleuren. Het marmer 
laat zich zeer wel breken door het vuur, maar 

gaat 


Augufins _—— December 1722 149 
gaat over“in een fyn gréin, dat zo klein is 
als Zaat väri flaapbollen ; als dit verkalkt grein 
lang in-de lucht komt te leggen word het zel- 
ve verbroken en bedúrven. Als het marmer 
grein Tang in het vùur werd gehouden gaat 
het zelve’ over tot’kalk , die echter niet van 
de befte zoort is. Op zommige plaatzen word 
marmer gevonden door het welke marcazyta 
als verfpreid gegroeit is. Dit marmer is ge- 
meenlyk bruin van koleur , en geeft als het 

geflagen word een fwavelachtige reuk van zich, 
volgens de waarneminge van F. Zmperatus. 


‚4 ' 
„De dagelykfche ondervindinge beveftigt o- 
genfchynelyk dat het marmer groeid en aan 
waft , want de loopgraven die in de mârmer 
groeven gemaakt zyn ‚komen door het uitwaf-= 
zen van de marmerfteen toe te groeyen vol- 
gens de getuigenifze van Imperatus. Ja zelfs 
worden de gereet{chappen ; en werktuigen me- 
nigmaal in het marmer ingegroeid gevonden. 
De Aderen van de mârmerfteen zinken zoon= 
gemeen diep, dat zeêr zelden tot aan des zelfs 
wortel kan gegraven worden. « De Natuur 
fpeelt by uitftekentheit met alderhande aange- 
name koleuten in het marmer te Carrara , dat 
een klein prinsdom is in ’t groot hertogdom 
van Tofcane,omtrentde ftat Mafza aan de rivier 
Lavenza, aldaar word zeer veel {wart marmer 
gevonden. Dit word niet zeer bekwaam voor 
den beitel en tot beeldwerk , maar wederom 
zeef bekwaam tot polyflinge en gladmakinge 
gevonden. Te Carrara word ook marmer 


5e 


r5o. „Natuur-en Konft-Kabinet, — 
gevonden dat gefprenkeld is, met {warte gele 
en witte plekken. Als ook. marmer dat {wart 
en met wit groene aderen doorlopen is. … Als 
dit marmer maar Zâgt met; {taal geflagen. word 
geeft het zelve een fwavelachtige reuk van zich 
en gebrand zynde een witte kalk. Het Grieks 
marmer aan het welke de naam van parium 
gegeven word is door gebroken zynde als met 
blinkende en flikkerende ftarren beltrooit. Dic 
is zeer bekwaam voor: beeldwerk. Aan een 
ander Grieks marmer word den naam gege- 
ven van zout marmer ‚ niet om des zelfs {maak 
maar om dat het zelve met heldere en grote fter- 
ren is,die niet alleen doerfchynend zyn, maar 
een vertooninge maken als heldere en grote 
zoutkorlen. Als dit marmer met ftaal gefla- 
gen word geeft het ook een fwavelachtigereuk 
van zich. Op zommige plaatzen.is-het zeer 
wit , en wederom op „andere plaatzen als 
met wolken , die, de koleur van een blauwe 
rook vertonen, Dit marmer is zeer harten 
kan de ongemakken van de lucht byzonder wel 
uitftaan, Het welk, ook de oorzaak. is dat het 
veel gebruikt wort tot grote werken, „Het 
geel marmer is zagter en vetter als de boven- 
gemelde zoorten, en verandert gebrand zynde 
in een goede kalk volgens de getuigenis van 
Imperatus. Het laat zich zeer wel bewerkenen 
glad maaken. Het ros marmer behoeft voor 
het geel niet te wyken „ en laat zich zeer, wel 
tot de bouwery gebruiken ; maar is niet zo 
bekwaam voor de polyftinge en ook: een wei- 
nig droger en dorder van {tof. Het Afrikaans 
marmer is wit en fwart, Het is zeer op 
e= 


Auguflus, — December, 1722. Isr 
kelyk dat dit marmer van twederhande zelfs- 

‚ ftaudheit is. De witte plekken loopen niet 

» voort ‚ maar zyn als {childen , die als op hun 
zelven zyn, maar de fwarte koleur loopt door 
en door , en maakt eigentlyk het hoofd-lig- 
chaam uit. Als dit marmer gebrand word, 
gaat deszelfs witte ftof over in kalk maar de 
{warte {tof , die harderis, in glas, volgens de 
aantekeninge van den bovengemelden Schry= 
ver. Dit onderfcheit van hardigheit is ook de 
oorzaak „ dat door den tyd de witte vlekken 
door de lucht worden weg gegeten , terwyl 

„de fwarte Îtof overblyft. Dit Afrikaans mar- 
mer heeft ook het gebrek „ dat het met mar= 
kazyt door fprengt word. In de witte plek- 
ken werdeok zomtyds enig rood gezien , en 
zommige witte vlekken vioeyen op de wys als 
golven, door de welke wederom andere witte 
aderen doorloopen. 


66. 


Het marmer dat Porta Sanéta genaamt word, 
is van een koleur die enigzints naar % geel en 
ook naar ’t purper gelykt. Het purper loopt 
door het geel als voetpaden die uit dunne a- 

- deren beftaan. Deszelfs (tof is zeer vet ; et: 
piet minder als zantkorlig of dof , het welk 
‚… ook de oorzaak is, dat dit marmer in goede 
kalk overgaat door het vuúr. In zommige 
plaatzen vertonen zich ook vale plekken , ef 
ook andere die ros van koleur zyn, diedoor- 
rek zyn met witteen doorfchyhendé aderen. 

e Natuur fchynt vering ftoffen ‚ en me- 

4 


15x _ Natuur- en Konft-Kabinet , 
talyne uitvloezels en zappen te gebruiken tot 
de zamenftellinge van het marmer. Het welk 
niet alleenlyk komt te blyken aan des zelfs 
fwavelachtige reuk, dewelke een getuigen van 
een vitrioolachtig zap is, en aan deszelfs ver- 
fcheide koleuren „maar ook wel voornament- 
Iyk om de onderfcheide zelfftandigheden , die 
zomtyds in een en het zelfde marmer gevon- 
den worden. Want het marmer dat van ko- 
leur is als een gemengt groen , fchynt in den 
eerfte opflag wel alleenlyk maar van een groene 
koleur, maar als wel op het zelfde gelet word 
beftaat dit groen uit een dommeling van wit- - 
te, fwarte , en groene vlekken ‚vande welke 
de witte vlekken door het vuur overgaan in 
kalk , de fwarte worden ontbonden in kor- 
ften als een zoort van korftachtige kalk , de 
witte en fwarte plekken zyn klein , op dewy- 
ze als eyere. Dit marmer groeit in een kryt 
aarde in dewelke het zelve in zeer grote ftuk- 
ken gevonden word. De Koleur van deze kryt- 
aarde is afchgraauw , en dit marmer laat zich 
zeer wel Polyften. Het marmer dat Jexco- 
melan genaamt word, heeft plekken die om- 
trent de grote van een Dadel hebben’, deze plek- 
ken zyn befloten in regte en hoekkige ftrepen. 
Het laat zich wel polyften, en is zeer bekwaam 
om te dekken. ’ Het marmer pardalium is 
blaauwachtig van koleur , en door gebroken 
zynde glimftert het zelve, als’ met zant-kor- 
len, gelyk als het Griekfche zant-mármer van 
het welke wy gefproken hebben. Het ver- 
andert door ’ vuur in een witte kalk, en laat 
zich ook wel polyften. 

Ì 67. 


ME 


_Anguflus — December 1722. 1 53 


‘ 


67. 
. Dat de Natuur verfcheide ftoffen gebruikt 
‚ „tot de zamenttellinge van het marmer word 
ook beveltigt door verfcheide zoorten van 
marmer, aan de welke wy gevoeglyk den naam 
van kraak-marmer konnen geven, om dat 
„het zelve in het vuur gelegt zynde kraakt, en 
barft, en in kleine ftukjes foringt, gelykerwys 
als bergzout, zal gemma,zee-zout, enz. onder 
deze zoorten is het Spiegel marmer, het welk 
zich in de lucht fpout in vierkante dobbelfte- 
nen , die van oppervlakte zeer wit en glad 
zyn en als gepolyft elpenbeen blinken. De- 
ze fcheiden zich alengskens wederom in an- 
derekleindere fchilletjes en vlakke dunne blaad- 
jes , die. dwars door mmalkander lopen , en 
eindelyk geheel in vierkante en kleine dobbel- 
fteentjes , die aan de gedaante van een Rhom- 
bus of gelyk-lynig vierkant met fcheve hoe- 
ken bepaalt zyn. Die marmer kan ook niet 
het alderminfte vuur uitftaan , maar bart en 
fpringt daatlyk in kleine (tukjes ; waar na het 
eindelyk zich in kalk laat branden. De Naau- 
‚keurige F. Imperatus oordeelt , dat zodanig 
marmer moet aangemerkt worden alseen ge- 
ftremt zap. Wy konnen dit zeer wel toefter- 
men maar tot nader ophelderinge diend aan- 
_ gemerkt te worden, dat deze (tremminge niet 
gefchiet door een werkdaad van de onder- 
aardfchen warmte, maar door een verkoelin- 
ge of verminderinge van warmte, op de wyze 
als de Cryffallzatse der zouten in koele plaat- 
zen of ‘kelders. Wy moeten het kraak-mar- 
K 5 mer 


154 __Natuur- en Konft-Kabinet, 


met aanmerken alseen onryp marmer , dat is 
een fleen de welke geflremt is, eer de onder- 
aard{che warmte deszeifs vogtige delen bek wa- 
melyk heeft uitgedampt. Zo ras als nu dit 
marmer in het vuur gebragt is, worden deze 
waterdelen door het vuur met geweld uitge- 
dreven , met een verbryzelinge van de valte - 
delen , in de welke zy door de ftremminge 
zyn ingewikkelt geweeft; op de wyze als wy 
zien gefchieden in het gemeen zout dat in ’% 
vuur geworpen werd. Behalven de water. 
delen fchyut het kraak-marmer ook te beftaan 
uit ftyve en rigide delen , die op malkander 
in een zekere gefpannenheit zynde zo ras als 
door het vuur deze verbintenifze verbroken 
word met rasheit van malkander vliegen , niet 
zonder verbryzeling of vryvingop die delen , 
de welke in den weg zyn. Het welk een ge- 
kraak veroorzaakt. Dit Spiegel-marmer groeit 
in de tuflchen wanden van ander marmer , 
even als een zap dât by malkander gevloeid 
en geftremt is. 


63. 

Het kraak-marmer is noch ook Vän verfchei- 
de zoort ; want gelyk als het wit Spiegel- 
maumer , daar wy 200 eeven van gefproken 
hebben door het vuur in zeer kleine en on- 
bepaalde deeltjes verbryzelt werd, word noch 
een ander zoort van maârmer gevonden. te 
Prato , een grote fladt, die in het gebied van 
Florence legt. Pet welk niet alleen in het 
vuur kraakt en barft, gelyk als het Spiegel. 
marmer, maat de (lukken hebben de gedaan- 

te 


Ae uk aided 


Auguftus — December. 1722. 45 

te van {chilfers of {chalien. De koleur van 
dit marmer is groenachtig. Al de zoorten 
van marmer daar wy dus verre van gefpro- 
ken hebben groeyen als met Aderen in de ber 
gen ‚ en dat wel op deze byzondere manier , 
datde kleine ftrepen, naden, aderen, ftreken 
„of golvingen ‚ die met verfcheide koleuren 
daar de dezelve komen door te-kruizen , ge- 
woonlyk uit byzondere floffen beftaan , die 
„niet tegen(taande zy een en den zelven fteen, 
komen uit te maken , onderfcheide van zelf- 
ftandigheit zyn. — Zommige van deze ftoffen, 
zyn zo. zeer verfchillende ‚dat de ene gebrandt. 
zynde daatlyk-kalk word, de andere een glaf= 
achtig, wezen, de darde een blaarachtige ftof, 
die in kleine bladen en plaatjes van malkande- 
re {plyt, de vierde valt van malkander in ftuk- 
jes als Dobbeiftenen enz. Het groenachtig, 
marmer. van, Prato daar wy van gefproken heb- 

„ ben is-geaárt of doorkruift met aderen , die 
blaauw, van koleur zyn. Terwyl dit marmer. 
… van Prato in het vuur aan {tuk {pringt, blyft 
ondertuflchen de ftof van de blaauwe aderen 
leggen , dewyl de zelve het vuur kan verdra- 
gen. Deze blaauwe Aderen zyn van koleur 
als de fplinters van de Sapphier , en de zelve 
worden als omvangen en omhelft van de groe- 
ne {tof of van dezelfftandigheid van den fteen, 
_even als of deze groene ftof een fteen-zap was 
_geweeft, het welke om de {lof van de blauwe 
aderen als geftremt was „ daar in tegendeel de 
meefte Aderen van het geadert marmer zyn, 
als gevloeid en ingewafzen in de zelf{tandigheit 
van het marmer ‚ door het welke zy komen 
doot te kruizen. Als 


156 _Natuur- en Konft-Kabinet. 


69. 

Als wy aandagtig op de natuur van het gé- 
adert marmer komen te letten , konnen wy 
zeer licht zien , dar dezelve gewoonlyk beftaat 
uiteen te zamen vloeyingeder zappên van kalk- 
fteen en keifteen ‚en dat de aderen of vlekken van 
de kalkfteen aan het marmer geven een zagt- 
heit „ en de zelfftandigheit , of aderen, of 
vlekken , of golvingen van de vuurfteen of 
keifteen aan de zelve geven een hardigheid , 
en duurzaamheit. Als deze twe verfcheide 
fteen-zappeu door tuflchen kominge van een 
darde het zy een leem, of fyne aarde van mal- 
kander getempert en omhelft worden, geven 
zy aan ’tmarmer tegelyk een bek wame hardig- 
heid voor het polyft yzer , en een bekwame 
toegeventheit en tayheit voor den beitel. Maar 
als deze twe flcenzappen in een en de zelfde 
fteen te veel op hen zelven zyn geven, zy een 
ongelykheid van zelfftandigheid, die zich ver- 
toont in de gedaante van korlen , of van gol- 
ven , of fchilfers , of van aderen, of van 
vlekken als fchilden , of van ftrepen „ of van 
vlammen , of van knoeften , of van uitbot- 
tingen, of van (lipjes, en kleine puntjes, ge- 
Iyk aìs in de porphyr-fteen. 


70. 

De Porphyrfteen behoort onder het rode 
marmer , en is om des zelfs uitmuntende har- 
digheit van alle rode marmers het befte. De 
koleur is niet alleen purper-rood’, maar over 
al met witte Stippen doorzaayd, en de ber 

an- 


Augufius — December 1722. 157 
ftandigheit van de porphyrfteen is wat aan de 
korlige kant, op de manier als zommige kei- 
ftenen. Het welk ook de oorzaak is, dat ver- 
fcheide fchryvers de zelve onder het geflagt 
van de keifteen hebben geplaaft , gelyk ook 

onder anderen Ferandus lmperatus, maar als 
de lezer op myne aanmerkinge van de twe 
verfcheide fteenzappen, diede meefte marmers 
komen uit te maken gelieft acht te geven , 
zal hy zeer licht konnen ondekken , dat de 

_Porphyrfteen een marmer is, in het welk het 
{teenzap van de keyfteen of vuurfteen de over 
hant heeft, boven het fteenzap van de kalk- 
fteen. Het Porphyr-marmer word noch vers 

_ zynde in fteen groeven of mynen tot alder- 
hande beelden of cieraden bewerkt , want als 
het zelve eenigen tyd in de lucht heeft gele- 
gen „ word het zo ongemeen hart, dat het 
niet bewerkt kan worden. Als het Porphyr- 
marmer met {taal word geflagen , geeft hee 
zelve vuur-vonken van zich, gelyk alsde vuur- 
fteen , maar in minder hoeveelheit.. De Por- 
phyr-{teen kan ook volgens de ondervindinge 
van Imperatus zeer wel tegens het vuur, en 

alfchoon de zelve al vry lang gebrant word „ 

zal de zelve niet {pringen of kraken , maar 
eindelyk overgaan in een zelfltandigheid die 
enigzints glasachtig is. Het welk gefchiet zo 
ras als deszelfs kalkf{teen verbroken en deszelfs 
Natuurlyk zap door ’ vuur verteert is. 


AP ; 
Het Keyftenig-fteenzap heeft ook de over- 
hand in het groen marmer aan het welk de 
naam 


158 Natnur- en Konft-Kabinet, 
naam van laconicum gegeven word om dat 
het zelve gevonden word in Lacedemonie. 
Zommige geeven aan het zelve de naam van 
Serpentyn-{teen , om dat het met wit-groene 
plekken , die in een donker groen ftaan alsde 
huit van zommige langen, geplekt ís. Dit 
verfcheelt van het Serventyn-{teen van Meif- 
zen daar ik van gefproken heb , en uit het 
welke alderhande vaat werk gemaakt word 
zeer veel. Want hetis zo hartals de Por- 
phyrfteen , en komt met de zelvein veel hoe- 
danigheden, behalven de koleur en de gedaan- 
te der plekken , die in dit marmer groter en 
langwerpig zyn ,over een ; daar het in tegen- 
deel van de Serpentyn-fteen van Meifzen on- 
eindigt verfcheelt ín hardigheit. Want de 
Serpentynfteen van Meifzen heeft maar de har- 
digheid van Albaft; om dat in de zelve het 
kalk-ftenig zap geheel de overhand heeft. De- 
ze harde en groene Serpentynfteen van Luace- 
demonie verfcheelt van de Porphyrfteen ook 
daar in, dat de zelve zich eerder door het vuur 
laat ontbinden , door het welke des zelfs don- 
ker groene zelfftandigheit overgaat in eef rof- 
ze fiof, die ik geloof dat okerachtig zal zyn, 
en een bewys is van deszelfs vuurftenig zap , 
maar de licht groene plekken gaan door het 
vuur over in een wit lichaam , dat wel 
enigzints na de puimfteen gelykt. De naam 
van Serpentynfteen word ook gegeven aaneen 
fteen die afchgraauw van koleur, enmet fwar- - 
te plekken doorlopen is ‚op de wyze als de plek- 
ken van zommige zerpenten. Deze is ook een zeer 
hard en kleyachtig marmer, het welkezich me 
we 


l 


EMA 
penne 


4 


Anguffus — December 1722. 1 59 
wel laat polyften , Een andere harde Serpentyn« 
fteen is fwart van koleur „en geheel met blaau= 


__we vlekken doorlopen. De ftof van de blau- 


we vlekken is echte veel harder, als de fwar= 
te zelfitandigheid van den iteen. Het welk de 
oorzaak is dat de fwarte zelfftandigheit, door 
de lucht,of door lekkend water verteert zyn- 
de, de Swarte zelfftandigheit als met knobbels 
uitfteekt. Als deze fteen in * vuur gelegt 


‚word, verkrygt hy enige vroodheie van koleur. 


72. 


_— Behalven dat de Natuur verfcheide manie- 
ren, en verfcheide ftoffen, in het voortbren- 


- gen van het marmer gebruikt, enook ver- 
_fcheide marmers tot bepaalde ‘gedaantens 


doet fchieten, wat derzelver terlings, of 


zantkorlige kleine delen belangt , maakt de- 
zelve ook nog daar boven zeer geeftige te- 
keningen en {childerien in zommige mar- 


mers. Hier van hebben wy een zeer geef: 


ftig voorbeeld in de loof-fteen van Sina , 


‚ de welke door Ferandus Imperatus zeer nau- 


keurig is aangetekent. Wy hebben den zel- 
ven uitgebeelt in ’t Natuur- en Konft-Kabi- 
net July en Augufty r72o Tab. XVIII. Fig. 


xs. Deze fteen is zo danig doorgroeit dat de- 
__… zelve, aan welke zydedie (teen ook gebroken 


mag werden, komt te vertonen een geeftige 
boffchadie met bomen , vakken „ ftruellen en 
bladeren. Deze uitbeeldingen worden voort- 
gebragt door de mineralitche dampen en uit- 


__vloeizels-der gronden „ van de welke enige 


deelt- . 


160 _ Natuurs en Konft-Kabinet, — 
deeltjes zich vait negten in de pypjes , fire” 
kenen kleine ruimtens van de iteen-ltof. Ter 
wyl dezelve noch is in den ftaat van deszelfs 
groeyinge en rypwerdinge. Deze marmer” 
fteen word gevonden in zekere bergen van Si- 
na de koleur van dezelveis witachtig daar zom- 
tyds zich enige rosheit ondermengt maar de 
koleur van de flreken of tekeninge is wart. 
Als deze fteenin het vuur gelegt wort fpringt 
_ het fwart zeer fchielik uit den fteen aan ftuk , 
het welk een teken is dat het zelve door ver- _ 
koelinge van een doordringend fteenzap ge- 
ftremt is. De eigentlyke ftof van de fteen 
zelfs kan den brana des vuurs zeer lang ver- 
dragen ‚ maar gaat eindelyk cok over in een 
glafachtige zelfltandigheit , het welke een be- 
wys is dat in dit loof-marmer van Sina het 
keyftenig fteen-zap de overhant heeft. 


za 

In dezelve Tabula vur is in Fig. 16. uite 
gebeeld een kalk-ftenig marmer, aan het wel- 
ke Imperatus den naam van koren {teen ge= 
geven heeft ; om dat in de zelve uitgebeelt wor- 
den de gedaantens van koren korlen , zaad, 
erweten enz. De koleur van dit marmer, is 
gewoonlyk wit , of afchgraauw. Onder de 
marmerfteen worden verfcheide gevonden ;, 
die alderhande bekende en bepaalde gedaantes 
uitbeelden , gelyk onder andere het gefchre- 
ven marmer , in het welke gezien. worden 
alderhande letters , van de welke zommige zelfs 
verftaanbaar en leesbaar zyn. Dit zoort van 
marmer laat zich door ’t vuur tot kalk fn 


ke 
B 


RA 


& 


J 


Aa / : Ô li 
Auguftus — December, 1722. rót 
den , maar heeft echter die hardigheid en fyn- 


er 
er 
# 


heit, dat het zich zeer glad laat polyften. Ge- 
_1yk als ook het marmer Garatronius , het wel- 


ke of fwart of wit van koleur is, en overal 
zeer geeftig vertoont Arabifche letters, die of 
geel of purperachtig van koleur zyn. De ftof 
zo wel van Het uitgebeelde koren , als van de 
ftreken der letters , ichynt te zyn een vremde 
materie, diedoor het ontmoetende fteen-zap , 
van het welke de fteen komt te groeyen, ver= 
fteent wort, op de zelfde wyzeals wy vinden 
verfcheide horentjes , kruikjes , fchelpjes „’bla- 
deren , vrugten, zaat, enz. In zommige kalk- 


‚ ftenen , en ook wel in ftenen , die van een 


keiftenigen of vuurftenigen aart zyn , alwaar 
dezelve van het ontmoetende en haar omhel- 
zende of ook wel doordringende fteen-zap ver- 
fteent zyn geworden. 


74: 

Na dat wy nu ontdekt hebben, dat het mar- 
„mer door een keiftenig of kalkftenig of ook 
veeltyds door beide, of elk byzonder, met ftre- 
ken onderfcheiden , of ook. wel enigzints ge- 
mengt, zyn fteenwordinge verkrygt, ftaat aan 
te merken, dat, behalven deze fteen-zappen, 
ook noch vereifcht word een meer of min 
fyne aarde , het welk als een onderwerp , de- 
ze fteen-zappen indrinkkende, komt mede te 
helpen , om het ligchaam van het marmer uitte 
maken. Hier moeten wy nu ook noch by- 
voegen de vogtigheid, of het water, het welk 
de oorzaak is dat deze fteen-zappen vloeibaar 


zyn ; als ook noch daar boven de metallyne, 
VH. Deer. L en 


ró6x Natuur en Konft-Kabinet, 

en mineralifche dampen „ en uitvloeizels , die 
de verfcheide koleuren in het marmer komen 
voort te brengen. Als het fteenzap , door het 
welke het marmer verfteent word , niet an- 
ders was als enkeld water „zoude het niet mag- 
tig. zyn , om de fyne aarde of deszelfs on- 
‚„ derwerp , tot de vaftigheit vari fteen aan mal- 
kander te hegten. Maar het is zeker , dat dit 
fteen-zap bevrugt is , of met zalpeter „ of met 
fteen-zout, of ook wel met vitriool, of an- 
dere amerallifche of mineralifche zappen , en 
delen.” Het keiftenig fteen-zap van die delen 
des marmers , de welke door ’t vuur in een 
glafachtige zelfltandigheit over gaan „is van een 
vitrioolachtigen of anderen vuurftenigen en kei- 
ftenigen aart. Gelyk als blykt uit de fwavel- 
reuk , die zommige van die marmer-ftenen , 
geflagen zynde, komen uit te geven; als ook 
aan den oker , die zich zomtyds in zodanig 
marmer komt te vertonen. Zommige mar- 
mer-{teen is zelfs van een yzerachtige Natuur, 
gelyk als een zeker zoort van marmer te Meif- 
zen, het welk zodanig hart en beftendig is, dat 
de yzer fmeden het zelve komen te gebruiken 
tot hunne Ambeelden. Diergelyk yzerachtig 
marmer word ook gevonden in Egypten. Het 
welk tegelyk ook zeer ókerachtig van koleur , 
en zelfftandigheit is. Maar het kalkfteriig fteen- 
zap van diedelen des marmers, de welkedoor 
het vuur in een kalk overgaan , is van een 
zalpeterachtige natutir , het welk ik te meer- 
der durf verzekeren, om dat wy van die kalk= 
ftenige delen des marmers zalpeter konnen 
maken 5 áls ook dat de kalk van die ftenen , 


Be 


é 


vol Augrfus December 1722. 163 
gelyk als andere kalk , dikwils van zelfs dit 
fleen-zout komt uit te fchieten ; en alfchoon 
dit fteen-zout juift wel geen volkomen zalpe- 
ter is, zal echter niemant ontkennen, dat het 
zelve is van een zalpeterachtige hoedanigheit. 


‚ Dit kalk-zout zoude ook wel volkomen zal- 


peter zyn , indien niet het vuur in de verkal- 
kinge deszelfs vlugfte en fynfte zure delen had- 
de verteert , of verbroken of in enige zeer 
fyne aard-deeltjes hadde geklonken , en vaft- 
gemaakt. Gelyk als wy zulks aan de zalpe- 
ter zelfs zien gebeuren , als wy door het in- 
werpen van dove kool het zelve tot een vaft 
zout komen te bereiden. 


5. 

Dat de Natuur oen fteenwordinge van 
het marmer vogtigheit en zap gebruikt, konnen 
wy , behalven uit veel andere hoedanigheden 
omftandigheden en tekennen ook vaftftellen , 
om dat het marmer veel zagter en weker be- 
vonden word als het eerft uit de gronden word 
uitgehaalt , als naderhand , wanneer door de 
wermte van de lucht deszelfs vogtigheit is weg-. 
gewazemt. Het ene marmer word veel eerder 
hart in de lucht als het andere, en de oor- 
zaak is uit onze voorgaande ophelderingen en 
aanmerkingen ‘ook zeer licht te agterhalen, 
Zommige marmers werden door zeer langen 
tyd van de lucht niet alleen geheel wederom 
zacht en mollig gemaakt, maar zelfs tot aar- 
de overgebragt , en andere marmers worden 
van de lucht uitgegeten, en als vermor- 
zelt, niet tegen{taande de meefte marmers ge- 

L 2 adert 


164 _ Natuur-en Konft-Kabinet, 


aderten van verfcheide koleuren zyn, wor- 

den de zelve echter uit hoofde van hunnen 

grond koleur onderfcheiden 1 in wit marmer, 

2 in afch-graauw marmer, 3 in fwart mar- 

mer , 4 in bruin marmer , 5 in blaauw-achtig 

marmer , 6 in geel marmer , 7 in ros en ook 

in rood marmer , 8 in groen marmer. De- 
wyl nu deze koleuren noch elk in zeer veel 
trappen van hoger of lager gekoleurd, of ook 

wel door andere koleuren gebroken zyndeon- 
derfcheiden worden , kan de lezer zeer wel 

begrypen , dat byna alderhande koleuren , en 
tinten van koleuren , in de marmer-fteen ge- 
vonden worden. 


76, 

Wy hebben aangemerkt dat zelfs de natuur 
het marmer grein van zommige marmers tot 
bepaalde en geometrifche figuren doet ftrem- 
men en te zamen groeyen ; gelyk als onder 
andere het marmer dat uit vierkante gedaantens " 
die de figuur van een Rhombus vertonen , ís 
te zamen geftelt enz. Maar de Natuur be- 
paalt ook op verfcheide wyzen het gehele fteen 
gewas van de marmer-fteen , zo wel tot ver: 
fcheide gedaante als tot verfcheide grote; ge- 
lyk als zommig marmer te Hildesheim , het 
welk op deszelts oppervlakte over al als met 
grote gefwellen en puiften begroeid is. Zom- 
mig marmer , gelyk als dat van Luacedemo- 
nie groeit in kleine klompjes, en kluiten, die 
overal verfpret leggende in de grond gevon- 
den worden, Dit marmer wierd aldaar by het 


Dorp Crocea gevonden. Ander marmer groeit 
tot 


’ 
jm 
) 


1 
jn 


de 


Auguftus December 1722. 165 
tot zodanige grote (tukken , dat uit de zelve 
gehele blokken , tafels , vioer-ftenen en zelfs 
grote pilaren en vyzels konnen gemaakt 
worden. In Rhodus, en ook op veel plaat- 
zen, groeit het marmer, eerder in de breed- 
te als in de dikte. Het marmer te Hildesheim , 
dat wel meeft na de afch-grauwe of bruine 
kant helt , groeid zelden tot dikker platen 
of bladen , als twe grote duimen. Zomtyds 
brengt de Natuur het marmer in de gronden 
voort in de gedaante van zeer brede py laren , ge- 
Jyk als in het T'hebaans gebied, of ook wel inde 
gedaante van hoekige pilaren gelyk als te Meif- 
zen. Dezehoeken zyn ook nog zeer verfchei- 
den „op zyn minft zyn dezelve vier in °t getal, en 
op zyn hoogfte zeven volgens de waarnemin- 
ge van den Hvog-geleerden Agricola. Deze 
pilaren zyn gewoonlyk zeer vaft aan malkander 
gevoegt, hoe wel echter zommige enkeld ko- 
men te groeyen, gelyk als in * Thebaanfch. 
Gewoonlyk fchynen deze pylaren als ín mal- 


bg 


— kander te fteken , groeyende de kleine pilaren 


in de grote. Onder deze pilaren van Meifzen 
zyn de grootfte gemeenlyk omtrent ancer- 
half voet dik, en veertien voeten lang ; maar 
de pilaren van het T'hebaanfche marmer zyn 
veel groter, want zy groeyen tot de diktevan 
twaalf voeten ‚en zomtyds wel tot de lengte van 
hondert en meer voeten. Waar uit openbaar- 
lyk blykt dat de Natuur verfcheide wyzen 
gebruikt in het voortbrengen der fleen-gewafzen, 
en dat de meefte flenen komen te groeyen tot 
gereguleerde en bepaalde gedaantens, Het welk 
d El ik 


166 _Natuur- en Konfl-Kabinet 


ik voorgenomen hadde in deze verhandelinge 
aan myne lezers te doen zien. 


NEGENDE VERHANDELING. 


VandeBYZONDERE NATUURLYKE 
HISTORIE - SCHRIVERS en in de 
zelve het gebruik van den Indigo. 


4 I. 
Ni dat wy in onze twe voorgaande ver- 
handelingen over den Indigo hebben be- 
fchreven deszelfs Natuurlyke Hiftorie, en ver- 
{cheide manieren van bereidingen , benevens 
enige proef-ondervindingen de welke wy we- 
gens de kragt en beftendigheit van deszelfsblaau- 
we koleur verkregen hebben, zullen wy tot 
een befluit noch een weinig voorftellen we- 
gens des zelfs gebruik. Het gebruik van de 
Indigo is zeer uitgeftrekt in de verwkunf(t, in 
de fchilderkunft onder de olyverwen , en ook- 
in de verlichtery-kunde , onder de waterver- 
wen. Zelfs wordt de Indigo van zommige 
gebruikt in de geneeskonft, en tot dartig of 
veertig grein zomtyds ingegeven in een Bo- 
Jusje , met een Conferfje „of elettuarium , 
of ook wel in drankjes , of in de gedaante 
van pillen, tinétuur, of in poeder. Maar ik 
oordeel deszelfs inwendig gebruik in verfchei- 
de gevallen fchadelyk, om deszelfs ongemene 
zamentrekkentheid , vreetheit en uitdrogenden 
aart. De Indigo is een van de uitdrogenfte 
mid- 
\ 


IE ZEN L Ö ' 
Auguflus —— December 1722. 167 
middelen die my bekent zyn. Zy maakt dor- 
‘heit en magerheit in ’t ligchaam , zy maakt 
„Áchraalheit op deborft, verftoppingen in ’t hooft, 
ruizinge in de oren : zy verdooft de gal , en 
is zeer fchadelyk voor de zenuwen en zuur- 
achtige vliezen , en zeer gevoelige delen. Zy 
verdikt de zappen en bluft de levendige werm- 
te enigzints uit, hoe wel dit maar verftaen 
moet worden in ’t geval als iemant dezelve al 
te veel en te lang achter malkander komt te 
- gebruiken , want dewyl inde Indigo , ook.bui- 
ten en behalven des zelfs grooveen zamentrek= 
kende delen „gevonden worden zeer fyne fcher- 
pe en doordringende delen, kan het zomtyds 
wel gebeuren, dat zy in zommige gevallende 
„taye en harde ftoffen verbreekt en op die wy» 
ze zeer fware verftoppingen komt los te ma- 
ken en te ontbinden. Wat ook het gebruik 
van den Indigo in zommige uitwendige gebre- 
ken belangt , hebben wy geen reden om het 


__ zelve te verwerpen gelyk als ik op zyn plaats 


zal aantonen. 


ne 
De ongezonde hoedanigheden en ongetem- 
pertheden van onze zappen, en de ziektens en 
ongemakken de welke daar uit voortkomen „ 
mitsgaeders de ongefteltheden van verflappin- 
gen ‚ verhardingen , opkrimpingen, verfwak- 
ingen, uitzettingen, verftoppingen der vafte 
delen , en der zelver vezelen , zyn zo menig- 
vuldig en verfcheiden , dat, de hulp middelen , 
de welke voor de ene fchadelyk zyn, voorde 
„andere zeer dikwils zeer dienftig.en voordelig 
\ L 4 be- 


168 Natuur- en Konft-Kabintt, 


bevonden worden. De Indianen gebruiken, 
volgensde aentekening van de Hortus malaba= _ 
ricus de wortel van de Indigo heefter gekookt 
met water tegen de pynen van de nieren , en 
in ’t graveel. De bladeren ftoten zy met wa- 
ter tot een pap, en leggen de zelve op den on- 
derbuik , buiten twytel dikwils met een goe- 
de uitkomft voornameutlyk in ’t geval van ont- 
ftekinge, of geinflammeerd, heet en galachtig 
menfchelyk water , dat met veel fcherpe 
en bytende loog-zouten bevrugt is. Want be- 
halven dat de Indigo plant zamentrekkende en 
uit dien hoofde verkoelende bevonden word, 
is de zelve noch ook zeer voorzien met fyne 
en lichte delen , gelyk als klaarlyk blykt uit 
deszelfs (terken (tank de welke zich in de be- 
reidinge vanden Indigo onder het verrotten 
komt te openbaren , en de welke wy onder 
het koken van den Indigo, als ook in de blaauw- 
kuipen gewaer worden ; behalven dat noch de 
bittere fmaek van de Indigo-plant , en ook 
zelfs van de Indigo , een genoegzaam be- 
wys is , dat dezelve zo. wel beftaat uit zeer 
fyne en lichte delen, als uit een zamentrek- 
kende zelfftandigheid , in de welke de zel- 
ve als geknevelt en opgefloten zyn. Dat een 
wortel, fchors, kruid, vrugt, zaad, zap enz. 
te gelyk kan beftaan uit te zamentrekkendede- 
len , en uit delen die zeer fyn, licht en o-= 
penende zyn, ís een waerheid, die openbaer is, 
en tegenwoordig geen verder be wys van noden 
heeft. De Indigo zelfs word aan de Malabar- 
fche kuft gebruikt op gefwellen , om dezelve 
te doen verteren en op te drogen, ke 

Fran- 


oink kN 


Zi Auguflus 


December, 1722. 169 


Francifcus Hernandes * eerfte Geneesheer 
wegens den Koning van Spanje in de Spaen- 
fche Wett-lndien zegt van de Anil of Indigo- 
plant XIUHQUILITL PITZAHAG of de 
Anil met dunne bladen fchiet ene wortel uit van 
dewelke veel flronken voortkomen die zes GU- 
BITI (vegen voet) lang, en omtrent een ping 
dik, van een afzraauwe koleur ‚ rond en licht 
zyn. De bladen zyn gelykals die van de cí- 
cers. De bloemen zya klein , en uit den wit= 

“ten roodachtig. De peultjes hangen trofgewys 
aan den flruik gelyk als dikke warmpjes „en 
zyn met fwart zaad befwangert. De vragt 
is een weinig bitterachtig „boonachtig van fmaak, 
beet en droog inden tweden graed. Deszelfs poe- 
der geneeft de verouderde fweren, als zy te vo- 
ren met pis afgewafzen worden. Zy zeggen 
dat de geftote bladeren de pyn en den grooten 
brand van de hoofden der kinderen weg nemen, 
als zy daar op gelegt worden. En ook der her- 
zenen als het hooft met het aftrekzel der bla- 
deren gebet word. Uit de bladeren ward ge- 
maakt een verf „ die de Indianen T LACCHOL. 
Ll MEHUITLIVE zoemen met de welke zy 
het hair fwart verwen. Het groeid van zelfs 
„in de hete geweften op vlakke en bergagtige 
plaatzen. Alfchoon zonmige het zelve onder 
het zeflast der kruiden flellen, fchynt het noch- 
tans een heefter ‚die twejarenleeft en duurt. De 
| Ls manier 


%* Vid. Plantarum animal, min. Hiftor. lib, 
IV. Cap, 12, & 13. 


170 Natuur-en Konft-Kabinet, 

manier van die verf-flof, dewelke de latingen 
blaauw , (Ìudigo) maer de Mexikanen MO. 
HUIILI, ez TLEVOHUILLI zoemen , 
te maken „15 de volgende , zy werpen het af= 
gefnede kruid 1n een ketel of kuip met water , 
kloppen en flaan het zelve geweldig met fchop- 
pen , en het water , allengskens gekoleurd ge- 
worden zynde, word in een ander vat over ge= 
daan, uit bet welke zy het bovenfte water la. 
ten van boven aflopen, terwyl de droezem „die 
eigentlyk de ( blauwe Tudigo of) verf is , op 
den grond is gezakt. Deze word dan in hen- 
nippe zakken dourgelekt , naderbant in de zon 
gedroogt , en als tot kleine koekjes gemaakt , 
dewelke op platen , onder dewelke vuur geftookt 
word, vorder zodanig gehard en gedroogt wor- 
den, dat zy jaren konnen duren en tot bet ge- 
bruik bewaard worden, Aldaaris noch eenan= 
dere plant met dezelfde naam van X1U H- 
QUILITL PITZAHACG gewoemt , die ook 
met een blauwe koleur verwt , en bet hair der 
vrouwen fwart maakt ‚ maar nochtans in groote 
ez gedaante van de voorgaande verfcheelt. Het 
zs een heefter van een gemene grote, en die 
veel draadachtige wortelen heeft , uit dewelke 
afchgrauwe flraikjes voortkomen. De bladen 
zyn een weinigje groter als die van de lange 
peper, en met Fibertjes in de lengte doorlopen. 
De bloemen zyn witachtig: het 15 kont en vog- 
tig van Natuur. De manier om de Indigo te 
bereiden is van beide egaal ‚ maar de verf van 
deze laafte is niet zo goet , en daarom is dit 
krayt niet zo goed on voort te telen door zay- 
ex. Ik heb de eygen woorden van Hernan” 
‚ Es 


tide atd 


_Auguflus — December1722. 171 


des hier in gevoegt , op dat de Lezer zoude 
konnen zien, dat de Indianen van Mexiko of 


_ Guatimalo de Indigo byna op de zelfde wyze 


toe bereiden als wy verhaalt hebben van des- 


‚ zelfs bereidinge op de Franíche voor- Eylan- 


den van Amerika, te Guzarate , en op ver- 
fcheide andere plaatzen onder het gebied van 
den Mogol, te Madagasker door een kolonie 
die de Ë ranfchen voor dezen op dat Eyland 
gehad hebben enz. 


4. 
Ik vinde ookin Hernandes , dat de Span- 


jaerts op dien tyd, in de welke hy te Mexico 


zyne Natuurlykegedeukf{chriften maakte , het 
zayen en voorttelen vande Indigo-plant, ende 
bereidinge van den Indigo noch niet kwamen 
te oeffenen. Want Hernandes raad in zyne 
fchriften zulks den Spanjaarden aan , en ftelt 
wel uitdrukkelyk daar toe aan hen voor de 
heuvelachtige en vlakke plaatzen , die vrugt- 
baar en aan de zee-boorden gelegen zyn. Het 
welk lichtelyk wel gelegentheit gegeven heeft, 
dat de Spanjaarden tot de bouw van den In- 


digo het zeer vrugtbare en wel gelege land- 


fchap Guatimalo verkoren hebben. Waut het 
landfchap Guatimalo bezit niet alleen alle de 
hoedanigheden dewelke Francitcus. Hernan- 
des tot het bouwen vanden Indigo hadde voor- 
geftelt , maar geeft ook de befte en kragtigfte 
Indigo des werelds. De Koning van Spanje had- 
de deze Franci(cus Hernandez , benevens ver- 
fcheide geleerde mannen naar Amerika gezon= 
den, om van die landen op te maken eene be- 
| fchry- 


172 Natuur-en Konft-Kabinet, 
fchryvinge van der zelver metalen, mineralen, 
aardens , fteengewaflen, edele ftenen, plan- 
ten, vrugten ,balzems, harzen, gommen „die- 
ren, vogelen, viflen, zx/elten enz. De moei- 
te die tot het te zamenttellen van deze Na- 
tuurlyke Hiftorie is aangewend, is onbefchryfe- 
Iyk‚en de Hooggeleerde Jofefus Acofta getuigt, 
dat de onkotten tot het zelve 6oooo Dukaten 
kwamen te belopen. Dit werk is naderhand 
uit de fchriften van FHlermandez door de ver- 
maarde Nardus Antonius Recchus, op bevel 
van den Koning, in ordre gebragt, en met de 
aantekeningen van zeer veel geleerde mannen 
verrykt in het ligt gebragt, en naderhand nog 
wederom verbetert. Het welk ik alhier een 
weinigje om{landiger kome te beregten, om 
dat aan my geen boek bekent is, uit het wel- 
ke een geleerd lief hebber van de Natuurlyke 
Hiftorie en natuurlyke zaken van Amerika, 
(voornamentlyk als hy het werk van den bo- 
ven gemelden Jofephus Acoftta daar benevens 
komt te lezen, ) zo wel kan onderwezen wor- 
den. 


Maar om eens een ERA: dieper en afgele= 
gener onderzoek op de zelf{tandigheid van den 
Indigo tedoen moeten wy ons erinneren , darde 
zelve onder deszelfs bereidinge gebragt word tot 
een zekere graat van verrottinge, gelyk als ge- 
noegzamen blykt aan den groten en onver- 
draeglyken flank , die de anil komt uit te ge- 
ven, op dien tyd als de zelve in die broeyen- 
ge gebragt is, van dewelke ik in myne twede 

‚ver- 


be OR rn 


/ “Auguflus—— Decömber 1722. *73 
verhandeling over den Indigo gefproken heb. 
De verrottinge ís niet alleen een werkdaad 
van de Natuur, waar door zy den wezenband 
der dingen ontbint, maar ook maakt de ver- 
rottinge zommige fware ligchamen zo fyn en 
licht, dat zy in de lucht komen op te ryzen, 
gelyk als wy door der zelver ftank gewaar 
worden. Onder deze fyn en luchtig gemaak- 
te lichamen bevinden zich onder andere de vlug- 
ge Piszouten. Dit is de oorzaak waarom de 
„delen der dieren, zelf hun been, hun bloed, 
hun pis, hun weet, zo vol zyn van dit vlug- 
ge zout , om dat de kokinge der voedzels in 
ons ligchaam een zekere graat van verrottinge 
is, door de welke de voedzels in zo verre 
worden ontbonden, fyn en licht gemaakt. 
Ik zegh een zekere graad van verrottinge, om 
dat dezelve in ons lichaam ook wederom in 
zo verre word geftuidt, al daar onze voedzels 
zyn overgegaan in een nieuwen wezensband 
van vlees, van been , van bloed , van gal, 
enz. Maar als die verrotting verder voortgaat, 
gelyk als wy zien gebeuren in de verftervin- 
ge der dierlyke ligchamen, of der zelver de- 
len , geven zy een onverdraaglyke ‘ftank uit, 
en ook als wy zulks begeren zeer veel vlug 
zout. Want als wy de menfchelyk pis eenigen 
tyd in de warme paarde meft, in een-toegeflote 
vat, leggen , en aldaar laten rotten, geeft de- 
zelve een ongeloofelyke hoeveelheit van dit 
vlugge piszout, 


6. 
Uit de boven gemelde redenkavelingen blykt 
genoeg- 


274 __Natuur- en Konft-Kabimet, 
genoegzaam dat door de verrotting vande Anil 
of het Indigo kruid veel van deszelfs delen 
ligt en fyn gemaakt worden. Deze delen be- 
ftaan in vlug zout, en zeer gexalteerde oly- 
deeltjes, dewelke door dit vluggezout worden 4 
mede opgefleept in de lucht, alwaar zy gro= 
ten {tank verwekken: Maar om dat onder de 


bereidinge van de Indigo den verderen voort- … / 


gang van deze verrotting gefteuit word, zyn 
daar door veel licht gemaakte delen genood- 
zaakt, om in dezelve, al fchoon zy wel ee- 
nigzints opgeloft zyn geworden, te moeten 
blyven, daar zy gevangen leggen in de grove 
en fware zamentrekkende delen , daar ook te 
gelyk de Anil en ook infgelyks de Indigo uit 
beltaat. Als het nu gebeurd dat de Indigo met 
water word gekookt , of door ’ vuur word 
gebrand, of door een verder verrottinge of 
broeyenge nader word ontbonden, werden de- 
ze geknevelde vlugge delen uit hunne boeyens 
ontflagen, en vertonen zich ook niet weinig 
door hunnen grooten ftank. 


ze 
Als wy overwegen dat de Indigo beftaat uit 
zeer veel zamentrekkende , verdikkende, en 
verkoelende delen , konnen wy zeer wel be- 
grypen waarom dezelve de vloeyenge van de 
hete gal, uiterlyke roodheit, vlamminge, py- 
nen uit heete oorzaken, alte groten zugtig- 
heid, en flym-gefwellen kan wegnemen, en 
de floffen als te rug dryven, met aan de fibren 
der overlade delen een groter Rexixus by te 
zetten. Als wy ook te gelyk in aanmerking 
ne- 


EE an veren le nn 


__Iyk kan dif 


ARR hj 


Angufliis — Detember 1722. 175 
fiërnen dat de Indigo zeer is bevrugt met fyne 


én lichte delen, die als op den fprong (taan, 
om by de eerfte gelegentheid van ontboe- 


yenge hunmer omwindzels of banden uit te 
gaan na buiten, konnen wy ook zeer wel be- 
grypen , op welk een wyze de Indigo te ge- 
tieren de taaye en flymige humeu- 
ren , en de dikke ftoffen der gefwellen, en 
zugtige delen bewamer maken om weg te vloe- 
yen. Darindelndigo, in weer wil van deszelfs 
fcherphéid, en zamentrekkentheid, ook tege- 
Iyk gevonden wordt veel vlug zout is niet te 
verworideren, om dat gelyk wy geleerd heb- 
ben de Indigo in deszelfs bereidinge uit de A- 
nil tot eeni zekere trap de verrottinge onder- 
gaan heeft. Maat op dat de Lezer den aart 
van de Indigo iti dett grond mag leten kennen, 
zal ikk kortelyk aantekenen op welk een wyze 
uit de zaden, vrugten, en kruiden de vlugge 


wouten können gemaakte worden. Dewyl 


de Indigo van zo veele en verfcheide konfte- 
naars gebruikt werd, gelyk als by voorbeeld 
in de geneeskonft, in de heelkonft , in de 
verwkonft, in de fchilderkonft, in de. verlig- 
tery-kunde, ifr de katoen-drukkers konft, en 
zeer overvloedig in het maken van lamenias , 
in het toebeteiden ván blaauwe fchryf-inkt, 
in de verlakkonft , én in.verfcheide andere 
konften en handwerken, is het wel bedenke- 
Iyk dat zomtnige die naauw keurig en opletten- 
de zyn, zomtyds wel enig nut en goed gebruik 
zullen korinen maken van een nader en die- 
per ontdekking van den aart en de hoedanig. 


heden van deze zêer vermaarde verw-ltof, 


Laat 


176 _Natuur- en Konft-Kabinet, 


laaten wy om dit te doen blyken, eens tot een 

voorbeeld nemen een zekere konli-greep van 

zommige fchilders , door dewelke zy de blaau- 

we koleur van den Indigo vaftter, beftendiger , 
en duurzamer weten te maaken. Zy nemen 

een gedeelte Indigo , en doen dezelve in een 

pampier : dit pampier, wel toegevouwen zyn- 

de, leggen zy tuflchen de lepels van een tang, 

of iets anders , en houden de tang met de le-_ 
pels eenigen tyd in het vuur , als wanneer uit 
de Indigo een flinkende rook komt uit te gaan. 

Als de meefte ftank door de hette van het vuur 
uit de Indigo is uitgedreven , zuiveren zy de- 
zelve van het gefchroeide papier , en vryven 
met hunne gekookte oly dezelve tot een fchil- 
der verf. Het is zeer waarfchynelyk dat deze 
konfigreep by toeval is gevonden, zonder te 
weten waar eigentlyk in komen te beftaan die 
delen , dewelke onder de gedaante van tank , 
uit de Indigo worden uitgeftookt, en dewelke, 

als zy in de Indigo zyn „ de oorzaak zyn dat 
dezelve deszelfs blauwe koleur veel eerder door 
de lucht komt te verliezen. Maar deze delen 
zyn niet anders als het vlugge zout, dat met 
eige olydelen verenigt,onder de gedaante van een 
ftinkend uitvloezel uitden Indigo word uitge- 
ftookt. Dat het vlug zout aan de beftendig- 
heit van de blauwe koleur van de Indigo fcha- 
delyk zoude zyn is licht te begrypen , om dat 
het zelve door de vogtige lucht zeer licht word 
opgeloft , waar door de tederheit van de ko- 
leur noodzakelyk bedurven moet worden. An- 
dere fchilders koken tot dit zelfde oogmerk de 
Indigo eenigen tyd met fchoon water , KE 

als 


5, 


Ordre VS 


Augufliús — December 1722 197 
als ik van de toebereidinge der oly- en water. 
verwen kome te handelen , zal ik aanwyzen 
een manier om de Indigo te bereiden tot der 
zelver meerder vaftigheid en beftendigheit van 
koleur tegens de lucht. 


Verfcheide Geleerde ftof[cheikundige hebben 
voordezen ontkent, dat uit de plantgewafzen , 


of der zelver delen een vlug alkalyn-zout be- 


reid konde worden , maar de tyd heeft het te- 
gendeel geopenbaart. Die dit tegenfpraken ga- 
ven voor, dat uit de dieren en der zelver de- 
len ; gelyk als wel voornamentlyk uit de harts 
horen , uit de klauwen , uithet yvoor , uit 
het bloed, uit de pis, wel konde gemaakt 
worden, of in de gedaante van een vlugzou- 
ten geeft, of in gedaante van droog en wit 
zout, een viug alkalyn of zuur temperend 
zout ; maar dat uit de plantgewafzen ‚of der 
zelver delen gehaalt wierde of een vaft zout, 


_ door brandinge , of een effentieel zout door 


kryftal fchietinge, of een zuren geeft. Maar 


“de grote ftoffcheikundinge Van Helmond ende 


vermaarde Luudovicus hebben aangetoont ‚twe 
verfcheide manieren om uit de plantgewaflen 
een alkalyn vlugzout te bereiden. 


9. 

Door middel vaneen vaft zout, gelyk als 
by voorbeeld vaft zout van wynfteen of pot- 
afch , en een fyne gedeftilleerde olie van wel 
ruikende kruiden, vrugten of zaaden , kan ge- 
maakt worden een zuur temperend vlug, zout. 

VII. Dezer, M „Neemt 


178 Natuur-en Konft-Kabinety 
Neemt by voorbeeld drie delen vaft zout van 
wynfteen , en feen deel gedettileerde oly van 
terpentyn, mengt dit wel te zamen , en laat 
het zo lang in een zagte warmte ftaan meu- 
ken „ tot de oly en het zout wel ís te zamen 
geftremt. Dettilleert dit mengzel naderhand 
zeer zagtelyk in een glazen retort ‚ en gy zult 
een vlugzout zien zetten aan de bovenfte delen 
vande retort; het welk zeer vlug, fyn, vuur 
temperende , en van veel deugd is. Door 
enkelde deftillatie kont gy ook een vlug 
zout verkrygen uit verfcheide hete zaaden. 
Neemt peper, of zaad van lepelbladen, of van 
wyuruit enz. een pond; doed het zelve ineen 
glazen retort „ en deftilleert eerft zagtelyk de _ 
Phlegma of het water uit het zelve, en gy 
zult naderhand een vlugzout en fyue geeft zien 
opklimmen. Dit vlugge zout is zo ongemeen 
vlug ‚en beweeglyk , dat het ín het midden, 
of op het einde van de deftillatie, zomtydsde 
retort doed aan ftuk barften. Uit zagtelyk 
vitgedampte extraêten van kruiden en wortels 
kan ook, op een gevoegelyke wyze, een vlug 
zout gemaakt worden. 


10. 
Maar om een weinig nader te komen tet het 
vlug zout van de Indigo , zullen wy aanteke- 
nen de manier, om door middel van de gef- 
tinge , of halve verrottinge , uit de zj 
waflen het ‘zuur temperend vlug zout te 
reiden „op de wyzeals dezelve in de Zransace 
tions Anglicans befchreven word. Neemt in 
het midden van de zomer een goede ke a 
‘neit 


Auguflus wam December 1722: 179 
heit bladeren van deze of gene plant gewaffen. 
„Doed dezelvein eenfterk en wel gefloten def. 
tilleer-glas, zo lang tot dezelve uit zich zelfs 
beginnen te giften en te werken , en vervol- 
gens te verrotten , en over te gaan in de gee 
daante van een pap. Deftilleert deze pap eerft 
door een middelmatig vuur , en gy zult in 
begin verkrygen een flappe Phlegma, die na- 
derhand gevolgt word van een zuur tempere- 
rende geeft , en van een vlugzout. En op 
het laafte-van de deftillatie-een dikke (tinken- 
de en fwarte olie, mengt uw vlugzout met die 
olie, en recteficeert het zelve verfcheide reizen, 
als wanneer gy zelfs een. groot gedeelte van die 
olie zult zien overgaan in vlug-zout. Dit is 
een Vlug alkalyn pis zoutwvan-dien zelfden aart, 
-…_als gemaakt word uit de delen vande dieren, 
gelyk als by voorbeeld-het vlugzout. van Ar- 
moniac ‚ van pis, van bloed enz. 


TI, 


: Li 
Als het hooy zeer kragtig is „gelyk datvroeg 
gemait word, volgens de gewoonte der vetwey- 
ers, en dat het niet genoeg been-droog in de 
fchuur word opgeftapelt , begint het zelve niet 
alleen te broeyen, maar geraakt dikwils zelfs 
wel in den-brand, wordende -de-oly-delen in 
een irreguliere en verwarde beweginge: gebragt, 
door de vlngge-zout delen die door-de-broey= 
inge”zyn losgemaakt. Deze vluggezeut delen 
openbaren zich genoegzaam aan den groten 
„reuk , die het hoy onder ’t broeyenaan allezy- 
… «áden’ kont ‘te verfpreiden. ‚Dat de bereidinge 
M 2 van 


185 Natuur-en. Konft-Kabinet 


van het vlugzout uit de plantgewaffen door mid- 
del van de geftinge en verrottinge , gelyk als 
wy boven befchreven hebben , op de zelfde wy- 
ze komt te gebeuren , blykt klaarlyk ; want. 
als de bladeren ín het toegefloten deftilleer glas 
aan ’t geften geraakt zyn, word het glas onge- 
meen heet. Nadie hette of geftinge begint de ver- 
rottinge; dewelke alle de hoedanigheden, geu= 
ren, en reuken van het kruid geheel verandert, 
en in het zelveeen onverdragelyken ftank ver- 
wekt. Hoe deze planten vogtiger en vetter 
zyn, hoe zy ook eerder tot de verrottingeover- 
gaan. De Liefhebbers hebben waargenomen, 
dat onder de verrottinge zomtyds in het mid- 
den van het digt gefloten vat, zich komen te 
vertonen wurmen ; vliegjes en andere infedtez, 
Deze infelten hebben zy alleen en op hen zelfs 
gediftilleert , maar de zelve gaven geen zuur 


temperend zout uit , gelyk als de pap van de 


verrotte bladeren. Het overblyfzel uit het wel- 
ke dít vlugzout gediftilleert word, geeft geen 
vaft zout gelyk alle de kruiden , als zy gebrand 
worden. Waar uit blykt dat het zelve door 
de verrottinge in vlug zout is overgegaan en 
verandert. 


/ 12. 
Niemand heeft over de bereiding van de vlug- 
ge zouten uit de plant-gewaflen omftandi- 
ger en naauwkeuriger gefchreven , als de ver- 
maarde Wedelius. * Deze Heer getuigt , dat 
i hy 


* Vid, Clar. Wedel. de Sale volatili planta- 
ram. 


Auguftus December 1722 18r 


hy tot het ontdekken van het vlug zout der 
plant-gewaflen , overvloedige _ aanleidinge 
kwam te verkrygen uitde bereiding, dewelke 
hy daagelyks zag „en zeer naaukeurig waarnam 
van de paftel , of die blaauwe verwftof , de- 
welke met de Indigo het voormaamfte van de 
blaauw kuip uitmaakt. De Heer Wedelius 
ontdekte, dat als het kruid wede daar de blau- 
we verwítof die wy paftel noemen van gemaakt 
word, op hopen leide, en aan het rotten ge- 
raakten, uit het zelveeen onverdragelyken, en 
zich allom verfpreidende ftank geboren wierd, 
en die Heer maakte uit dit verrotte kruit na- 
derhand vlug zout. Als wy nu acht geven op 
de bereidinge van den Indigo uit de Anil , en 
hoedanig de Anil ook geraakt aan het flinken, 
in des zelfs broeibak , zullen wy zeer licht kon- 
nen bevatten dat de Indigo een ftof is, in de 
welke veel vlug zout, door een beginnende 
verrottinge is losgemaakt, en door de belette 
voortgang van die verrottinge in het zelve is 
opgefloten. Waar uit overvloedig komt te 
blyken , dat de Indigo uit tweederhande de- 
len namentlyk zamentrekkende en vlugge be- 
ftaat. 


13: 

Als wy de Malie sletom laten rotten , 
konnen wy op die zelfde wyze vlug-zout van 
de zelve bereiden. Maar dewyl de Indigo on- 
der deszelfs bereidinge zo ongemeen geflagen 
is geworden , zyn deszelfs olyachtige delen , 
of zo als andere zulks noemen deszelfs {ulfer- - 
achtige delen , dieeven gelyk alsdeszelfs zout 

M door 


182 Natuur- en Konft-Kabinet. 


door de verrottinge luchtig gemaakt waren „ 
wederom zo ongemeen in malkanderen ge- 
klopt , dat de Indigo de geftinge , en de daer 
opvolgende verrottinge magtiglyk kan tegen- 
ftaan. lk heb in de verhandeling over de be- 
reidinge van de Indigo aangetoont , dat deze 
kloppinge en polzinge tot een zekeren trap 
bepaalt moet worden ; of dat de gehele berei- 
ding van den Indigo komt te miflukken. De- 
ze trap is het tyd-punt, in het welk de za- 
mentrekkende delen, ende door de verrottinge 
geexalteerde oly-delen en vlugge zout-delen we- 
derom tot een wezens band zyn verenigt,en 
op die wyze de blaauwe koleur uitmaken, 
Maar zo ras als wy door het wederom aan- 
ftellen van een nieuwe geftinge of verrottin- 
ge, dezen wezensband komen te ontbinden, 
worden die zelfde vaftgeknevelde, maar te 
voren geexalteerde en door de begonne ver- 
rottinge los gemaakte olyachtige delen en vlug- 
ge zout-delen ontbonden. 


Ig. 

Dat de Indigo oid is tot de geftinge , 
warden wy gewaar in de blaauw-kuipen. De 
paftel integendeel is zeer gereed tot het in= 
gaan van inwendige werkinge, en zagte gef- 
tinge , en word daarom ook zeer bekwaam 
gevonden om de Indigo, die by dezelveinde 
blaauwkuip gemengt werd, mede aan het wer- 
ken en aan het zagtelyk geften te helpen. Als 
wy de Indigo met pis mengen , en in digeftie 
of meukinge (tellen, konnen wy dezelve ins- 
gelyks aan het gelten, inwendig werken, a 
zelfs 


{ 
| 


| 


) 

Angufius — — December 1722. 183 
zelfs tot de verrottinge overbrengen , gelyk 
als zeer wel bekent zal zyn by de lief hebbers 
dewelke weten, wat de blaauw verwersdoor 
de pis-kuip verftaan. Uit aanmerkinge van 
de fyne en zeer doordringende delen dewel- 
ke in de Indigo gevonden worden , en waar 
door dezelve bekwaam is om te verwen, en 
door te dringen, oordeeld de uitmuntende 
* Joannes Rat dat de Indigo zeer bek waam is te- 
gens de geelzugt, en de verftoppingen. vande 
lever, op de zelfde wyze als de faffraan. Maar 
wy moeten te gelyk in aanmerkinge nemen, 
dat de Indigo wel met de Saffraan over een komt 
ten opzigte van fyne en doordringende delen , 
maar geenzints ten opzichte van wrede en za- 
mentrekkende delen ; die inde Indigo zeer over- 
vloedig gevonden worden. Ook zyn de delen 
van de Indigo meer {nydende , en veel fcherper, 
en harder, als dievan de faffraan, die molliger 
en zagter zyn. De fcherpheit en corrofyf heid, 
die in de Indigo gevonden word , is de oor- 
zaak dat voor dezen de Indigo wierd aange- 
zien voor een fenyn volgens de aantekening 
van D, Tancredus Robinfòn, 


f Is. 
_Zommige, Eik als onder andere D. Mx- 
raltus, verheffen den Indigo ongemeen in de 
genezinge van een al te {terken kraam-ont- 
lafting. Als ook in verfcheide zoorten van 
buikloop. In het uitzakken, en in de verflap- 
pingen van de vagina uters. De hete vloey- 

M 4 in- 


® Vid. Hiftor, Plantarum Lib. XVIII Cap: 4 


284 Natuur-en Konft-Kabinet xe 


ingen van een gele en fcherpe gal maken 
dikwilks aan de benen der oude lieden , of 
in ligchamen die vol fcherpe, hitzige, en gal- 
achtige humeuren, of van een hete lever zyn, 
of in de hete fcheurbuik , een rode en glin- - 
fterende roos , die zomtyds zeer pynelyk is. 
Als op dezelve het poeder van de Indigo ge- 
ftrooit werd, verdwynd de roos , de pyn, en 
de fwellinge. dikwils zeer haaftiglyk. Maar 
ik zoude aan geen regt fchapen geneefheer , 
heelmeeftet, of wie het ook zoude mogen zyn 
raden, oit op diergelyk een wyze de rooste 
genezen. Zommige gebruiken in de plaats 
van den Indigo tegen diergelyke roos , zelfs 
zonder onderfcheid waar dezelve zich ook 
mag komen te vertonen , terwen-meel ryke- 
Iyk doormengt met blaauwzel ; en zy gelo- 
ven dat zy hen wonder wel gekweten heb- 
ben , als zy door diergelyke te rug kaatzende 
middelen de roos zien verdwynen. Want zy 
weten niet dat zy de ziekte geenzints gene= 
zen, maar alleenlyk of van plaats doen veran- 
deren , of dikwils de oorzaak zyn , dat de 
ftof zyn eigen kookkeuken de lever aangrypt , 
verteert , en den zieken door den tyd komt 
te doden , daar ik hier tot Amfterdam ver- 
fcheide droevige uitkomftten van gezien „ en 
aangetekent hebbe, en ook in myn Boek over 
de natuurlyke Hiftorie van de gal nader zal 
verklaren. De onvoorzigtigheit, om de roos 
door verkoelende en te zamentrekkende mid- 
delen te repelleren, gaat by zommige zo verre, 
dat ik zulks dikwils hebbe gezien en belet, 
zelfs in de bel-roos, Het rabraken van dege- 
nees- 


Augufbus, —— December, 1722. 185 
neeskouft en heelkonft is hedendaags zo alge- 
meen, datwy diergelyke dingen moeten zien, 
zelfs van menfchen , die door duizend loos- 
heden, liften en geblankette vertoningen een 
groot gerugt by ’t gemeen weten te verwek- 
ken ; het welk in de plaats van op‚hunne'be- 
dryven en ongelukkige verregtingen agt te ge- 
ven , zich niet zelden aan den íchyn en op- 
Ear Fanfaronnades vergaapt , en blind 
kykt. , 


16. vs 

_ Wy hebben in onze voorgaande verhande- 
lingen over de Indigo aangetoont, dat de blaau- 
…_ we koleur van die vrrmaerde verfltof by uit- 
ftekentheid bettendig is. Maar wy hebben van 
die zaak zelfs ook een kragtig bewys door 
deszelfs gebruik in de geneeskonft. Want 
als de Indigo ingenomen word, geeft dezelve 
niet alleen een groen-blauwe koleur aan het 
menfchelyke water dat uit de blaas gelooft word, 
maar zelfs ook een groen blaauwe koleur aan 
het vlees en in het aangezicht van den genen, 
die dezelve komt te gebruiken. Ik heb on- 
__dervonden dat de me-krap ingenomen zynde, 
een {choon rode krab-koleur mededeelt aan 
het menfchelyke water, maar echter tot noch 
toe niet waergenomen, dat zy zulks ook doed 
aan het vlees , of aan de uitwendigen koleur 
van den opperhuid. Het is waar wy vinden 
verfcheide dingen dewelke in het menfchely- 
ke water voortbrengen verfcheide reuken en 
koleuren, zelfs. zommige zaken die enigzints 
de koleur van de opperhuit en het vlees kon: 


M 5 nen 


186 Natuur- en Konft-Kabinet 


nen doen veranderen , maar zulks gefchied door 
delndigo zeer baarblykelyk. 


17. 

De vermaarde Geneesheer en uitmuntende 
Natnurlyke Hiftorie-Schryver Martinus Lifter 
heeft de Indigo voorgefchreven tegens degeel- 
zugt en het graveel. Die Schryver verhaalt 
dat een vrouw die vyftig jaren oud was, om-- 
trent drie jaren lang fwaar was aangetaft ge- 
weeft van een geelzugt. Dat de koleur door 
het gehele ligchaam zeer geel was : Dat het 
water niet alleen zeer weinig maar zelfs van 
een faffraan-gele koleur was, met een fwoe- 
gende Ademhalinge, gefpannen buik, en Hy- 
pochondria, de afgang wit van koleur, in de 
mond fprouw ‚en het ligchaam zeer verma- 
gert. Aan deze ziekte {chreef de Heer Lifter 
voor een Drachma Indigo van Barbados en 
liet dezelve daaglyks in die hoeveelheyd in de ge- 
daante van pillen innemen. Door ’t gebruik 
van deze pillen begon de zieke daatlyk over 
vloedig genoeg te wateren, en kort op het 
gebruik der pillen veranderde de heldere en ge- 
le koleur van het water in een donker groe- 
ne koleur. Ook was de koleur van het aan- 
gezicht van deze vrouw uit het geel naer het 
groen gekeert. Zelfs vertoonde zich den da- 
gelykfche afgang groenachtig. Na dat de Heer 
Lifter het gebruik van de Indigo-pillen enige 
dagen kwam uitte ftellen en ondertufchen , 
eenige puergeer-pillen liet gebruyken ver- 


* Vid. de fontibus medicatis Anglie Exercis 
tatio altera. 


Auguftus — December 1722. 187 
verdween niet alleen de groenheid , maar het 
water wierd wederom als te vooren helder en 
fatfraan-koleurig van gedaante. Na de pur- 
geer-middelen gaf de Geneesheer wederom de 
Indigo-pillenals tevoren, en ’t water wiert we- 
derom uitden groene {wartachtig ; maar echter 
minder gekoleurtals in den aanvang. Door de- 
ze en enige andere geneesmiddelen waar on- 
der de Spaanfche of Jerufalemíche zeep wel 
een van de voornaamfte was wierd den hon- 
ger herftelt, de koleur van het water zo wel 
als defzelfs Confistentie als die der gezonde 
en de Ademhaling verbetert. 


Ig, 

Uit de bovengemelde Aanmerkinge blykt 
genoegzaam dat de Indigo ingenomen zynde 
niet alleenlyk komt te verwen de zappen ,uit- 
laftingen maer zelfs ook de huid. De reden, 
waerom de Indigo in deze zieke geen blaau- 
we maar een groene koleur verwekte , was 
de geelheit van de geelzucht. Want geel en 
blaauw maakt groen. De heer Lifter (preekt 
noch van een andere vrouw, die op het minft 
anderhalf jaar met een geelzucht beladen was 
geweeft, en die door het gebruik van de In- 
digo en de Spaanfche zeep gelukkig herftelt 
wierd. In deze zieke vertoonde zich ook het 
verfchynzel van de groene koleur, waar door 
de voorgaande ondervindinge beveftigt wierd. 
Maar als ymant een proef beliefde te nemen 
van deze zaak in een dier, zal hy ondervin- 
den, dat de Indigo als de zelve overvloedig in= 
gegeven werd, niet alleen het vermogen heeft 
van het vleis en de huid groen, maar zelfs om 

) blaau» 


188 _ Natuur-en Konft-Kabinet, 


blaauw van koleur te doen werden. Het fcheí- 
vogt van de maag , en het pis-zout van onze 
zappen , beftaart uit zodanige werkzameen door- 
dringende delen, datdaar door byna alles wat 
wy komen te nuttigen van koleur en hoeda- 
nigheden verandert word. Maar de koleur 
van de Indigo is zodanig beftendig tegens den 
aanval van deze delen , dat dezelve byna on- 
veranderlyk voor dezelve fchynt te blyven en 
te beftaan. 


ek 

De Indigo worá wel voornamentlyk van 
zommige Geneesheren van London , ook noch 
in verfcheide anderen gevallen voorgefchre- 
ven. Maar dewyì wy overvloedig genoeg 
voorzien zyn van hulpmiddelen tegens die ziek- 
tens, die veel aangenamer en veiliger voor het 
gebruikt zyn, behoeven wy ons tegens dein- 
wendige ongemakken en ziektens, van de 
wrede kwaadaardige en zamentrekkende Indigo 
geenzints te bedienen. Deszelfs uitwendig ge- 
bruik kan in verouderde {weren , flymige en 
taye gefwellen, verhardingen , zugtigheid, en 
diergelyk gevallen met meer geruftheid toege- 
ftaan worden ; als maar acht gegeven word, 
dat wy door deszelfs uitterlyk gebruik niet 
komen na binnen te jagen heumeuren, dieop 
inwendige en voorname ingewanden komente 
vallen , en aldaar grote ongemakken te ver- 
oorzaken. Het welk in acht genomen moer 
worden in het gebruik van alle te rugdryven- 
de hulpmiddelen. 


29. 


dAuguflus — December 1722. 189 
“20. 


De Indigo is van een zeer goed gebruik in 
„de verligterykunde , om vande zelve water- 
verf , en zelf zeer goeden fchryf inkt te ma- 
ken, die beftendig en aangenaam blaauw van 
koleur is. Om van de Indigo blaauwe fchryf 
inkt te maken kan dezelve ontbonden worden 
met wit van Ey, het welk te voren zeer langen 
tyd geklopt is. In de plaatsvan het Ey-wit, 
kan gebruikt worden een matig vet gomwa- 
ter, het welk toegeftelt is van water en Ara- 
bifche gom. Zodanige fchryfinkt of water- 
verwe kan door byvoeginge van andere zap- 
koleuren zo veel in tinten verandert worden 
als onsbehaagt ; gelyk als by voorbeeld blaauw, 
„purper, violet, groen, enz. Als wy een be- 
kwaam geel voegen by den blaauwen inkt die 
van Indigo gemaakt is verkrygen wy een inkt 
die groen van koleur is , en die zo hoog of 
laag gekoleurt kan werden als ons behaagt. 

Door het bydoen van fchulp-wit by den In: 
digo , konnen wy een inkt maken , die He- 

_mels blaauw van koleur is. Door het byvoe- 
gen van de befte karmyn by de befte Indigo , 

konnen wy eenfchryfinkt maken van een uit- 

- muntende fchone paarfche koleur. Wy geven 
aan deze water-verwen den naam van inkt 

om dat met dezelve gefchreven kan worden, 
als ook om daar in nate volgen het gebruik, 

anderzints betekent het woort inkt gemeenlyk 

fwarten fchryf-inkt, Wy konnen verfcheide 

blaauwe ‘fchryf-inkten maaken uit alderhande 

bloe- 


z9o Natuur-en Konft-Kabinet, 
bloemen als Irias „koren bloemen, violen , bef- 
zen enz. Zy parzen het zap uit dezelve, en 
mengen daar in een weinigje Aluin, als wan- 
neer het met een weinig gomwater bekwaam 
wort gemaakt om mede te fchryven. Ande- 
dere wazemen zodanige zappen zagtelyk uit, 
om dezelve te beter te konnen bewaren , en 
als zy dezelve nodig hebben om te fchry- 
ven fmelten zy een weinig met gom-water. 
Andere wazemen zodanig een _uitgeperft 
zap op drie vierde , dan werpen zy in 
het zelve plukzel van linden , dat in pis 
nat gemaakt en gedroogt is; dit plukzel door- 
drongen zynde laten zy in de zon droog wor- 
den, eù wederom op een nieuw door dringen 
met het gemelde uitgewazemde zap ; zulks 
hervatten zy driemaal en bewaren het geko- 
leurde plùkzel tot hun gebruik. Als zy blaau- 
we fchryf-inkt van noden hebben , laten zy 
een weinge van ‘het plukzel uitweken in gom- 
water tot een bekwamen inkt, Andere laten 
de bloemen , uit dewelke zy de blaauwe ko- 
leur trachten te trekken , een dag uittrekken in 
helder, en doorgeklinft Citroen-zap. Het ge- 
koleurde Citroen-zap fcheiden zy af, endam- 
pen het zelve zeer zagtelyk uit, om de koleur 
tot het gebruik te bewaren. Als wanneer zy 
een weinig met wit van ey of gom-wa- 
ter mengen tot bekwame fchryf-inkt , of wa- 
terwerf. Wy konnen ook door een begin- 
nende verrottinge op de wyze als gefchiet 
omtrent de wede , of paftel, en-de Anil , of 
de Indigo blaauwe koleur maken. Maar ik 
zal deze dingen fparen tot de vierde en laaf- 
te 


Auguflus — December 1722. Tot 

‚te verhandelinge van den Indigo, Wat het 
bereiden van het gomwater belangt , kan ge- 
nomen wordeeen deel heldere Arabifche gom, 
en zes delen water, als de gom zagtelyk ge- 
fmolten is word dit water door ‘gedaan en in 
een glas bewaard tot het gebruik , en kan na 
de dunheit of Iyvigheid van de koleur , die daar 
mede gemerigt word , altyd verdunt worden. 
Zommige koken ‘hetgomwater eensligtjesop , 
dewyl zy oordeelen , dat het zelve dan veel 
beter kan duren. Maar dan moeten wy meer 
als zesdelen water by een „deel gom mengen 
voor het wegwazemen, dat onder het koken 
gefchied. 


21. 


_ Zommige gebruiken het wit van eyeren in 
de plaats van gomwater. Het ey-wit isin- , 
‚_derdaad een kragtige lym. . Want als het zel- 
ve wel geklopt en met levendige fteenkalk&n 
beflagen is, kan het zelfs gebruik worden voor 
een hegt-Cement, om gebroke paftelein, ge- / 
broke horens en fchulpen , die om hunne by- 
zondere gedaantens of koleuren in waardege- 
houden worden , ‘en zelfs gebroken glas aan 
malkander te hegten. Om met het ey-wit 
fchryf-koleuren of water-verwen te bereide , 
word het zelve eerft geflagen met een lepel, 
of iets diergelyks , zo lang tot het komt te 
verkrygen de dunheit en vloeibaarheit van wa- 
ter. Dan word de Indigo of andere verf- 
ftof met het zelve gevreven , tot de Confis- 
tentie van {chryf-inkt of van waterverf. Dewyl 
het 


Rade ond atol Va DM AE 


- 


zoz _ Natuur en Konft-Kabinet, 
het ey-wit de bedervinige en rottinge onder» 
worpen is weten zommige het zelve zodanig 
te bereiden , dat het lang kan duren. Zy 
nemen het wit uit eyeren , en gieten op het 
zelve zonder het dun te kloppen omtrent een 
dartigfte gedeelte zeer goede wyn-azyn. Met 
dezen Azyn laten zy het zelve vier en twin- 
tig uren ftaan. Daar na doen zy het zeer voor= 
zigtiglyk door een fyn linden doekje vloeyen, 
wel zorgdragende dat het wit niet komt te ver- 
breken uit zyn aan een fchakelinge. Nader- 
hant laten zy dit doorzygzel nog acht dagen 
ftaan , en doen het wederom door het linden 
vloeyen als te voren , en bewaren het in een 
ftene kruikje , of in een digt gefloten flesje , 
„tot het gebruik. Als by de íchryf-inkten en 
OP paver-koleuren, die zulks verdragen konnen, 
“een weinigje Aluin gedaan word, wordenzy 
opgeheldert. 


Einde van de Maanden Aug== Decemb. 1722. 


KOR- 


N 4 

KOR TEN INHOUD 
Van *t zevende Deel, of van % jaar beginnende 

metde maanden Januaryen February 1722, 

en eindigende met de maand Decem- 
ber van ’t zelfde jaar incluis. 

Men de Agttiende verhandeling van de Algemene Na- 
 twurlyke Hiflori-Schryvers, 1. Onderzoek of nier 
wel zommige lichamen in hunne beweginge ver- 
__haaft of vertraagt werden ‚na dat de lucht, waar 
in dezelve zich bewegen ‚ meerder of minder in- 
edrongen of verwydert is. 2. De Slingers be- 
wegen langzamer in een dikker als in een dun- 
der lucht. 3. De lucht is het middel waar door 
het geluid tot ons gehoor werd overgebragt , 
daar in geholpen wordende door een ander we- 
zen dat fynder els de lucht is. 4. Van den dienft 
van de lucht en het onderaardfche vuur in ’ op- 
heffen van de dampen en uitvloeizels der aarde, 
5. Als twe ligchamen vaneen ongelyke grote 
_evenwigtig zyn in de lucht, zullen zy hun even- 
wigt verliezen in het water. 6. Een zeer aan- 
gename wyze om de lucht te wegen. 7, De de- 
Ten van het water zyn doordringender als die van 
de luche. 8. Bewys van de ongehoorde kragt van 
„een heet gemaakte lucht. 9. De proportie vande 
_fwaarte tuflchen het water en de lucht ro. De 
lucht fchyntop alle plaarzen niet even (waar van 
gewigt te zyn. ir. Een zeerdienftig werktuig 
om de proportien van de fwaarte tuflchen ver- 
fcheide vloeibare ligchamen te vinden. 12. Het 
kwikzilver is veertienmaal fwaarder als het wa- 
ter. 13. Van de hoogte des Dampkrings. 14. 
In de lacht gebeuren ontelbare afteratien daar 
__de menfchen geen gedagten van hebben. rs. De 
eerfte ontdekkinge van her licht der lichtende 
Barometers, nachtligtertjes enz. 16, In de lucht 
worden verfcheide delen gevonden , die de ftra- 
N len 


KORTEN INHOUT- 


len van het lient konnen verbuigen. 17. In de 
lucht worden vezfcheide wezens gevonden dewel- 
ke konnen dringen door hert glas en andere lig- 
chamen. 18, Een manier om yste maken door 
zout en (neeuw. 19. Het bevrozen water heeft 
de kragt om de meralen te doen barften. Zom- 
mige proef ondervindingen mer verfcheide die- 
ren in een lucht-ledige recipient. 21, Van den 
dienft des luchts in de ligchamen der menfchen 
en der dieren: 22, Brief vanden Here D. G.F ah- 
renheit aan den {chryver,over enige zakendie 
in acht moeten genomen werden , omtrent het 
toeftellen der Barometers. 

2. Zevende verhandeling wan de Byzondere Na- 
zuurlyke Hiftorie-Schryvers. zv. De Natuurlyke 
Hiftorie van de Indigo. 2. De indigo verfcheelt 
veel van malkander in deugden kragt- 3- De 
kennifze van't gebruik van de Indigo kan door 
cen dieper natuurkuudige befchouwinge van de 
zelve nader opgeheldert worden. 4. De konft 
van Indigo te maken is zeer ouc. s. Zulks werd, 
bewezen uit Diofcorides , Arrianus, Plinius, Vi- 
truvius , Galenus, Panlus Zgineta,enz.enver- 
fcheide plaatzen van deze fchryvers werden op- 
geheldert en verklaart. 6. De Schryvers dewelke 
de Anil of Indigo-plant met de Jfatis of paftel- 
plant verwert hebben worden verfchoont. 7. De 
Oude hebben het kunsje al gehad om de Indigo 
te vervalfchen. 8 Dit werd bewezen uit Plini- 
us 9 Valerius Cordus word geprezen, to Ver- 
fcheide dwalingen van zommige Uitleggers van 
Diofcorides te regt gebragt. 11. De Griek- 
fche en Larynfche fchryvers hebben of niet ge- 
weten den Indigo plant, of gemeent dar, de In- 
digo in Ooft-Indien van de J/atts of wede ge- 
maakt wierd. 12. De Arabifche Schryvers hebben 
de Anil of Indigo-planr gekent. z3. De Tnmqen: 

ers 


KORTEN INHOUT. 
ders van Barbarìen fcbynen de eerfte geweeft te 
zyn die de Indigo-kwekery van de Indianen ge- 
leerd hebben. 12. Van den koophandel der Fc- 
niciersén derzelver volkplantinge te Carthago. 13 
De Indigo wierd volgens de geruigenifze van Pli- 
nius te Rome zeer duur verkogt. 14 Van den gro- 
ten koophandel der oude Egyprenareu, Pheniciers 
en Carthagers. 16. Befchryvinge van her purpurif- 

_fitm of purper-lak der oude. 16. Verfcheide zoorten 
van purper lák. 17. Befchryvinge van de Grana- 
kermes of 't karmozyn-grein. 18. Van de Con- 
chenilie. i9. Van het Koninglyke purper der ou- 
denen deszelfs zoorten. zo. vande purper vis. 21. 

Befchryvinge vande I/etis of wede. 22. befchry- 
vinge vânde AnilofIndigo-planr. 23 De Anilis 
een onder geflagt of planrgewas op zich zelfs, en 
in verfcheide zoorten verdeelt. 24. Van de plant- 
gewalzen mert vlinder-bloem. 25.De Anil van 
Geylon,van Malabar,vän Brafyl,‚van Mexico, van 
de vooreylanden van Amerika, van Madagafzar. 
‚26. Voorrelinge vân Anil kier telande. 27. Vande 
Anil vân Batavia. 28. Bricf van den Here Hendrik 
van Râäát aan den Schryver over de verfcheide 
zootrten van Indigo. 

3. Negentiende Verhandeling van de Algemene 
Natzurlyke Hiftori-Schryvers. 1. Een twede brief 
van den Here Boyle over de lucht deszelfs (waarte- 
kragt en Elafticiteit. 2. De Elafficiteit of te rug- 
dryvende kragt van deluchris in kragt egaal mer 
deszelfs fwaarte-kragt. 3. Zulks word bewezen 
met verfcheide Bonder dijken. 4. hoe ecu 
blaas of ronde glaze bol aan ftuk barft door de £- 


_dafticiteit vân de lucht. 5. Een weinigje lucht kan 


éen ongelooflyke kragtocffenen doot deszelfs £- 
lafticiteit. 6. Nader wederlegginge van de vercier- 
de afkeer van hetledigedoor verfcheide proef on- 
dervindingen. 7. Verfcheide proeven om door 


2 mid- 


KORTEN INHOUT. 


middel van de lucht te ontdekken de proportie 
van de fpecificgue (waarte, de welke de vogrten 
onder malkander hebben. 8. Een zeer naaukeuri- 
ge proef om te ontdekken tot welk een hoogte de 
lucht her water komt op te parzen in een lucht- 
ledige plaats. 9. De Befchryvinge van een lucht- 
verklikker. ro. Het tin beneemr de vloeibaerheit 
van her kwikzilver. 1x. Her zoude zeer dienftig - 
zyn, dat op veel plaarzen te gelyk wierden waar- 
genomen de veranderingen vanden Dampkring, 
en van het weer. 12. Dat wy maar in een zekere 
hoogte van den Dampkring konnen leven. 13. 
Van de hoogte der hoge bergenen inzonderheid 
vaa de piek van Kanarien. 14. Een tegenwerpinge 
vande pfeniffen wederlegt. 15. Konft om het wa- 
ter uit Zich zelven te doen opklimmen in de hoog- 
te. 16. Aanmerkinge over het opklimmen der kri- 
ftallen aan de binnen wanden der vaten. 17. Hoe- 
danig de licht komt te werken in her bloed kop- 
pen, emin hecftellen van blinde kopyen. 18. Van 
de fyne hoofdfítof van den vermaarden Deskartes, 
19. lu de grote tuflchen ruimtens der wereld , 
maan , planeten , zon , vatte fterren ‚ worden ver- 
fcherde zoorten van fyne ftoffen gevonden. zo. De 
Heer Coyle heeft verfcheide proeven in’: werk ge- 
ftelt om de fyne hoofdftof van Deskartes te oat- 
dekken ‚ maar heeft dezelve nergens konnen vin- 
den. 

4. Agfte verbardeling , van de Byzondere Na- 
tuurlyke Hiflori-Schryvers. 1. Van de Bereidinge 
van de Indigo. 2. Hoe de Indigo-tuinen toege- 
ftelt, en de Anil gezaaid werd. 3. Dar de Anil na 
verloop van drie ‘maanden voor de eerfte maal ge- 
fneden werd, en zesweken daar na voor de twe- 
de maal.4.De Anilis zomrtyds geplaagt met eenze- 
ker zoort van rufpen,die in eue nacht voortgereelt 
worden en alles bederven. 5, hulpmiddelen daar 

Gaf tegen 


KORTEN INHOUT. 


tegen gebruikt. 6. Befchryvinge van de Indigo- 
„bereidery.7. Een zeer naaukeurige befchouwinge 
van de verrottinge en deszelfs wonderlyke uit- 
werkingen. 8. De Anil geeftonder de verrottinge 
een onverdragelyken ftank. 9. De {maak van her 
kruid Anil is zeer bitter. ro. Van her tyd-punt in 
het welke de Anil-pap’deszelfs (choneen beften- 
dige blaauwekoleur aanneemt. 1r. Het naaukeu- 
zig acht geven op diergelyke tyd-punten heeft 
plaats in her bereiden van zeer veel {toffen. 12. Het 
gebruik ven de boom-oly in her mìaken vande In- 
digo. 13. Hoede Ind:go gedroogt en in tabletten 
elneden werd. 14. De Indigo kuipen moeten van 
Bid gemaakt werden. 15. Vaneen takje van de 
Anil-plant dar in Weft-Indien geplukt en mer 
peultjes en Indigo-zaad voorzien is 16. Dar de In- 
„digo van St. Domingo tegenwoordig by ons 
meeftin’r gebruik , en van verfeheide zoorten of 
hever fortimenten is. 17. Verfcheide proef onder- 
vindingen van den Indigo met verfcheide vogren ; 
zo om te ondekken deszelfs ver va!finge als de be= 
ftendigheid van deszelfs koleur. 18 De koleur van 
de befte Indigo moet violet zyn. 19. De ligtfte In- 
digo is de-befte. zo. De zeer witte (chimmel is 
een teken van de Deugdzaamheid van de Indigo. 
x1. Dedeugd van de Indigo kan ook ontdekt wer- 
den door het vuur. 22. Waarom de (wart-verwers 
hunue befte ftoffen eerltmer de Indigo blaauw-, 
verwen. 23. Dar de Indigo niet alleenlyk is een 
zeer magtige verwftof , maar dar deszelfs blauwe 
_koleur een van de beftendigfte des werelds is. 24. 
Een grein befte Indigo kan}aan soo grein water 
een hoge blaauwe koleur geven. 15. Vande Indi- 
gomakeryen in het land van den groten Mogol. 

s. Veertiende verhandeling van bet Goud. 1. Be- 
fchryving van de ‘Juweliers konft. z. De Juweliers 
kon{t moet verdeelt worden in verfcheide weten- 

N 3 fchap- 


KORTEN INHOUT. 


fchappen ; diecen goed Juwelier behoortte ver- 
Maan: als dekennifzeder ftenen : De Diamant- 
zagersen ook Snyders konft : de Diamant-klie- 
vers-kunft: De Diamant-flypers-kunft : De Ju- 
weelzetters-konft : het Grofzerters hahdwerk ;de 
Robyn-{lypers-kunft; de bereidinge der foeliensde 
Amolieer-kunft;het maken van de gekoleùrdefte. 
nen ; het infchilderen in de ftenen mer zappenenz. 
3: Een verhandeling vande ftenen in 't algemeen. 
4. De voornaamfte Schryvers die over de ftenen 
gefchreven hebben werden gemeld. 5. belofte van 
den {chryver om in zyne verhandelingen over de 
ftenen den groten rykdom van de Natuur, en des- 
zelfs veranderingen enfpelingen meer na te vol- 
gen , alseen fchool{che of armhartige leer-ordre. 
6. Van her ongemeen onderfcheid van groot en 
klein onder de ltenen. 7. Van het wezentlyk ondere 
fcheid der ftenen ten opzigte van harten zagt,van 
door {fchynend eù ondoorfchynend , van geko= 
leurd en ongekoleurd. 8 De Stenen werden ondet- 
fcheiden in Stenen, Edele gefteentens en Geïmmen, 
9. De ftenen zyn levendige ligchamen of deelge- 
noten van her vegetable leven. ro. De ftenen heb- 
ben hunnen oorfptong uit vlocibaare of zeer zag- 
te wezens. 11. Dat de Îteen-zappen geen enkeld 
water zyn word door vergelykinge getoont. 124 
De fteneu verkrygen hunne koleuren door Mé- 
tallyne en Minerahfche uitvlocizelsen dampen 13. 
De Edele gefteentens groeyen meeft in mineraal- 
ryke land{chappen. 14. Befchryvinge van de zeep- 
fteen. 15. Vande koleuren der bergfteenen , en 
hoe die vah de metaal-dampeén voorigebragt wor- 
den. 16. De mineraal-dampen zynaltyd niet van 
water ontbloot. 17. Zommige ftenen zyn zodanig 
magtig van koleur, dar zy voor verfftoffen ver- 
ftrekken. 18. Befchryvinge van verfcheide fchoon 
gekoleurde ertzen, aardens ; en zelfs berg-zou- 

ten 


US vald à 


_ KORTEN INHOUT. 


ten; Ì -kryfallen. 19. De koleuren konnen door 
fcheivogten uit de Edele gefteontens getrokken werden. 
zo. De koleùur=n der Edele gefteentens werden door den 
tyd vermindert hoe wel daar toe im zommige verfcheide 
k 7 wen vereifcht werden, 21. Van de ftenen met gemeng- 
de koleuren als de Sardonnyx Agaat. ENZ. 22, in de gem- 
„men moeten de koleuren niet gehouden werden voor ge 
flagts kene „ maar alleeulyk de graden van har-, 
digheid, 23. Van de kammen en doornen diein zommige 
fenen gevonden werden. 24. Van de konft om inde fte- 
nente fchilderen. 25. De harde Diamanten zyn de be- 
fmettinge van verfcheide koleuren onderwurpen. 26. Van 
Ss kraait: fwaartc van zommige Edele gefteentens, CO, 
vericheide ben yzen, dat zy, Meralijn zyn. 

6. Twintigfle verhandeling van de Algemene Natuurlykg 
Hiftori-Schryvers. x. De Natuurlyke Hiftorie van de 
‘fucht werd vervolgt. 2. Van de verfpreidinge van de 
klank in een lucht-ledige plaats. 3. Enige reden wikkin= 
gen van den Schryver over het vermogen van de getezz- 
perheid, des luchrts in het veranderen van de klanken. 4. 
Van de fpring-glaasjes. Der zelver bereidinge en aan= 
ftakbarftinge. s. Brief van den Here D. G. Fahrenheit, 
aan den fchryver over de lichtende Barometers ‚ en O- 
verdekentekenen vaneen goeden Barometer 6. Proef 
ondervindinge van twe gepolvfte marmerfteentjes,waar 
door komt te blyken dat de drukkinge van de lucht in 
een bepaalde hoeveelheit van kragt beftaat. 7. Derde 
Brief of verhandelinge van den Here Boyle over delucht, 
8 De lucht fchyat zich te verenigen of in te wikkelen in 
veelderhande ligchamen. 9. Duet de lucht deor ver- 
{cheideswerkdaden van de Natuur uit zodanige ligcha- 
men wederom kan losgemaakt worden. 1o Van het voort- 
brengen vande lucht uit verfcheide zaken in een lucht- 
ledige recipient. 11. Refchryvinge van een lucht peilder , 
waar dooraltyd de hoeveelheit vaa de lucht ontdekt. werd; 
die door konft voortgebragcis. 12 OP welk een wyze 
een grote hoeveelheit van lucht kan voortgebragt wer- 
den in een lucht-ledige recipient uit brood, uit gekneusde 
„rozynen, uit rype peren, uit rype preimen, uit gekneusde 

druiven, uit moft; uit gekookte cn rauwe Appelen enz, 
_7. voftiende verhandeling van het God waar in de Befchryr., 
vinge van de Juweliers konft vervolgt werd door een twe- 
de verhandeling over de fteaen in ’t Algemeen. FE De 
ftenen groeyen in de gronden door verfcheide wyzen , 
en zeer vele tot bepaalde en zeozerijche gedaantes. 2. 
Uit de nauwkeurige befchouwinge van deze zaken kan 
eelt 


KORTEN INHOUT. 


leerling van de Juweliers-konft verkrygen een diepe 
kennifze vandeedele gefteentens, en van de gemmen. 
g. De felfftandigheid En ftenen beftaatuit grein dat als 
een keper regelmatig of onregelmatig gefchikt legt. 4. 
Zommige ftenen zvn te zamen geflelt uit zeer dunne en 
opmalkander leggende blaadjes of fchilletjes. 5. Defte- 
nen hebben behhalven hennen joop van grein „ vezelen 
en draden, ookzomtyds hunne naden aan een hegtin- 
gen van fibren, kwaften kammen, doornen, enz. 6, De 
Stenen konnen onderfcheiden werden in harde fteen-ge- 
wafzen „ brofze fteen-gewafzen en middelmatig harde 
fteen-gewafzen. 7. De verdelinge der ftenen door Ben- 
neveruto Cellini. 8. Zommige ftenen groeyentot een 
teerlings gedaante, andere met vyf zydige oppervlak- 
rens, andere van een cylinder gedaante, andere pyra- 
midaal , andere met fchorzen , andere als merg tuf- 
fchen twefchorzen. 9, het Kryftaal groeid tot zeskanti- 
ge kolommen. ro, De Diamanten met driehoekige op- 
pervlaktens, 12. Zommige ftenen groeyen van binnen 
in andere fteen. 13 Van de gedaantens der bergen en 
fteen-rotzen. 14 Beïchryvinge van de Saxe. 15 Befchry vin- 
ge van verfcheide zoorten van Saxe met fchone koleuren. 
16. Van de ftremmende fteen-zappen. 17 Van de potte- 
fteen,18 Van de zantfteen. 19 Van de tufi-fteen. zo Vande 
vuur-fteen „en derzelver verfcheide zoorten, gedaantens, 
koleuren enz. z1 Van de molenfteen, derzelver verfcheide 
zoorten en aan- merkelyke wyze van voorttelinge, 22 
Van de kalk-fteen en deszelts verfcheide zoorten. 23 
Van de Gyps-fteen en deszelfs zoosten en:geeftige ma- 
nier van proeyinge. 24 Van het Albaft. 25 Van het 
marmer , en deszelfs vele en verfcheide zaorten , ko- 
leuren en verwonderenswaardige gedaantens, 

8. Negende verhandeling van de hyzondere Natwurlyke Hi- 
feori-Schryvers. 1 Van het gebruik van den Indigo 2 De 
indigo werd gebruikt in de geneeskunft en ook in de 
heelkunf. 3 Francifcus Hernandez aangehaalt. 4 De 
indigo beftaat uit te zamentrekkende delen, en ook uit 
zeer fcherpe doordringende en fyne delen. 5 Bereidin 
van den indigo voor de oly-verf. 6 Vlügzout van de _ 
indigo. 7 Schryf-inkt, Waterverf en gom-water befchre- 
An, 7 ete 


4 
EN a Jun 
É Je lepe 

bof zien a UlGEË ur 


Ld 


„Augustus — December 1722 d : Fee —= laa XLI. 


Augustus December 2722 À Zab. XLI. 


Ee 
=S ne 
SS =| 


4 marin 
dd 


Lk A 
m nt Tele A 
ni be